Denken in Stijl

Denken in stijl

“Nichts wird erklärt, nichts wird bewiesen, alles sieht man.”

Cioran

Peter Sloterdijk beschrijft een deel van de ontwikkeling gebaseerd op het oude Griekse denken in sferen vanuit een apollinisch perspectief. In zijn boek “Sferen” (van spháera (Lat) en sphaira (Gr) dat voor bol staat, hemelbol, hemelkring, streek, gebied, gezichtskring, invloedsgebied, omgeving en stemming) onderzoekt hij beelden van de mens en de wereld, hun symboliek en de relaties vanuit het begrip sfeer, een woord dat ook in onze term levenssfeer, leefsfeer terugkeert. Hij beschrijft dus allemaal gestaltes van heterotopiën. Hij doet dat in het klein in het deel “Bellen microsferologie” en in het groot in “Globes marcrosferologie”.

Hij maakt daarbij gebruik van talloze beschrijvingen uit de geschiedenis van de religie, de cultuur en de maatschappelijke en wetenschappelijke ontwikkelingen. Het boek is een goudmijn voor liefhebbers van het symbolische verbeelden van de (bolvormige) realiteit. Sloterdijk sluit op veel plaatsen aan bij het lichaam en bij de ervaringen van delen van het lichaam zoals het hart, het gezicht, de sfeer van de baarmoeder, de placenta, het oor en het innerlijke beleven. Hij levert in zijn boek geen godsbewijzen, daar is hij niet op uit; de vraag naar de relatie tussen God en ziel stipt hij aan maar werkt hij niet echt uit omdat de debatten van de theologen niet interessant zijn voor een hedendaagse sferologie vanwege hun religieuze aanspraak en hun dogmatische eigenzinnigheid.

De mystieke traditie heeft heel lang een monopolie gehad op deze thematiek. Sloterdijk pakt dat op bij Augustinus en Cusanus en blijft daarna ook stilstaan bij het begrip van de triniteit. De winst van zijn boek is dat hij aspecten van de lichamelijkheid benadert vanuit een heel eigen gedachten-vorming en straks zal ik enkele van die aspecten hiervan samenvatten omdat ze van belang zijn voor ons thema van de auto-topie.

Hub Zwart, duidelijk door dit boek van Sloterdijk geïnspireerd, beschrijft in “Denkstijlen” drie vormen van denken waarin het religieuze denken een plaats krijgt: het apollinische, het magische en het faustische denken, een typologie onder andere ontleend aan Oswald Spengler. Hij beschrijft deze denkstijlen in hun ontstaan en ontwikkeling en analyseert in navolging van Peter Sloterdijk de locaties als ‘alethotopen’ namelijk als plaatsen waar fundamentele waarheden tevoorschijn treden en op oorspronkelijke wijze worden verwoord.

De vraag aan zijn boek luidt in hoeverre er ook religieuze waarheden als fundamenteel worden beschouwd in deze denkstijlen en of zij in het licht staan van bovengenoemde vraagstelling rond het goddelijke in het lichaam.  Zwart over deze denkstijlen: “De grondgedachte van de apolinische denkstijl luidt dat zich in de werkelijkheid (opgevat als kosmos) een perfecte geometrische structuur aftekent. De kosmos (letterlijk: orde of sieraad) is opgebouwd uit concentrische bollen (‘sferen’) op macro-niveau en uit regelmatige veelvlakken op atomair niveau. Spaira is het Griekse woord voor bol. Politiek, ethiek, geneeskunde en kunst moeten deze perfecte structuur of harmonie ook in het menselijke bestaan realiseren.[…] Het Romeinse imperium kan worden begrepen als de realisatie van de sferische gedachte in het politieke domein, maar zij bepaalde ook in hoge mate de apollinische ruimte- en tijdervaring. De kosmos is een universum op menselijke schaal, nog niet oneindig groot. De apollinische denkstijl is gedurende een bepaalde periode in de geschiedenis dominant, maar niet onbetwist. Zij moet met antipoden, met tegenhangers concurreren, in eerste instantie het dionysische, later vooral het magische denken.

