Tijd

 

De hoogte, diepte, lengte en breedte van tijd

In een abdij bij een contemplatieve gemeenschap is de beleving van de tijd gekleurd. Door de regelmaat, het strakke schema en de urgentie van de gebedsmomenten krijgt ook de tijd tussen de gebeden een eigen karakter. Het is niet alleen tijd afgeleid van de gebedstijd, tijd om te werken, om bezig te zijn, om te mediteren, om in de tuin te werken, de gangen schoon te maken, de beesten te verzorgen en de zaken voor de liturgie klaar te zetten. Er schuilt een zekere mate van vrijheid en van bevrijding in deze tijd. Als de tijd om te bidden aanbreekt, wat geen opdracht is, maar een levensbehoefte voor een contemplatieve orde, kan men zich helemaal wijden aan het diepste verlangen gericht op God. Bidden en tijd om te bidden is tegemoet komen aan dit verlangen. Bidtijd is dus tijd gericht op kwaliteit, op de verdieping van de relatie met God. Daarvoor zit men tenslotte in de abdij. Maar het is ook een vorm van tijdsbesteding die nogal wat aandacht en inzet vraagt. Voortdurend bezig zijn met God is niet gemakkelijk, voortdurende aandacht en stem geven aan dit diepste verlangen kan zwaar zijn. De tijd tussen de gebeden kan ondanks de zwaarte van het werk dan ook verlichting geven, even rust, even het verlangen iets minder op de voorgrond, de relatie met God ervaren in een andere vorm en daardoor in een ander licht. De relatie blijft, de opdracht om aandacht te schenken aan dat wat je doet en zegt blijft evenzeer, maar de vorm is anders. En deze vorm heeft effect op de beleving van de tijd. Ik noem dat momenten van vrijheid. Beleven van vrijheid in het doen van de dagelijkse dingen die gedaan moeten worden. En ook hier breekt het besef door dat, net zoals het bidden geen plicht is, niet iets is waar je met tegenzin aan begint omdat je het met tegenzin doet, de dagelijkse zaken de moeite waard zijn om te doen omdat ze vanzelfsprekend zijn en een andere invulling van de relatie met God. Gebedstijd zou je toegespitste puntige tijd kunnen noemen, een vertaling van een puntig verlangen naar God, zoals een van de broeders het uitdrukte. De tijd daartussen zou je brede tijd kunnen noemen, uitgewaaierde tijd, verspreid over meerdere taken en opdrachten.

Kenmerkend voor een abdij die aan de rand van de samenleving functioneert is dat zij proberen door de afstand hun verlangen naar God te cultiveren en de verleiding om zich te laten afleiden zoveel mogelijk proberen te vermijden of te voorkomen. Dat lukt natuurlijk nooit helemaal. De samenleving dringt via oog en oor de abdij binnen, er zijn kranten en een tv, er is een internetverbinding en er zijn gasten die de adem van de drukke bezigheden buiten de muren in hun kleding en hun gedachten meedragen. Daarnaast moet een abdij financieel het hoofd boven water houden dus er moeten ook zaken worden gedaan. Daarom voorziet de regel in de vaste structuur van de gebedsmomenten. Het is een hulpmiddel om het verlangen naar God op de eerste plaats te houden. Tijd indelen in gebedsmomenten is dus eigenlijk een zegen voor de bewoner van de abdij. Het is een reddingsboei, een moment van stilte, terugtrekking, bezinning in de behoeftes van wat nodig is om de zaak binnen de abdij in contact met buiten goed te organiseren. Naast de gebedsmomenten geeft de regel ook een wijs advies hoe samen te leven en het leven binnen de abdij gestalte te geven. Ook dat is geen gemakkelijke zaak die veel wil tot stabiliteit verlangt. Deze vastigheid kan de bewoner van de abdij alleen zelf geven als de regel niet als een last maar als een hulpmiddel wordt opgevat waarin, net als een woning, het goed leven is. De regel is de taalkundige verdieping en verwoording van de ruimte –  en tijdbeleving in een abdij samen met de medebewoners. De regel is als de muren van een huis, met verschillende kamers. Een huis zonder muren, zonder dak, zonder bodem, is geen huis maar de vrije natuur. Daarin valt nauwelijks te wonen, hoogstens rond te trekken, onbeschermd tegen de afleiding die op je pad komt en de vragen die zich dan aandienen. Zonder regel is het slecht schuilen als het verkeerd gaat. Zonder regel, zonder structuur van de regel, sta je met lege handen en is willekeur in keuze en gedrag een groot gevaar. Zonder regel is er geen vrijheid maar lonkt de chaos. Dat besef dat vrijheid alleen plaatsvindt binnen een structuur kan worden geleerd op basis van ervaring. Het is illusoir om te denken dat vrijheid geen begrenzing nodig heeft. Het lichaam is al een vorm van begrenzing die wij niet kunnen overschrijden. Het lichaam dicteert ons einde als onze levenstijd op is. Het lichaam kleurt onze beleving van tijd en ruimte, het lichaam is een kleine tiran als men dat niet wil accepteren en gaat sleutelen aan het eigen voorkomen en dat wat men kan.

Het lichaam maakt de tijd zichtbaar. Met het lichaam bidden wij, denken wij, voelen wij. Met het lichaam ervaren wij de vrijheid in het gebedsmoment en daarbuiten. Met het lichaam ontwerpen wij beelden hoe wij ons verhouden tot God en hoe ons verlangen gestalte kan krijgen. Als wij dat ruimtelijk vertalen is de hoogte van de tijd en de diepte niets anders dan reiken naar God in ons verlangen, en wortelen in de aarde om als mens dit verlangen bij alle tegenslagen vol te houden. Breedte en lengte van de tijd is niets anders dan de duur en de intensiteit van ons streven, ons werken, ons leven. In feite zijn de coördinaten van de tijd, omdat deze zo abstract is, geen werkelijke coördinaten. Ze geven concreet gezien geen werkelijk houvast. Houvast geeft alleen de toewijding, het vertrouwen, de inzet en het doen zelf van het verlangen, het uitvoeren van je taken. Als bezoeker van de abdij kun en mag je hier iets van ervaren. Als deelgenoot voor een weekend kom je aarzelend op het spoor waar het werkelijk om draait in een abdij, mag je even proeven van die prachtige vrijheid die in de tijd en de structurering van de tijd zit opgesloten. Niet alleen als tegenwicht tegenover het haastige leven daarbuiten, maar vooral ook als kennismaking met een andere dimensie, een diepere dimensie in je leven dat gericht kan staan op God. Leven stemgegeven als verlangen, verlangen ingevuld als leven.

John Hacking