Wetenschap, religie en geloven

Wetenschappelijk waarnemen is een afgeleid waarnemen omdat de waarneming plaatsvindt via instrumenten die metingen verrichten en die daarna in een theoretisch kader worden geanalyseerd en geduid. De claim dat wetenschap zich niet verdraagt met religie (als systeem van zingeving d.w.z. een bepaalde verzameling van antwoorden op vragen die in en door onze existentie (als mens) worden opgeroepen) en zeker niet met geloven (dat dan verstaan wordt als geloven in ‘iets’ of ‘iemand’ dat of die niet kan worden bewezen) is mijn inziens te kort door de bocht. Als ik zeg ‘ik geloof in God’, zeg ik eigenlijk ‘ik vertrouw op God’. Als ik hiermee zou beweren dat God voor mij onomstotelijk vast staat begeef ik mij op glad ijs want er zullen zeker situaties in mijn leven optreden waarin die stellige zekerheid met alle kracht zal worden ondergraven. Beweren dat ik zeker weet dat God bestaat, verabsoluteert ook mijn cognitieve vermogen, alsof ik als menselijk wezen met al zijn onmogelijkheden en fouten, al mijn gebreken en tekortkomingen, zo maar over dit laatste heen kan stappen. Als ik goed naar mijzelf durf te kijken en naar mijn levensloop moet ik eerlijk zijn. Zoveel heb ik niet in handen om dergelijke stellige uitspraken te doen.

Mijn dood is bijvoorbeeld een feitelijkheid, die ik nog niet ken en nog niet heb ervaren, maar die als mogelijkheid, die zeker zal aanbreken, mijn bestaan en mijn geloofszekerheid kan ondergraven: wat zal er met mij gebeuren ná mijn dood. Was het dat dan? Is er een opstanding uit de dood? Wat staat er dan op? In welke vorm, in welke hoedanigheid, in welke dimensie? Alleen al het stellen van deze vragen haalt de stelligheid van beweringen gedaan in het licht van bijbelse uitspraken onderuit. In de bijbel is niet veel houvast te vinden voor een zekerheid die verder reikt dan de dood. Hemel en ‘hel’ zijn concepten die niet verder worden uitgewerkt en ze worden slechts vaag geduid. God is in de bijbel ook géén eenduidig concept maar een verzameling van namen die wij door de vertaling ervan in het Grieks en Latijn weergeven met het abstractum God. De oorspronkelijke Hebreeuwse namen voor God verwijzen allemaal naar een relationeel aspect dat de betroffene heeft in het verhaal met deze God, telkens weer context en vraag bepaald. Ook in de psalmen, de liederen die op indringende wijze die relatie met God verwoorden en beschrijven, is de naam God afwezig, maar vind je een veelvoud aan Hebreeuwse varianten op zijn naam. Vanuit gelovig standpunt zou je wel kunnen spreken over God, (ook als algemene term), maar strikt gezien, vanuit de teksten zelf, zit je dan te raaskallen, omdat het Griekse/Latijnse denken de mal vormt of de bril waarmee je dan naar de geloofswerkelijkheid kijkt en de relaties die daarbinnen gestalte worden gegeven. God, de relatie met deze veelzijdige en veelkleurige God wordt zo verengd, versimpeld, geabstraheerd en eigenlijk in mijn ogen verkracht. Jezus leefde in de Joodse werkelijkheid. Achteraf is daar een Griekse tekst over geschreven met dito abstracties. Daarmee is de eerste mal gegeven waarin ons christelijk geloof gestalte aannam. Maar een teruggrijpen op de Joodse wortels kan daarom geen kwaad omdat zo een verdiepingsslag mogelijk wordt en het geloven hierbij alleen maar kan winnen.

