God ?

 

GOD?

 

In welke God geloof jij? En wie of wat is God? Voor velen is deze vraag misschien heel vertrouwd. En het antwoord? Welk antwoord geven we als deze vraag aan ons gesteld wordt, of als we de vraag aan onszelf stellen? Hebben we wel een (goed) antwoord, kunnen we ermee uit de voeten? Of met andere woorden kunnen we er iets mee, geeft het ons steun, houvast, vertrouwen, hoop? Vooral op de momenten als het minder goed gaat, op de momenten als we vol vragen zitten en het eigenlijk niet zien zitten omdat er dingen gebeurd zijn die te pijnlijk zijn, te verdrietig om te bevatten.

Tijdens een van de bijeenkomsten van Kinder-Bijbel-Praat spraken we ook over God. Toen ik vroeg of je met God kunt praten zei een van de kinderen dat dát kan, namelijk als we bidden. Maar geeft God ook rechtstreeks antwoord uit de hemel? Niemand van de kinderen kon dat bevestigen. En toch bidden wij, leggen wij onze ziel bloot voor God en vragen wij om zijn hulp.

Aan de kinderen heb ik uitgelegd dat je God heel goed kunt vergelijken met zoiets als liefde. Je ouders houden van je en dat blijkt uit hun zorg, uit vele kleine dagelijkse dingen. Maar de liefde zelf kun je eigenlijk niet vastpakken en toch is ze er. Zo is het misschien ook een beetje met God. We hebben God nodig om onze dankbaarheid en onze zorg uit te drukken. Hij is de onzichtbare partner in ons leven. We kunnen hem niet echt aanwijzen, niet vastpakken of bewijzen maar toch is Hij er, onzichtbaar op de achtergrond.

In het Jiddisch stonden in 1945 enkele woorden op de muur gekalkt in een kelder te Keulen waar tijdens de oorlog enkele Joden ondergedoken zaten:

 

‘Ich glojb in der zoen, afile ven zi sjajnt nit;

ich glojb in der libe, afile ven ich fil ir nit,

ich glojb in Gott, afile ven er sjvajgt. ‘

 

In gewoon Nederlands staat er:

 

‘Ik geloof in de zon, ook als ze niet schijnt.

Ik geloof in de liefde, ook als ik die niet voel.

Ik geloof in God, ook als Hij zwijgt.’

 

Persoonlijk kan ik mij heel goed in de strekking van deze woorden vinden en drukken ze ook voor mij een stuk persoonlijk geloof uit. Het zijn voor mij niet zomaar woorden. Het is niet zomaar een “geloofsbelijdenis”! Het zijn woorden die opgeschreven zijn in een tijd dat God zijn gezicht verborgen hield, een tijd waarin miljoenen mensen slachtoffer werden van een niets ontziende terreur. Achter deze woorden hoor ik bijna als het ware de hopeloze en vertwijfelde kreten van de slachtoffers, hun schreeuwen om hulp en het uitblijven van redding…

 

Tijdens onze bezinningsdagen met het team van pastores had de inleider een boekje meegebracht waaruit bovengenoemde woorden stammen. Het boek heet: “Josl Rakover wendt zich tot God ” geschreven door: Zvi Kolitz. Het is een zogenaamd testament dat na de oorlog op schrift is gesteld. De tekst bevat indringende passages waarin Josl Rakover spreekt met God over datgene wat hem en zijn medelotgenoten overkomen is. Ik vond de tekst zo aangrijpend dat ik graag enkele passages wil citeren. Na alles wat er met zijn gezin is gebeurd (allen zijn vermoord of gestorven) zegt Josl:

 

“Ik kan na alles wat ik heb meegemaakt niet zeggen dat Mijn verhouding tot God niet veranderd is, maar ik kan met absolute zekerheid zeggen dat mijn geloof in Hem geen spat veranderd is. Vroeger, toen het mij goed ging, was mijn verhouding tot Hem als tot iemand die me met gunsten overlaadde en die ik daardoor voortdurend iets verschuldigd was.

