De grote oorlog

Overweging 7 september 2014 Badhoevedorp (deel uit de overweging in de oecumenische viering van de Raad van Kerken in de H.H. Engelbewaarders)

Het was een andere zomer dan anders: oorlogsgeweld in Syrië, een burgeroorlog. Oorlogsgeweld in Gaza, en verderop in Irak, de vestiging van een kalifaat, gruwelijke misdaden tegen mensen die niet in het religieuze plaatje passen van deze Isisstrijders waaronder ook talloze Nederlanders die zo hun onmenselijk gezicht laten zien.
En geweld in Oekraïne dat de vraag doet oproepen of er niet weer een derde wereldoorlog voor de deur staat omdat Europa, de VS en de NAVO zijdelings betrokken zijn. Deze strijd in Oekraïne heeft ook de complete bemanning en alle passagiers van vlucht ML17 het leven gekost waaronder heel veel Nederlanders. Op tv hebben we de beelden kunnen volgen van de talloze kisten met de resten van de stoffelijke overschotten die ter identificatie werden vervoerd naar het forensisch instituut. Velen stonden langs de weg, velen brachten bloemen als een stil eerbetoon. Nederland was en is in rouw.
Is onze wereld veranderd, is ze beter geworden dankzij alle technische uitvindingen? Zijn wij betere mensen geworden? Door alle luxe, minder kortzichtig, minder haatdragend? Als je de nieuwsberichten volgt zou je zeggen van niet. Ook in onze straten worden jongens gerekruteerd voor een jihad, een zogenaamde heilige oorlog in Syrië en Irak; maar het resultaat van al die heiligheid is een verschrikkelijk bloedbad. Het is in mijn ogen hetzelfde naïeve gedrag als 100 jaar geleden toen in augustus de Eerste Wereldoorlog uitbrak.
Vol enthousiasme gingen de jonge mannen naar het front. In veewagens werden ze later vervoerd. Ze hadden heel veel haast om erbij te kunnen zijn. Bijna iedereen hemelde de oorlog op, het zou een tijd van loutering, purificatio, worden. Oorlog als levensdoel, als levensbestemming opdat de echte krachtige eigenschappen van de mens zichtbaar worden. Dat was de stemming toen, ook vertolkt door grote schrijvers.
Maar na een maand of twee publiceerden de kranten de namen niet meer van de gevallenen omdat het er al honderduizenden waren. Toch bleven de vrijwilligers toestromen. Het monster oorlog had zijn muil wijd geopend. Het regende bommen en granaten aan het front – een oorverdovende orkaan van geweld. Wij zijn er niet bij geweest en de filmbeelden die wij misschien hebben gezien geven slechts een slap aftreksel van de gebeurtenissen. Het landschap draagt nog steeds de sporen van deze grote oorlog.
Het woord kanonnenvlees is toen ontstaan en een begrip als “La voie sacré, de heilige weg. Dat was de weg naar Verdun dat kost wat kost niet opgegeven mocht worden en waarvoor de Fransen alles overhadden. Hoeveel doden dit ook zou kosten. Deze weg was de aanvoerlijn van nieuwe soldaten, nieuwe doden voor het vaderland. De Duitsers spraken over een Abnutzungskrieg bij Verdun: de vijand laten doodbloeden.
Waarover ik mij blijf verbazen is het feit dat niet doordrong dat lichamen niet bestand zijn  tegen granaten, tegen metaal, tegen Stahlgewitter, onweer met staal, zo Ernst Jünger die dit begrip als titel van een boek gebruikt.
Vier jaar lang miljoenen lichamen opofferen. Voor wat? Met welk doel?
En het resultaat is wat kilometers terreinwinst. Dat gaat alle absurditeit te boven.
Erasmus heeft zich over de oorlog al verwonderd. Hij schrijft ironisch: “Is niet de oorlog de bron van alle heldendaden en het veld van eer? En wat is er nou dwazer dan om willekeurige redenen zo’n strijd aan te gaan waar voor beide partijen altijd meer ellende dan goeds van komt? Degenen die sneuvelen, … , komen niet in het verhaal voor. En als de ijzeren linies tegenover elkaar staan opgesteld, en ‘schor der hoorns hun signaal laten schallen’ wat – als ik het vragen mag – is dan de rol van wijze mannen die uitgeput van het studeren, bloedeloos en futloos staan te reutelen?
Je hebt gewillige dommekrachten nodig met een maximum aan moed en een minimum aan intelligentie…”
Kortom de stap van mens naar monster is niet groot.
En Henry Barbusse schrijft in zijn roman “Het vuur” vlak voor de aanval op de vijand: “
“Bij volle bewustzijn, in de kracht van hun leven en kerngezond staan ze daar opeengepakt om zich voor de zoveelste keer in die soort krankzinnigenrol te storten die elke man door de waanzin van het mensdom wordt opgedrongen.”
Wat is dat voor waanzin die wij mensen met elkaar in stand houden dat een mensenlichaam
van nul en generlei waarde is? Dat de strijd pas voorbij is als de lichamen op zijn?
Ik heb daarop geen antwoord. Geen woorden om dit gruwelijke bestaan van de oorlog te  duiden – te begrijpen – opdat we misschien iets kunnen doen om het te voorkomen.
En toch houd ik me vast aan woorden, aan gedichten, zoals uit de bundel “Het lijf in slijk geplant. Gedichten uit de Eerste wereldoorlog” ik citeer Tristan Tzara:

“Het is zo donker dat enkel de woorden licht zijn.”

Het is zo donker dat enkel de woorden licht zijn.
Het zijn de woorden waarmee wij onze onmenselijkheid en onze menselijkheid kunnen duiden. Het zijn de woorden die gesproken tot elkaar ons moed kunnen geven, ons niet doen vertwijfelen, niet doen wanhopen als laatste gebaar. Hoewel het niet meevalt – vaak is de nacht te zwart – komt er toch een nieuwe ochtend.
Alleen al het feit dat ik dit uitspreek kan al hoop geven. Maar ik moet het dan wel uitspreken.
Dat doen wij ook met gebeden, met liederen hier in deze viering.
Het geweld is te groot voor ons, ook in deze kerk is dit afgebeeld op de wand hier achter mij.
De tweede grote oorlog. Maar we hebben niets anders dan woorden in onze handen en de moed en durf om onze woorden in daden om te zetten.  Zowel ten kwade als ten goede: zowel als wij anderen verketteren, tot vijand maken of omhelzen en tot vriend maken. Het resultaat is een wereld van verschil.  We kunnen het allebei – het een leidt tot dood en verderf, het ander tot vrede en  vriendschap. De keuze is aan ons. Er is een wereld te winnen.
Veel ligt binnen ons bereik. Wij zijn sterker dan wij denken. We kunnen het laten zien.
Daarbij, bij het maken van de juiste keuze, wens ik ons heel veel sterkte.