Het is een zelfde soort abstractie die plaatsvindt in het wetenschappelijk waarnemen van de werkelijkheid. De theorie levert de begrippen, het kader en de bril. De uitkomst kan dan alleen maar worden geformuleerd binnen dit kader en met deze bril. Alles wat daar buiten valt is dan ‘niet-wetenschappelijk’ omdat andere formuleringen de theorie niet ondersteunen, niet passen binnen de theorie, en daarom in principe dan ook niet worden waargenomen en / of gewaardeerd. Pas een nieuwe theorie die de oude kan vervangen en die eventueel nieuwe waarnemingen en nieuwe begrippen kan inpassen krijgt dan weer de status van wetenschap. Vergeten wordt voor het gemak dat de mens niet puur en direct de werkelijkheid waarneemt maar dat deze waarneming altijd bemiddeld is. Ook het koken van water bij een bepaalde temperatuur kan niet worden waargenomen als er geen maat wordt gehanteerd waarin de warmte kan worden afgelezen. De menselijke hand in zetten om de warmte te meten is geen goed idee. En de ogen alleen als getuige gebruiken levert ook geen maat op, want je kunt het water wel zien borrelen maar dan weet je nog niet zoveel. Dus al deze waarnemingen met het etiket wetenschappelijk zijn bemiddelde waarnemingen, via instrumenten en via theoretische kaders.

Misschien zou je zelfs nog kunnen stellen dat religieuze ervaring en geloofservaringen meer direct (lichamelijk en geestelijk) zijn dan wetenschappelijke ervaringen. Maar ook in deze vorm van ervaring spelen theoretische kaders een belangrijke rol. Een zingevingssysteem, wat een religie probeert te zijn, moet het hebben van vragen en antwoorden op deze vragen die richting-wijzend kunnen zijn in het vervullen van levenstaken en het invullen van levensdoelen en levensinhoud. Meestal is dat dan ook in samenspraak met anderen, die in dit zingevingssysteem van belang zijn, en is het relationele aspect dragend. Wat we met elkaar als deelnemers aan het religieus systeem, of geloof, beleven, verwoorden, communiceren en verder uitdragen heeft gevolgen voor de inhoud van ons geloven, ons zingevingssysteem en voor de gestalte van de onderlinge relaties. In die zin is een geloofssysteem dat geen enkele transformatie toestaat vanaf het begin al dood. Het is al uitgestorven voordat het überhaupt aanhangers heeft kunnen werven. Want zingeving, zinduiding en zincommunicatie vindt plaats vanuit levende mensen die een levensweg afleggen en hiervan leren. Mensen die hun hoop en verlangen leggen in hun woorden en hun daden. Een al te strakke theorie maakt alleen maar slachtoffers en is ten dode gedoemd. Een religieus systeem dat op wetenschappelijke basis geloofszekerheden zou willen vastleggen – dat wil zeggen, dan moet het ook een instrumentarium ontwikkelen om te meten en te waarderen – is in feite een contradictie. Het kan dan nooit uitgroeien tot een levend geloof, dat bij de verlangens, de verwachtingen, de hoop, de twijfel, het verdriet en vreugde van mensen aansluit. Het zou dan eerder een harnas zijn, een doodsmasker, een ‘einde-oefening’-verhaal, want er is geen levend iets (woord, daad, voorbeeld) dat ander leven kan inspireren.

Ook wetenschap en wetenschappelijke theorieën kunnen alleen maar inspireren als er levende mensen zijn die deze begrippen zo kunnen presenteren dat anderen erdoor geraakt worden, geboeid, geïnteresseerd. Dan zijn het de vragen die nog niet zijn opgelost, de zoektocht die wordt ondernomen om antwoorden te vinden, de route die wordt afgelegd, die aanzetten tot handelen en tot verder vragen. Zo wordt wetenschap een vorm van zingeving die haar eigen kaders kan en mag overstijgen. Dogmatisme in de wetenschap is net zo dodelijk als dogmatisme in de religie. Ik zie geen enkele reden waarom wetenschap en religie, geloven en onderzoeken, niet naast elkaar zouden kunnen bestaan en door een en dezelfde persoon zouden kunnen worden beoefend. Het zijn twee verschillende domeinen van zingeving met heel veel raakvlakken. Het gaat erom om uitkomsten uit onderzoek niet als alleen zaligmakend te presenteren alsof er daarbuiten gaan andere opties zouden zijn. Zingeving vindt op velerlei wijze plaats, wetenschap is er een van, religie is een andere.

John Hacking

25 maart 2022