Nu is mijn verhouding tot Hem als tot iemand die mij ook iets verschuldigd is, veel verschuldigd is. En nu ik voel dat Hij mij ook iets verschuldigd is, denk ik dat ik het recht heb Hem te vermanen. Ik zeg echter niet, zoals Job, dat God met zijn vinger mijn zonden moet aanwijzen, opdat ik weet waaraan ik dit alles verdien.

Want grotere en betere mensen dan ik zijn er rotsvast van overtuigd dat het op dit moment niet om straf voor zonden gaat, maar dat er in de wereld iets bijzonders aan de hand is: dat het een tijd is van ‘hastores ponem’, dat wil zeggen een tijd waarin God Zijn gezicht verborgen houdt.”

 

God houdt zijn gezicht verborgen. Voor hoevelen onder ons geldt dat misschien nog steeds? Als je ernstig ziek in bed ligt en er is weinig hoop op genezing terwijl je dat wel eigenlijk verwacht of zou hopen. Of als je een dierbaar iemand dreigt te verliezen aan kanker of een andere levensbedreigende ziekte? Of je hebt net je partner, of je kind, je broer, je zus, of een van je ouders begraven?

God houdt zijn gezicht verborgen, het lijkt wel alsof je het helemaal alleen moet opknappen, het lijkt alsof er (voorlopig) géén licht schijnt op het einde van de tunnel.

Josl Rakover is zich heel goed bewust van deze situatie. Maar hij verwacht niet voor hemzelf  bijzondere redding. Hij schrijft:

“In zo’n toestand verwacht ik natuurlijk géén wonderen en ik bid niet tot Hem, mijn God, om medelijden met mij te hebben. Tegenover mij mag Hij zich met dezelfde gezichtsverhullende onverschilligheid gedragen als tegenover miljoenen van Zijn volk. Ik ben géén uitzondering op de regel en ik verwacht geen speciale behandeling.”

 

Josl Rakover is nuchter, realistisch. Waarom zou hij wel worden geholpen en die talloze anderen niet? Maar daarmee is niet alles gezegd. Ook al houdt God zijn gezicht verborgen en kunnen wij mensen slechts gissen naar het waarom, dat wil nog niet zeggen dat wij als mensen ons zomaar daarbij neer moeten leggen, dat we maar moeten aanvaarden wat er komt.

Josl ziet zijn lijden en zijn ellende in het perspectief van het eeuwenlange lijden van het volk van Israël maar hij bepaalt ook zijn eigen plaats ten opzichte van God. Hij schrijft:

 

“‘Niets is zo heel als een gebroken hart, heeft een beroemde rebbe eens gezegd, en er bestaat ook geen uitverkorener volk dan een permanent zwaar getroffen volk. Toen ik niet kon geloven dat God ons als uitverkoren volk bestemd had, geloofde ik dat we door onze ellende waren uitverkoren. Ik geloof in de God van Israël, ook al heeft Hij alles gedaan om mij niet in Hem te laten geloven. Ik geloof in Zijn wetten, ook al kan ik Zijn daden niet rechtvaardigen. Mijn verhouding tot Hem is niet meer die van een knecht tot zijn meester, maar die van een leerling tot zijn rebbe. Ik buig mijn hoofd voor Zijn grootheid, maar ik zal niet de stok kussen waarmee Hij mij slaat. Ik heb Hem lief, maar Zijn tora heb ik meer lief, en zelfs al zou ik teleurgesteld in Hem zijn, dan zou ik nog Zijn tora beschermen. God betekent religie, maar Zijn tora betekent een levenswijze, en hoe meer wij voor die levenswijze sterven hoe onsterfelijker zij zal worden.

Daarom veroorloof ik mij, God, voor mijn dood, nu ik volkomen bevrijd ben van ieder spoor van angst, nu ik me bevind in een toestand van absolute innerlijke rust en zekerheid, voor de laatste keer in mijn leven met je te argumenteren.

Dan wil ik je vragen, God, en die vraag brandt als een verterend vuur in me: ‘Wat, o wat moet er nog gebeuren voordat je je gezicht weer aan de wereld laat zien?’

