3.1 De wereld werpt ons terug op onszelf
CONCESSIONE ALL’INVERNO
La luminosa luce, la dorata
nella pulviscolante nube, rifrangente, rosea e
se la neve aspetta dietro l’angelo
dietro il monte
dietro il rosa
tu affila i denti, i ramponi,
arrota il passo, acumina la vista ;
prova il peso del corpo, saggia l’equilibrio.
Atttendi il ghiaccio (a piè fermo) tu
nella luce.
Proprio per i vari elementi:pulviscolo
brina, freddo generale, fiato spesso.
Rose appassite, foglie, mazzi di dalie marce,
capriole del gatto.
Riflessi da ogni vetro, e la discesa della luce
omogenea, invernale, da ogni bucco di monte,
crepa di legno, spazi di sasso, E
tu acettalo questo inverno
luminoso, in agguato, invernaccio
di luce, sospeso nevischio, prolungato
favonio, incendio doloso.
Fabio Pusterla(1)
ZUGESTÄNDNIS AN DEN WINTER
Das blendende helle Licht, sein Gold
in der stiebende Wolke, rosig, gebrochen, und wartet der Schnee hinter der Ecke
hinter dem Berg
hinter ter Röte
dann spitze die Zähne, die Stollen,
straffe den Schritt, schärfe den Blick;
prüfe das Körpergewicht, probe das Gleichgewicht.
Achte (mit festem Fuß) auf das Eis in der Helle.
Eben wegen all der Elemente: Aufstieben, Rauhreif,
Kälte im ganzen, Atemhauchwolken.
Vertrocknete Rosen, Blätter, verfaulte Dahliensträusse, Kapriolen der Katze.
Jede Scheibe ein Widerschein, und der Einfall des Winterlichts
gleichmäßig herab aus den Berglücken,
Felsspalten, Ritzen im Holz. Und du
lass ihn zu, diesen blendenden hellen,
hinterhältigen Winter, das schlimme
Winterlicht und verzögertes Schneetreiben,
verlängerten Westwind, tückischen Brand.
Vertaling: Hanno Helbling

In de wereld ontdekken wij onszelf. In het gedicht van Fabio Pusterla wordt de ervaring van het landschap voelbaar en de dichter neemt de positie in alsof hij spreekt met de winter. De taal van de winter is echter hard en koud en het lichaam dat een dergelijke winter heeft ervaren, heeft er weet van. De Hongerwinter roept in Nederland nog heel veel associaties op. Via het lichaam en onze herinnering weten we wat winter kan zijn. Dat is de directe toegang tot de wereld en de ervaring dat we deel uitmaken van de wereld maar er ook van gescheiden kunnen zijn. We zouden in dat winterse landschap op dat moment anders willen, maar kunnen niet anders. De kou valt niet te ontkennen.
Een andere manier waarin we afstand van de wereld nemen, minder vanuit het lichaam maar meer vanuit de geest, is in ons denken, als we vragen stellen. Dan ontstaat er afstand. Maurice Blanchot schrijft:
“Die Frage, so sie unabgeschlossenes Sprechen ist, stützt sich auf Unabgeschlossenheit. Nicht als Frage ist sie unvollständig; im Gegenteil, sie ist das Sprechen, das die Tatsache, die in der Erklärung der eigenen Unvollständigkeit liegt, zum Abschluss bringt. Die Frage stellt die erfüllte Behauptung wieder ins Leere, sie erfüllt sie mit der vorhergehenden Leere. Durch die Frage geben wir uns das Ding, und wir geben uns die Leere, die uns erlaubt, es noch nicht zu haben oder es als Wunsch zu haben. Die Frage ist der Wunsch des Denkens.”(2)
Maurice Blanchot schrijft dat wij mensen zijn die getekend worden door het stellen van vragen. Vragen stellen komt bijna overeen met het springen over je eigen schaduw. Als we vragen stellen maken we openingen, creëeren we nieuwe inzichten die als het ware kunnen oplichten in onze verkenningen. Het stellen van vragen gaat over onszelf, wie we zijn, welke plaats we innemen in de wereld en wat de wereld voor ons is en kan betekenen, en dat voortdurend, een reis die nooit stopt:
“Wir stellen uns Fragen über unsere Zeit. Die Befragung erfolgt nicht in aussergewöhnlichen Momenten, sondern ohne Unterlass, und sie ist selbst Teil der Zeit, sie bedrängt sie, auf jene bedrängende Weise, die der Zeit eigen ist. Kaum Befragung, ist es eine Art Flucht. Vor dem Hintergrundgeräusch, das das Wissen über den Lauf der Welt hervorruft und mit dem dieser Lauf in uns jedem Wissen vorangeht, es begleitet, ihm folgt, entwerfen wir, erwacht, schlafend, Sätze, die sich wie Fragen skandieren. Was sind sie wert? Was sagen sie? Auch das sind noch Fragen.”(3)
Het stellen van vragen beheerst ook filosofen als Emmanuel Levinas en Martin Heidegger. Marc-Alain Ouaknin stelt dat de antwoorden die geen vragen meer toelaten de ‘dood in de pot’ zijn. Het vragen doortrekt ook sommige bijbelse verhalen. In die teksten komt God aan het licht op een specifieke wijze die verdere gaat dan de antwoorden die worden gegeven.(4) In de vragende mens en de vragende relatie met God komt ook het heden en de toekomst op een speciale wijze aan het licht. Een toekomst als een weg om te gaan, de weg als een weg met richtingwijzers in de vorm van geboden, teksten, aanmaningen, een route die idealen aanwijst zoals mededogen, barmhartigheid, tolerantie, begrip, liefde voor de naaste, de volksgenoot én de vreemdeling in de meest concrete zin van het woord. De naaste niet laten verhongeren, niet laten verkommeren, niet in de steek laten. Eeuwenlang zijn deze idealen op effectieve en minder effectieve wijze vorm gegeven. Maar op een bepaald moment in de geschiedenis van de filosofie lijkt het wel alsof deze vormgeving zinloos is geworden.(5) De figuur van Nietzsche is in deze ontwikkeling veelzeggend. Zijn begrip nihilisme legt ervan getuigenis af. In het denken van Nietzsche heeft dit begrip op verschillende wijzen gefungeerd, maar als we naar de inhoud kijken kun je toch tot een bepaald verstaan ervan komen dat wijst in de richting van de leegte, de leegte van de wereld en de leegte van het zelf die daarmee samenhangt.(6)
In het nihilisme hebben in feite alle idealen afgedaan. Het nihilisme zou je de verzamelnaam kunnen noemen voor het existentiële zelfverstaan dat in de wereld als zodanig geen zin gevonden kan worden want alle zin wordt er door de mens zelf in gelegd. Dat laatste wordt ervaren als een zwaktebod.(7) Als de mens een laatste bastion is, (waarop zin als het ware gebaseerd zou kunnen worden omdat die mens betrouwbaar is), als er zo een dam kan worden opgeworpen tegenover het kwaad, het onrecht, het falen, dan is er voor velen niet veel hoop want zij geloven niet (meer) in die mens. Dit soort mens bestaat niet echt. En als hij al bestaat kan hij het nauwelijks aan. De wereld en het kwaad in de wereld is te groot en te overweldigend. Daarbij is de mens is slechts passant op deze aarde en als hij ook nog niet eens deugt, is hij slechts als stof in de wind, een plukje ijdelheid, een farce met al zijn opgeblazen pretenties. Peter Strasser verwijst hiernaar als hij schrijft:
“Vom Dramatiker und Schriftsteller Botho Strauss stammt ein Gedicht, dessen Titel seltsam eindringlich klingt: Diese Erinnerung an einen, der nur einen Tag zu Gast war. Aus einer Anmerkung erfährt der unkundige Leser, dass sich dieser Titel einer Stelle der Weisheit Salomos verdankt, dem biblischen Buch (5,15): “Denn die Hoffnung des Gottlosen ist wie Staub, vom Winde zerstreut, / und wie feiner Schnee, vom Sturm getrieben, / und wie Rauch, vom Winde verweht, / und wie man einen vergisst, / der nur einen Tag lang Gast gewesen ist.”(8)
Als de wereld betekenis krijgt is dat een menselijk project. Maar dit project faalt voortdurend. De situatie in en van de wereld, het gruwelijke geweld, dood en moordpartijen, oorlogen, verdwijningen en martelingen, leggen hiervan getuigenis af. De mens slaagt er vaak niet in om op een positieve wijze de wereld zinvol te maken zonder dat er negatieve randen aan zitten. Velen zien daarom het nihilisme als het summum van neerslachtigheid, het toonbeeld van een depressieve toestand die tot geen enkele hoop leidt. Zij ervaren het als een groot gevaar van onze tijd. Als zij het nihilisme als gevaar zien, geloven zij dus hoe dan ook toch nog dat er achter of onder het nihilisme een positieve kracht kan schuilen die het nihilisme teniet kan doen. Ze weigeren te ervaren dat het nihilisme het laatste woord heeft. Maar Friedrich Nietzsche had al ontdekt dat ook dat een illusie is. Paul van Tongeren die het begrip nihilisme tegen het licht houdt bij Nietzsche schrijft dan ook:
“We lijken gedwongen te worden tot de paradoxale conclusie dat wie het nihilisme nog als een bedreiging ziet, zelf nog niet diep genoeg in het nihilisme verzeild is geraakt, en dat wie het wel radicaal realiseert, het niet meer als bedreiging kan waarnemen: wie werkelijk nihilist is, is het nihilisme voorbij.”(9)
Het nihilisme voorbij. In welke situatie ben je dan beland? In welke wereld kun je dan nog proberen om te leven op een zinvolle wijze. Als het nihilisme het ultieme bewijs is voor de leegte van en in de wereld moet je jezelf afvragen wat er dan overblijft. Ik vermoed dat een eerlijke confrontatie met dit feitelijk nihilisme, de consequentie heeft dat je terug bent bij af en dat je vanuit jezelf als het ware opnieuw moet beginnen. De leegte in de wereld maakt je bewust van jezelf, een zelf dat die leegte ervaart en tegemoet durft te treden. Een leegte van de wereld die ook in het zelf ervaren wordt en niet meer ontkend kan worden.
Heute, an einem Mittwoch der Unruhe
passiere ich die Linie mit dem Pass in der Hand
ich sehe, wie Schlagstöcke den Grenzverkehr regeln
ich sehe wie eine Faust ein Gesicht trifft
ich verändere die Uhrzeit
auf der anderen Seite treiben die Minzblätter
die Epoche pocht weiter, auf den Flachdächern
trocknet Wäsche, ein Pferd, gelenkt von Kindern
zieht eine Karre voller Weintrauben, der Schrott
aus Melilla liegt in den Läden, ich stehe hier
mit über zweihundert Knochen, drei davon
waren schon ein Mal gebrochen, ich habe
zwei Währungen, ich bin der VISA-König, ich kann
mir die Uhrzeit aussuchen, den Schrott, die Trauben
Björn Kuhligk(10)
We leven in een zogenaamde ‘postmoderne’ tijd: de grote verhalen hebben afgedaan en er is niets voor in de plaats gekomen. De nieuwe vrijheid verkregen door de verhalen bij het grof vuil te zetten, levert alleen leegte en hopeloosheid op.(11) Er is niks meer om op te hopen, er is geen redding van buiten, en ook niet van binnenuit. Ons verlangen naar een betere wereld gebaseerd op onze dromen blijkt een illusie. Zelfs ons verlangen is onderdeel van een absurditeit zoals Paul van Tongeren dit noemt. Dezelfde absurditeit waar ook Pessoa naar verwees als hij het verlangen noemt als bron van innerlijk en diep gevoeld verdriet omdat het nooit kan worden bevredigd en omdat het inzet op onmogelijke doelen. Van Tongeren vraagt zich af
“waarom we eigenlijk nog weg zouden willen uit die werkelijkheid. Heeft de ontmaskering ons niet in staat gesteld om juist eindelijk thuis te komen in die werkelijkheid waaruit we ons al te lang weg hebben gelogen? Waarom blijft het verlangen bestaan? Eigenlijk zijn we hier pas bij de kern van het nihilisme.”(12)
Peter Strasser bevestigt dit, als hij over onze tijd schrijft, over ons als erfgenamen van Nietzsche en zijn voorspellingen:
“Es wird wohl um die Zeit des Gedichts von Botho Strauss gewesen sein, Mitte der Achtzigerjahre, als die Postmoderne zum Gemeinplatz wurde. Nach der Moderne zu leben, hiess fortan, jenseits der grossen religiösen und quasireligiösen Erzählungen zu existieren. Die Heilsgeschichten, ob christlich, kommunistisch oder faschistisch, waren tot. Die postmoderne Botschaft lautete: Die Geschichte brütet nichts aus, beherbergt nichts, was den Menschen in ein übergreifendes Schicksal, ein Leben des Geistes jenseits der Wechselfälle des Lebens einbettet und mit objektivem Sinn begabt.
