Licht verspreiden

 

 

Licht verspreiden

Uitgedaagd door de theoloog Erik Borgman kwamen de studentenpastores donderdag 22 november j.l.  bijeen op een studiedag om daar na te denken over de vraag “Wat is het goud dat wij in handen hebben door ons werk als studentenpastor?” Borgman had die vraag al eens eerder gesteld op een conferentie in het voorjaar. Hij is van mening dat ons werk als studentenpastor kansen en mogelijkheden biedt die anderen niet hebben omdat wij werken met jonge mensen. Ervaringen die wij in ons werk opdoen kunnen we ook inzetten om onze stem te laten horen in het maatschappelijk debat waar de kerken momenteel veelal afwezig zijn. De generatie die nu wordt klaargestoomd voor de toekomst heeft een boodschap, ze heeft iets te melden ook voor de professionals die vanuit kerk en universiteit zijn aangesteld om deze groep te begeleiden in de vorm van het studentenpastoraat.  En deze professionals kunnen hun ervaringen met jongeren weer terugkoppelen naar hun eigen (kerkelijke) achterban. Het nadenken over deze vraag kreeg in de middagsessie een creatief vervolg. Een groep ging aan de slag met het schrijven van een tekst, de andere groep werd uitgenodigd eerst aan elkaar te vertellen wat hij of zij de laatste tijd had meegemaakt in relatie tot ervaringen met een gouden randje om vervolgens met  pastelkrijt dit verhaal uit te beelden.

Dat bracht mij ertoe te vertellen over het pelgrimsweekend van de week daarvoor. Met zes vrouwelijke studenten ging ik op weg naar Kevelaer, een oud en bekend pelgrimsoord in Duitsland waar vooral Maria centraal staat. We gingen op zaterdag met de bus naar Wellerslooi om vandaar ongeveer 12 km te lopen naar onze bestemming. De dag daarna zouden we via een andere route weer teruglopen richting Bergen. Nadenkend over het goud in onze handen als studentenpastor kwam ik tot het volgende beeld:  een van de studenten was zichtbaar geraakt toen zij een kaars had opgestoken buiten tegen de muur van de Kaarsenkerk. Daar branden altijd veel kaarsen en de muur is zwartgeblakerd van al dat roet. De dag daarna vroeg ik haar wat het met haar had gedaan. Zij vertelde dat zij onder de indruk was van al die kaarsen en al die verlangens van de mensen die deze kaarsen hadden aangestoken. Daarmee maakte zij voor mij in één beeld zichtbaar hoe het goddelijk licht als het ware, metaforisch gesproken, hier onder ons verspreidt wordt. Ik zag het Rijk Gods een klein beetje groeien, zichtbaar gemaakt in het witte licht van de kaarsen. Wit dat ook terugkomt in de kleine Pieta boven aan de muur: de moeder der smarten die weent om haar zoon, met op de achtergrond de st-Jakob-schelp, symbool van de pelgrims. Dat heb ik uitgebeeld in een tekening: die verspreiding van licht, licht in een donkere wereld, een donkere nacht.

 

Voor mij is deze verbeelding een signaal, een teken met symbolische kracht: want ze verwijst naar de aanwezigheid van het sacrale, de aanwezigheid van het goddelijke hier in onze wereld. We zien het niet met onze ogen, het is geen empirisch feit, maar toch is het aanwezig, tastbaar, voelbaar in dit symbool, deze verwijzing. Het is een verbeelding van al het menselijk verlangen, het menselijke lijden, het menselijk streven. Het licht kan ons dragen, het licht kan ons verlichten omdat de bron ervan raakt aan het goddelijk licht dat in mij, in elk mens en in deze wereld, onze wereld, werkzaam is.  Zou dat niet zo zijn, dan zou er voor mijn gevoel niets anders overblijven dan een koud, levenloos en vijandig heelal. Is God daarmee veroordeeld tot een existentie op aarde en enkel en alleen voor de mensen? Daarover kan ik geen uitspraak doen- dat ga ik onderzoeken tijdens mijn volgende sabbatical dat zal gaan over ‘God in de Kosmos’. Dat is dan deel drie van het drieluik dat al bestaat uit ‘God in het landschap’ (http://sacraal-landschap.canandanann.nl) en ‘God in het lichaam’ (http://wereld-zelfbeeld-lichaam.canandanann.nl).

John Hacking

26 november 2012