De magische denkstijl laat zich op compacte wijze samenvatten in de formule ‘Wachten op het rijk’. De betrokkenen trekken zich doormiddel van onthechting uit de wereld terug en bereiden zich via ascetische praktijken temidden van gelijkgezinden voor op op de komst van een geheel nieuwe zijnswijze, een wereld van andere orde, een beslissende gebeurtenis die zij echter niet zelf op eigen kracht kunnen bewerkstelligen. De centrale theologische categorie is die van de genade. Op het politiek niveau krijgt het magische denken gestalte in de zogeheten Twee Rijkenleer. Typische ‘magische’ onderzoekspraktijken zijn numerologie  astrologie en alchemie.

De basisformule van de faustische denkstijl tenslotte luidt: ‘De wil tot macht’. In het wetenschappelijk domein manifesteert deze energieke denkstijl zich in de vorm van het experiment, een wijze van denken die aanzienlijk actiever, zelfs agressiever is dan de contemplatieve, bewonderende beschouwing van de perfecte kosmos die kenmerkend was voor de apollinische stijl. De faustische natuurwetenschapper wil de fenomenen in zijn macht krijgen. Zijn wil tot weten is uiteindelijk een wil tot macht, tot modificeren en mobiliseren. Op het politieke vlak komt het faustische denken tot uitdrukking in de vorming van natiestaten, op het ethische vlak in de strijd tussen neiging en plicht.”

In een studie van Martin Heidegger “Vom Wesen des Grundes” wijst deze op het feit dat de Griekse term ‘kosmos’ van betekenis verandert tijdens het christendom. Bij de Grieken was het nog een aanduiding van ‘het Zijn in zijn geheel’. In de christelijke wereld zegt het iets over de toestand waarin de mens zich als subject bevindt. Bij Paulus betekent ‘kosmos’ een bepaalde gezindheid, namelijk de mensheid die zich van God heeft afgekeerd, zo Hub Zwart. “Met andere woorden, kosmos verwijst niet langer naar de orde van de wereld, het is veeleer een aanduiding geworden voor de wanorde die zich meester heeft gemaakt van het menselijk bestaan.”

Zwart signaleert een dubbele betekenisverschuiving: van positief naar negatief en van allesomvattend Zijn naar de menselijke situatie. “Voor Plato was de kosmos de sfeer die zichtbaar wordt voor degene die aan de grot (het verduisterde domein van de voorwetenschappelijke ervaring) wist te ontsnappen. Voor Johannes is paradoxalerwijze de kosmos zelf een duistere grot geworden, waarin het woord en aanwezigheid van Jezus als een licht verschijnen.”

Hub Zwart noemt het christendom een representant van dit magische denken waar niet de wereld maar het Rijk Gods het criterium is waarnaar gehandeld moet worden. De latere transsubstantiatie die de theologen als het hoogtepunt van de eucharistie hebben benoemd verbeeldt deze lichaamswording van Jezus in brood en wijn op een magische wijze op een moment dat Jezus deze wereld al lang verlaten heeft. Het is memoria aan het laatste avondmaal maar ook presentstelling van zijn aanwezigheid in de ecclesia. De magische denkstijl wordt verondersteld om deze transformaties te kunnen beamen. Dat is in het kort ook de samenvatting van het antwoord op de vraag die wij aan dit boek stelden. Daarmee zijn we uiteindelijk toch nog niet op het spoor gekomen van de concrete lichamelijkheid van God als wij Jezus even buiten beschouwing laten. Maar misschien is dat ook teveel gevraagd en moeten we minder direct te rade gaan bij hen die de liefde als een verwijzing naar het goddelijke beschouwen en het menselijk bestaan ook zien als een vorm van transcendentie naast het immanente karakter ervan. “Amare in Deo” het beminnen van de mens in God: “ Zo sluit de hoogste liefde tot de mens een gerichtheid naar God in, als laatste grond van alle beminnelijkheid. […] Het ‘amare in Deo’ openbaart echter pas zijn volkomen betekenis, wanneer begrepen wordt, dat de beminnelijkheid van de beminde mens niet alleen een deelneming is aan Gods eigen beminnelijkheid, maar dat zij bovendien ook nog in de mens de aanwezigheid is van Gods liefde zelf. De mens is immers uiteindelijk beminnelijk, omdat hij door God bemind wordt. […] De ontdekking van die goddelijke aanwezigheid en van de oorspronkelijkheid van de persoon zal nochthans slechts inchoatief blijven, zolang zij zich niet in een wederkerige ontdekking weerspiegelen kan. Het zien van God als grond van de mens wordt pas volkomen wanneer twee mensen samen God in elkaar aanwezig weten, en zich van deze aanwezigheid als de éne grond van hun beider mens-zijn bewust worden. In deze wederzijdse bewustwording bereikt de liefde haar hoogste eenmaking, omdat zij zichzelf nu ontstaan ziet uit de Liefde waaruit alle liefde ontspringt.”