Solche Rede, die sich als endgültige Befreiung aus dem Mythos verstand, war zugleich Ausdruck einer Hoffnungslosigkeit, die im aufgeklärten Westen seit Langem schwelte. Bestand der Sinn des Lebens darin, vor einer Leere zu fliehen, der man doch nicht entkam? Es blieb die Sehnsucht: Nach dem Ende der Heilsgeschichte wollte niemand sein “wie einer, der nur einen Tag lang Gast gewesen ist”. Das menschliche Eintagsfliegen-Dasein war zu wenig, um am daseins gesättigt und daher, mit den Worten aus Bachs Kantate, ohne Groll sagen zu dürfen: Ich habe genug. Das Glück, das sich nicht haben lässt, solange man nach ihm jagt, war nie genug; und der Kampf gegen den Tod blieb bisher vergeblich.”(13)
Daarmee zijn we op een punt aangekomen waarop we nieuwe vragen moeten gaan stellen. Vragen die misschien de overgebleven ruimte die ons nog rest, de levenstijd die we nog hebben, opnieuw moeten verkennen, exploreren, verdiepen. De wereld brengt ons onverbiddelijk terug bij datgene en degene die wij zijn. Dat is niet zonder gevolgen. Van Tongeren zegt dat het verlangen blijft bestaan om twee redenen:
“ten eerste omdat het alle domeinen van het leven is gaan doordringen en ons hele leven dus wordt geïnfecteerd door de frustratie ervan; ten tweede omdat het in de nihilistische kritiek zichzelf bevestigt. Het is de wil tot waarheid zelf die de constructies van de wil tot waarheid tegen het licht houdt en er uiteindelijk tegen ingaat. We voelen ons aangesproken door de ontmaskering omdat die ons waar voorkomt; we blijven gehecht aan de waarheid in de ontdekking dat die waarheid niet bestaat. Zonder dit zou de ontmaskering een kwestie van wennen zijn en zou het nihilisme een korte, voorbijgaande periode zijn. Maar doordat het nihilisme zijn eigen ontkenning impliceert, doordat deze slang in zijn eigen staart bijt, of de ziekte terugkeert in de genezing, is het de ingrijpende gebeurtenis die het volgens Nietzsche is en waarvan we het einde niet of nauwelijks kunnen zien.”(14)
We moeten proberen, hoe dan ook, zo lijkt me, niet rond te blijven draaien in dezelfde cirkel die het nihilisme ons aanbiedt, een ronde vissenkom van eentonigheid en inperking. Maar kunnen we dat? Lukt dat ons? Wat is dat voor een zelf waar de wereld ons op terug werpt? Is er in dat zelf niet een overstijgend verlangen dat de frustratie van het nihilisme kan bestrijden? Met andere woorden, is er een medicijn tegen het nihilisme dat kan werken? Kunnen we zo vragen stellen die ons nieuwe inzichten opleveren en die ons verder brengen?(15) Misschien wel over onze eigen schaduw heen?
AAN DE DOOD
U komt beslist een keer. Dus waarom dan niet nu?
Ik wacht op u. ’t Wordt mij te machtig.
Ik doofde ’t licht en opende de deur voor u,
Zo simpel en zo raadselachtig.
Neem elke vorm aan die u maar te binnen schiet,
Kom mij met gasgranaten overvallen,
Of met een loden pijp, zoals een aartsbandiet,
Vergiftig me met tyfuswalmen.
Kom als een sprookje, door u zelfbedacht,
Tot walgens toe bekend uit het verleden,
Waarin steeds weer een blauwgemutste wacht
En ook een huisbaas, bleek van angst, optreden.
’t Maakt mij niet uit. De Jenisej vervolgt haar dans,
De Poolster werpt haar licht van boven.
In de geliefde ogen zal de blauwe glans
Ten slotte van ontzetting doven.
