Zelfbeeld en wereldbeeld

 

Zelfbeeld en wereldbeeld

 

“De wereld hou niet van mijn.
De aardse wereld is verhard met smart.
De wereld hou niet van zachte mensen.
De wereld is zo groot zo vol geweld.
Maar ik niet en dat is wat telt.
Uren dacht ik wat nu.
Maar ik moet niet willen zijn wat ik niet ben.
Diep in mijn hart luistert mijn gevoelige stem.
Wees tevreden met wie jij ben.
Wie zeg nou jij niet pas in de wereld.
En verschrikt kijk ik op.
En denk je heb gelijk het gevoel is de wereld verrijkt.
En de aarde krijg kans op mooie glans”

 

bijdrage aan een forum op internet

 

 

Hoe ervaar ik de wereld, hoe is mijn wereld én welk beeld heb ik van mezelf? Voel ik me thuis in deze wereld, in mijn lichaam, met dit lichaam, met deze geest die mij bezielt? Dit zijn geen makkelijke vragen. Zelfbeeld en wereldbeeld hangen nauw samen omdat we de wereld niet waar kunnen nemen buiten onszelf. We zitten niet alleen vast aan ons lichaam, wij zijn ons lichaam. De consequenties van deze gedachte zijn mijns inziens niet te onderschatten. Als we rationeel bezig zijn lopen we wel eens het gevaar te handelen alsof onze wereld een wereld van gedachten is, verklaarbaar en gereed om onderzocht en van allerlei kanten bekeken te worden. Maar wat is een gedachte? Wat is de ‘materialiteit’ van een gedachte? Bestaat ze echt, is ze te bewijzen, empirisch aan te tonen? Wat is een gedachte werkelijk? Voltaire vroeg het zich al af en ook onze moderne wetenschappers weten het eigenlijk niet exact. (1)En toch denken we; en is deze tekst een opeenstapeling van gedachten die als het ware gevangen (zitten of) worden in woorden en begrippen.

De ondragelijke lichtheid van het bestaan, een titel van een roman van Kundera kan ons in een bepaalde richting wijzen om de relatie zelfbeeld en wereldbeeld nader te onderzoeken. Ik zeg met opzet ‘richting’, omdat er talloze manieren en wegen zijn om deze relatie te onderzoeken. Ik laat me graag leiden door metaforen, door woordspelingen en door poëtische teksten omdat ik vermoed dat de poëtische intuïtie net zo waardevol kan zijn als de empirische instelling ten aanzien van de werkelijkheid. Zwaarte, lichtheid, bezwaren, zwaar, licht, (als last en tegenover het donker), verlicht, bezwaard, het is een prachtig woordpaar dit zwaar en licht, dat ook door anderen is opgepakt. Zo in een inleiding over levenskunst: ‘Zwaarder worden, lichter zijn’. Dat is inderdaad een kunst: polariteiten niet uitsluiten, maar in balans leven. Letten op datgene wat werkelijk kostbaar is en zodoende het leven op zijn waarde schatten. En alle onnodige ballast afwerpen. Beide elementen bij elkaar brengen: gehechtheid en openheid. Geworteld en toch onafhankelijk leven. Verbonden met de aarde, gericht op de hemel.(2)

Staan op de aarde, gericht naar de horizon, de hemel boven je. Dat is de essentie van zwaarte en lichtheid. Ons lichaam, de zwaartekracht houdt ons beneden, maar ons hoofd zit in de wolken, wil verder, vrij zijn, ruimte voelen en beleven. De dichter Paul Celan schreef de woorden ‘zwaarder worden, lichter zijn’ in een gedicht. (3)Daaruit zijn ze ook in deze tekst geciteerd

Als we zwaar en licht toepassen op ons zelfbeeld en ons beeld van de wereld komen we bijna vanzelfsprekend voor mijn gevoel in een religieuze context terecht. Religieus omdat het kenmerk van religie binding, verbinding is, en precies deze begrippen die met elkaar samenhangen scheppen deze band. Zwaar en licht komen samen in ons lichaam, onze geest en onze wereld. In onze taal, de verwoording van de ervaren werkelijkheid en de projecten die wij ontwerpen. Zwaar en licht is de wijze waarop wij betekenis geven aan onze ervaringen, aan datgene wat we conceptueel ons voorstellen en de ervaren substantie van ons leven: de materialiteit van ons lichaam in deze wereld: een lichaam dat kan lijden, honger heeft, behoeftes moet bevredigen, verlangens koestert, een eigen wijsheid kent. ‘Zwaar verslaafd zijn, licht in het hoofd, zwaar tafelen, – werken, licht opvatten, – maken, – zien.’ De vervoegingen zijn talloos, net zoveel als de concrete mogelijkheden in onze werkelijkheid die met zwaar en licht te maken hebben.

