A-theologie

Satori (Erleuchtung) hat eigentlich nichts mit dem Leuchten oder mit dem Licht zu tun. Auch darin unterscheidet sich die östliche Spiritualität von der abendländischen Mystik des Lichtes und Lichtmetaphysik. Das Licht potenziert die Anwesenheit. Der Buddhismus ist dagegen eine Religion der Abwesenheit. So bedeutet auch das Nirvana, der sanskritische Ausdruck für die Erleuchtung, ursprünglich “Verlöschen”. Sich zurückzunehmen, abwesend zu sein, ist das buddhistische Ideal. Der Ferne Osten hat ein sehr verhaltenes Verhältnis zum Licht. Es gibt jenes heroische Licht nicht, das das Dunkel zu dezimieren sucht. Vielmehr schmiegen sich Licht und Dunkel einander an. Diese In-Differenz van Licht und Dunkel ist auch für die zen-buddhistische Tusche-Malerei charakteristisch. Gleichmäßig hell ist das matte Weiß des Hintergrundes. Die Gestalten scheinen nur dafür zu sein, das Weis des Papiers hervorzuheben. Erde und Himmel; Berge und Wasser fließen ineinander. Es entsteht eine schwebende Landschaft der Leere. Auf den Bildern ist das Licht ferner ohne Richtung. So überzieht es die Landschaft mit einer Stimmung der Abwesenheit. Himmel und Erde sind gleichmäßig hell. Es ist nicht klar, wo die Erde aufhört und wo der Himmel beginnt, wo das Licht aufhört und wo das Dunkel beginnt.

Byung-Chul Han, Abwesen. Zur Kultur und Philosophie des Fernen Ostens, Berlin 2007, (Merve Verlag), Pag. 63-64

Waarom leef je, wat maakt je leven de moeite waard? Deze vraag komt elk mens tegen in zijn leven. Er komt altijd wel een moment waarop zich deze vraag aan je opdringt. Het kan zijn dat je deze vraag op een heel natuurlijke manier stelt, als je nadenkt, reflecteert op je handelen en op je doelen die je jezelf hebt gesteld. Maar het kan ook zijn dat je door ziekte of door bijvoorbeeld een burn-out op een bepaald punt van je leven bent beland waar zich deze vraag onontkoombaar aan je opdringt. Hoe is het zover gekomen dat je in een burn-out bent beland? Waarom word je ziek, en wat staat je nog te wachten? Zul je nog een keer herstellen en wat dan? Hoe moet het dan verder? Wat zijn dan je prioriteiten? Waaraan besteed je energie en wat is verspilde moeite?

Waarvoor leef je eigenlijk? Wat is je einddoel? Of zijn er geen doelen om na te streven? Is het leven een voortgang zonder expliciete doelen? In het Daoïsme ontbreken levensdoelen. Er is geen weg naar een doel. Het leven is doelloos. Maar dat wil niet zeggen dat het daarmee ook zinloos is. Zinloos in de zin van ‘niets waard’ of overbodig, of het had net zo goed niet kunnen zijn. Niet geboren, niet geleefd, een wrange grap van de natuur…

Byung-Chul Han schrijft over de Oosterse kijk op de werkelijkheid vanuit het Daoïsme en Boeddhisme in zijn boek: Abwesen. Zur Kultur und Philosophie des Fernen Ostens dat in tegenstelling tot het Westerse denken (bijvoorbeeld bij Kant en andere filosofen) het geluk niet gevonden wordt in activiteit, in planning en doelmatigheid, in het bereiken van doelen, in controle en in processen die naar bepaalde opbrengsten streven. En ook niet in een religieus kader, om bijvoorbeeld na je leven, in de hemel te komen. Of om de wereld in een religieus ‘paradijs’ te herscheppen. Hij plaatst de woorden van de leraar Zhuangzi tegenover wat wij in het Westen gewoon zijn te formuleren als het gaat over geluk en over doelen. Hij schrijft:

Zhuangzis Lehre der “höchsten Freude” ist der Kantischen Glückslehre diametral entgegengesetzt. In seiner Anthropologie bemerkt Kant, dass das “Ausfüllen der Zeit durch planmäßig fortschreitende Beschäftigungen, die einen großen beabsichtigten Zweck zur Folge haben” das “einzige sichere Mittel“ sei, “seines Lebens froh und dabei doch auch lebenssatt zu werden”.21 Kant vergleicht das Leben mit einer Fahrt. Die Fülle der wahrgenommenen Gegenstände bei einer Fahrt bewirke in der Erinnerung den “Schluss auf einen großen zurückgelegten Raum, folglich auch auf eine längere dazu erforderlich gewesene Zeit.“ Das “Leere”, d. h. die Abwesenheit der wahrnehmbaren Gegenstände dagegen erzeuge rückblickend das Gefühl einer kürzeren Zeit. So verkürzt die Leere subjektiv das Leben. Um lebenssatt zu werden, um sich am Leben zu erfreuen, dürfte kein Lebensabschnitt „leer” sein. Nur ein mit zielgerichteten Handlungen ausgefülltes Leben macht einen glücklich und lebenssatt. Sinn ist Ziel. Sein ist Tun. Laozi und Zhuangzi sind dagegen davon überzeugt, dass ein ganz anderer Daseinsentwurf, eine ganz andere Welt möglich ist. Jenem linearen, teleologisch, ja vektoriell verfassten Leben setzen sie ein richtungsloses, ateleologisches Wandern entgegen. Ohne Sinn und Ziel, ohne Teleologie und Narration, ohne Transzendenz und Gott kommt dieser Daseinsentwurf aus. Die Sinnleere oder die Abwesenheit des Ziels ist keine Deprivation, sondern ein Gewinn an Freiheit, ein Mehr des Weniger. Der Wegfall des Hin-Gehens macht erst das Gehen möglich. Die Welt, dessen natürlichem Gang sich der Mensch zu fügen hat, ist nicht narrativ strukturiert. So ist sie auch resistent gegen die Sinnkrise, die immer eine narrative Krise ist. Sie erzählt weder ,große’ noch , kleine’ Erzählungen. Sie ist kein Mythos, sondern Natur im besonderen Sinn. Gerade deshalb ist sie groß. Jede Erzählung ist dagegen klein. Sie beruht nämlich auf einer Unterscheidung, die zugunsten des Einen das Andere ausschließt. Die Narration, die einen Sinn stiftet, verdankt sich einer massiven Selektion und Ausschließung, ja einer Verkleinerung der Welt. Die Welt wird auf eine schmale narrative Bahn gedrängt und reduziert. So lehrt Zhuangzi, sich, statt an einer kleinen Erzählung, an einer Unterscheidung festzuhalten, mit der ganzen Welt zu verbinden, ja so groß sein wie die Welt, sich zu erheben zu einer weiten Welt. (Pag. 27-28)

Dat we deel zijn van een groter geheel, deel van de wereld, dat we wereld zijn – ieder op zijn eigen manier – is meestal geen ervaring die ons dagelijks leven kleurt en bepaalt. Misschien leven we teveel in ons eigen verhaal, onze eigen kleine wereld, de bubbel waarin we verkeren zodat we vergeten dat we met alles en met iedereen verbonden zijn. We gaan onze eigen gangen na, we struikelen over onze eigen voeten als we gejaagd van uur tot uur onze agenda volgen die volstaat met afspraken en verplichtingen. Is het mogelijk dat we ons bestaan eens kunnen bekijken vanuit een heel ander perspectief? Niet op een narratieve manier alsof ons leven een groot verhaal is? Een verhaal waarin we onszelf druk opleggen om doelen te halen, om gelukkig te zijn, om vooral niets te hoeven missen. Als de zincrisis waarin velen soms verkeren een narratieve crisis is, omdat ons levensverhaal niet afloopt zoals wij hebben gewenst, als onze verlangens niet vervuld worden omdat ze in diepste wezen onrealistisch zijn, dat wil zeggen, niet aangepast aan het feit dat wij deel zijn van een groter geheel, dan betekent dat uiteindelijk dat we het verhaal moeten loslaten. Het verhaal dat we over ons zelf vertellen en dat we ons zelf voorhouden. Het verhaal waarin we voortdurend onderscheid maken tussen onszelf en de wereld waarin we leven, de anderen om ons heen, de anderen waarmee we ons vergelijken. In de trant van: Zij hebben het veel beter, zij doen het veel beter, oh wat ben ik nu ongelukkig…

Byung-Chul Han pleit voor een bestaan dat deel is van de wereld, dat zelf wereld is en dat met alles en iedereen is verbonden. Niet in de wereld zijn (zoals Heidegger stelt in Sein und Zeit – een soort geworpenheid), want dat in brengt zorgen en brengt moeite met zich mee: je moet er dan het beste van zien te maken, je bent nooit klaar, de wereld is nooit af en jij bent nooit tevreden. Hij schrijft:

Gefordert wird, das In-der-Welt-Sein zu einem Welt-Sein zu entgrenzen, zu entdifferenzieren. Der Mensch, um mit Heidegger zu sprechen, das “Dasein”, ist solange in Sorge, als es kleiner ist als die Welt, als es innerhalb der Welt unterscheidet. Um sich zu ent-sorgen, muss es, statt sich an einen bestimmten Inhalt der Welt, an eine Unterscheidung zu klammern, ganz die Welt sein, sich in die Welt entdifferenzieren. In-der-Welt-sein ist Sorge. Welt-Sein ist dagegen ohne Sorge sein. (Pag. 29)