19 augustus 1939, Huis aan de Fontanka
Anna Achmatova(16)
Dit is een deel uit mijn essay: God in de leegte. Het hele essay is te lezen (eventueel te koop) (en te downloaden) op:

Noten:
1 Ibid., pp. 48-49
2Ibid., pp. 124-125
3 Maurice Blanchot, Das Neutrale. Schriften und Fragmente zur Philosophie, Zürich Berlin 2010 (Diaphanes), p. 123
4 Vgl: “Man hat vielfach hervorgehoben, dass jede Frage auf jemanden verweist, der fragt, auf dieses Wesen also, das wir sind und das allein die Möglichkeit besitzt, zu fragen oder auch in Frage gestellt zu werden. Ein Wesen wie Gott (zum Beispiel) könnte sich nicht in Frage stellen, es würde keine Fragen stellen; Gottes Sprechen braucht den Menschen, um die Frage des Menschen zu werden: Wenn Jahwe nach dem Sündenfall Adam fragt: »Wo bist du?«, dann bedeutet diese Frage, dass der Mensch nunmehr einzig am Ort der Frage gefunden und situiert werden kann. Der Mensch ist von nun an Frage für Gott selbst, der keine Fragen stellt.” Ibid, p. 127
5 De concentratie op het begrip ‘zijn’ zoals dat plaatsvindt in de filosofie van Heidegger is volgens Emmanuel Levinas daarvan een voorbeeld. In 1935 formuleert Levinas een reactie op dit denken. Dit zal het begin zijn van een leven dat stelling neemt tegen de verabsolutering van het zijn ten koste van het relationele karakter van het menszijn. Vgl. Emmanuel Levinas, Ausweg aus dem Sein. De l’évasion, Hamburg 2005 (Felix Meiner Verlag)
6 Vgl. Paul van Tongeren, Het Europese nihilisme. Friedrich Nietzsche over een dreiging die niemand schijnt te deren, Nijmegen 2017 (Vantilt), pp. 134-135. Van Tongeren brengt de opvattingen van Nietzsche onder in een kruistabel met vier varianten.
7 Vgl. Giovanni Rizzuto, Denkend aan niets. Naar een filosofie voorbij ietsisme en nihilisme, Leusden 2018, (ISVW Uitgevers)
8 Ibid, p. 39
9 Ibid p. 190
10 Björn Kuhligk, Die Sprache von Gibraltar. Gedichte, München 2009, (Hanser Berlin), p. 16
11 Van Tongeren schrijft hierover: “De ontmaskering is geen bevrijding, omdat het verlangen dat het motief vormde voor al die illusoire constructies, niet verdwijnt door het feit dat we nu zien dat het om illusies gaat. En – en dat is het belangrijkste – het is niet alleen een kwestie van wennen (zoals bij het kind dat Sinterklaas als een illusie heeft doorzien), want het verlangen is eigenlijk door die ontmaskering nog sterker geworden. We creëerden illusies omdat we het niet uithielden in een wereld zonder zin, orde en waarheid. Nu blijkt dat dat zin, orde en waarheid zelf leugenachtige constructies zijn binnen een chaotische, zinloze wereld. Zonder zin, orde en waarheid wordt die wereld volstrekt onherbergzaam.” Ibid, p. 104
12 Ibid., p. 105
13 Ibid., p. 40
14 Ibid., p. 105
15 Vgl. Blanchot: “Versuchen wir, diesen neuerlichen Bezug genauer zu fassen. Fragen bedeutet, einen Sprung in die Frage zu tun. Die Frage ist dieser Aufruf, zu springen, der nicht in einem Ergebnis zurückgehalten werden kann. Es braucht zum Springen einen freien Raum, es braucht einen festen Grund, es braucht die Fähigkeit, ausgehend von der sicheren Unbeweglichkeit die Bewegung mit einem Satz zu verwandeln. Die Freiheit des Fragens ist ein Sprung, ihm unterlegt Festigkeit, und er springt aus der Sache selbst heraus. In der Tiefe der Flucht jedoch, wo wir Fragen stellend fliehen, gibt es nichts Sicheres, nichts Festes. Alles ist schon mit unserer Flucht selbst erfüllt. Die Flucht, zu der uns die tiefe Frage hinzieht, verwandelt den Raum der Frage in eine leere Fülle, wo wir gezwungen sind, aus uns selbst heraus auf eine müssige Frage zu antworten, sie weder ergreifen noch ihr entfliehen zu können.” Ibid., p. 135
16 Anna Achmatova, Werken, Amsterdam 2007 (Uitgeverij G.A. van Oorschot), p. 493
