Waarom ik van poëzie houd

Een van de allereerste gedichten die ik als twaalfjarige las was het gedicht van Goethe, (in het oud Duitse schrift) waarmee een kleine bundel uit 1941 begon:

Wär nicht das Auge sonnenhaft,
die Sonne könnt es nie erblicken.
Läg nicht in uns des Gottes eigne Kraft,
wie könnt uns Göttliches entzücken?

J.W. von Goethe
Zahme Xenien III

Dit bundeltje met gedichten lag in een doos met boeken om opgeruimd te worden. Dat in een huis van een journalist van de krant de Limburger in Schin op Geul waar mijn vader in de tuin werkte. Ik vergezelde hem vaker om hem te helpen. De vondst van deze gedichten was het begin van mijn belangstelling voor poëzie. Maar pas vele jaren later groeide dit uit tot een ware passie.
Nu, 50 jaar verder, heb ik een grote verzameling met dichters die mij inspireren en die ik bewonder om hun stijl, hun thematiek en de wijze waarop zij hun thema’s in gedichten vormgeven. Leven en dood, licht en donker, water en vuur, transcendent en immanent, stilstand en beweging, verandering en hetzelfde – het zijn allemaal bewegingen, situaties, thema’s die daarin een rol kunnen spelen. En dat op verschillende symbolische niveau’s, met verschillende lagen, verschillende betekenissen. Tekens, symbolen, metaforen, zij allen maken onderdeel uit van de semiose, de betekenisgeving, in een gedicht en de lezer maakt er weer zijn eigen verhaal van. Hij ontdekt hoe betekenissen ook voor hem een rol kunnen gaan spelen. Soms geven geduide betekenissen een richting aan, soms helpen ze om zelf scherper te kijken of om nieuwe betekenissen te ontdekken. Emily Dickinson was zich hiervan bewust toen ze schreef:

The Poets light but Lamps
Themselves – go out –
The Wicks they stimulate
If vital Light

Inhere as do the Suns –
Each Age a Lens
Disseminating their
Circumference –

Dichter zünden Lampen an
Sie selbst – vergehn –
Dochte die sie entflammen
Wenn ihr Licht lebt

Bestehn wie Sonnen –
Linse wird jede Zeit
Die überallhin
Ihren Lichtkreis streut

(883)
Emily Dickinson

Als dichters lampen aansteken om wat donker is te verlichten, of om dingen, gebeurtenissen, ervaringen in een ander licht te plaatsen, (de mogelijkheden zijn bijna onbeperkt), dan betekent dit dat zij een handreiking geven om anders naar de werkelijkheid, anders naar datgene wat we zien en ervaren, te kijken. Het gedicht is een lamp voor onze voeten. Het gedicht werpt een eigen licht op de werkelijkheid, op mijn, op jouw leven. Iets wat misschien eerst vanzelfsprekend was, kan nu vragen oproepen, stemt tot nadenken, tot nader onderzoek, tot nieuwe vragen. Het vanzelf-sprekende is nu een vraag geworden, een vraag die aanzet tot nieuwe antwoorden en tot de zoektocht om die antwoorden dan ook te vinden.
De taal levert de munitie, de taal levert de woorden om die vraag en om die antwoorden vorm te geven, gestalte te geven, om ze via het woord als het ware ‘vlees en bloed’ te geven. ‘Het woord is vlees geworden’ luidt het bekende gezegde uit het Evangelie van Johannes aan het begin. Vlees dat de gestalte heeft van een werkelijkheid die meer is dan een holle klank, meer dan een echo, meer dan een geruis. ‘Wort und Feuer’, daar gaat het om (Franz Rosenzweig), ook in de taal. Emily Dickinson schrijft over het materiele karakter van het woord het volgende gedicht:

He ate and drank the precious Words
His Spirit grew robust –
He knew no more that he was poor,
Nor that his frame was Dust –

