Nieuwe ontwikkelingen in het fenomeen kerk-zijn van het studentenpastoraat in Nijmegen

Kenmerk van onze tijd is het verlangen naar authenticiteit. Vooral in de beleving van het eigen geloof of de eigen religiositeit wordt dit belangrijk gevonden.  Men wil worden uitgedaagd en getroost (een vorm van ‘challenge and comfort’), (want)geloven moet ook een praktisch nut hebben. Daarbij is men niet op zoek naar dogmatische waarheden waar men houvast in vindt, maar staat het zoeken zelf centraal. Deelname aan religieuze rituelen verschilt afhankelijk van de doelgroep, het event-karakter ervan en de mate van openheid. Deze omschrijvingen zijn ontleend aan een mondeling verslag over een onderzoek ten behoeve van een plaatsbepaling van de kerkelijke én religieuze situatie van protestants Nederland in 2011. Naast het traditionele  domein van religiositeit binnen gemeente/parochie en  het eigen kerkgebouw zijn er nieuwe plekken van religiositeit ontstaan in onze samenleving die hernieuwde aandacht krijgen. Ik spreek over hernieuwde aandacht want sommige plekken hebben al een lange traditie.  Herdenkings- en herinneringsplekken, culturele plekken (denk aan schoonheid/kunst) en recreatieve plekken (denk aan natuur/pelgrimage) krijgen opnieuw aandacht. Herinnerings- en herdenkingsplekken zijn er altijd al geweest maar door buiten-kerkelijke of niet-kerkelijke activiteiten op deze terreinen krijgen ze ook in onze maatschappij hernieuwde betekenissen. Kunstenaard worden ingezet om deze gevoeligheid voor herinneren en gedenken vorm te geven op een eigentijdse wijze. Het museum trekt meer bezoekers dan de kerken op zondag, het Vondelpark telt meer joggers en hardlopers dan er bij elkaar passen in een kerkgebouw. De route naar Santiago de Compostella is nog nooit zo populair geweest. Sacraliteit wordt beleefd en gevonden buiten de traditionele en kerkelijke vieringen én buiten het kerkgebouw. De inzet als vrijwilliger of betrokkene bij een project ten behoeve van de verre/dichtbije naaste heeft een nieuwe stimulans gekregen die hierbij aansluit. Dat is het diaconale domein als plek van hernieuwde spiritualiteit en religiositeit, zo Ton Bernts in een lezing voor het NIM (Nijmeegs Instituut voor Missiologie) op 5 oktober 2012 te Nijmegen aan de Radboud Universiteit. ‘Religie is kortweg een optie geworden naast andere vormen van zingeving . In dit tijdperk van authenticiteit wordt religie vooral als iets persoonlijks beleefd en deze persoonlijke beleving vraagt om nieuwe uiterlijke vormen en betoverende religieuze decors’, zo Bernts.  Ik zou nog een domein willen toevoegen aan deze trits van religieuze domeinen, namelijk het virtuele domein, de relaties die onderhouden worden via de moderne sociale media, via internet en andere technieken. De beleving van het religieuze en de duiding ervan binnen een kader kan niet om deze virtuele plekken heen omdat veel mensen daar tijd en energie in stoppen. Activering van mensen, stimulering en inspiratie worden via deze media mogelijk op een tot nu toe ongekende wijze. Wat boeken niet voor elkaar kregen omdat het lezen fysieke activiteit veronderstelt die tijd kost, kan nu via een knop op het toetsenbord van telefoon of computer. Mensen worden nieuwsgierig gemaakt voor een bepaalde activiteit en de reacties volgen meteen. Allen die aangesloten zijn bij een netwerk nemen niet alleen kennis van de activiteit maar zijn ook in staat hun mening te geven, te participeren op de wijze die hen het beste lijkt.

