Met lege handen

Met lege handen

Meester Nietskunner of meester Machteloos, in het Chinees Wunengzi, (en naam die uit drie karakters bestaat: wu = een negatie, niet hebben; neng = kunnen, in staat zijn, capaciteit, competentie, vaardigheid; zi = meester) heeft elf eeuwen geleden een prachtige tekst geschreven die over het taoïsme gaat. Jan de Meyer heeft de tekst opnieuw vertaald. De naam nietskunner kan bevreemding oproepen omdat iets niet kunnen vaak negatief wordt beoordeeld. Volgens een andere auteur uit deze Taoïstische traditie komt niet kunnen overeen met dao (tao). De Meyer schrijft: “De werking van de dao stijgt uit boven het niveau van ‘kunnen’ of ‘niet-kunnen’; de dao is letterlijk niet in staat ervoor te zorgen dat alles is wat het is, omdat de dao het mechanisme van de spontane transformatie is. Respect voor het niet-kunnen, licht Guo Xiang toe, staat gelijk metste vertrouwen op de eigenschappen die men natuurlijkerwijze toebedeeld heeft gekregen.” (pag. 34) Als je nooit over dao of tao hebt gehoord en het concept je vreemd is, moet dit wel klinken als nonsens. Maar velen zijn misschien bekend met de tekst van de Tao Te Ching of Daodejing van Lao Zi, een van de standaardteksten over het taoïsme. En als dat niet zo is, is het hoog tijd om dit prachtige boek ter hand te nemen en te lezen.

Twee andere begrippen die in deze context van niet-kunnen van belang zijn, zijn de begrippen wuwei en wuxin. Duwei heeft veel betekenissen, waarvan er een is ‘ niet-doen’. Wuwei is geen pleidooi voor passiviteit, maar het is een vorm van handelen die volgens de Meyer die door niets gemotiveerd, niet doelgericht en vooral niet storend handelen behelst. Wuwei kan ook vertaald worden zo, de Meyer, met ‘het niets in actie’. “Wuwei veronderstelt in het taoïsme altijd een vorm van handelen, meer zelfs, het is de hoogste vorm van handelen.” (p.43)
Wuxin, betekent letterlijk vertaald ‘het niet hebben van hart’ of ‘het niet hebben van geest’. De Chinese traditie van het taoïsme is in de loop der tijd gemengd geraakt met andere invloeden maar ze heeft nog steeds een uniciteit die bijzonder kan worden genoemd, precies omdat het niet-handelen, het niet-kunnen, het niet-willen (beheersen en manipuleren) zo centraal staat. Dit concept spreekt mij aan omdat het ook een soort van tegenwicht kan vormen tegenover de verleidingen waaraan wij dagelijks bloot staan en die ons als het ware voortdurend op het spoor van de actie zetten en die ons motiveren om de ‘dingen op te lossen als er zich problemen voordoen.’ We zijn in denken en doen gekleurd en worden bepaald door technisch denken, zou Martin Heidegger zeggen, en daardoor zitten we voortdurend in de actiemodus gevangen. Er is geen ruimte voor contemplatie meer, er is geen bezinning, er is geen niet-doen en laten gebeuren opdat de dingen zich uit zichzelf transformeren.

De ondertitel vanher boek van Wunengzi, Nietskunner luidt: het taoïsme en de bevrijding van de geest. Om het laatste is het mij te doen. Bevrijding van de nauwe banden waarmee wij onze geest binden, gevangen zetten en proberen te temmen door voortdurend gericht te zijn op handelen en op manipulatie. Manipulatie is niets anders dan de werkelijkheid naar onze hand proberen te zetten. Dat vindt plaats op velerlei terrein en levert ook wat op. Maar als dit denken wordt toegepast op het religieuze terrein en het domein van de zingeving loopt het faliekant mis. De teruggang in de christelijke kerken in Nederland bij Rooms-katholieke en protestantse gemeentes (uitzondering zijn de evangelische groepen) bracht Eric Borgman ertoe te melden op een bijeenkomst van pastoraal werkers dat we in een impasse verkeren: we staan met lege handen. Zijn pleidooi was gericht op bezinning. Nu eens niet in de actiemodus schieten om dit ‘varkentje te wassen’, maar verwijlen in de impasse, stil blijven staan bij de lege handen. We hebben de oplossing niet en wat we ook ondernemen het zal niet echt helpen. Deze impasse is er een om doorleefd te worden. We zijn terug bij af, zo Borgman, zo zijn de eerste christenen ook begonnen.

Vanuit deze gedachte kunnen we dus nog wat leren van het taoïsme dat niet het handelen om te veranderen centraal stelt maar het handelen van binnen uit, vanuit wat nodig is en wat spontaan naar boven komt zonder bijbedoelingen, zonder motivatie of uiterlijke doelen. Dat doet mij ook denken aan de uitspraak van Meister Eckhart die door Gerard Visser zo verwoord wordt: “Eckhart houdt zijn gehoor voor dat je niet moet handelen ‘om wat dan ook dat buiten jezelf ligt, maar uitsluitend om wat in jou je eigen wezen en je eigen leven is’.”(pag. 161) Dat is een pleidooi voor het laten zijn van wie je bent, het aanvaarden van je kwaliteiten, het veronderstelt zelf-acceptatie en zelfkennis en het berust in de gedachte dat het handelen voortkomt uit een innerlijke dynamiek en niet uit de wil om te heersen en te beheersen. Terecht zet Visser dit idee af tegen het concept van de wil tot macht zoals Nietzsche hierover sprak. Visser bespreekt dit in het hoofdstuk dat handelt over ‘De Godsgeboorte in de ziel’, een prachtige titel in mijn ogen. Ik citeer een lang stuk tekst hierover:

Wil het hart van een mens afgestemd raken op het hart van de oorsprong, dan kan dit zich alleen in de gang van het leven zelf voltrekken. Eckhart weet dit, en geeft het ook te kennen als hij de toehoorder die zijn woorden niet begrijpt de raad geeft er zich niet om te bekommeren. De rigide vereenzelviging van weten met rationeel-empirisch weten heeft een barbaarse consequentie die zelden wordt gezien: de uiterste consequentie ervan is dat het leven zelf niets meer te zeggen heeft, dat het leven eigenlijk niet hoeft te worden geleefd. Men is dan het verst afgeraakt van de subliem-tragische kern van het Griekse pathos-begrip, dat mens-zijn wil zeggen: aan lijden blootgesteld zijn. Eckharts onbewogenheid heeft met deze consequentie niets van doen. Als hij zegt dat alleen een gelijkgestemd hart zijn woorden kan verstaan, weet ook hij dat inzichten die alleen het leven zelf ons kan bijbrengen, zich eerst aan het gevoel hechten, en pas naderhand aan gedachten.

In Eckharts leer neemt het begrip van het leven een opmerkelijk centrale plaats in. Het levende van het leven heeft hij als een ondoorgrondelijk geheim beschouwd. Het enige wat wij zonder meer weten is dat wij leven en verlangen te leven. ‘Er is niets dat men zozeer begeert als het leven. Wat is mijn leven?Wat uit zichzelf van binnenuit wordt bewogen. Wat van buiten wordt bewogen, leeft niet’ (Q: 176). Overwegingen als de volgende hebben Angelus Silesius tot zijn bekende spreuk gebracht, over de roos die bloeit zonder waarom.

‘Wie duizend jaar lang aan het leven zou vragen: waarom leef je? Die zou, als het kon antwoorden, niets anders te horen krijgen dan: ik leef omdat ik leef. Dat komt omdat het leven vanuit zijn eigen bestaansgrond leeft en opwelt uit zichzelf; daarom leeft het zonder waarom in het zichzelf levende leven’ (J II: 230 / Q : 180). (pg. 156-157)

Een leeg gemoed is ontvankelijk voor het zonder waarom, voor de eenheid, voor het, zoals ik dit zelfbij voorkeur noem, onuitsprekelijk intacte van het leven. Intact betekent heel en ondeelbaar, maar het wijst eveneens op het wonder in alle leven en alle stof, dat van de onderlinge afstemming. Je kunt je niet buiten het leven plaatsen,
omdat je het zelf tot in de kleinste vezels van je wezen bent. Als het leven al een bestemming kent, dan kan die alleen van binnenuit, in het zich toevertrouwen aan het leven zelf, worden ervaren. Eckhart houdt zijn gehoor voor dat je niet moet handelen ‘om wat dan ook dat buiten jezelf ligt, maar uitsluitend om wat in jou je eigen wezen en je eigen leven is’(J II:163/Q: 186).”

Einde citaat.

In het boek dat Wunengzi schreef over zijn opvattingen begint het eerste hoofdstuk met een beschrijving hoe het zover heeft kunnen komen dat wij veel te veel inzetten op onze ratio en op ons manipulerend handelen, daarbij vergetend wat het leven is en hoe het leven ons beheerst. We zijn door de schuld van de wijzen, die aan alles namen gaven, en daarmee een oordeel uitspraken, wijzen die alles benoemden wat ze tegenkwamen, volgens deze nietskunner ertoe aangezet om ook zó te gaan handelen. Waarnemend en oordelend, ingrijpend en trachten te veranderen wat we anders willen zien. Daarbij zijn we vergeten dat het leven uit zichzelf al in ons leeft en dat wij dat leven en die kracht ervan, dao, moeten laten gebeuren. De overeenkomst met Meister Eckhart is duidelijk. Maar kunnen we er wat mee in onze dagelijkse praktijk? Kunnen lege handen ons meer ontvankelijk maken voor de werkelijkheid, voor het leven, voor de innerlijke transformaties? Het is, zo vermoed ik, het overwegen, het mediteren erover, waard. Want al ons handelen brengt ons niet dichter bij de ‘hemel’ en al ons streven niet verder af van ‘dood, verderf en lijden’. Er moeten andere wegen zijn om het grote lijden in en aan deze wereld te weerstaan, te ondergaan en op een ander niveau te leren zien. Ingrijpen met wapens, met geweld, met kracht en macht maken het meestal alleen maar erger. Maar wanneer zal dit inzicht doorbreken bij de geesten die aan de knoppen zitten? Bij de mensen die hun leiders kiezen, bij de kleine dictators die uit zijn op persoonlijk gewin en persoonlijke macht? Er is nog een lange weg te gaan maar misschien kan het kijken naar de eigen lege handen, handen klaar om te ontvangen wat het leven schenkt, ons helpen. Hef ze omhoog ten hemel, de hemel zal ze vullen en dat is al genade.
John Hacking
9 juni 2016

literatuur:

Wunengzi (Nietskunner), Het Taoïsme en de bevrijding van de geest, Amsterdam Antwerpen 2015 (Uitgeverij Atlas Contact)

G. Visser, Gelatenheid. Gemoed en hart bij Meister Eckhart beschouwd in het licht van Aritstoteles’leer van het affective, Amsterdam 2008 (Sun)

 

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.