Hoe verder ook over de realiteitswaarde van deze relatie tussen God en mens en de toegekende liefdespatronen en bewegingen gedacht wordt, vaststaat dat de liefde geen zaak is van het losse individu, dat intersubjectiviteit de voorwaarde vormt voor liefde en dat de relatie met het goddelijke niet los kan staan van dit intersubjectieve karakter. Misschien is toch de menselijke liefde maatgevend geworden voor de liefde tussen God en mens en heeft dit model van de liefde het instrumentarium geleverd om in de mystieke ervaring die liefde te duiden en te bereflecteren als ervaring van God.

De Kip

Verhaal voor dwaze kinderen

Er was eens een kip die idioot was. Ik zei idioot, Maar ze was nog idioter. Ze werd gebeten door een mug en ze snelde naar buiten. Ze werd gebeten door een wesp en ze snelde naar buiten. Ze werd gebeten door een vleermuis en ze snelde naar buiten.

Alle kippen zijn bang voor vossen. Maar deze kip wilde door hen verscheurd worden. Dat kwam omdat de kip een idioot was. Ze was geen kip. Ze was een idioot.

In winterse nachten geeft de maan in de dorpen de kippen fikse oorvijgen. Oorvijgen die je op straat kunt horen. Daar wordt veel om gelachen. De pastoors zullen nooit de reden van die oorvijgen kunnen begrijpen, maar God wel. En de kippen ook.

Jullie moeten echt allemaal weten dat God een grote levende berg is. Hij heeft een vliegenhuid en daarboven een wespenhuid en daarboven een zwaluwenhuid en daarboven een hagedissenhuid en daarboven een pierenhuid en daarboven een mensenhuid en daarboven een luipaardenhuid en alles. Zien jullie alles? Want alles en bovendien een kippenhuid. Dat wist onze vriendin niet. Lachwekkend om te zien hoe sympathiek die kippen daar zijn! Ze hebben allemaal een kam. Allemaal hebben ze een kont. Allemaal leggen ze eieren. En wat willen jullie me vertellen?

De idiote kip haatte eieren. Ze hield van hanen, zeker, zoals de rechterhanden van mensen van die braamstruikprikken of van het begin van een speldeprik houden. Maar zij haatte haar eigen ei. En toch is er niets mooiers dan een ei.

Pas uit de aren gehaald, nog warm, is het de perfectie van de mond, het ooglid en het oorlelletje. De warme wang van de vrouw die net gestorven is. Het is een aangezicht. Jullie begrijpen het niet? Ik wel. De Japanse verhaaltjes vertellen het, en sommige onkundige vrouwen weten het ook.

Ik wil de schrale schoonheid van het ei niet verdedigen, maar aangezien iedereen de keurigheid van de spiegel en de blijdschap van degenen die zich in het gras rollen looft, past het dat ik een ei tegen een kip verdedig. Een onschuldig ei tegenover een idiote kip.

En nu moet het gezegd: een kip die een mensenvriend is.

Op een nacht deelde de maan oorvijgen uit aan de kippen. De zee en de daken en de kolenkitten hadden hetzelfde licht. Een licht waarin de hommel de pijlen van iedereen ontvangen zou hebben. Niemand sliep. De kippen waren het beu. Hun kammen stonden vol rijp en de luisjes speelden op hun elektrische klokjes door het gat van de oorvijgen.

Ten slotte nam een haan een besluit.

De idiote kip verdedigde zich.

De haan danste driemaal, maar de hanen kunnen de draad niet goed door het oog van de naald krijgen.

Omdat ze wel moesten, weerklonken de klokken van de torens, en de beddingen en de gangen en degenen die golf spelen, werden driemaal paars en rinkelend. Het gevecht begon.

Slimme haan. Idiote kip. Slimme kip. Idiote haan. Allebei slim. Allebei idioot. Slimme haan. Idiote kip.

Ze vochten, Ze vochten. Ze vochten. Zo de hele nacht door. En tien. En twintig. En een jaar. En tien. En altijd.”

Frederico Garcío Lorca – Prozagedichten

 

Dit is een excerpt uit tekst met noten: complete tekst: http://philosophyofthebody.wordpress.com/wereldbeeld-als-lichaam/