Es ist Zeit, daß der Stein sich zu blühen bequemt

meidoorn in de winter

Paul Celan heeft in een van zijn eerste bundels een gedicht gepubliceerd met de naam Corona. Toepasselijk zou je denken voor deze tijd, waarin het corona-virus rondwaart. Maar corona, krans, heeft weinig van doen met het virus zelf. De naam corona voor het virus heeft te maken met de gestalte ervan, terwijl de naam corona bij Paul Celan naar andere zaken verwijst. Toch loont het de moeite om stil te staan bij het gedicht van Celan in deze corona-tijd. Wij zijn als het ware in onze beleving allen omkranst: we dragen de virtuele (en soms letterlijke) krans van de angst die dit virus met zich meebrengt en we dragen zo op een nieuwe wijze bij aan de betekenis van het begrip corona. Het gedicht geeft op een geheel eigen wijze betekenis aan het begrip corona. Betekenis die ook raakpunten heeft met de situatie waarin we nu verkeren: de tijd krijgt een andere kleur. De tijd is niet meer dezelfde, de vanzelfsprekendheden uit de tijd voor corona gelden opeens niet meer. De tijd die komen gaat zal zijn aangetast door de slagen die het virus ons heeft toegediend, zoals de oorlog slagen toedient aan hen die deze meemaken en beleven. Het is ook niet voor niets dat soms in oorlogsmetaforen wordt gesproken over de strijd tegen het virus. Het gedicht van Celan gaat in eerste instantie vooral over tijd. Belevingstijd. Tijd die we meemaken en doorleven. 

CORONA

Aus der Hand frißt der Herbst mir sein Blatt: wir sind Freunde.
Wir schälen die Zeit aus den Nüssen und lehren sie gehn:
die Zeit kehrt zurück in die Schale.

Im Spiegel ist Sonntag,
im Traum wird geschlafen,
der Mund redet wahr.

Mein Aug steigt hinab zum Geschlecht der Geliebten:
wir sehen uns an,
wir sagen uns Dunkles,
wir lieben einander wie Mohn und Gedächtnis,
wir schlafen wie Wein in den Muscheln,
wie das Meer im Blutstrahl des Mondes.

Wir stehen umschlungen im Fenster, sie sehen uns zu von der Straße:
es ist Zeit, daß man weiß!
Es ist Zeit, daß der Stein sich zu blühen bequemt,
daß der Unrast ein Herz schlägt.
Es ist Zeit, das es Zeit wird.

Es ist Zeit.

Paul Celan (uit Mohn und Gedächtnis)

CORONA

De herfst vreet zijn blad uit mijn hand: we zijn vrienden.
We kraken de tijd uit de noten en leren hem lopen:
de tijd keert terug in de dop.

In de spiegel is het zondag,
in de droom wordt geslapen,
de mond spreekt waar.

Mijn oog daalt af naar mijn geliefdes geslacht:
we kijken elkaar aan,
we wisselen duistere woorden,
we beminnen elkaar als roes en memorie,
we slapen als wijn in de schelpen,
als de zee in de bloedstraal van de maan.

Omstrengeld staan we in het raam, op de straat kijkt men toe:
het is tijd voor besef!
Het is tijd dat de steen zo goed is te bloeien,
dat het hart van de onrust gaat kloppen.
Het is tijd dat het tijd wordt.

Het is tijd.

(vertaling Ton Naaijkens)

Op het eerste gezicht lijkt dit gedicht ook een verwoording van een liefde, een relatie, een beminnen in roes en herinnering. Dat is het zeker ook. Maar er is veel meer aan de hand. Ik citeer uit het handboek over Paul Celan de volgende passage’s die een licht werpen op dit gedicht, de ontstaansgeschiedenis en de verwijzingen naar andere gedichten. Allereerst het ontstaan van de bundel waarin het gedicht is opgenomen:

Die Gedichte des Bandes Mohn und Gedächtnis entstanden zwischen 1944 und 1952 und dokumentieren acht Jahre von Celans poetischem Schaffen. Keinem anderen seiner Gedichtbände sind die historischen Verwerfungen – Ghetto, Verlust, Flucht und Exil – so unmittelbar eingeschrieben wie diesem, kein anderer batte eine vergleichbar lange Entstehungszeit und bezeugt so bedeutende Entwicklungsstufen mit so unterschiedlichen literarischen und biographischen Einflüssen. Von den Gedichten entstanden Nachts ist dein Leib noch 1944 in Czernowitz, viele Gedichte des ersten Zyklus’ Der Sand aus den Urnen – auch die an den Zyklus anschliessende Todesfuge – in Bukarest und Wien, die Gedichte der letzten beiden Zyklen Gegenlicht und Halme der Nacht dagegen fast ausschliesslich in Paris. Die frühen Gedichte tragen noch deutlich die Spuren der besonderen Czernowitzer Atmosphäre. In der Hauptstadt der Bukowina, in der viele verschiedenartige Kulturen und Völker nebeneinander lebten, war die Sprache der Poesie vielstimmig. Celan lernte hier und während eines kurzen Frankreich-Aufenthalts im Jahr 1938 neue Literaturströmungen kennen (Symbolismus, Expressionismus, Surrealismus) und las die modernen Autoren der französischen (Apollinaire, Baudelaire, Rimbaud), russischen, englischen und amerikanischen Literatur. Schon in Czernowitz übertrug er Gedichte aus fünf Sprachen ( u. a. Jehuda Halevi, Shkespeare, Verlaine, Éluard, Jessenin, Housman und Yeats). Dieser Einfluss ist in den Gedichten van Mohn und Gedächtnis ebenso spürbar wie jener der französischen (Breton, Aragon) und rumänischen Surrealisten (Naum, Paunm Teodorescu). Auch die Lyrik seiner frühen poetischen Vorbilder – George, Hofmannsthal Rilke, Trakl -klingt in de Gedichten des Bandes nach. (Celan Handbuch p. 57-58)

De titel Mohn und Gedächtnis beschrijft volgens dit handboek een spanning tussen droom en roes aan de ene zijde en realiteit en herinnering aan de andere zijde. Zoals wij ook in ons leven als het ware ‘ingevlochten’ zitten tussen onze verlangens, onze dromen, onze diepste wensen en de realiteit, de werkelijkheid waarin we ons bevinden en waarin we ons moeten aanpassen zonder in escapisme te vervallen. 

“het is tijd voor besef! 

Het is tijd dat de steen zo goed is te bloeien, 

dat het hart van de onrust gaat kloppen. 

Het is tijd dat het tijd wordt. 

Het is tijd.”

Besef van wat? Wat moeten we gaan beseffen en misschien ernaar gaan handelen? Een steen die zo goed is dat hij gaat bloeien? Het onmogelijke dat waar gaat worden? Dat we wakker worden, ontwaken, uit lethargie, uit machteloosheid? Uit onze dromen en onze verlangens en de realiteit onder ogen zien? De herfst die is aangebroken en waarmee de dichter bevriend is. Ondergang, afbraak, een winter nadert. Geen tijd te verliezen om de dood op te houden, de dood af te weren, niet meer te wachten, niet te zwelgen in een roes of in herinneringen die voorgoed voorbij zijn. 

De gedichten in Celans werk verwijzen naar elkaar en vormen zo een raamwerk waarin betekenissen worden afgewisseld en uitgewisseld. Zo verwijst corona naar een ander gedicht. Het handboek zegt hierover:

Mit dem Buchtitel Mohn und Gedächtnis weist Celan zudem auf den von ihm formulierten Anspruch hin, aus dem »Gedächtnis« heraus Neues zu schaffen. Der Buchtitel entstammt dem Schlussgedicht des ersten Zyklus’ Corona (»Mein Aug steigt hinab zum Geschlecht der Geliebten:/ wir sehen uns an,/ wir sagen uns Dunkles,/ wir lieben einander wie Mohn und Gedächtnis«, GW 1, 37). Das Wortpaar weist bereits auf das den Gedichtband beherrschende Spannungsverhältnis zwischen Traum und Rausch auf der einen sowie Realität und Erinnerung auf der anderen Seite voraus. Bereits der erste Zyklus dokumentiert Celans Verfahren, ein Textgewebe entstehen zu lassen, das sich durch interne Bezüge innerhalb seines lyrischen Werkes und des Bandes auszeichnet und in dem die Gedichte eigenständig und zugleich eng miteinander verklammert sind. So ver-weist z. B. der Titel Corona (lat. Kranz) zurück auf das Eingangsgedicht des Zyklus’, Ein Lied in der Wüste, in dem ein »Kranz [ … ] aus schwärzlichem Laub« ( GW I, 11) zum Gedächtnis der Toten gewunden worden war. Das lyrische Ich des Gedichts hatte dort im Kampf gegen den übermächtigen Tod einen Sieg errungen: Indem er den einen, bestimmten Namen aussprach und damit die noch schmerzende Erinnerung wach hielt, entriss es ihn dem Tod und dem Vergessen (»So sprech ich den Namen noch aus und fühl noch den Brand auf den Wangen«, ebd). (Celan Handbuch p. 59)

EIN LIED IN DER WÜSTE

Ein Kranz ward gewunden aus schwärzlichem Laub in der Gegend von Akra:
dort riß ich den Rappen herum und stach nach dem Tod mit dem Degen.
Auch trank ich aus hölzernen Schalen die Asche der Brunnen von Akra
und zog mit gefälltem Visier den Trümmern der Himmel entgegen.

