Stem van het hart

Stem van het hart

In de twee bijeenkomsten rond aarden en wortelen voor studenten stond in de eerste bijeenkomt het ‘aarden’ centraal, de ontdekking van wie je bent, wat je (ware) aard is en hoe je achter je (ware) aard kunt komen. Worden wie je bent, accepteren wie je bent en daar mee je leven gestalte geven, gehoorzamen aan wie je ten diepste bent en je niet verzetten maar er mee aan de slag gaan. Dat kan pas leiden tot een leven van genieten, van zinvolheid en van waardevol handelen. Telkens als je anders wilt zijn dan je bent raak je verward in vreemde netten van je ambitie, je streven, je verlangen dat niet realistisch is, maar dat zich spiegelt aan beelden die anderen je opleggen of die je jezelf oplegt omdat je denkt dat je zo moet zijn en zo moet handelen. Identiteit is in diepste wezen: identiek worden aan wie je bent en wat je hebt meegekregen. Ken uzelf en leef ernaar.
Avond twee ging over wortelen met de boom als metaforisch voorbeeld. Als je voor een boom staat zie je niks van de wortels terwijl ze toch evenveel ruimte onder de grond innemen als de boom daarboven. Wortels geven houvast maar je ziet het aan de boom niet af. Dus jouw innerlijk houvast zie je ook niet aan de buitenkant. Dat zit van binnen, diep onder de ‘grond’. Maar wij zijn niet geworteld in de concrete aarde maar in een ander soort grond. Meister Eckhart noemt dit in zijn preken ‘grunt’, een grond die ons kan dragen. Wat is die grond dan? Is het een vorm van vertrouwen, van je over durven geven, van religieus bewustzijn? Dat heeft er zeker allemaal mee te maken en God geeft grond aan het menselijk bestaan in de ogen van Eckhart, maar ik vermoed dat wij ook geworteld zijn in de taal. In aansluiting op de Duitse filosoof Martin Heidegger durf ik te stellen dat wij in ons woord, (Wort), de plaats (Ort), het oord ontdekken waarin wij staan en waarin wij wortelen, anders gezegd: houvast vinden.

Als wij in de taal wortelen, als onze taal en de wijze waarop wij met elkaar communiceren ons dat houvast geeft zoals een boom rust op zijn wortels, dan is taal niet alleen maar een middel, een stuk gereedschap. Taal maakt ons wakker voor de wereld en via taal ontdekken wij de wereld. Het kleine kind zet zijn eerste stapjes in de wereld via de woorden en de klanken die het leert. Duiding, aanduiding en terugkoppeling, betekenissen ontstaan en verdiepen zich in het contact met de wereld, de objecten om ons heen en de leraren, de ouders in dit geval, gaan daarin voor door het kind woordjes te leren. Papa, mama, zeggen is niet onschuldig, niet alleen maar functioneel. Diepe emoties en diepe verbondenheid worden ermee uitgedrukt. Het hart komt ter sprake en zonder het hart is er geen communicatie. Meister Eckhart heeft het hart daarom opgevat als de kern van ons bestaan waarin wij God kunnen ervaren als ons hart niet gevuld is met oppervlakkigheden. Met andere woorden als wij afgestemd zijn op God, in de goede stemming zijn, in de goede trilling, als wij leeg van binnen open staan voor de stem van God. Niet voor niets komen alle ervaringen van God in de bijbel binnen via de oren: eerst het horen, het zien komt daarna en is minder belangrijk. Het zien is van een andere orde. Maar omdat wij in ons leven het zien, het bewijzen, het tonen en aantonen voorop stellen komen we nooit bij God uit, want van God is geen beeld dat gezien kan worden door onze mensenogen. Ook ons innerlijk is er niet een van zien en gezien worden, van laten zien, en je voorstaan laten op, niet iets van show en showen, maar van verborgen aanwezig open staan en ontvangen van wat wordt aangereikt. Omdat we onze ogen centraal stellen en tot voornaamste orgaan hebben gepromoveerd denken wij ook dat wij met onze ogen moeten oordelen en moeten ervaren. Alles wat niet via de ogen binnenkomt beschouwen we daarom als een bewijs van minder waarde en minder zeggingskracht. Een vorm van domheid noem ik dat. Net als eerst zien en dan geloven.

