De tijd is rijp

Afbeelding

 

De tijd is rijp

Tijd en levenstijd, het blijft een mysterie als wij er greep op proberen te krijgen. Zeker als we de tijd willen gebruiken om onze doelen te verwezenlijken. De tijd als tijd zelf, is ongrijpbaar, onttrekt zich aan onze greep, onze poging om te sturen. Joke Hermsen citeert de kerkvader Augustinus in haar boek “Stil de tijd” om iets over deze ongrijpbare tijd te zeggen. Zij verwijst naar het Griekse begrip “Scholè”, waar ons woord school en werkwoord scholing vanaf zijn geleid. Scholè betekent oorspronkelijk ‘rust, vrije tijd’. Dus iets heel anders als wat wij er tegenwoordig onder verstaan. Volgens haar wijst Augustinus op het feit dat “de ware tijdmaat zich in onszelf bevindt, als een vorm van uitbreiding van de eigen ziel.” Het meten van de tijd is dus een meten van de ziel. Maar valt er wel iets te meten op deze wijze? Zeker nu wij in een tijd van (exact) meten en analyseren leven? Of is dit meten eerder een onderdeel in een narratief proces? En maakt de ziel ook deel uit hiervan? Is de ziel dus een narratief construct? Is het daarom dat wij haar aanwezigheid nog nooit empirisch hebben kunnen aantonen?

Tijd en ziel als dimensies van betekenisgeving kunnen dus een rol in ons leven spelen zonder dat wij de nodige bewijskracht kunnen aanvoeren voor beider bestaan vanuit de exacte wetenschappen. Dat de tijd bestaat, beter gezegd dat wij onderworpen zijn aan processen die zich in de tijd afspelen, merken wij direct aan ons lichaam. Wij worden geboren, groeien, worden ouder en wij gaan dood. Begin en einde proces. Een proces in de tijd, van de tijd. Wij vertalen dat narratief in een diachrone en synchrone beleving van de tijd – neergelegd bijvoorbeeld in een vertelling. Maar het is altijd achteraf, ook de vertelling komt achteraf. Wat betekent het voor de opvatting over de tijd dat narrativiteit een voorwaarde vormt voor of de basis is van de beleving van de tijd? Dat tijd voor ons als wezens die betekenis geven en betekenis ervaren enkel voorkomt in een vertelling, een verslag, een rapport wat in feite allemaal hetzelfde is. Als dieren niet narratief zijn ingesteld is er voor hen ook geen tijdsbeleving en geen hier en nu, geen morgen en geen gisteren. Hier en nu voor mensen is een narratief moment dat altijd al te laat komt. Misschien is het fenomeen “verlichting” wel een vorm van samenvallen met dit hier en nu, een moment waarin het narratief proces is stilgezet – waarin betekenis het stoppen is van de innerlijke dialoog. Wie weet?

De ervaring van verlichting staat daarom op gespannen voet met de narratieve structuur van de taal omdat de taal achteraf komt en niet het moment kan benoemen. De taal is bemiddelaar en bemiddelt, maar het hier en nu onttrekt zich net als de tijd hieraan. De taal geeft altijd een terugblik. De Japanse Koan probeert via een ‘techniek’ in het Zen-Boeddhisme het denken te laten verzanden in een doodlopende steeg. Met de taal, met de opeenvolging van betekenissen, met de innerlijke dialoog kom je er niet. Dus dat is de verkeerde weg, maar dat ervaren, dat meemaken is meestal een moeizaam en slopend proces dat weinigen is gegeven.

Wat echter te doen met ervaringen zoals deze van de “verlichting” die als het ware buiten de narratieve structuur van de taal kunnen plaatsvinden? Worden ze daarom niet waargenomen of is de waarneming ervan ongearticuleerd en narratief onmogelijk? Wat te zeggen over ervaringen in het lichaam die buiten de narratieve structuur van de taal plaatsvinden: het sterven zelf, de dood? En dringt uiteindelijk de taal zoals Lyotard vermoedt, ons niet een vorm van dichotome structuur op zoals “goed en fout”, “waar en vals”? Om op deze wijze de te ervaren werkelijkheid een plaats te geven in ons denken en in onze taal? Of ligt het niet aan het narratieve karakter van de taal maar aan iets anders wat ons in dergelijke dichotome schema’s doet denken en handelen?

Tijd ervaren wij als het ware in ons lichaam in het groeien en ouder worden. Narrativiteit ondergaan wij en zetten wij in als methode, als middel om ons zelfverstaan een basis te geven. Maar wat is narrativiteit ten diepste? Heeft het een fysiologische oorzaak, is het ook in ons lichamelijk existeren verankerd? In het lichaam via keel, tong, spraakorgaan? Zou een nadere bestudering van het lichaam via hersenonderzoek hier antwoord op kunnen geven? Dat het vanuit de hersenen mede aangestuurd wordt, weten we al, maar ook waarom dat zo gebeurt en waarom de mens zich heeft ontwikkeld tot een talig wezen? Waarom de tijd uiteindelijk een mens als mens heeft opgeleverd? Is de tijd rijp geworden in de mens? Vanuit religieus standpunt is hiervoor iets te zeggen. God die mens wordt in het christendom, een hoogtepunt in een ontwikkeling, een eindpunt van een schepping. Maar dat blijft toch als het ware hypothese, een opgelegde, eroverheen gelegde verklaring die weliswaar een duiding biedt maar die het niveau van de narrativiteit niet overstijgt en schatplichtig blijft aan dezelfde taal. Als de ziel en de tijd enkel in narratieve structuren zijn te vatten, dan ook het religieus verwoorden en het religieus bewustzijn. Het is een rijpheid onder voorbehoud. Ook voor de tijd.

John Hacking

27 maart 2012