 

Josl Rakover worstelt met God, de God van zijn dromen, de God die hij zich heel anders had voorgesteld. Géén God die zich verbergt, maar een God die helpt. Géén God die afwezig is, maar die het onheil helpt voorkomen. De bijbel staat toch vol van tekens, van vingerwijzingen van God, rechtstreeks uit de hemel, waarom dan nu niet?

Maar ‘niets is zo heel als een gebroken hart‘, niets is zo heilig dan een vertwijfeld mens. Volgens de rabbijnen kijkt men vanuit de hemel heel anders naar de aarde dan wij zouden verwachten. Daarom gaan we mensen op aarde vaak de fout in als we denken dat een gelovige helemaal níet mag twijfelen, dat een vroom mens géén fouten mag begaan…

Maar het is makkelijk gezegd, dat als je hart gebroken is, als je sterft van verdriet en van pijn, dat de hemel je dan zal opnemen. Zolang je leeft is dat een schrale troost.

Maar misschien kan dit beeld ons toch op andere gedachten brengen, kan dit beeld ons toch troosten omdat het ruimte geeft, omdat we niet langer perfect moeten zijn. En omdat met dit beeld een God beleden wordt die oog heeft voor de gebroken mens. Nét de gebroken mens is het méést kostbaar in zijn ogen….

 

Josl Rakover schrijft:

“Ik sterf rustig, maar niet tevreden. Geslagen, maar geen slaaf, verbitterd, maar niet teleurgesteld, gelovig maar niet smekend, verliefd op God maar niet als iemand die

blindelings ja en amen tegen Hem zegt.

Ik ben Hem gevolgd ook toen Hij mij van zich afstootte. Ik heb Zijn geboden opgevolgd, ook toen Hij mij daarvoor strafte. Ik heb Hem liefgehad, ik ben verliefd op Hem geweest en gebleven, ook toen Hij mij tot in de grond vernederde, mij doodmartelde en aan schande en spot uitleverde.

Mijn rebbe vertelde me altijd opnieuw de geschiedenis van een jood die met vrouw en kind voor de Spaanse lnquisitie vluchtte en met een bootje over een stormachtige zee een rotsig eiland bereikte. Toen kwam er een bliksemslag, die zijn vrouw doodde. Er stak er een storm op, die zijn kind in zee wierp. Alleen, eenzaam als een steen, naakt en barrevoets, gegeseld door de storm en beangstigd door de donder en de bliksem, met verwaaide haren en zijn handen opgeheven naar God, vervolgde de jood zijn weg op het woeste, rotsige eiland wendde zich als volgt tot God: ‘God van Israël, ik ben hierheen gevlucht om je ongestoord te kunnen dienen, je geboden op te volgen en je naam te heiligen.

Maar je doet alles om mij niet in je te laten geloven. Als je denkt dat het je zal lukken me met die beproevingen van de goede weg te laten afdwalen, moet ik je, God van mij en mijn voorouders, zeggen dat dat je allemaal niet zal helpen. Je mag me beledigen, je mag me straffen, Je mag me het dierbaarste en beste dat ik op de wereld heb afnemen, je mag me doodmartelen ‑ ik zal altijd in je geloven. Ik zal je altijd liefhebben, altijd ‑ jou alleen, ondanks wat je me aandoet.'”

 

Ik kan deze woorden nauwelijks zonder tranen lezen. Dat verbeten liefhebben van God, ondanks alles, ondanks het grootste verdriet. “Het zal je niet lukken God, dat ik niet meer van je zal houden, dat ik je zal verwerpen, ontkennen, afweren…” Dat is voor mij persoonlijk menselijke vrijheid ten top: God ondanks God zelf blijven vertrouwen, terwijl het leven daar eigenlijk geen aanleiding meer toe geeft.

 

‘Ik geloof in de zon, ook als ze niet schijnt.

Ik geloof in de liefde, ook als ik die niet voel.

Ik geloof in God, ook als Hij zwijgt.’

 

Veel kracht, sterkte en vertrouwen in deze donkere dagen van de herfst,

 John Hacking