He danced along the dingy Days
And this Bequest of Wings
Was but a Book – What Liberty
A loosened spirit brings

Er ass und trank kostbares Wort –
Seine Seele wuchs sich stark –
Er vergass wie karg sein Leben war,
Und dass sein Leib aus Staub –

Er tanzte durch den trüben Tag
Dies Geflügelte Vermächtnis
War bloss ein Buch – Wie Frei macht uns
Ein freigelassener Geist

(1587)
Emily Dickinson

Het woord spreekt niet alleen, het spreekt niet alleen tot onze verbeelding, het geeft ons vleugels om te kunnen vliegen: het inspireert, het vuurt ons aan. We worden erdoor gedragen en het draagt ons verder dan we kunnen denken. Vrijheid is de belofte, is het doel en is de weg waarlangs het woord ons voert, als we Emily Dickinson mogen geloven en ik geef haar alle krediet. Haar taal en haar gebruik van de taal maken waar wat ze in haar gedichten beschrijft. Ze zijn performatief: ze laten zien en brengen tot leven wat in de woorden en zinnen zit opgesloten. Ze openen niet alleen onze ogen voor die werkelijkheid die wordt benoemd, ze helpen ons zelfs om die werkelijkheid te ervaren, te voelen, in ons op te nemen, zodat ze deel van ons wordt. Dat is het kenmerk van inspiratie. Van ware inspiratie.
Alles wat niet dit effect heeft in en via de taal is dus niet inspirerend. Dan is er sprake van ‘dode’ taal, een ‘doods’ gebruik van woorden, klanken, tekens. Op het kerkhof van de taal liggen daarom veel woorden begraven. Afgedankte woorden, onleesbare woorden, dode woorden. En dat kerkhof, waar is dat te vinden? Ik vermoed in de hoofden van hen die niet weten wat de macht van de taal is en die de kracht van de taal onderschatten. Ik vermoed in de hoofden en gedachten van hen die de taal beschouwen als enkel een vorm van conventie zonder verdere betekenis en zonder verdere reikwijdte. Taal als ‘instrument’, als vehikel in de communicatie, maar dan zonder verdere en diepere zin. Inspiratie is dan in hun denken een loos gebaar, een zinloos fenomeen dat niet bestaat omdat het niet echt empirisch bewezen kan worden. Het getuigenis van de geïnspireerde lezer, toehoorder, is hen te min, te minderwaardig omdat ze gewoon niet geloven in de kracht van de taal en de vurigheid van de inspiratie. Bestaan die mensen, deze ‘dode zielen’, deze uitgebluste en afgebrande persoonlijkheden? Helaas wel, zo vermoed ik. De bestrijders van de religieuze inspiratie, de ontkenners dat religieuze teksten ‘goddelijk’ geïnspireerd kunnen zijn, de poëzie-onverschilligen, de niet-lezers, zij zijn er misschien een voorbeeld van. Hoewel ook in hun ontkenning zijn ze veroordeeld om dezelfde taal in te zetten om hun argumenten te staven en om de anderen te overtuigen. Zij zijn net zo goed gevangenen van het mechanisme van de inspiratie in het gebruik van de taal. Er is eigenlijk geen ontkomen aan. Emily Dickinson voelt dat goed aan als zij dicht:

 

 

There is no Frigate like a Book
To take us Lands away
Nor any Coursers like a Page
Of prancing Poetry –
This Traverse may the poorest take
Without oppress of Toll –
How frugal is the Chariot
That bears the Human soul.

 

Keine Fregatte wie ein Buch
Entführt uns Länderweit
Kein Rennpferd springt und prunkt
Wie ein Blatt Poesie –
Den Ärmsten ohne schwere Maut
Steht die Passage frei –
Wahrhaft frugal ist das Gefährt
Das des Menschen Seele tragt.

