Verbeelding via poëzie

Ruimte van de verbeelding

 

Afgrond, scheuren, een kloof, een onoverbrugbare diepte, steile rotsen, een onbegaanbaar pad, ongekende wegen, een onbekend zelf, oneindigheid in het ogenblik, oneindigheid achter de horizon en voor de horizon, oneindigheid in elk woord, een heilig moment, een heilig monument, het gedicht dat raakt aan de diepte van het bestaan, het gedicht dat de ruimte verkent, benoemt, dat gefascineerd is door de ruimte van wat we werkelijkheid noemen. De Argentijnse dichter Roberto Juarroz begint zijn toespraak met de titel Poesía y realidad ter ere van zijn lidmaatschap van de Academia Argentia de letras (1986) als volgt:

 

Ein Raum

kann einen anderen nicht auslöschen,

aber ihn beiseite drängen.

Auch die Räume nehmen einen Platz ein,

in einer anderen Dimension, die mehr ist als Raum.

 

Es gibt Räume mit einer einzigen Stimme,

Räume mit vielen Stimmen

und selbst Räume mit gar keiner,

aber jeder Raum ist für sich

und einzigartiger als das, was er beinhaltet.

 

Wenngleich sich jeder Raum

am Ende mit jedem Raum vermischt.

Wenngleich jeder Raum

ein unmögliches Spiel ist,

weil nichts einen Raum hat.

 

Der Raum der Poesie und der Raum der Wirklichkeit, die ich in Beziehung zueinander setzen mochte, sind einander auch nicht passgerecht. Wie auch beide nicht, weniger noch einer der beiden, in den bescheidenen Raum dieser  Worte hineinpassen. Zweifelsohne ist die Poesie ein visionärer und gewagter Versuch des Zugangs in einen Raum, der die Menschen in Angst und Schrecken versetzt und für schlaflose Nächte gesorgt hat: der Raum des Unmöglichen, der manchmal auch der Raum des Unsagbaren zu sein scheint.

Als Dichter habe ich diesen Raum intensiv gesucht. Ich versuche deshalb, Ihnen von dieser Suche oder Obsession oder Pilgerschaft meines Schicksals durch die Sprache zu berichten, indem ich zwei Fragen, die für mich zu den wesentlichen Fragen des Menschen gehören, in eine zusammenfasse: die Frage nach der Wirklichkeit (Was ist das Wirkliche? Was ist Sein? Was unterscheidet es vom Nichtsein?

Wer oder was sind wir? Wer oder was sind wir nicht?) und die nach der Poesie (Gibt es irgendeine Art, etwas auszudrücken? Wie kann das Wirkliche ausgedrückt werden? Und das Unwirkliche? Welche Wirklichkeit hat das Wort?).

 

Poëzie gaat over bekende en over onbekende ruimtes: bekend omdat we denken te weten wat we om ons heen kunnen waarnemen; onbekend omdat we eigenlijk niks weten, zelfs onszelf niet kennen. De vragen die Juarroz stelt zijn indringend omdat ze onze existentie betreffen. In deze rede gunt hij ons een inkijkje in de keuken van zijn dichterlijk werk. Zijn motivatie, zijn onvervuld blijven zoeken en aftasten, zijn kijk op een werkelijkheid die hij als dichter ervaart en stem wil geven. Deze rede waarvan ik slechts een fragment citeer zou je kunnen beschouwen als een soort credo, een samenvatting van zijn dichterlijk streven. Een geloofsbelijdenis waar ik me graag achter schaar omdat het alles open laat, omdat oneindigheid de inzet is, omdat de grenzen slechts de grenzen zijn van leven en dood. En die zijn absoluut en transcendent. Zij verwijzen verder, transcenderen het hier en nu, zelfs in de tijd. Juarroz ziet zijn dichterlijk werk bijna als een ritueel handelen, zoals in de liturgie. Ook daar komen hemel en aarde bijeen en worden via symbolen, rites, metaforen, duidingen de relaties zichtbaar gemaakt tussen immanent en transcendent.

