Betekenis delven *

 

Es ist auch wahr, ja: wahr! Dass kein Wort bei seinem nächsten und übernächsten Erscheinen je noch die gleiche Bedeutung haben kann. Und es ist seltsamerweise eben diese Eigenschaft der Sprache, die uns verbindet und nicht, wie man vermuten könnte, voneinander trennt.

Thomas Hettche,

Met het begrip betekenis is iets vreemds aan de hand. Als abstractum verwijst het naar iets dat pas concreet kan worden in een context en met betrekking tot een ervaring, gebeurtenis of ding. Betekenis is gebouwd op (of uit) de tekens die verwijzen, betekenis bestaat uit tekens die met elkaar een verband onderhouden. Maar tekens zijn meer dan verwijzingen in dit geheel van relaties. Zouden ze alleen verwijzingen zijn, dan zou het moeilijk zijn om de tekens aan elkaar te verbinden zodat betekenis kan ontstaan. Ze kunnen dan net zo goed alle kanten opwijzen. De inhoud van het teken is daarom van belang en niet alleen de functie. De inhoud van het teken is meer dan het aanwijst, de inhoud valt samen met het ‘betekenen’ van het teken. Het teken is pas teken omdat het betekent! Het teken wordt teken, is kenbaar als teken net omdat het betekent. Of is dat te kort door de bocht? Is dit een manier van redeneren die inhoud verwart met functie en functie met uiteindelijk resultaat van een proces? Het teken roept vragen op die niet zomaar opgelost kunnen worden door een semiologie, een leer van de tekens. Een semiologie beschrijft (meestal) de wijze waarop tekens worden ingezet en hoe ze functioneren maar over de inhoud van het afzonderlijke teken valt meer te zeggen dan dat het functioneert in een zinsconstruct. De inhoud van het teken is eigenlijk als betekenis in mijn ogen ook een soort van mysterie. En wel om het volgende: Is het teken in de betekenis van een ervaring, gebeurtenis, ding, ook niet iets dat boven zichzelf uitstijgt? Dat het moment, het omgaan met de ervaring, de gebeurtenis, het ding transcendeert? Dus dat het meer aanwijst, duidt, zegt dan de pure verwijzing? En wat is dit meer dan? Is het de inhoud die aanzet tot nieuwe tekens in betekenissen?

Kijken we concreet naar een kunstwerk: welke betekenis roept het op? Hoeveel lagen in de betekenisgeving kunnen aan het licht komen, welke dimensies worden geduid, aangewezen en geraakt door de verkenning van de betekenissen die het kunstwerk kan oproepen? Als het kunstwerk als een eenvoudig teken wordt beschouwd – wat natuurlijk tekort doet aan het werk – en wat een versimpeling is – is het toch meer dan dat omdat het zichzelf ook als teken transcendeert: het zet aan tot betekenisgeving, een proces van betekenen, een semiose, die zich niet laat vangen in het tekenkarakter van het kunstwerk als (enkelvoudig en eenduidig) teken.

Ik vermoed dat betekenis soms gedolven moet worden, net als goud of diamanten in een mijn. De mijn om betekenissen te delven is de taal. Aan de buitenkant kan het schijnen alsof er niet veel te ontdekken valt maar als je dieper gaat graven kunnen er nieuwe schatten boven komen. (Kijk hiervoor ook eens naar de oude wortels van een begrip en de ontwikkeling die woorden hebben doorgemaakt). Volgens mij werkt dat zo in een creatief proces: Door te schrijven ontdek je nieuwe lagen, herontdek je oude lagen die soms met stof zijn overdekt en eerst niet zichtbaar waren. Alles wat je in ligt opgeslagen aan betekenissen – ook uit een ver verleden – kunnen (opnieuw) aan het licht komen en je kunt misschien heel nieuwe betekenissen delven. “Entblossen” zeggen de Duitsers, bloot leggen, de omhulling afleggen, onthullen, zoals het beeld dat ontstaat uit het marmer. Het zal er al in, maar het moet door de noeste arbeid van de beeldhouwer bloot komen te liggen. Dat is niet noodzakelijk zo, want er kan ook iets heel anders uitkomen en om in deze metafoor te blijven, het kan ook mislukken. Betekenissen kunnen ook verloren gaan, vastlopen in zichzelf, doodlopen in een denkproces, een argumentatie, een gebruik van taal die niks oplevert aan inzichten en nieuwe betekenissen.
Metaforen kunnen helpen om nieuwe betekenissen aan het licht te brengen. Maar wat breng je dan eigenlijk aan het licht? Blijven we toch niet op de een of andere wijze steken in de metaforen zoals laarzen in de modder? Of gaat het niet om de metaforen an sich, ze zijn slechts een opstapje in het delvingsproces, ze maken onderdeel uit van het proces van betekenisgeving, maar ze vallen niet een op een samen met de betekenis. Zoals het niet om de laarzen gaat en de modder maar wel om de manier waarop je de modder kunt bedwingen.

Kijken we concreet en deze keer op een iets grotere schaal naar de betekenis van ons leven: kunnen we die vraag wel zo massief stellen? Toch gebeurt het, toch spreken mensen over hun leven als een betekenisvol geheel, een leven vol of een leven zonder zin. En in oog in oog met de dood: welke betekenissen kunnen je uittillen boven die (veronderstelde) dood? Welke betekenissen kunnen je dragen terwijl je weet dat je levensweg een aporie is, een doodlopende weg? Wat zijn dat dan voor betekenissen en op welke termijn en in welk proces kunnen die aan het licht komen? Wat is de waarachtige kracht van betekenis in dit licht? Hoe waar is die betekenis, die verzameling aan betekenissen in dit perspectief? En wat is realiteit in dit licht? Relaiteit die door onze taal benoemd, geduid en verworven wordt?