Meister Eckhart noemt het hart de plaats waar de waarheid zetelt en kan worden ontdekt. Het hart dat gestemd is, dat de grondstemming vertolkt die het mogelijk maakt in contact te treden met God: een zuiver hart is hiervoor nodig. Gerard Visser pluist in zijn studie met de titel Gelatenheid al deze begrippen die Eckhart gebruikt uit, om te ontdekken waar het deze middeleeuwse meester echt om te doen is. Een gestemd hart is een ontvankelijk hart, en Visser laat zien hoe hij hiertegen aan kijkt. Ik citeer:

“Het op een lijn stellen van het beeld van het hart en het woord stemming is minder vreemd dan het op het eerste gezicht lijkt, als we ons realiseren dat beide betrekking hebben op de ontvankelijkheid of receptiviteit van het gemoed. De nu volgende vergelijking van hart en stemming vindt plaats met het oog op deze receptiviteit.
Ik gebruik dit woord hier om te benadrukken dat wij het fenomeen receptiviteit niet mogen beperken tot de zintuiglijke waarneming. Wat leert de vergelijking? Hart en stemming geven drie gemeenschappelijke betekenismomenten te kennen, te weten het integrale, het hermeneutische en het muzische. Het integrale eigen aan de receptiviteit van hart en stemming is dat zich daarin, en daarin alleen, heel de gesteldheid van de eigen levenstoestand onmiddellijk te kennen geeft. Het hermeneutische is dat zij de ziel daarmee, in het medium van de gesteldheid, ook een zin of waarheid te verstaan geven. Het muzische van beide is de innerlijke afstemming van de lier van het gemoed op deze zin of waarheid die het gemoed omvangt.
Deze drie momenten komen samen in een vierde gemeenschappelijke betekenis, als we stemming in de zin van grondstemming nemen: het spirituele van de zin of waarheid die zich uitspreekt in een zuiver gestemd hart.” pag. 122

Ontvankelijkheid en openheid zijn voorwaarden om de werkelijkheid te ervaren, luisteren, gehoorzamen, woorden laten binnenkomen kenmerkt de houding om te willen leren en te willen aannemen dat wat gezegd wordt in principe goed voor je is. Luisteren naar de ander die om je geeft, luisteren ook naar de stem in jezelf, je eigen gevoelens, je eigen intuïtie, het heeft allemaal met openheid, een fundamentele houding van openheid te maken. Je kunt dan wel denken dat je als denkend subject een zekere autonomie hebt, die heb je ook, maar de kern van je bestaan, bestaat in feite door je te laten gezeggen door het heteronome, de anderen die tot je spreken en die zeker als jij nog kind bent, beter weten wat goed voor je is, dan jezelf. Religies zijn gestolde vormen van heteronoom spreken in naam van een godheid. Jouw autonomie maak je daaraan ondergeschikt en dan word je een ‘ware’, d.w.z. toegewijde gelovige. Iemand die zijn autonomie voorop blijft stellen kan niets anders dan een atheïst zijn op het terrein van de religie. In het luisteren naar je gevoel zit ook een zekere mate van heteronomie hoewel het op het eerste gezicht misschien niet zo lijkt. Als je gevoel je niet bedriegt ben je in je gevoel vaak op een onverwachte en niet rationele manier verbonden met de werkelijkheid die jou omgeeft. Jouw stemming is deel en onderdeel van een stemming die groter is dan jezelf. Roeping wil zeggen de roep horen die tot jou gericht is, je ontdekt wat je roeping is, wat er tegen je gezegd wordt. Daarvoor moet je in de juiste stemming zijn, de juiste openheid hebben anders mis je jouw roeping. Dus luisteren naar wat er in je leeft, gestalte geven aan wie je ten diepste bent en volbrengen wat er in dit spreken van je gevraagd wordt is je aard leven en je roeping volbrengen. Visser zegt hierover als hij over het hart spreekt bij Eckhart, ik citeer 3 passages:

“We kunnen de aard van deze receptiviteit van de stemming, die ook eigen is aan het hart, een integrale noemen, in zoverre zich daarin geen geïsoleerd object maar het geheel van onze gesteldheid integraal openbaart. ‘Openbaren’ is voor dit waarnemen of vernemen een geschikt woord. Een andere passende term heeft Heidegger in Sein und Zeit geïntroduceerd met het werkwoord ‘erschliessen’.
‘De stemming heeft telkens al het in-de-wereld-zijn als geheel ontsloten en maakt een zich-richten-op (…) allereerst mogelijk.’
‘Ontsluiten’ is basaler dan ‘openbaren’. Naast ‘erschliessen’ gebruikt Heidegger voor de toestand van het ontsloten zijn het substantief ‘Erschlossenheit’. De zeggingskracht van deze termen blijkt ook uit hun tegendelen ‘verschliessen’ en ‘Verschlossenheit’. In Sein und Zeit heeft hij ‘ontsluiten’ als generale term voor alle modi van weten ingezet, aangezien geen waarneming of gedachte, herinnering of fantasie mogelijk is zonder inbedding in deze bodem van het omvangende geheel van het gestemd zijn.” p. 123-124

En eenander citaat dat hierop voortborduurt zegt:

“Een tweede betekenismoment dat het beeld van het hart te kennen geeft en dat met het woord en het woordbereik van stemming aan transparantie wint, is het hermeneutische van de integrale receptiviteit van het affectieve. In de Confessiones, zijn Belijdenissen, gebruikt Augustinus herhaaldelijk de uitdrukking: ‘de oren van het hart’. We begrijpen de zin van deze uitdrukking, als het hart symbool staat voor het innerlijk dat zich voor de heilsboodschap openstel. (…)
Ook Eckhart laat deze hermeneutische receptiviteit van het hart duidelijk zien, als hij zegt: ‘Konden jullie begrijpen met mijn hart, dan zouden jullie wel verstaan wat ik zeg, want het is waar en de waarheid zegt het zelf (J ll: 99 / Q: 163). De waarheid spreekt zichzelf uit in een ontvankelijk hart. Bij dit laatste gaat het niet meer om een hart of doorsnee gemoed, maar om een zuiver hart, dat niet slechts een gesteldheid, maar in en via dit medium van de gesteldheid de waarheid ontvangt. Dit stemt overeen met het onderscheid dat we kunnen maken tussen de stemming die een doorsnee gesteldheid openbaart, en een grondstemming die voelbaar maakt van waaruit een leven leeft, voor Eckhart, als dit hart is ingeplant in de grond van de godheid, die van de vreugde. Het zuivere hart is een hart dat naar de grond van de ziel toe openstaat. Zoals het beangstigende of het vreugdevolle, het absurde of het zinvolle van het bestaan zich alleen in een grondstemming te kennen geeft, zo kan de waarheid zich volgens Eckhart ook alleen openbaren in een zuiver hart.” p. 124-125

Tenslotte de laatste passage:

“Stemmen als het in verhouding brengen van een klank met andere klanken maakt ons attent op een derde betekenismoment dat de affectieve receptiviteit van hart en stemming toekomt, het muzische. We herkennen dit moment als we stilstaan bij de voorwaarde die Eckhart stelt, van het gelijk worden van de mens aan de waarheid.
‘Want zolang de mens niet aan die waarheid gelijk is, kan hij deze woorden niet begrijpen’ (J ll: 99 / Q: 163). Gelijk worden aan de waarheid is abstract – uitwendig, naar het beginsel van Empedokles, geformuleerd. Anderzijds is het volgens dit beginsel alleen het hart dat toegang tot een waarheid geeft die uit het hart van God komt.
Het gelijk worden is een verplaatsing en een eenwording van een hoogst intieme aard. Het woord ‘hartsvriend’ geeft een dergelijke ‘allerinnigste’ eenheid te kennen. Maar reikt hier het woordveld van stemming voor dit gelijk worden niet een passend, sprekend woord aan, namelijk afstemmen?