In mijn ogen is het religieuze nog niet hetzelfde als een concrete religie of een godsdienst. In een godsdienst oefen je een dienst uit ten behoeve van God. Bij een religieuze gevoeligheid ben je gevoelig voor de samenhang tussen de dingen, ben je je bewust van een groter geheel dan je eigen lichaam, je eigen afkomst en concrete situatie. Hoe je dat grotere geheel vervolgens inkleurt met betekenissen is een volgende stap. In de concrete religies en godsdiensten gebeurt dat op een speciale manier die meer is vastgelegd dan in het gedrag van mensen met een religieus bewustzijn. Ik hanteer het begrip religiositeit dan ook als een soort container begrip waarin ik met de theoloog Tillich zou willen zeggen: het religieuze ‘an sich’ is een vorm van een “ultimate concern (op een werkelijkheid buiten jou).”(4)

Menswetenschappers zullen misschien hiertegen bezwaar aanvoeren omdat zo de functionaliteit van religies niet meer goed te meten valt, maar ik heb het vermoeden dat statistiek en statistische methoden niet de juiste manier zijn om de religiositeit van mensen te onderzoeken. Het doet aan de mensen, die op velerlei manieren betekenis geven aan hun leven geen recht, en het zegt weinig over de substantie van het religieuze gevoel. Het blijft moeilijk praten in de context van de empirie.

Desalniettemin kunnen zwaarte en licht ‘sleutels’ zijn, kernbegrippen, momenten uit een ervaring, uit een wijze van betekenisgeving om de relatie tussen hemel en aarde, tussen mens en wereld, tussen zelf en ander(en) te beschrijven. Denk maar eens na over al datgene wat jij als ‘zwaar’ ervaart in jouw leven en als tegenstelling hiervan als ‘licht’. Zijn het concrete ervaringen? Hoe zien die er dan uit? Wat is er zwaar aan, wat licht? Of zijn het ook en daarnaast je gedachten die een zekere zwaarte of lichtheid hebben? Maken je gedachten je leven zwaar of licht? Waar hecht jij in jouw leven het grootste gewicht aan? Wat vind jij het allerbelangrijkste? Geen makkelijke vraag! Ga er maar eens aanstaan.

Als je eenmaal de stap hebt gezet om deze vragen heel concreet voor jezelf te beantwoorden, daagt er misschien ook al heel voorzichtig een spoortje licht aan het einde van de horizon, een nieuwe ochtend, aarzelend, maar toch, waarmee een richting wordt aangeduid hoe om te gaan met de zware dingen in het leven. Wil je dat ze je leven blijven bepalen, op je blijven drukken, of zou je anders willen. Wat weegt het zwaarst: jouw welzijn, jouw gezondheid, jouw leven of de (soms zelfgekozen) gevangenis waarin je zit? Met andere woorden, je draagt de oplossing hoe om te gaan, met de zware dingen in je leven, al bij je. Je bent er al onderdeel van door er mee aan de slag te gaan. “Vraag en je zult gegeven worden”, (5) deze wijsheid uit de bijbel bevat veel meer werkelijkheid dan we misschien op het eerste gezicht zouden vermoeden. Laat maar eens zien dat je iemand anders nodig hebt, en wacht dan op wat er gebeurt. Je zult versteld staan.

Zo is het ook met je zwakke en sterke kanten. Je draagt ze allebei bij je. Je hoeft er eigenlijk niets extra’s voor te doen om ze te tonen aan anderen, je hoeft er niet voor op je tenen te lopen, je bent dat gewoon. Maar durf je ook, durf je deze kanten van jezelf te laten zien? Daar schuilt meestal het grote probleem omdat je in je hoofd allerlei voorstellingen hebt hoe jij je hebt te gedragen. Maar maak je jouw leven daarmee niet zwaarder dan het in werkelijkheid is?

Ik vermoed dat wij ook anders tegen de tijd moeten aankijken, niet vanuit de wiskunde, maar vanuit de biologie. De wiskundige lineaire tijd doet eigenlijk geen recht aan ons lichamelijk beleven van de werkelijkheid. Wij zijn eigenlijk meer een soort uit waar steeds in de loop van de tijd nieuwe schillen omheen komen: foetus, baby, peuter, kind, puber, volwassen, oud, bejaard… De binnenkant verandert maar vooral ook de buitenkant, maar eigenlijk gaat de binnenkant niet echt verloren. Hij wordt wel getransformeerd, maar je blijft dezelfde mens. Een mens die weet heeft van zijn verleden en die vanuit zijn lichaam veel meer kennis heeft van zijn verleden dan hij of zij misschien vermoedt of waar wil hebben in zijn stoutste gedachten. Waar komen anders angsten en trauma’s vandaan: het zijn niet alleen opgeslagen ervaringen maar eerst en vooral neergeslagen ervaringen in het lichaam van een mens. Je lichaam, het geheel van geest en lichaam in deze, heeft er weet van en reageert.

Je draagt dus als mens alle vorige levensfasen in je mee: je bent het zelf, ze zijn niet voorbij want je lichaam is de opslagplaats ervan. Misschien zijn ze in je hoofd, in je gedachten niet meer actueel maar dat zegt helemaal niets over de werkelijkheidwaarde ervan.

