In de schaduw van God

IN DE SCHADUW VAN GOD

Het woordje schaduw heeft voor mij géén negatieve klank. Aan schaduw denkt men vaak bij donkere dingen; of de achterkant waar geen licht op valt. Typisch dat verlichte voorwerpen een schaduw werpen. Hoe feller het (zon)licht, hoe afgetekender de schaduw. In de psychologie is het begrip schaduw soms gaan functioneren als een verzameling van negatieve eigenschappen. En angstwekkende dreigende gebeurtenissen werpen soms hun ‘schaduw’ voorruit.

Toch is schaduw voor mij daarmee nog níet negatief. Schaduwkanten zijn de kanten die in het donker liggen. Niet zichtbaar (soms), dus onbekend. In de schaduw van God wil dan ook in dit licht zeggen: de donkere kant van God, de onbekende kant van God, de niet‑bekende kant van God overdekt ons met zijn schaduw, met zijn “donker‑licht”.

“Donker‑licht” dat kan eigenlijk niet. Dat is een tegenspraak, maar toch zou ik dat begrip willen toepassen op God, omdat God voor ons mensen onkenbaar is. Alles wat we ‘uitvinden’, bedenken omtrent God is mensenwerk, mensen-woord, mensenfantasie. In die zin zou ik even willen “fantaseren” over God.

In de mysiek is het beeld van het ‘donker-licht’ niet zo vreemd. Daar kwam ik achter enkele dagen nadat ik dit bovenstaande spontaan had opgeschreven. Er zijn stemmen in de Joodse mystiek die zeggen dat God als een donker-licht in ons menselijk leven aanwezig is. De hele schepping legt daarvan getuigenis af omdat de schepping bestaat in de schaduw van God. Ook wij mensen, ons menselijk leven vormt een deel van die schaduw.

“Maar wat kan ik met een dergelijk beeld?”, hoor ik u al denken. “En staan deze mystieke metaforen (beelden van God) niet erg ver af van het gewone dagelijkse leven?” Daar kan ik alleen op antwoorden: “Het is maar waar je naar op zoek bent!” Als Godzoeker, zo versta ik mezelf, word ik persoonlijk gefascineerd door dergelijke beelden omdat ze mijn visie op God verbreden en verdiepen, waardoor het begrijpen van mijn bestaan (soms) uitgetild wordt boven het alledaagse.

Ben je geen Godzoeker (of weet je het misschien allemaal al) dan zullen deze beelden niet zo snel aansluiting vinden. Dat kan en dat mag. Ieder mens hoeft niet op dezelfde golflengte te zitten.

Maar ‘toevallig’ zit ik op deze golflengte van het zoeken naar God omdat ik geloof en erop vertrouw dat mijn zoeken iets oplevert voor mijn leven. Door te investeren in dit zoeken ‘valt mij iets toe’: namelijk het intuïtieve gevoel dat ik op de goede weg zit en dat mijn duiding mij ook dichter bij God brengt en God dichter bij mij.

Concreet: als wij leven in Gods’schaduw, als de schepping schaduw Gods is, donker en onbekend, net zo donker en onbekend als de onbekende God die daarin verschuilt dan heeft uiteindelijk alles betekenis, dan is niets echt volslagen zinloos. Hoe zinloos en beperkt dingen ook soms lijken in ons leven, hoe volstrekt tegendraads tegen alle menselijke hoop en verwachting in, hoe kwellend en pijnlijk ook, in het licht van God krijgt alles uiteindelijk een andere dimensie.

Maar deze dimensie kunnen wij mensen met ons menselijk verstand en gevoel niet bevatten noch accepteren (zeker niet als het zinloos lijden betreft). Daarvoor moeten wij eerst op een ander spoor, in een andere tijd komen, een andere tijd dan de geschonken levenstijd. Misschien moeten we eerst hemelse ogen ontvangen, God zien van aangezicht tot aangezicht om hier iets van te begrijpen.

Als de opstanding uit de dood als belofte aan ons gedaan is, waarom dan ook niet volledig inzien waartoe het allemaal goed is wat we hebben moeten ondergaan. Misschien verhult Gods’schaduw wel deze belofte. Misschien is het vallen in God wel het springen in een afgrond die God heet. Diep en donker. En onbekend. Maar wie weet hoe we worden opgevangen, in welk licht we zullen ontwaken.

John Hacking

1999