Denn tot sind die Engel und blind ward der Herr in der Gegend von Akra,
und keiner ist, der mir betreue im Schlaf die zur Ruhe hier gingen.
Zuschanden gehaun ward der Mond, das Blümlein der Gegend von Akra:
so blühn, die den Dornen es gleichtun, die Hände mit rostigen Ringen.

So muß ich zum Kuß mich wohl bücken zuletzt, wenn sie beten in Akra . . .
O schlecht war die Brünne der Nacht, es sickert das Blut durch die Spangen!
So ward ich ihr lächelnder Bruder, der eiserne Cherub von Akra.
So sprech ich den Namen noch aus und fühl noch den Brand auf den Wangen.

EEN LIED IN DE WOESTIJN

Een krans werd gevlochten uit zwart glanzend blad in de landstreek van Akra:
ik gaf er mijn moor flink de sporen en stak naar de dood mijn rapier.
Ook dronk ik uit vuurhouten schalen de as van de bronnen van Akra,
bestokend het puin van de hemels, getooid met geloken vizier.

Want dood zijn de engelen, blind werd de heer in de landstreek van Akra;
op mij slaat er niemand nog acht van de mannen die slapen hier gingen.
Te schande geramd werd de maan, die bloem van de landstreek van Akra:
dus bloeien als takken met doorns de handen met roestige ringen.

Dus moet ik ten slotte wel bukken en kussen, als ze bidden in Akra …
O slecht was de nacht z’n kuras, er sijpelt al bloed door de spangen!
Dus werd ik hun grijnzende broeder, de ijzeren cherub van Akra.
Dus spreek ik de naam nog eens uit en voel nog de gloed op mijn wangen.

(vertaling Ton Naaijkens)

Ook hier in dit gedicht een bloeien. Deze keer niet de stenen maar: “dus bloeien als takken met doorns de handen met roestige ringen.” Handen die bloeien, zoals doornstruiken, misschien zoals de meidoorn in de lente, handen met ringen vol roest. Geen handen van heersers maar handen eerder van doden. De steen die bloeit, hoe onwaarschijnlijk zal dit plaatsvinden; maar de dode handen hadden dat al aangekondigd. De maan te schande geramd, het bloed door de spangen, keert terug in de bloedstraal van de maan in corona.

Toch is er hoop volgens de commentator in het handboek: het uitspreken van de naam is een overwinning op de dood en die overwinning zet de dichter in vuur en vlam. De herinnering geeft leven, de herinnering, einde aan het vergeten maakt toekomst mogelijk. Zoals de Baal-Shem zegt (geparafraseerd hier): vergeten is ballingschap (en een vorm van sterven, zou ik willen toevoegen), herinneren is verlossing. 

Het is tijd, tijd om te herinneren, om te beseffen dat het verleden ons draagt en houvast kan geven in een wereld vol onzekerheid. In het Joodse denken en de studie van de bijbel en de Talmoed is “Lernen” dan ook datgene waarom het eigenlijke leven draait. De teksten herkauwen en steeds opnieuw telkens weer interpreteren en eigentijdse antwoorden en betekenissen zoeken en verwoorden. In het handboek worden nog meer verwijzingen gegeven bij corona. Ik citeer:

Sprache und Zeit sind für Celan bereits in Mohn und Gedächtnis zentrale Begriffe seiner Dichtung, deren vordringliche Aufgabe das »Gedächtnis der Toten« (Emmerich, 93) ist. Das Gedicht Corona veranschaulicht die Zeitstruktur seiner Lyrik besonders gut, wenn es ausgehend vom Herbst (der Jahreszeit, die bei Celan immer auch auf die Ermordung der Eltern hindeutet) zeigt, dass Zeitlosigkeit erreicht werden kann, indem die Vergangenheit und Zukunft in der Gegenwart des dichterischen Ich zusammentreten. Im Schlussvers “Es ist Zeit” postuliert der Dichter hier seine eigene Zeit, die nicht linear verläuft und im Gedicht umgekehrt werden kann (»die Zeit kehrt zurück in die Schale”) damit das scheinbar Unmögliche geschieht und im Gedicht der Stein zum blühen gebracht werden kann. Somit sind Celans Gedichte immer auch solche des persönlichen Eingedenkens. (Celan Handbuch, pag. 60).

Het gedicht van Rilke over de dag in de herfst en de tijd waarnaar ook Celan weer verwijst is ook een soort bezwering, of als je wilt, gebed. Het klinkt zo (met twee Nederlandse vertalingen):

Herbsttag

Herr: es ist Zeit. Der Sommer war sehr groß.
Leg deinen Schatten auf die Sonnenuhren,
und auf den Fluren laß die Winde los.
  
