Een nieuwe theologie?

 

Mensbeeld, zelfbeeld, godsbeeld

Op naar een nieuwe theologie

Ons mensbeeld, zelfbeeld en ons godsbeeld is gekleurd. Gekleurd door de context waarin wij leven. Ons zelfbeeld is eeuwenlang gebaseerd geweest op een zelfverstaan als autonome grootheid waarvan onze ratio de kern vormt. Met onze ratio bakenen wij de grenzen van ons zelf af en hebben wij eeuwenlang de grenzen bepaald van onze werkzaamheid als subject. Wij verstaan onszelf als autonoom subject met een zekere mate van autotarkie en autocratie, misschien niet in de materiële en fysieke lichamelijke zin (we moeten tenslotte eten) maar wel in de geestelijke zin. De ratio vormt daarvoor ons houvast en is ons uitgangspunt. De werkzaamheid van de ratio wordt gekleurd door de wijze waarop wij de werkelijkheid om ons heen waarnemen. Die wijze van waarnemen is ook en vooral lichamelijk. Zonder zintuigen nemen wij nauwelijks waar. De ratio ‘an sich’ zonder lichaam is dan ook vanuit menselijk standpunt onvoorstelbaar ondanks het feit dat sommige filosofen wel een dergelijke poging hebben ondernomen. Het hebben van een zelfbeeld dat gebaseerd is op rationeel zelfverstaan veronderstelt een vorm van zelfbewustzijn. Dat is bewustzijn dat weet dat het er is en dat het werkzaam is. Geen vrij zwevend bewustzijn, maar gekoppeld bewustzijn aan een lichaam en een aan een zelf.

Ons zelfbeeld vormt ook de basis voor ons mensbeeld, het beeld dat wij hebben van de species mens en van de mens als moreel en maatschappelijk ingebed wezen. Onze autonomie is in dit licht altijd een beperkte autonomie geweest in relatie met de autonomieën van andere subjecten. De heteronomie (van de ander) begrenst onze autonomie. Daarmee moeten we instemmen als we niet alleen op de wereld willen leven. Ons beeld van de mens heeft een zekere mate van normativiteit die tot uitdrukking komt in de verwachting hoe wij als mensen moeten zijn en hoe wij ons moeten gedragen. Het feit van de heteronomie en de erkenning daarvan in onze maatschappelijke context bepaalt mede de wijze waarop wij onze samenleving gestalte geven. Met de heteronomie is ook ons godsbeeld op de kaart gezet want God (of wat daar voor door gaat) is de werkelijkheid die vanuit de mens gezien absoluut heteronoom is. Vanuit die positie doet hij (of de goddelijke werkelijkheid) een appèl op ons als mens om in onze menselijke context bepaalde gedragingen ten uitvoer te brengen. Het feit dat religies bestaan en dat mensen in een of andere God geloven betekent dat hun autonomie ingeperkt wordt door deze heteronomie van gene zijde; of met andere woorden zij laten zich inperken omdat ze van mening zijn dat deze nieuwe structuur van inperking zinvol is.

Nou zitten wij echter met een levensgroot probleem. Ons godsbeeld is niet alleen gekleurd door de context waarin we leven (beelden verschuiven, krijgen nieuwe ladingen, veranderen van accent en soms van inhoud) maar ook door de bronnen of de traditie waar ze uit stammen. De bijbelse godsbeelden zijn oud. Ze zijn vaak gekenmerkt door het optreden in een sociale context die de onze niet meer is. Beeldtaal, regelgeving, woordgebruik en werkzaamheid van begrippen uit die tijd zijn verschoven, veranderd, vernieuwd of hebben afgedaan. God als herder, de leerling als (mensen)visser, Jezus als messias, het zijn allemaal inkleuringen die vanuit de huidige context vragen kunnen oproepen. Met de huidige context bedoel ik dan de nieuwe technologische ontwikkelingen op het gebied van de wetenschap (biologie/natuurwetenschap), de communicatie en de economie en tal van andere terreinen waar een tijdgenoot van Mozes, Jezus of Boeddha zich absoluut geen voorstelling van kan maken. Wij leven in een nieuwe en vernieuwde wereld, en ik vermoed dat ons zelfbeeld en onze reflecties over subjectiviteit, autonomie en sociale relaties hierdoor in grote mate gekleurd zijn. Een theologie, een spreken over God en de mens, dat blijft steken in de werkelijkheid van de traditioneel overgeleverde teksten en geschriften, vooral ook een boekenwijsheid, en die vanuit deze traditie probeert aan te sluiten bij de moderne ontwikkelingen zou wel eens goed de plank mis kunnen slaan. Misschien heeft die theologie al lang de aansluiting verloren en voeren de theologen slechts een achterhoedegevecht zolang hun aanstelling aan de universiteiten nog duurt. Kortom een theologie die er niet in slaagt om midden in deze tijd te staan, geconfronteerd met de vragen over de toekomst van de aarde en de mensheid, gezien vanuit de technologische mogelijkheden die in toenemende mate groeien, die theologie doet er al snel niet meer toe. Ze wordt een relict uit het verleden, een verzameling wikipedia-artikelen en meer niet.

