Gevangenis

“Lächelst Du, Mensch, der Du fühlst dies gesegnete Dasein? O, wir sind nichts. Ein tier im Stall. Nur unsere Seele ist manchmal ein Dom, darin wir zueinander beten können.” 

Kurt Heinicke 

Er zijn veel manieren om jezelf in een gevangenis te zetten. Door jezelf zaken op te leggen die je wilt bereiken. Rijk worden bijvoorbeeld. Dan zit je in de gevangenis van het streven naar bezit. Of machtig. Dan zit je in de gevangenis van de politiek en het politieke spel om macht. Prestaties willen leveren, willen schitteren, alle aandacht willen, bovengemiddeld succes willen hebben en bijzonder zijn, dan zit je in de gevangenis van zelf opgelegde eisen en ben je slaaf van de dwang waarmee je jezelf laat zien. In de psychologie heet dit narcisme als je niet meer zonder die aandacht kunt en als je er geestelijk afhankelijk van bent. Geen aandacht betekent dan een rotgevoel. 

Maar ook in je hoofd kun je gevangenissen voor jezelf creëren. Dwanggedachten die je moet vervullen, dat kunnen kleine dingen zijn, maar het kan ook je leven beheersen. De grenzen tussen wat we voor het gemak maar ‘normaal’ gedrag noemen en ‘ziekelijk’ gedrag zijn heel dun en vaag.  Bij zware depressies en bij psychoses  is die dwang van een heel andere categorie. Dan is de kracht ervan zo sterk dat je geen weerstand meer kunt bieden. Ontsnappen uit die ervaren gevangenis kan dan enkel in je gedachten door een einde aan je leven te maken. Dan laat je de gevangenis die het leven voor je is geworden achter je. Dat hoop je dan. Of dat werkelijk zo is kan ik natuurlijk niet beoordelen zolang je dat zelf niet meemaakt.

Een andere vorm van gevangenis op het spirituele gebied, op het terrein van geloven en van overgave, is het beeld dat je zelf van God ontwerpt. Als je God invult naar jouw beeld, naar jouw opvattingen en verwachtingen zou je wel eens heel teleurgesteld kunnen worden, vooral als die verwachtingen niet uitkomen. God is niet iets of iemand die je in je zak kunt stoppen. Geen theoloog zal erin slagen God te beschrijven. Het blijft in feite bij stamelen, bij napraten wat er in de gelovige teksten staat opgetekend. Het is metaforisch spreken, spreken bij benadering. Maar niets staat vast, geen enkel predikaat dat je aan God en aan zijn handelen toekent hoeft waar te zijn en kan naar omstandigheden wisselen. Een God van liefde kan een God van boosheid worden. Een God van vergelding, een God die een apocalyps toelaat. Een God van erbarmen kan een God van straf worden. Zo wisselen beelden van God, zo vermoed ik, met de context waarin mensen eigen ervaringen opschrijven en proberen te duiden. Maar het blijft mensenwerk hoe hard theologen en anderen ook roepen dat bijbelse teksten en andere religieuze geschriften goddelijk geïnspireerd zijn en voor sommigen rechtstreeks van God komen. Al zijn ze geïnspireerd, al dragen ze sporen van een bijzondere situatie, het blijven teksten die door mensen zijn opgetekend  en het blijven menselijke interpretaties van een situatie. We hebben daarvoor onze taal met alle voordelen en nadelen van dien. Buiten onze taal staat ons niet zoveel ter beschikking om onze ervaringen uit te drukken. Onder taal versta ik voor het gemak ook alle muzikale uitingen en alle andere kunstuitingen. Dat is allemaal taal met een eigen dimensie.

