Het zelf in het lichaam

Het zelf in het lichaam

Het subject is zich bewust van zichzelf. Dat noemen wij zelfbewustzijn. Het zelf kan in die zin reflecteren en afstand nemen van zichzelf. Het zelf is zich bewust van zijn lichamelijkheid. Het heeft een lichaam en het is een lichaam. Dat schept een zekere ambivalentie tussen zijn en hebben, tussen subject zijn met een lichaam, een lichamelijk subject, en een subject dat zijn lichaam ook als een object kan behandelen. Met deze ambivalentie leven wij, vaak vanzelfsprekend zonder dat we deze relatie thematiseren of problematiseren. Dat laatste is echter wat ik doe in mijn essay “Wereldbeeld en zelfbeeld. Het lichaam als auto-topie. Een zoektocht naar God in het lichaam. Een onderzoek in stappen naar de betekenis van het feit dat wij de werkelijkheid lichamelijk waarnemen en duiden.” Ik onderzoek de relatie van het zelf met zijn lichaam in het kader van het beeld dat dit zelf van zichzelf heeft en van de wereld waarin het leeft. Wereld wordt hier opgevat als kennishorizon en als concrete werkelijkheid waarin het zelf zich bevindt. Het beeld van het zelf is dus een resultaat van een onderlinge verhouding met lichaam en wereld en de effecten die het zelf via zijn lichaam ondergaat van de wereld. Het zelf is niet zonder het lichaam te denken en ook niet zonder het beeld dat dit zelf van zichzelf heeft en van de wereld. Dit maakt de situatie complex. Maar het is niet anders. Het zelf maakt via het lichaam deel uit van de wereld en als realiteit en als kennishorizon komt deze wereld het zelf binnen en moet het zelf zich ertoe verhouden. In dit licht komt ook God ter sprake.

Om dit concept nader gestalte te geven heb ik de hypothese opgesteld dat het zelf als het ware in zijn lichaam woont: het zelf bewoont zijn lichaam als een concrete ruimte. Ondanks het feit dat het zelf als lichamelijk zelf samenvalt met zijn lichaam kan het toch afstand ervan nemen en precies dit feit doet mij besluiten om het zelf te omschrijven als een grootheid die het lichaam kan bewonen. Het lichaam is dus ruimtelijk gezien een zelf-plaats, een plek waar het zelf woont, met een Latijnse (hypothetische) term auto-topie genoemd.

Dit beeld van een zelf dat in het lichaam woont schept de mogelijkheid om existentiële ervaringen van dit zelf als lichaam nader te onderzoeken in relatie tot zelfbeeld en wereldbeeld. Dit onderzoek is nodig om de grenzen af te tasten van de mogelijkheden en onmogelijkheden van het wonen van het zelf in het lichaam. Door deze grenzen te verkennen kunnen wij de vragen omtrent het zelf in het lichaam scherper stellen en krijgen wij misschien meer zicht op het feit dat wij sterfelijk zijn en uiteindelijk dood gaan. De verkenning van het zelf in het lichaam is dus tevens een onderzoek naar de dood van het zelf in het lichaam. De dood vormt een grens en is daarmee tevens een grenservaring die het zelf niet meer mee kan voltrekken. Dat tenminste vanuit deze kant van de dood gesproken, de kant van het leven. Aan gene zijde van de dood, door de dood heen, blijft buiten dit kader omdat wij daarover nauwelijks iets kunnen zeggen. Kunstenaars en anderen hebben beelden ontworpen van een leven na de dood, hemel en helse sferen. Maar misschien zijn dat wel vormen van projectie van een oorspronkelijke aardse en lichamelijke werkelijkheid die op deze wijze terugkeren in de verbeelding.

Als het zelf wordt beschouwd als wonend in het lichaam gaat het eerst en vooral om een beleving van het lichaam als ruimte. Het zelf woont in het lichaam, het lichaam woont bijvoorbeeld in een huis, het huis staat in de wereld. De ruimte wordt zo steeds groter en uitgestrekter. Het wonen van het zelf in het lichaam kan ook worden vergeleken met het rijden in een auto. Het lichaam rijdt in een auto en op een bepaald moment gaat dit rijden vanzelf. De coureur in de formule 1 die dat vergeet en die zijn automatisme verliest zal de wedstrijd niet afmaken omdat hij voor die tijd uit de bocht is gevlogen. Een zekere vanzelfsprekendheid, vertrouwdheid en samenvallen van lichaam en auto, of zelf en lichaam is noodzakelijk om te kunnen functioneren. Zo woont het lichaam in een huis. het huis kan een thuisgevoel geven, een zich veilig en comfortabel voelen. Dat is een basis voor psychisch welbevinden en persoonlijke groei. Zonder dat thuisgevoel is het zelf ontheemd, voelt het zich niet alleen niet thuis in het huis maar ook in de wereld.