Thomas Hettche, een Duitse schrijver schrijft in een bundel waar hij probeert de vraag te beantwoorden of literatuur onze ‘lege harten’ kan (op)vullen het volgende over het ‘ware’ en de realiteit waarin we leven: het ware in ons leven, de realiteit van de wereld om ons heen, is te vinden langs de as van het absoluut realistische en het realistisch absolute. Realiteit en absoluutheid perken het ware in en maken het tot het ware. Realiteit waarin we leven en die we als realiteit ervaren. De rest, die daar niet aan beantwoordt, is dus niet (zo) waar, misschien wel schijn, verschijning, minder of niet realistisch, droombeeld, wensgedachte. Maar is het ware wel zo op deze wijze in te perken en wat is uiteindelijk het ware dan? Wat is realiteit als we niet het instrument in handen heb om dit definitief te kunnen bepalen omdat we voortdurend afhankelijk zijn van de betekenissen die wij aan ons leven en aan de realiteit die we ervaren, toekennen?

Ik vermoed dat we met hetzelfde dilemma zitten als met het begrip betekenis. An sich blijft het ware en de ‘realiteit’ een abstractum. Het moet vlees en bloed krijgen in het concrete, de gebeurtenis, de ervaring, het ding. Absoluut is de dood. Dat is een absoluut eindpunt van mijn leven bijvoorbeeld. Je daardoor laten leiden kan deprimerend zijn, maar het kan ook je leven een nieuwe dimensie geven waardoor ervaringen en gebeurtenissen en dingen in je leven bijzonder en waardevol worden. Je kunt je verwonderen, en dat telkens weer wat leven is, wat jouw leven is, en dat je elke dag weer wakker wordt en kunt genieten, kunt ervaren wat leven is. Dat is toch een bijzondere wijze van betekenis vinden in je leven. Betekenis die je bijna, als je jezelf hierover durft te verwonderen, cadeau krijgt.

Misschien is het niet voor iedereen weggelegd, deze dagelijkse verwondering, misschien zijn er soms te veel dingen die deze openheid en verwondering in de weg kunnen staan. Dat kan. Ernstig ziek zijn, depressie, pijn lijden, onvoorstelbare verliezen meemaken, ze bevorderen niet de zinvolle ervaring van je leven. Maar dan nog, ze zijn ook niet de ontkenning ervan, want ook het onvoorstelbare, het ondraaglijk lijden kan worden ervaren in een breder en dieper perspectief. Maar dat is een kwestie van de mens die dat kan. Daarover zijn geen algemene uitspraken te doen want waar de een er aan onder door gaat komt de ander er boven op. Betekenissen kunnen je dragen of je verpletteren. En beiden bouwen met taal op gedachten, ervaringen, gevoelens en gebeurtenissen. Wat de overhand zal hebben, wat zin aan je leven zal geven staat niet bij voorbaat vast. Maar het loont wel de moeite om deze vraag te stellen: wat maakt mijn leven betekenisvol en wat maakt het betekenisloos. Misschien is de uitkomst ongewis. Er is nu eenmaal geen routekaart die je de weg kan wijzen. Je kunt hoogstens gaan lopen, en er het beste van proberen te maken. Net zoals je soms moeite moet doen om betekenissen te delven en te laten schijnen zodat je de weg kunnen wijzen, ook als is dat een wankele weg in het moeras van de taal.

John Hacking
13 februari 2018

Bron:
Hettche, Thomas, Unsere Leeren Herzen/ Über Literatur, Köln 2017 (Kiepenheuer & Witsch)

Es ist auch wahr, ja: wahr! Dass kein Wort bei seinem nächsten und übernächsten Erscheinen je noch die gleiche Bedeutung haben kann. Und es ist seltsamerweise eben diese Eigenschaft der Sprache, die uns verbindet und nicht, wie man vermuten könnte, voneinander trennt. pag. 164

Was aber ist dieses andere, was ausser uns ist und jenseits der Konvention, in der die Welt immer schon eingerichtet und scheinbar alles zur Hand ist? Es ist das, was ausser uns ist, wenn wir selbst ausser uns sind. Die Philosophie hat von jeher verschiedene Namen dafür, Unvordenkliches heisst es bei Schelling, Nichtidentisches bei Adorno, das Reale bei Lacan. Quentin Meillassoux und andere haben in den letzten Jahren verstärkt über die Vorstellung van Realität nachgedacht, die sich dahinter verbirgt. Die Welt ist weder ausschließlich die Welt ohne Zuschauer noch ausschliesslich die Welt der Zuschauer. Dies ist der neue Realismus, heisst es bei Markus Gabriel. Ein Realismus wird hier beschworen, der darum weiss, Dass alle Selbstreferenzen und Sprachspiele, wie Joseph Vogl es formuliert, durch die Vertikalachse des Real-Absoluten oder Absolut-Realen befestigt oder eben gedeckt sein müssen, sollen unsere Vorstellungen von Welt sich nicht im Konstruktivismus verlieren. pag. 191

 

L1220367