Befiehl den letzten Früchten voll zu sein;
gieb ihnen noch zwei südlichere Tage,
dränge sie zur Vollendung hin und jage
die letzte Süße in den schweren Wein.
  
Wer jetzt kein Haus hat, baut sich keines mehr.
Wer jetzt allein ist, wird es lange bleiben,
wird wachen, lesen, lange Briefe schreiben
und wird in den Alleen hin und her
unruhig wandern, wenn die Blätter treiben.

Rainer Maria Rilke

Herfstdag

Het is nu tijd Heer, onze zomerdagen zijn geteld.
Leg uw schaduw over zonnewijzers
en laat de wind maar los over ’t vlakke veld.

Beveel de laatste vruchten vol te zijn;
geef hen tot slot twee zuidelijke dagen,
dring aan op hun voltooiing zodat zij nog dragen
zoetigheid naar zware wijn.

Wie nog geen huis heeft, bouwt zich er geen meer.
Wie nog alleen is, zal dat nog heel lang blijven,
zal waken, lezen, lange brieven schrijven
en rusteloos gaan wandelen, heen en weer
over straten waar slechts bladeren achterblijven.

Vertaling:  Niels van Donselaar

Herfstdag 

Heer, het is tijd. Het was een grootse zomer.
Leg nu uw schaduw op de zonnewijzers
En laat de wind over de velden komen.

Gebied de laatste vruchten vol te zijn,
Verleen hun nog twee zuidelijker dagen,
Stuw ze naar de voldragenheid en jaar
De laatste zoetheid in de zware wijn.

Wie nu geen huis heeft, bouwt het ook niet meer
Wie nu alleen is, zal het nog lang blijven,Zal waken, lezen. Lange brieven schrijvenEn rusteloos de lanen op en neer
Gaan als de wind de blaren voort zal drijven.

Vertaling: Peter Verstegen 

Er is nog een andere verwijzing in het gedicht corona die niet vanuit het gedicht ‘an sich’ maar pas vanuit de biografie van Celan betekenisvol is. Zijn relatie met Ingeborg Bachmann. Ook zij heeft in haar gedichten verwijzingen opgenomen naar gedichten van Celan omdat ze jarenlang een liefdesrelatie hebben onderhouden en elkaar gedichten stuurden. Ze hebben elkaar ook op dit vlak beïnvloed en geïnspireerd. De strofe “wir sagen uns Dunkles” uit corona keert hier letterlijk terug. Ingeborg Bachmann die dit gedicht schreef in 1952, het jaar ook waarin Mohn und Gedächtnis verscheen. Het is december 1952, de maand waarin Celan huwt met Gisèle de Lestrange. Klinkt dit door in de door Bachmann vertolkte Orpheus, de minnaar die zijn geliefde kwijtgeraakt is aan de dood? Het klinkt ook als een voorbode op die 20e april in 1970, als Paul Celan een einde aan zijn leven maakt in de Seine. En het raakt mij des te meer omdat ook vandaag 11 mei de sterfdag is van mijn moeder, die een einde maakte aan haar leven, ook in het water. Es ist Zeit, daß der Stein sich zu blühen bequemt. 

Dunkles zu sagen

Wie Orpheus spiel ich
auf den Saiten des Lebens den Tod
und in die Schönheit der Erde
und deiner Augen, die den Himmel verwalten,
weiß ich nur Dunkles zu sagen.
 
Vergiß nicht, daß auch du, plötzlich,
an jenem Morgen, als dein Lager
noch naß war von Tau und die Nelke
an deinem Herzen schlief,
den dunklen Fluß sahst,
der an dir vorbeizog.
 
Die Saite des Schweigens
gespannt auf die Welle von Blut,
griff ich dein tönendes Herz.
Verwandelt ward deine Locke
ins Schattenhaar der Nacht,
der Finsternis schwarze Flocken
beschneiten dein Antlitz.
 
Und ich gehör dir nicht zu.
Beide klagen wir nun.
 
Aber wie Orpheus weiß ich
auf der Seite des Todes das Leben
und mir blaut
dein für immer geschlossenes Aug.

Ingeborg Bachmann

John Hacking – 11 mei 2020

Bron: 

Celan, Paul, Verzamelde gedichten. Uit het Duits vertaald door Ton Naaijkens, Amsterdam 2003 (Meulenhof)

Bachmann, Ingeborg, Werke, (4 Bd.) Herausgegeben von Christine Koschel, Inge von Weidenbaum, Clemens Münster, München Zürich 2010, (Piper Verlag)

May, Markus / Goßens, Peter, Celan. Handbuch. Leben – Werk – Wirkung. 2., aktualisierte und erweiterte Auflage, Stuttgart 2012, (Verlag J.B. Metzler)