“…eine Art Werk oder Wirken, ein fast liturgisches Tun oder Handeln: vor dem Abgrund zu sprechen, in dem wir uns befinden, mit dem Abgrund, der wir sind, anders vor dem, der wir selbst sind, vor den anderen, vor allem, vor nichts und niemandem. Wenn ich auf meine eigenen Gedichte zurückgreife, ermutigt mich zudem die Tatsache, dass das, was der Dichter sagen kann, sich vor allem immer in seiner Poesie befindet.“

 

Met zijn eigen woorden moet de dichter het doen. Daarbuiten is er niets. Datgene wat gezegd moet worden en gezegd kan worden komt uit de dichter zelf. Een ervaring van sacraliteit, gelijk aan de dimensies in de liturgie, heb ik af en toe in gesprekken als het over thema’s als zinvolheid, waarom leven we, wat maakt mijn, ons leven de moeite waard. Spreken over deze zaken is eigenlijk een vorm van liturgie, sacraal bezig zijn omdat een inhoud op het spel staat die ook over leven en dood gaat. Studenten, medewerkers van de universiteit die op zoek zijn naar een zinvol leven, die houvast zoeken, op zoek naar diepte in hun bestaan, het zijn net zoveel voorbeelden van pogingen om hemel en aarde met elkaar te verbinden.

Misschien klinken deze termen hoogdravend, maar in diepste wezen proef ik de oneindigheid in deze verlangens en doen ze vonken overspringen, voel ik me erin thuis, kan ik het gesprek aangaan op een bevrijdende wijze. Steeds een stapje dichter bij de kern die je zelf bent – ten diepste – innerlijk – wetend dat er meer te koop is dan een diploma, een goed salaris, een riant huis, en talloze vakanties. Dat meer, dat innerlijk, dat intuïtieve gevoel van vrijheid, ongebondenheid, een ziel in vogelvlucht, een ziel aangevuurd door geest, door geestkracht, dat kan dan boven komen in een gesprek. Sacraal, omdat je dan wordt aangeraakt door de geest, de oneindigheid in het moment, het hier en nu.

Juarroz is zich van deze dynamiek bewust. Het is niet in woorden te vatten, net als de poëzie niet en net als de werkelijkheid niet. Hij schrijft:

“Es ist nicht möglich, die Poesie zu definieren, wie es auch nicht möglich ist, die Wirklichkeit zu definieren. Geschieht dies womöglich auch mit der Definition des Lebens, der Liebe, des Todes, der Musik, des Leids, des Traums? Ist es überhaupt möglich, irgendetwas zu erklären? Oder handelt es sich vielmehr um eine kleine Annäherung an das Unerreichbare, nicht mehr als um den Traum einer Formulierung des Unfassbaren?“

Over blijft is alleen de taal van de dichter. Zijn woord, zijn in woorden gevatte intuïtie en ervaring. Een ervaring ook van de onmogelijkheid om dingen te benoemen, om ze te vatten, vast te pakken als het ware. De wereld, de werkelijkheid onttrekt zich. De taal maakt alleen omtrekkende bewegingen maar precies in die beweging opent ze een horizon, maakt ze het mogelijk dat ook anderen zich erin kunnen herkennen en dat ze met nieuwe ogen kunnen gaan kijken.  Het woord als lichaam gericht aan alles, aan iedereen, het woord als een open oog voor de werkelijkheid, de oneindigheid die zich manifesteert in de werkelijkheid, hemel en aarde bijeen. Durf je zo te leren kijken? Durf je zo te leren van de horizon in ons bestaan? De dichters doen het ons voor, we mogen volgen.

 

Die Welt zu enttaufen,

den Namen der Dinge opfern,

um ihre Anwesenheit zu gewinnen.

 

Die Welt ist ein nackter Ruf,

eine Stimme und nicht ein Name,

eine Stimme mit ihrem eigenen Echo auf dem Rücken.

 

Und das Menschenwort ist ein Teil dieser Stimme,

kein Fingerzeig,

keine Aufschrift im Archiv,

keine Seitenansicht des Wörterbuchs,

kein hörbarer Personalausweis,

kein Kennwimpel

der Topographie des Abgrunds.

 

Der Dienst des Wortes,

jenseits der kleinen Armut

und der kleine Zärtlichkeit, dieses oder jenes zu bezeichnen,

ist ein Liebesakt: Anwesenheit zu schöpfen.

 

Der Dienst des Wortes

ist die Möglichkeit, dass die Welt zur Welt spricht,

die Möglichkeit, dass die Welt zum Menschen spricht.

 

Das Wort: jener Körper, gerichtet an alles.

Das Wort: jene offenen Augen.

 

John Hacking

8 juni 2018

Naar aanleiding Poëzie en poëtische waarheid in de workshop 11 juni 2018 in de Studentenkerk Radboud Universiteit Nijmegen:

https://www.bildungnijmegen.nl/events-1/poezie-als-blikverruiming

 

Citaten uit:

Roberto Juarroz

Poesie und Wirklichkeit

Poesía y realidad

Aus dem argentinischen Spanisch van Juana und Tobias Burghardt

Stuttgart 2010 (Edition Delta)

Meer afbeeldingen van mijn werk: Saatchi –  Weebly – Behance

roos