Wat betekent deze ontwikkeling nu voor de invulling van het begrip kerk en kerk-zijn in het studentenpastoraat, concreet in Nijmegen?  Kortweg komt het hierop neer om deze nieuwe domeinen van religiositeit serieus te nemen omdat ze een eigen dynamiek ontwikkelen. Programmatisch kunnen thema’s uit deze situatie worden opgenomen in een jaarprogramma door bijvoorbeeld pelgrimstochten aan te bieden, actief te worden op het terrein van kunst en creativiteit in relatie met het eigen (religieus) zelf-verstaan, het ontwikkelen van rituelen om hoogtepunten en dieptepunten in het eigen leven een plek te geven en ga zo maar door. Maar fundamenteler is de stap om de doelgroep van studenten zelf verantwoordelijk te maken voor hun activiteiten en datgene waar ze behoefte aan hebben zelf laten te thematiseren. Want kerk is in mijn ogen geen doel maar een middel. Kerk is er in de eerste plaats ook niet om de boodschap van het evangelie te verkondigen (via preek en vieringen) maar om deze boodschap letterlijk voor te leven. Voor-doen, voorgaan in deze geïnterpreteerde boodschap is op zichzelf al verkondiging.  Kerk is dus een verzameling van concrete mensen die deze boodschap leeft en voorleeft. Dat hoeft niet op een spectaculaire en uitbundige wijze. Het kan in het klein, op microniveau,dicht op de huid van de mensen die het betreft. Kerk zijn, mens in die kerk zijn, wil zeggen, wegwijzer zijn, voorbeeld, stimulans, inspiratiebron hoe je jouw leven ook gestalte kan geven in deze maatschappij. Centraal staat vanuit ons als pastores daarbij de persoon van de student zelf. Het gaat ons erom dat deze persoon in zijn veelzijdigheid en veelvormigheid tot zijn recht kan komen waardoor al zijn kwaliteiten kunnen ingezet worden ter ere en meerdere glorie van zijn psychisch welbevinden en welzijn. Waarom leg ik hier zo de nadruk op? Omdat we nogal wat studenten tegenkomen die lijden onder de last die zichzelf in naam van maatschappij, ouders, onderwijsinstelling etc. opleggen. Die last  voelt soms als een ondraaglijke last en wat we doen in een gesprek is die last en de zwaarte ervan verkennen, serieus nemen en bevragen. Dat zijn persoonlijke gesprekken waarin we samen op het spoor proberen te komen wat echt belangrijk is in het leven van de student en waar hij of zij prioriteiten heeft. Aandacht voor het concrete welzijn van de student als eerste aandachtsveld is voor ons belangrijk als kerk. Je welkom weten, je welkom voelen, geen gesloten deuren of lange routes (intake etc.) om te kunnen praten, vinden we belangrijk. Wij zijn er voor jou. Wij zijn middel in dit proces. Dat is een stap.