Is er dan een uitweg, zijn er voor de theologie nieuwe kansen, nieuwe mogelijkheden? Is het spreken over God, de mens en het zelf toe aan een nieuwe input? Een bijdrage die niet meer enkel berust op oude overgeleverde beelden, filosofische reflecties over het autonome subject en de rol van de ratio als kerngegeven? Kortom een filosofie en theologie die de moderne tijd serieus nemen. Daarbij hoort mijns inziens ten eerste het serieus nemen van de menselijke lichamelijkheid en de condities waarin de mens verkeert als lichaam, dus ook zijn sterfelijkheid, zijn contingentie. Levenstijd is een schaars goed vanuit menselijk standpunt. Als dit schaars goed, of gezien als schaars middel, nu ook eens in het economisch discours zou worden meegenomen om de kwaliteit van leven te bevorderen als economische grootheid, als doel, dan zou er maatschappelijk gezien een nieuwe economie kunnen worden ontworpen waarin de mens zelf doel wordt. Niet een heilstaat, niet een utopisch land waar elk “verkeerd verlangen” zoals hebzucht zou zijn uitgebannen en waar het heil op ieder wacht, als, als, als…Nee, een economie gericht op kwaliteit van leven en een economie die daarin groeipotentieel mobiliseert en waarmaakt. Dit is een tamelijk eenvoudige conclusie gebaseerd op het feit dat ons leven kostbaar is en dat de tijd die ons rest de moeite waard is om er wat van te maken. Onze sterfelijkheid en onze lichamelijkheid wordt zo in een mensbeeld echt verdisconteerd. Utopieën schetsen, niet-plaatsen, is niet zo moeilijk maar ze getuigen meestal van weinig realiteitszin. Als subject is onze autonomie relatief en zijn we in de moderne tijd vooral onderdeel van diverse netwerken en verbanden. Michel Foucault noemt dat een van de voornaamste kenmerken van onze tijd: onze verbondenheid in talloze relaties en netwerken, organisaties en constellaties. Voortdurend zijn wij in contact met en wij zijn product van al die contacten en ervaringen, van die doorgangssituaties (heterotopieën, plekken waar we in onze ontwikkeling doorheen gaan). Het zelf dat gebonden is aan het lichaam en er als het ware metaforisch in woont als een soort van zelf-plaats (het zelf is gelokaliseerd in het lichaam, een auto-topie) wordt in de moderne tijd door al die contacten uitgebreid, als het ware uitgespreid over deze relaties en netwerken. De virtuele werkelijkheid op internet van de subjectieve vormen van identiteit maken dit zichtbaar. Het zelf is een nu een globaal zelf aan het worden, overal aanwezig, overal oproepbaar, overal traceerbaar. Het zelf kan zich niet meer verstoppen. Het zal worden gevonden en het wordt gevonden. Toenemende technische mogelijkheden van detectie ook lichamelijk versterken dit proces alleen maar. Spreken over een beperkte autonomie gebaseerd op rationeel zelfverstaan schiet dus eigenlijk al te kort om het moderne verbonden subject te karakteriseren. Waren in de periodes hiervoor gezin, clan, familie, dorp, stad, vereniging, school, land de voornaamste verbanden, nu zijn deze opgerekt tot over de hele wereld (globaal) en in talloze lagen en situaties. Het zelf en het menselijk lichaam als auto-topos is een knooppunt geworden in tal van verbanden, een auto-nodus (van Latijn nodare), een knooppunt waar tal van gegevens doorheen gaan en dat deelneemt aan relaties met andere knooppunten. Een auto-nodus dat door de activiteit ervan ook gelezen kan worden en dat zichzelf blootgeeft. Knooppunt zijn bepaalt de nieuwe menselijke mogelijkheden en heeft gevolgen voor het mensbeeld. Voor het godsbeeld roept dit totaal nieuwe vragen op. Het was Karl Rahner die schreef dat of de moderne tijd gekleurd zou worden door een mystieke godsbeleving of er zou geen geloof meer zijn en dat zou het einde van de religie betekenen. Misschien heeft hij gelijk maar ik vermoed dat de mystieke dimensie zich wel eens op een heel ander vlak zal kunnen gaan afspelen: namelijk binnen de technologische  nieuwe context waarin het zelf terecht is gekomen: techniek die toppunt-ervaringen gaat veroorzaken, mystiek uit de computer en uit de pillendoos. Verdwijnt God daarmee uit zicht om de mystiek ervaring een lichamelijk opgewekte en substituutervaring is geworden, een ervaring op bestelling zoals sommige neurowetenschappers schijnen te beweren? God en het godsbeeld vallen niet samen met de beschrijvingen die wij ervan geven. Zou dat wel zo zijn dan was er geen sprake van heteronomie. Omdat de goddelijke werkelijkheid in de kern heteronoom is kunnen wij vanuit onze autonomie, hoever die dan ook is opgerekt, deze werkelijkheid niet bevatten of verklaren. Dat is niet alleen een kwestie van geloof, van geloven, maar ook van ervaring, omdat ik lichamelijk beperkt ben, sterfelijk, en maar zeer ten dele autonoom en rationeel. Mijn sterfelijkheid drukt mij met de neus op het feit dat er naast mijn stukje autonomie ruimte is voor heteronomie van de kant van God. Of ik die ruimte neem, hem bezet met betekenissen, of de ruimte leeg laat en God als concept een overbodigheid vind, dat is een zaak die ieder zelf moet uitmaken. De theologie staat in ieder geval voor de opdracht de huidige tijd serieus te nemen wil zij zich niet voorgoed uit de markt prijzen die wetenschap heet.

john hacking

6 oktober 2012

n.a.v. alumnidag Radboud Universiteit Nijmegen – spraakmakende wetenschap