In mijn essay onderzoek ik diverse situaties van zich thuis voelen en zich niet thuis voelen in de wereld. In de oorlog is de wereld een grote gevangenis voor hen die als kanonnenvlees moeten opdraven. Een kogel maakt een einde aan het leven van het zelf. Niets is meer zeker, alles staat op losse schroeven. De oorlog werkt ontwrichtend op velerlei terrein. In het concentratiekamp is dit proces van executie als het ware voor even uitgesteld voor de gevangenen die gedoemd zijn om uitgemoord te worden. Het zelf moet zich hiertoe leren verhouden om niet voortijdig te sterven en het onderspit te delven. Deze extreme situaties leveren inzichten omtrent de houding van het zelf ten aanzien van zijn lichaam en ten aanzien van zijn wereld die in een grote gevangenis is veranderd.

De gevangenis van oorlog en kamp – concreet aanwezig in de buitenwereld, kunnen in het geval van een psychische ziekte ook een realiteit worden voor de psyche van het zelf. Dan wordt de wereld als gevangenis ervaren terwijl ze dat in werkelijkheid voor de meeste mensen niet is. Bij depressie en de wens tot zelfdoding wordt dit duidelijk. Ook deze grenservaringen leveren inzichten omtrent het zelf in het lichaam in de wereld. Overleven is een kwestie van leren omgaan met deze ervaringen en het overwinnen van de negatieve spiraal waarin het zelf terecht kan komen. Dat dit geen makkelijke zaak is spreekt vanzelf. Hier wordt de oorlog niet in de wereld maar in het zelf uitgevochten met het lichaam als bondgenoot en als tegenstrever.

Een volgende stap in mijn essay na deze grensverkenningen is een nader onderzoek hoe het zelf dan in het lichaam woont en hoe het mogelijk is dat het zelf zijn lichamelijkheid kan ontkennen maar ook kan verheerlijken. Daarbij komen verschillende invalshoeken naar voren: het lichaam als object en als woonplaats van het zelf. Door de excentriciteit van het lichaam ontstaat de mogelijkheid om het als object te behandelen en te ontkennen. Iets wat het meest duidelijk werd bij de systematische vernietiging van mensen in de Tweede Wereldoorlog. Daar tegenover staat de zorg voor het lichaam, de wens om het lichaam te verbeteren en de dood uit te schakelen. Dat kan uitlopen op een totale verheerlijking van het lichaam als laatste en belangrijkste grootheid. Ik sta stil bij de effecten van de moderne techniek op het lichaam, de ervaring van de ruimte van de wereld door het lichaam in rituelen en gedrag en tenslotte bij de vraag of het goddelijke op de een of andere wijze in het lichaam valt te ervaren. Daarbij ga ik te rade bij mystieke ervaringen en bij auteurs die hierover geschreven hebben. Tenslotte schilder ik in enkele grote lijnen mogelijke uitwegen met betrekking tot het lichaam, het zelf en de ervaring van de wereld waarbij intersubjectiviteit, emotionaliteit en heteronomie een belangrijke rol spelen.

In drie deelgebieden onderzoek ik tenslotte het lichaam in het taalkundige beeld van de wereld, het lichaam in de kunst en het lichaam in de bijbel. Dat doe ik op een eclectische wijze waarbij ik ook drie figuren als illustratie de revue laat passeren: Edmond Jabès (taal), Josef Beuys (kunst) en Jezus van Nazareth (bijbel). Ik sluit tenslotte af met een ‘epilogos’ waarin ik nogmaals stilsta bij lichaam en wereldbeeld en wereldbeeld en God.

John Hacking

(downloadbaar) op en complete tekst: http://philosophyofthebody.wordpress.com/wereldbeeld-als-lichaam/