1 “I have been studying for forty years, which is forty years wasted; I teach others, and I know nothing; this situation brings into my soul so much humiliation, and disgust that life is unbearable to me. I was born, I live in time, and I do not know what time is; I find myself in a point between two eternities, as our sages say, and I have no idea of eternity. I am composed of matter; I think, and I have never been able to find out what produces thought; I do not know whether my understanding is a simple faculty in me like that of walking or of digesting, and whether I think with my head, as I take with my hands. Not only is the principle of my thinking unknown to me, but the principle of my movements is equally hidden from me. I do not know why I exist. However, people every day ask me questions on all these points; I have to answer; I have nothing any good to say; I talk much, and I remain confounded and ashamed of myself after talking.  Francois Marie Arouet (Voltaire) 1761

2 (Anton Lichtenauer, in: Anselm Grün, Boek van Levenskunst, Kampen, Tielt 2003 p. 7)

3 WAS GESCHAH? Der Stein trat aus dem Berge.
Wer erwachte? Du und ich.
Sprache, Sprache. Mit-Stern. Neben-Erde.
Ärmer. Offen. Heimatlich.

Wohin gings? Gen Unverklungen.
Mit dem Stein gings, mit uns zwein.
Herz und Herz. Zu schwer befunden.
Schwerer werden. Leichter sein.

Uit: P. Celan, Die Niemandsrose 1963

 

 

Wat geschiedde? De steen brak uit de berg.

Wie ontwaakte? Jij en ik.

Taal, taal. Neven-aarde. Mede-ster.

Armer. Open. Huiselijk.

 

Waarheen? Richting onvervlogen.

Met de steen mee, met ons tweeën.

Hart en hart. Te zwaar gewogen.

Zwaarder worden. Lichter wezen.

 

Vertaling T. Naakijens

 

Op het eerste gezicht komt dit gedicht gesloten over als een berg. Massief, ondoordringbaar misschien als het rotsblok dat zich losmaakt. Misschien is het gedicht wel niet zo’n goed voorbeeld om het thema zelfbeeld en wereldbeeld te illustreren. Misschien zijn de woorden van de bijdrage van internet “de wereld hou niet van mij” wel veel sprekender voor wat ik hier wil zeggen, namelijk dat je zelfbeeld de basis vormt onder je wereldbeeld. Je zelfbeeld is uitgangspunt en kerngegeven voor de ontwikkeling van je visie op de wereld. Maar we zullen zien. Misschien is het nu nog iets te vroeg om al te snel conclusies te trekken. En, het mooie van gedichten is, dat ze je in contact kunnen brengen met een geheim, een wereld die je misschien zo nog niet hebt gezien en ervaren. En omdat ze onbekend voor je is gebleven heb je ook geen intuïtie ontwikkeld om voorzichtig de vragen tastend te formuleren, om deze nieuwe wereld in kaart te brengen. Precies dit laatste is een van de taken die ik mij in deze tekst heb gesteld: een wereld in kaart brengen waar we misschien niet zoveel van weten, een wereld die heel dicht op onze huid zit, letterlijk zelf ons lichaam vormt, maar waarvan we nauwelijks de echte effecten kennen op ons verstaan van onszelf en de wereld om ons heen.

Ken ik mezelf? Wat weet ik eigenlijk van mezelf? Zijn het harde feiten, zijn het opvattingen en meningen, zijn het vermoedens? Welke gevoelens heb ik, en wat is een gevoel? Wat is een emotie, wat is in diepste wezen de materialiteit van een gedachte?

4 Religion als Tiefendimension ist nicht der Glaube an die Existenz von Göttern, auch nicht an die Existenz eines einzigen Gottes. Sie besteht nicht in Handlungen und Einrichtungen, in denen sich die Verbindung des Menschen mit seinem Gott darstellt. Niemand kann bestreiten, dass die geschichtlichen Religionen “Religion« in diesem Sinne sind. Aber Religion in ihrem wahren Wesen ist mehr als Religion in diesem Sinne: Sie ist das Sein des Menschen sofern es ihm um den Sinn seines Lebens und des Daseins überhaupt geht.

Viele Menschen sind von etwas ergriffen, was sie unbedingt angeht aber sie fühlen sich jeder konkreten Religion fern, gerade weil sie die Frage nach dem Sinn ihres Lebens ernst nehmen. Sie glauben, dass ihr tiefstes Anliegen in den vorhandenen Religionen nicht zum Ausdruck gebracht wird, und so lehnen sie die Religion ab »aus Religion«. Diese Erfahrung lehrt uns, zu unterscheiden zwischen Religion als Leben in der Dimension der Tiefe und den konkreten Religionen, in deren Svmbolen und Einrichtungen das religiose Anliegen des Menschen Gestalt gewonnen hat. Wenn wir die Situation des heutigen Menschen verstehen wollen, müssen wir von dem Wesensbegriff der Religion ausgehen und nicht von einer spezifischen Religion, auch nicht dem Christentum. Uit: Paul Tillich: Die verlorene dimension (1958)

5 Vgl. Matheus 7,8