Daarom blijft het bijbelse gebod fascineren waarin God gebiedt om Hem op geen enkele wijze te verbeelden. Zo houden we de zaak open en voorkomen we dat we in een eigen ontworpen gevangenis terecht komen. Alles wat we op God projecteren komt als een boemerang naar ons terug. Maken we van God een strenge oordelende God, dan krijgen we ook een samenleving waar straf boven genade en boven barmhartigheid geldt. En als de verleiding niet weerstaan kan worden om dan maar namens God te handelen krijgen wij monsters van mensen. Beulen en moordenaars die anderen de maat nemen en denken te handelen in naam van God. In feite is het een grote slachtpartij die niets met God te maken heeft, maar alles met de gruwelijkheden die kunnen leven in een menselijke ziel.

Maar als er nou geen God is, als deze kosmos helemaal leeg is, als er geen scheppingsbegin is, maar een toevallig ontstaan van alles wat we kennen? Is dat ook niet een gevangenis? Een grote leegte omdat we niet in staat zijn om God te bewijzen? Omdat we maar vertrouwen op de feiten die de wetenschap ons levert en daarbij vergeten dat dit ook maar stukwerk is? Ook al kun je het niet overzien als mens, alle kaarten zetten op wetenschappelijke verklaringen en die als laatste waarheid aanhangen is volgens mij een domme en kortzichtige zet. Dan vergeet je voor het gemak maar al het onverklaarbare. Waarom er leven is en waarom er dood is. Waarom er een kosmos als de onze ontstond en hoe de krachten daarin werken zodat wij kunnen genieten van liefde, van schoonheid, van waarheid en barmhartigheid. Daarop heeft nog nooit een wetenschapper een antwoord gegeven. Filosofen vanaf de oude Grieken hebben pogingen gewaagd om dit gegeven te duiden en te verklaren maar ook dit blijft soms gissen, stukwerk, onvolledig. Maar het is in mijn ogen wel de moeite waard om de muren, de ramen en de deuren van de ingebeelde filosofische gevangenissen, de filosofische systemen die worden ontworpen, te verkennen. Als mens zo vermoed ik, zitten we opgesloten in ons eigen denken en voelen. Een gevangenis als je dit negatief wilt benaderen, een kans als je er ook van uit gaat dat de deuren niet op slot zitten en dat er geen tralies voor de ramen zitten. Dus wat let je om wat verder dan je neus lang is te kijken? Of zoals de dichter in de psalm zijn vrijheid bezingt die wortelt in zijn ziel.

Psalm

Meine Seele ist ein stiller Garten, 

ich weine, 

umschlossen von den Mauern meines Leibes, 

gelb sitzt die Welt vor meiner Seele Tür. 

Meine Seele ist ein Garten, 

eine Nachtigall meine Sehnsucht, 

Liebeslieder singt die junge Nachtigall, 

und mein Herz sehnt sich nach Gott. 

Gott ist ein Name, 

namenlos ist meine Sehnsucht, 

sie hat ein Kind geboren,

Willen,

Jung

und von Gewalt durchbrausten Willen, 

hinzu ihm. 

Ein Garten ist meine Seele. 

Ich knie nicht im Garten. 

Weit breiten meine Arme in den weiten Teppich blauer Nächte, 

ich fliege, 

namenloses Weltgesicht, 

ich bin dein Bruder, 

geboren aus Sternennebeln an erstem Tag. 

Mein Willen blüht einen Altar aus Mai und junger Sonne, 

vieltausend Blüten flammen auf, 

und meine Sehnsucht flattert singend hin zu deinem Munde, 

Gott, 

oder Mutterschoss,

Herz meines Bruders im Weltall, 

ich weine, 

denn kein Gedanke schickt einen Namen, 

ich singe 

meiner Sehnsucht Psalm, 

gewiegt von der Harfe unendlicher Liebe. 

Kurt Heynicke

John Hacking

26 december 2019

bron: 

Pinthus, Kurt (Hrsg.), Menschheits Dämmerung. Symphonie jüngster Dichtung, Hamburg 2019, (Rowohlt Verlag), pag. 374 (citaat) en pag 365-366 (Psalm)