Maar kunnen we dat wel? Kunnen we van perspectief veranderen en meer nog van gedrag veranderen zodat we wereld zijn in plaats van in de wereld functioneren? In onze Westerse cultuur zijn we vanouds gericht op waarden en doelen die verder reiken dan de wereld. We streven naar transcendentie. Ook al leven we in een onttoverde en geseculariseerde omgeving, voldoen veel religieuze idealen die we vroeger koesterden niet meer, zijn we grotendeels losgezongen van welke vorm van religie dan ook, de transcenderende waarden hebben nu een nieuw gezicht. Vaak een plat gezicht: gelukkig worden, welvarend worden, geen zorgen meer hebben, gezond zijn, beroemd worden, er toe doen, status hebben, gezien worden…En dat alles willen we bereiken door hard te werken, door stinkend je best te doen, door te schitteren en door uit te blinken, door je te onderscheiden van anderen. Kortom door ons eigen verhaal te verheffen boven het verhaal van anderen. Door het eigen verhaal zo te vertellen dat het ‘magische’ aantrekkingskracht uitoefent op anderen, zodat je heel veel volgelingen krijgt op Instagram bijvoorbeeld. Ik noem dat platte transcendentie. In feite wordt er niks meer overstegen, in feite wordt het leven zo plat als een dubbeltje want het geluk bestaat alleen uit consumeren en uit expliciet narcisme. Of we zetten onze kaarten op populistische dromen van een natie zonder weerga, een land dat beter en mooier is dan alle anderen. Met bijbehorende symbolen, leger en economie. Ook dat is een narratief dat het moet hebben van het maken van onderscheid. Een onderscheid dat doet vergeten dat we allen deel zijn van een groter geheel, een globale wereld, een ons overstijgende natuur.

Byung-Chul Han stelt het Oosterse denken niks transcendentaals heeft – het is helemaal gericht op dit immanente bestaan. Als deel van het geheel is de mens wereld, en er is niet meer dan dat. Geen wereld na deze wereld, geen leven na de dood, geen paradijs, geen hemel, geen hel. Alles draait om het hier en het nu. Alles als deel van een groter proces dat leven heet, natuur, het volgen van de wil van de hemel. Hemel is in deze zin geen transcendentale grootheid, geen hemel in bijbelse zin, geen woonplaats van God. Hij schrijft:

Das fernöstliche Denken ist ganz der Immanenz zugewandt. Auch der dao stellt keine monumentale, übernatürliche oder übersinnliche Entität dar, die wie in der negativen Theologie nur in Negativformen aussagbar wäre, die die Immanenz flöhe zugunsten einer Transzendenz. Der dao verschmilzt ganz mit der Weltimmanenz, mit dem Es-ist-so der Dinge, mit dem Hier und Jetzt. In der fernöstlichen Vorstellungswelt gibt es nichts außerhalb der Weltimmanenz. Wenn der dao sich der Festlegung oder Benennung entzieht, dann nicht deshalb weil er zu hoch ist, sondern weil er fließt, weil er gleichsam mäandert. Er bezeichnet den ständigen Wandel der Dinge, die Prozesshaftigkeit der Welt. Der Wanderer lässt deshalb keine Spur zurück, weil er mit dem Wandern der Dinge Schritt hält. Der dao ist auch kein “Herr” der Dinge, kein “Subjekt” (zhu,   L. § 34). Er zieht sich ebenso wenig in ein Geheimnis zurück. Die Immanenz und die natürliche Evidenz des Es-ist-so zeichnet ihn aus. So unterstreicht Laozi, dass seine Worte “sehr leicht zu verstehen” (shen yi zhi, 甚易知), “sehr leicht zu praktizieren” (shen yi xing, 甚易行, L. §70) seien. (Pag. 30-31)

Het blijft een uitdaging om ons (Westerse) zelf-verstaan te confronteren met dit anti-narratieve deel van de wereld zijn. Om proberen afstand te doen van de door ons zelf opgebouwde narratieve identiteit waarmee we ons proberen te onderscheiden en waarmee we proberen te schitteren. De dood maakt aan alles een einde. De dood kent geen pardon met onze status, onze verlangens, onze zelf-perceptie. De dood vaagt alles maar dan ook alles weg van wat we zijn. Wat we bezaten, waarmee we ons tooiden, en waarin we ons lieten zien. Het zijn de anderen die ons doen voortleven, die over ons vertellen, die in hun verhaal ons verhaal verweven en doen klinken. Maar ach…als de koude wind die over het kerkhof waait en die de schaarse bloemen doet verbleken, zo zullen ook de sporen die wij achterlaten langzaam maar zeker vervagen, zodat niemand nog weet heeft van ons bestaan en ons verhaal. Is dat erg? Ik vermoed van niet. Het loont in ieder geval om eens stil te staan bij deze a-theologische kijk op het leven en op ons bestaan.

John Hacking

2 december 2022

Alle citaten uit: Byung-Chul Han, Abwesen. Zur Kultur und Philosophie des Fernen Ostens, Berlin 2007, (Merve Verlag)