Metaforen en (de) waarheid

Metaforen en (de) waarheid

„Wille und Welle. – Wie gierig kommt diese Welle heran, als ob es etwas zu erreichen gälte! Wie kriecht sie mit furchterregender Hast in die innersten Winkel des felsigen Geklüftes hinein! Es scheint, sie will jemandem zuvorkommen; es scheint, daß dort etwas versteckt ist, das Wert, hohen Wert hat. – Und nun kommt sie zurück, etwas langsamer, immer noch ganz weiß vor Erregung – ist sie enttäuscht? Hat sie gefunden, was sie suchte? Stellt sie sich enttäuscht? – Aber schon naht eine andere Welle, gieriger und wilder noch als die erste, und auch ihre Seele scheint voll von Geheimnissen und dem Gelüste der Schatzgräberei zu sein. So leben die Wellen – so leben wir, die Wollenden! – mehr sage ich nicht. – So? Ihr mißtraut mir? Ihr zürnt auf mich, ihr schönen Untiere? Fürchtet ihr, daß ich euer Geheimnis ganz verrate? Nun! Zürnt mir nur, hebt eure grünen gefährlichen Leiber so hoch ihr könnt, macht eine Mauer zwischen mir und der Sonne – so wie jetzt! Wahrlich, schon ist nichts mehr von der Welt übrig als grüne Dämmerung und grüne Blitze. Treibt es wie ihr wollt, ihr Übermütigen, brüllt vor Lust und Bosheit – oder taucht wieder hinunter, schüttet eure Smaragden hinab in die tiefste Tiefe, werft euer unendliches weißes Gezottel von Schaum und Gischt darüber weg – es ist mir alles recht, denn alles steht euch so gut, und ich bin euch für alles so gut: wie werde ich euch verraten! Denn – hört es wohl! – ich kenne euch und euer Geheimnis, ich kenne euer Geschlecht! Ihr und ich, wir sind ja aus einem Geschlecht! – Ihr und ich, wir haben ja ein Geheimnis!“

Friedrich Nietzsche

http://www.zeno.org/Philosophie/M/Nietzsche,+Friedrich/Die+fr%C3%B6hliche+Wissenschaft/Viertes+Buch.+Sanctus+Januarius/310.+Wille+und+Welle

 

 

 

De waarheid, die hebben we niet. Niet in pacht, niet in bruikleen en niet in ons bezit als erfstuk. De waarheid bestaat sowieso niet want wat is “de waarheid” in het algemeen? Er zijn hoogstens feitelijkheden aan te wijzen die waar zijn omdat ze gebeuren of gebeurd zijn, maar dan nog is hun betekenis meestal niet eenduidig omdat de waarnemer een subject is dat subjectief waarneemt, verklaart, uitlegt en betekenis geeft. Een machine die dingen vastlegt heeft vanuit zichzelf geen taal, die een mens rechtstreeks kan verstaan –  alsof een machine kan praten zoals een mens communiceert.  Alle spreken en denken heeft begrippen – woorden – zinnen – nodig om zich te uiten en het aflezen van een meetinstrument ontkomt daar niet aan. Zonder bemiddeling – zonder taalkundige verwoording – blijven het cijfers of tekens zonder betekenis. Lezen en weten wat je leest, weergeven en weten wat je weergeeft – communiceren is meer dan een verzameling tekens tonen. Tekens vragen om “betekening”, “smachten”(als het ware) om opgenomen te worden in een proces van betekenisgeving anders blijven ze nietszeggend, zoals de bladeren in een bos in de herfst – er liggen er veel maar afzonderlijk zijn ze van geen belang en kunnen we hoogstens concluderen: het is herfst, er liggen bladeren, ze zijn verkleurd en ze geven geur af. Je merkt het: ongemerkt sluipen toch zo de betekenissen binnen in dit betoog. Alleen al omdat de gebezigde taal waarmee iets wordt omschreven als het ware uitnodigt tot betekenis.