De volgende stap in dit proces is studenten te laten ervaren dat onze boodschap van gastvrijheid, we willen een gastvrije kerk zijn, mogelijk is op het niveau van hun eigen leven. Wij bieden hen mogelijkheden tot samen eten, tot ontmoeting en tot verdieping aan en wel in een context waarin zij zich veilig en vertrouwd voelen als in een huiskamer. Wij hebben samen met studenten ervoor gezorgd dat er een vorm van huiskamer is ontstaan op de campus waar nu op maandag t/m woensdag gegeten kan worden en deelgenomen kan worden aan een activiteit. Studenten zijn zelf verantwoordelijk voor de maaltijden, de werving, de organisatie en de invulling van de avonden. Zij krijgen de sleutel en sluiten s’avonds zelf af. Wij, als pastores, vertrouwen erop dat deze wijze van werken niet alleen drempelverlagend is, maar dat zij ook zoden aan de dijk zet om op deze wijze mensen kerk te laten ervaren op een heel andere en nieuwe wijze. Studentenkerk wordt zo ook huiskamer, plek waar je welkom bent en waar je jezelf thuis kunt voelen. Dat is in feite weer een vertaling van wat ik boven al noemde:  tot je recht komen, uitgroeien zoals je ben bedoeld. Daarmee spreek ik een religieuze taal, geef ik een religieuze duiding aan dit proces omdat tot je recht komen een bijbels adagium  is, voortdurend ook zichtbaar in het optreden van Jezus van Nazareth als hij met de mensen aan de slag gaat die hij ontmoet. Wat wil God van mensen, bijbels gesproken? Dat zij tot hun recht komen en elkaar en God op deze wijze dienen. Dat gaat via de weg van acceptatie en investering in elkaar, via de weg van gesprek en elkaar ondersteunen, via de weg van onderlinge inspiratie en de problemen in de maatschappij serieus te nemen. We bouwen dus aan kerk-zijn van onderop. We beginnen niet bij leer en dogma, hoewel we nooit te beroerd zijn om hier ook over te praten, maar we beginnen bij het leven en de vragen van onze doelgroep: de studenten. Echt nieuw is dit handelen dan ook niet, maar nieuw is nu wel het fenomeen huiskamer en het feit dat ik hier over schrijf en probeer enkele theologische conclusies hieruit te trekken. Ik versta mijn eigen optreden in deze als een vorm van ‘middel’ zijn, instrument of hulpmiddel in dienste van een eeuwenoude en lange traditie om het evangelie handen en voeten te geven met een open blik op de wereld, staande midden in deze wereld. Dat er midden staan kleurt mijn kijk en mijn verwachtingen, stemt me ook soms somber en negatief, maakt me soms pessimistisch en boos, maar geeft me ook kracht om te investeren in middelen en wegen om vertrouwen en overgave zichtbaar te maken en veel negatieve tendensen te relativeren. Hoop en twijfel gaan daarbij hand in hand, wetende dat het handelen en het experiment kennis opleveren en positieve ervaringen die je op de weg van het evangelie houden. Jezus trok door het land. Voor hem Abraham, Mozes en de profeten. Het waren reizigers, eigenlijk nooit thuis. Zij verkenden het land en het landschap en probeerden er het beste van te maken aan de hand van enkele richtlijnen. Met vallen en opstaan, niet vanuit een zekere positie als onbetwistbaar leider, niet vanuit een machtsdomein, een instituut, niet vanuit onwankelbare zekerheden. Ze spraken en handelden met gezag, maar dat was gebaseerd op ‘trial and error’, gekleurd door existentiële ervaringen van mislukking en verzoeking, uitdaging en succes. Zo zou ik ook ons kerkelijk handelen willen typeren, ons pogen evangelie en woord van God gestalte te geven in ons dagelijks leven. ‘Woord vlees laten worden’, dat wil zeggen concreet ervaarbaar in onze dagelijkse praktijk, daar gaat het volgens mij om. Zelf vind ik dat een mooie metafoor omdat wordt uitgedrukt dat kletsen over liefde moet uitmonden in het ervaren van liefde die je geeft en die je misschien mag ontvangen.

Vanuit de beleving van het vertrouwde religieuze domein dat in gebouw en vieringen ter sprake komt zijn er heel veel aanknopingspunten met deze wijze van werken en omgekeerd kunnen vieringen en activiteiten binnen een christelijk curriculum ontzettend veel leren en geïnspireerd worden door wat er op het niveau van de ontmoeting in de huiskamer en het persoonlijk gesprek gebeurt. We hoeven geen nieuwe religie uit te vinden, we hoeven niet eerst van alles af te breken om dan weer opnieuw te beginnen. We hebben zoveel kostbare zaken onze bagage, wij hebben individueel en collectief zoveel mogelijkheden en kwaliteiten dat wij die alleen maar hoeven in te zetten. Valse schaamte, misschien plankenkoorts, onterechte aarzelingen, beginners-angst, en wat al niet kan ons dwarszitten. Dat hoor ik ook een beetje uit het onderzoek van en voor de protestantse kerken dat ik boven noemde. De kerk loopt achter, de mensen zijn bang om mee te doen in de ontwikkelingen die zich nu maatschappelijk afspelen. Maar het is heel simpel, net zoals de Joodse filosoof Frans Rosenzweig al schreef, ik vat samen: waarheen leiden de deuren van de tempel? De wereld in!

 

John Hacking

donderdag 25 oktober 2012