Naar aanleiding van een gedicht: Suicide

Naar aanleiding van een gedicht

SUICIDE

Toen, in die nacht, kraaide de haan, er hing

een voorgevoel, dat morgen worden ging.

Een groene boel, zag ik door ’t venster heen.

Een doodstil doel, dat nog te wachten scheen.

Mijn voorhoofd, koel, vel over been, aan ’t glas

dacht, dat daar buiten iemand nog niet was,

of dat er iets gebeurd was, wat niet meer

hersteld kon worden zonder tegenweer.

Er stonden strepen in de lucht, zo dreigend.

Het groene kwaad vertrok een ooglid, zwijgend.

Ik kreeg, als in mijn jeugd, uren geduld

met een geheim, dat nimmer wordt onthuld,

maar met de dovenetels en het gras bedroefd

beneden in het midden van de nacht vertoeft.

De klokken hebben keer op keer een waarschuw.

Over mijn witte vingers loopt een haargruw.

Iemand, die ligt begraven, weet zoveel.

Ik grijp mijzelve langzaam bij de keel.

Mijn hals schiet als een stengel uit mijn rug,

nu ik hier bengel aan de buitenplug.

Gerrit Achterberg

Dit gedicht, zo vind ik, is eigenlijk een tekst vol raadsels. Het slotakkoord gaat uit van de pleger van deze suicide. Maar is daarmee alles gezegd? Geldt de rest van de tekst de overwegingen vooraf aan deze daad? Je zou het kunnen vermoeden. Maar wie is die iemand die ligt begraven, die zoveel weet? Meteen na deze conclusie grijpt de dader zich naar de keel. Je hoort bijna de knak, waarmee zijn nek gebroken gaat worden, zoals bij de val bij ophanging aan een strop. Het doodsmoment is bijna na-voltrekbaar. Maar de dood zelf blijft buiten beeld, alleen het bengelen wordt verwoord. Tussen het uit de rug schieten van de hals en het bengelen gaapt een diepe afgrond. Het wezen van de dood.

De dichter neemt de tijd om zijn daad voor te bereiden: langzaam grijp ik mezelf bij de keel. Over mijn vingers een rilling, gruwen, afschuw. De klok die wijst op de doodsklok. De schrijver heeft er vrede mee, het geheim, dat nimmer wordt onthuld.

Maar wat is dit groene kwaad, een groene boel? Een doodstil doel, de dood die wacht op jou, jij die de daad gaat voltrekken? Strepen in de lucht, een voorgevoel, nacht, een kraaiende haan, als bij het verraad van Jezus en de ophanging van Judas. Hangt Judas hier aan de strop? Verraad aan zijn heer dat niet meer ongedaan kan worden gemaakt? En het groene kwaad zwijgt, vertrekt hoogstens een ooglid. In wiens gezicht?

Mijn voorhoofd koel, vel over been, zo tegen het glas, weet van een doel, iets dat zich nog gaat voltrekken: de eigen dood? Een vergezicht op het eigen sterven? Ver wordt dichtbij, nadert snel, met rasse schreden, want een paar strofes verder is het reeds zover en heeft  het bungelen een aanvang genomen. Is het voltrokken, het eind compleet. Weten we nu mee, kennen we persoon en achtergrond, weten we wie de dichter op het oog heeft?

Dit gedicht heeft een eigen mysterie, een donkerheid die ook in de stroom van woorden en beelden niet wordt opgeheven. Als een waas, een sluier, een laag van mist hangen daad en betekenis over het land, en de kennis van de dader is voorgoed afgesneden, begraven met hem in de grond. Het waarom en het waartoe zijn ons ontzegd. We houden slechts het gissen. Strepen in de lucht die ons dreigend voorkomen, een voorgevoel, wat nog ontbreekt is de koude, de ijzigheid. Niet genoemd, maar wel opgeroepen door deze cadans van schrijven. Rilling, treurigheid, onherroepelijkheid en daarna de leegte, het grote niets. Dat is wat overblijft. Bengelen aan de buitenplug. Ook een vorm van sarcasme en van afstand proef ik hier. Het lichaam al losgelaten, de geest vaarwel gezegd, de ziel al meegenomen door de dood. Wat blijft een corpus. En de ochtend die zo akelig begon.

John Hacking

6 oktober 2015

Schwarzwald