Gemakkelijk herkennen we de motieven die ook Eckhart met het hart verbindt: het binnenste van het hart als toegang tot de waarheid, het hart als plaats van het beluisteren en vernemen en van het proeven van de smaak van de waarheid, de bewogenheid van het afgedwaald zijn door de jacht op stoffelijke maaksels, die ruis brengen in de oren van het hart, en het teruggeroepen worden, na de val in de afgrond van de eigenwilligheid, die geen rust brengt. De bescheiden geest preludeert op Eckharts lege gemoed, dat machtiger blijkt dan alle weten. De openhartigheid ervan heeft nog niets van doen met ons ‘hart op de tong’, ook al start Augustinus in zijn Belijdenissen ongegeneerd zijn hart uit, maar alles met ontvankelijkheid.
Slechts een motief in de opgesomde citaten lijkt Augustinus vertrouwder te zijn dan Eckhart, de waarheid als een ‘innerlijk lied’. Een zuiver gestemd hart, is dat niet een hart dat is afgestemd op de innerlijke melodie van de waarheid?” p. 126-127

Tijdens de twee cursusavonden rond aarden en wortelen heb ik deze tekst van Visser over Eckhart niet kunnen bespreken, wat eigenlijk jammer is omdat er een taal wordt aangereikt die ons verder kan helpen om de eigen existentie, het staan in dit leven en de zin ervan, te verhelderen. Omdat we allemaal wezens met een hart zijn en onze aard leven en laten zien, onze roeping proberen te ontdekken en te volgen, kunnen de beelden en de begrippen ons een eind op weg helpen omdat wij wortelen in de taal en hierin houvast vinden.
In ons autonome denken gedragen wij ons soms als of wij los van alles en iedereen kunnen existeren, zoals een boom in het veld. Maar een boom kan niet weg en alles wat hij kan en ook doet is zich aanpassen aan de omstandigheden. Wat wij ervan zien is zijn groei, de takken, de stam, de bladeren, de bloemen en de vruchten. Hij past zich aan, aan de seizoenen en gedraagt zich zo dat hij het kan overleven, ook als de omstandigheden niet altijd meezitten. Een boom lijkt autonoom maar is het zeker niet. Wij mensen lopen rond, kijken uit over de horizon en kunnen ons aan de horizon oriënteren want daarvoor hebben wij een verstand en een oriëntatie-apparaat gekregen. We kunnen aan de hand van de horizon vragen, waar kom ik vandaan, waar ben ik nu, en waar wil ik morgen naar toe? De horizon is niet alleen de scheiding tussen hemel en aarde, de verbinding tussen deze twee dimensies, ze is ook een grens die tot inzicht kan leiden zoals de Duitse theoloog Tillich opmerkte. De horizon kan ons leren dat onze autonomie maar zeer relatief is en dat wij onderdeel zijn van het landschap net als een boom. Ook al lopen wij vrij rond, we hebben structuren, vaste behuizing, een vaste plek (oord, Ort) nodig om te existeren en ons toe te verhouden. Anders is ons leven chaotisch, komen we nergens vandaan en gaan we nergens naar toe. Op een metaniveau maken we, zo vermoed ik, deel uit van grotere harmonieën, alleen zijn die voor ons autonome waarnemen met onze ogen niet zichtbaar of ervaarbaar. Alleen al het feit dat wij muziek kennen, muziek maken en muziek ons kan dragen is al een bewijs voor de stelling dat klanken, trillingen, stemming, gestemd zijn, een ingang zijn voor een begrijpen op een ander niveau van ons bestaan. Visser verwijst naar de oude Grieken die hierover spraken als hij het hart bespreekt bij Meister Eckhart, ik citeer:

“De pythagorische en platoonse harmonia is bij Augustinus nog volop levend. De Romeinen namen ‘harmonia’ over, maar vertaalden het eveneens met ‘concordia’. Augustinus moet de fraaie poëtische dubbelzinnigheid van dit woord – cor / cordis: hart, en chorda: snaar – nog hebben gehoord. De verstandige mens zorgt er volgens Plato voor ‘dat hij de innerlijke harmonia van het lichaam ordent naar de innerlijke xumphonia van de ziel, daar moet de ware musicus’, zegt hij, ‘toe in staat zijn. ’23 Xaveer De Win vertaalt: ‘dat hij het innerlijke akkoord van zijn lichaam afstemt op de innerlijke harmonie van zijn ziel’. (…)
Het woord concordia belichaamt een van de twee antieke woordvelden waaruit, volgens het minutieuze onderzoek van Leo Spitzer, het woord stemming is ontstaan, dat als geen ander stem kan geven aan de verborgen zin van Eckharts taal. Ik haalde het beeld aan van het akkoord binnen een symfonie. We kunnen dit beeld ook uitvergroten. Het gemoed als een akkoord vooronderstelt immers 1) het beeld van het lege gemoed als een innerlijke resonantieruimte, de klankkast van het instrument, die het akkoord pas laat weerklinken, 2) het beeld van het zuivere hart als het zuiver afgestemde instrument van het gemoed, waarvan de snaren (activiteiten, passies, deugden) het akkoord verklanken. Maar de klanken die de snaren voortbrengen, danken dit akkoord uiteindelijk aan de zuivere afstemming op 3) een harmonie die het gemoed te boven gaat; zoals akkoord en symfonie ook pas weerklinken, niet alleen binnen de ontvankelijkheid, de klankkast van het eigen gemoed, maar uiteindelijk binnen 4) de stilte van de ontvankelijkheid Gods die het lege gemoed omvangt.” p. 128-129