(1263)
Emily Dickinson

De menselijke ziel, (alweer zo’n woord waar poëzie-onverschilligen geen kant mee op kunnen), heeft een voertuig nodig. Niet alleen het lichaam dat zolang het leeft die rol kan vervullen, nee, vooral het gedicht dat inspireert, geeft de ziel vleugels. Als een engel kan ze dan langs het firmament haar vleugels uitslaan en op verkenningstocht gaan, de wereld over.
Juan Ramón Jiménez, José, Ángel Valente, César Vallejo, Roberto Juarroz, José Gorostiza, om een paar van mijn favoriete Spaanstalige dichters te noemen, naast de vele anderen uit andere taalgebieden, laten de menselijke ziel vliegen, zweven, verkennen wat er te koop is in het leven tegen de achtergrond van de horizon die telkens weer opdoemt en verandert. Van die dichters krijg ik nooit genoeg. Elke keer opnieuw kunnen hun gedichten me weer inspireren, op andere gedachten, andere beelden brengen. Zo trekken ze met me mee in mijn leven, een route die nooit eindigt, een weg die vol avonturen blijft omdat de opgeroepen beelden, de symbolen en de tekens meerduidig zijn, vervat in omschrijvingen, in woorden, die telkens nieuwe ‘zin-inhouden’ geboren doen worden. Ook als het lichaam het langzaam laat afweten, als het uur ‘lood’ is aangebroken zoals Emily Dickinson schrijft, dan is het gedicht de manier om die lichamelijke aftocht, deze aporie van het lichaam, te omschrijven. Zij doet dat meesterlijk:

 

After great pain, a formal feeling comes
The Nerves sit ceremonious, like Tombs –
The stiff Heart questions was it He, that bore,
And Yesterday, or Centuries before?

The Feet, mechanical, go round –
Of Ground, or Air, or Ought –
A Wooden way
Regardless grown,
A Quartz contentment, like a stone –

This is the Hour of Lead –
Remembered, if outlived,
As Freezing persons, recollect the Snow –
First – Chill – then Stupor – then the letting go –

 

Nach Qual – befällt ein förmliches Gefühl –
Die Nerven sitzen Grabgleich, steif und still –
Das Herz fragt starr: war Ichs, der dies erfuhr,
Wars Gestern, ist es Hundertjahre her?

Die Füsse gehn, mechanisch, ihre Runde –
Auf Grund, auf Luft, auf lrgendwas –
Hölzernes Gehn
Achtlos im Sein,
Ein Quartz-Genügen, gleich dem Stein –

Dies ist die Stunde Blei –
Erinnert, wenn durchlebt,
So wie Erfrierende – den Schnee erfassen
Erst – Frösteln – Lähmung dann – dann Gehenlassen –

(341)
Emily Dickinson

Grote dichters deinzen er niet voor terug om de doodlopende weg van het leven in het lichaam te benoemen en te duiden. Dat op een veelzijdige en gelaagde wijze. Zo zelfs dat de last van het lichaam dragelijker kan worden dan voor het lezen van deze gedichten. De dood, als grenservaring, het menselijk lijden, de hoogte en de dieptepunten in een mensenleven, wat zouden ze zijn zonder de verwoording in een gedicht, de aarzelende en aftastende ervaring van het woord dat tracht een opening, een doorgang te vinden? Een nieuwe horizon, een weg om te gaan, al is het in de verbeelding. De ziel kan alleen maar vleugels krijgen als ze durft te vliegen, als ze durft zich te laten dragen door de inspiratie die uit een gedicht kan spreken. Waarom dan nog wachten? Waarom angst om te vliegen? Er is een wereld te winnen.

John Hacking
4 februari 2018

 

Bronnen:

  • Johann Wolfgang von Goethe, Das Göttliche. Gedichte, Potsdam 1941 (Rütten & Loening Verlag).
  • Dickinson, E., Dichtungen, Mainz 1995 (Dieterich’sche Verlagsbuchhandlung)
  • Gedichten Poems Emily Dickinson

 

L1240902