Daarin zit ook een stuk verleiding. Zo vermoed ik. Begrippen die op elkaar alluderen, die elkaar kunnen oproepen, versterken, verleiden…alsof er een vorm van waarheid wordt aangekondigd, iets wat onvermijdelijk is en wat om duiding vraagt. Dat is ook wat in het citaat boven van Nietzsche gebeurt als hij spreekt over wil en golf, Wille und Welle. De wil die als een golf komt aangerold met alle dynamiek die hieraan eigen is. Hanna Arendt die een tekst geschreven heeft over het “willen” (na haar dood gepubliceerd) zegt over deze tekst van Nietzsche het volgende:

“Wat voor alle rijpe teksten van Nietzsche geldt, geldt ook voor elk van deze beweringen: het gaat om gedachte-experimenten -een literair genre dat verrassend zeldzaam is in onze overgeleverde geschiedenis. Het werk dat hier het meest op lijkt, is Pascals Pensées. Het deelt met Nietzsches Der Wille zur Macht zijn toevallige rangschikking van de beweringen -wat latere uitgevers ertoe gebracht heeft om ze te herschikken, met als vervelend gevolg dat de lezer heel wat moeite heeft om de beweringen thuis te brengen en te dateren.” (p. 202)

Deze teksten zijn dus experimenten, gedachte-experimenten, een manier van redeneren en denken die aansluit bij de intuïties die kenmerkend zijn in het poëtische proces. Ik vermoed dat daarom ook Martin Heidegger zoveel gebruik maakt van gedichten omdat hij op dezelfde golflengte zit als Nietzsche in het verwoorden van zijn gedachten. Beiden poneren hun ideeën met een zekere stelligheid en zoeken al aarzelend hun weg in het domein van de werkelijkheid zoals zich die openbaart. Ik gebruik met opzet het begrip openbaring, omdat het eerder op een ontdekking, een openbaar worden van iets wat verborgen is, lijkt dan op het constateren van een feit of feitelijkheid. De metafoor, als toegang tot die werkelijkheid, opent hier een taalkundige brug, om die geopenbaarde “waarheid” onder woorden te brengen. Naar aanleiding van “Wille und Welle” schrijft Arendt:

“Op het eerste gezicht lijkt het hier te gaan om een volmaakte metafoor, een “volmaakte gelijkenis van twee relaties tussen totaal verschillende dingen”. De relatie van de golven tot de zee waaruit ze zonder oogmerk of doel opwellen en een overweldigende, doelloze opwinding scheppen, lijkt op en verheldert daardoor de beroering die de wil in het huishouden van de ziel opwekt- blijkbaar altijd naar iets op zoek tot hij tot bedaren komt, zonder ooit helemaal uit te doven, altijd klaar voor een nieuwe aanval. De wil geniet van het willen zoals de zee geniet van de golven, want “de mens wil nog liever het niets willen, dan niet te willen”. 35 Bij nader toezien echter blijkt dat er hier iets beslissends gebeurd is met wat oorspronkelijk een typisch Homerische metafoor was. We hebben gezien dat deze metaforen altijd onomkeerbaar waren: kijkend naar de stormen op zee, word je herinnerd aan je innerlijke emoties, maar deze emoties vertellen je niets over de zee. Voor Nietzsche lijken de twee ongelijke dingen die de metafoor samenbrengt niet alleen op elkaar, ze zijn identiek; en het “geheim” waarop hij zo trots is, ligt precies in zijn kennis van deze identiteit. Wil en Golf zijn hetzelfde, en men is zelfs geneigd te denken dat Nietzsche de beroering van de zee heeft ontdekt dankzij de ervaringen van het willende ego.  Met andere woorden, de verschijnselen van de wereld zijn een louter symbool voor innerlijke ervaringen geworden. Het gevolg hiervan is dat de metafoor, die oorspronkelijk bedoeld was om de kloof tussen het denkende of willende ego en de wereld van de verschijnselen te overbruggen, ineenstuikt. Deze instorting doet zich niet voor omdat aan de “objecten” waarmee het menselijk leven geconfronteerd wordt te veel gewicht wordt toegekend, maar omdat men partij kiest voor het zielsapparaat van de mens, waarvan de ervaringen geacht worden absolute voorrang te hebben. Vele passages bij Nietzsche wijzen op dit fundamenteel antropomorfisme.” (p. 208-209)