Vanaf mijn 14e schilder ik, en vanaf mijn 20e zijn dat voornamelijk landschappen. Het landschap, de horizon, hemel en aarde, bergen, de zee, het meer, mist/nevel, het moeras, de weg, de wolken, dat zijn mijn thema’s. Daarin volg ik mijn intuïtie, mijn gevoel, mijn hart en zo leef ik mijn passie uit. Een verkenningstocht naar het sacrale in het landschap, dat ik op de een of andere wijze vermoed, en dat mij en allen kan dragen in dit leven. Het landschap laat me zien, dat wij gedragen worden, en dat iets groter is dan wijzelf. Dat onze autonomie een zeer beperkte is, en dat de heteronomie van het landschap mij een gevoel van diepe diepe vreugde kan geven die door niets anders wordt aangereikt. De wijdte van het landschap en de verte, de hoogte van de bergen, de nevel die de toppen omgeeft, de nevel over het moeras, het moeras als de verzameling van talloos leven dat tot humus is vergaan, de vergankelijkheid van de mens en zijn scheppingen, het zijn thema’s waar ik mij mijn hele leven al mee bezig heb gehouden en die ik in mijn werk voortdurend tegenkom en communiceer. Visser noemt de Chinese filosofen van het Taoïsme Lao Zi en Zhuang Zi als hij spreekt over de leegte van het hart, de leegte van een beker die door zijn leegt de wijn pas kan bevatten. Het is niet voor niets dat de gedachten uit dit Taoïsme in mijn schilderkunst zulk een belangrijke rol spelen en in feite is dat een volgen van een intuïtie die ik jaren geleden al heb gehad. Mijn roeping is het steeds opnieuw volbrengen van deze oefening, het schilderen van wat me bezig houdt in het landschap en dat zo bezit van mij neemt. Tao, de weg, je levensweg kwam in de cursus ter sprake: ieder gaan zijn eigen weg. Het volgen van die weg is nooit klaar. Een mens is nooit leeg genoeg om God te ontmoeten. Misschien maar goed ook want dan zou hij misschien sterven. Visser zegt over deze leegte en de ervaring van leegte, ook in het hart het volgende, ik citeer twee citaten:

“De paradoxale kern van Eckharts bezinning is het moeilijkst na te voltrekken: het hart van de liefdevolste bewogenheid berust – ook al zal geen mens ooit volledig aan die bron beantwoorden – in een volkomen onbewogenheid. Een mens is, anders geformuleerd, nooit leeg genoeg. Zolang de leegte hem nog beangstigt, is hij niet leeg genoeg, blijft hij gevangen in zijn creatuurlijke ik. Anderzijds kan een grondstemming als de angst, waarin het gemoed wordt aangedaan door het niets in de grond van de ziel, pas de geheime zin van de leegte openbaren. Hetzelfde geldt voor de diepe verveling, waarin de leegte zich opdringt, maar vertroebeld door remmingen of het gemis aan beleving. Hoe zuiverder de leegte zich echter vermag te manifesteren, des te zuiverder zal de ontvankelijkheid van het gemoed zijn afgestemd op de eenheid van en met de godheid.” p. 130

En over het hart:

“In onze bezinning op gemoed en hart heeft zich bij de zijnsoverstijgende dimensie van het zuivere intellect die van de affectieve bewogenheid gevoegd. We zien hier dat zich daar nu ook die van de taal bijvoegt. Evenals het intellect of het gevoel is taal in de grond niet instrumenteel van aard, maar medium van de godheid, en ook dat op basis van een centrum of midden, in het hart van het fenomeen, dat zich terughoudt. De leegte in het hart van het intellect is de spil waaromheen zich het bezige verstandelijke denken transformeert in een louter vernemen. De onbewogenheid in het hart van het gemoed is de spil waaromheen zich het eigenwillige van onze verlangens, de humus van onze gestemdheid, transformeert in de weidse ontvankelijkheid van een onbaatzuchtige liefde. De stilte in het hart van de taal is de spil waaromheen zich een conceptueel en gefixeerd spreken transformeert in een zwijgend en geïnspireerd spreken. ‘Konden jullie begrijpen met mijn hart, dan zouden jullie wel verstaan wat ik zeg, want het is waar en de waarheid zegt het zelf.’” p. 133

Een denken dat zich autonoom opstelt, denkt meester te zijn over zichzelf en zijn bestaan heeft niet in de gaten dat het in feite een soort van marionet is. Je denkt aan de touwtjes te trekken en wordt zelf voortbewogen door onzichtbare touwen in de handen van iets of iemand die groter is. Beseffen dat je door het beluisteren van je innerlijk, het luisteren naar je roeping, het luisteren naar de anderen die tot je spreken, het landschap, de schriften uit de religieuze en filosofische tradities, de literatuur, het leven en de ervaringen van mensen, pas echt je bestemming kunt vinden, zin in je leven, is iedereen toe te wensen. Dat is de ontdekking van de heteronomie in je leven, de machten die groter zijn en dieper en die je leven pas zin geven als je jezelf durft over te geven. Dat is de ware kern van vertrouwen: overgave aan deze krachten en bouwen op die overgave: d.w.z. je kwaliteiten inzetten en toepassen, dat wat je meekreeg inzetten. Dan raak je geaard, geworteld in dit bestaan. Hemelse wijdte boven je, denk aan de man op de berg in het schilderij van Casper David Friedrich, die uitkijkt over de bergen en de nevel, denk aan Zarathoestra van Nietzsche, op zoek naar zijn ware kern, zijn worden die hij is, denk aan de innerlijke leegte die de hemelse wijdte kan aanvoelen en bevatten als het innerlijk maar leeg genoeg is. Wijdte ervaren buiten je, in het landschap en in het innerlijk, leegte, die gevuld kan worden, niet met ijdele gedachten, maar met de werkelijkheid Gods. Visser beschrijft het mooi als hij Nietzsche en Eckhart naast elkaar plaatst, een mooi citaat ook om mee af te sluiten:

“Ik vermoed dat we Eckharts en Nietzsches schijnbaar diametraal tegengestelde standpunten, de leegte van een hemelse wijdte die het gemoed bij zichzelf, deze hemelse wijdte, naar binnen roept en de unieke gestemdheid van het aardse lijf dat het gemoed eveneens aanroept, als complementaire zwaartepunten kunnen zien binnen het toebehoren aan de ondoorgrondelijke herkomst en bestemming van de ziel. De wijdte opent zich voor zichzelf in de leegte van het gemoed. Maar voltrekt dit zich niet tevens langs een weg waar niemand ooit de ziel is voorgegaan? De bestemming is de mogelijkheid van een zuiver hart. Die mogelijkheid is in absolute zin een onmogelijkheid, zoals ook Eckhart erkent. Maar deze onmogelijkheid lijkt nu juist de voor de mens meest eigen mogelijkheid. Zo merkt Simone Weil, in de geest van Eckhart, over Jezus en zijn verkondiging van het rijk Gods op: ‘”De onmogelijkheid” is de enige toegang tot God. ‘Maar ook boven de weg de bergen in, die Nietzsches Zarathoestra twijfelend gaat voor de confrontatie met zijn laatste eenzaamheid, staat geschreven: ‘onmogelijkheid’.” p. 140-142

citaten uit: G. Visser, Gelatenheid. Gemoed en hart bij Meister Eckhart beschouwd in het licht van Aristoteles’leer van het affectieve, Amsterdam 2008 (Sun) p. 111-143

volledige tekst te lezen en te downloaden op: http://www.mystiek.net/amor-fati/zuiver-gestemd-hart/

 

 

DSCN6547

 

Een gedachte over “Stem van het hart

Reacties zijn gesloten.