Als Nietzsche de voorkeur geeft aan de beleving van de werkelijkheid, waarneemt vanuit zijn “ziel” boven de constatering van een feit, een afleesbaar en controleerbaar gegeven alsof het door een machine wordt waargenomen, dan heeft dat ook effect op zijn argumenten. Als er sprake is van een fundamenteel antropomorfisme in zijn denken en verwoorden van zijn gedachten, dan kan dat ook verklaren waarom hij tot op vandaag zoveel navolging heeft gekregen. Een droge opsomming van feitelijkheden nodigt niet echt uit tot overdenking of reproductie, maar een bewogen denker die zijn hele hebben en houden in de strijd gooit en vandaaruit de werkelijkheid duidt en betekenis geeft krijgt volgelingen. Men herkent zich in hem, in de worsteling, de strijd, de metaforen en de zoektocht. De metaforen krijgen zo, als je niet uitkijkt, ook een vorm van waarheidsgehalte omdat ze verleidelijk zijn, omdat ze als het ware gaan functioneren als argumenten in een discours. Maar hier gaat het dan fout. Als argument deugen ze volgens mij niet. Wel als verleiding, als aanmoediging, als genot in en van het formuleren, het taalspel, de retorica, maar niet als echte vorm van waarheidsvinding in de zin van de exacte wetenschap. Daarvoor zijn te wispelturig. Maar als poëtische waarheid hebben ze alle kans van slagen en dragen ze hun steentje bij. Nu ben ik aanhanger van deze vorm van waarheid waarin de poëzie de hoofdrol speelt. Deze vorm van waarheid verovert nieuwe ruimtes, maakt een nieuwe kijk mogelijk en kan verdiepend werken. Ik ben er zelfs van overtuigd dat ook de exacte wetenschap niet zonder het instrumentarium van deze poëtische waarheidsvinding kan uitkomen. Maar dat is misschien een vorm van vloeken binnen deze wetenschapsbeoefening en als absolute buitenstaander kan ik dat makkelijk beweren. Nietzsche vat in zijn laatste jaar samen wat hem de afgelopen jaren heeft bezig gehouden en een lang citaat uit deze verzameling gaat over de wil om te lijden en het medelijden. Ook hier weer vanuit de eigen perceptie van de werkelijkheid waarbij zijn eigen innerlijk de hoofdrol speelt. Een mooie tekst om je tanden in te zetten:

“Der Wille zum Leiden und die Mitleidigen. – Ist es euch selber zuträglich, vor allem mitleidige Menschen zu sein? Und ist es den Leidenden zuträglich, wenn ihr es seid? Doch lassen wir die erste Frage für einen Augenblick ohne Antwort. – Das, woran wir am tiefsten und persönlichsten leiden, ist fast allen anderen unverständlich und unzugänglich: darin sind wir dem Nächsten verborgen, und wenn er mit uns aus einem Topfe ißt. Überall aber, wo wir als Leidende bemerkt werden, wird unser Leiden flach ausgelegt; es gehört zum Wesen der mitleidigen Affektion, daß sie das fremde Leid des eigentlich Persönlichen entkleidet – unsre »Wohltäter« sind mehr als unsre Feinde die Verkleinerer unsres Wertes und Willens. Bei den meisten Wohltaten, die Unglücklichen erwiesen werden, liegt etwas Empörendes in der intellektuellen Leichtfertigkeit, mit der da der Mitleidige das Schicksal spielt: er weiß nichts von der ganzen inneren Folge und Verflechtung, welche Unglück für mich oder für dich heißt! Die gesamte Ökonomie meiner Seele und deren Ausgleichung durch das »Unglück«, das Aufbrechen neuer Quellen und Bedürfnisse, das Zuwachsen alter Wunden, das Abstoßen ganzer Vergangenheiten – das alles, was mit dem Unglück verbunden sein kann, kümmert den lieben Mitleidigen nicht: er will helfen und denkt nicht daran, daß es eine persönliche Notwendigkeit des Unglücks gibt, daß mir und dir Schrecken, Entbehrungen, Verarmungen, Mitternächte, Abenteuer, Wagnisse, Fehlgriffe so nötig sind wie ihr Gegenteil, ja daß, um mich mystisch auszudrücken, der Pfad zum eigenen Himmel immer durch die Wollust der eigenen Hölle geht. Nein, davon weiß er nichts: die »Religion des Mitleidens« (oder »das Herz«) gebietet zu helfen, und man glaubt am besten geholfen zu haben, wenn man am schnellsten geholfen hat! Wenn ihr Anhänger dieser Religion dieselbe Gesinnung, die ihr gegen die Mitmenschen habt, auch wirklich gegen euch selber habt, wenn ihr euer eigenes Leiden nicht eine Stunde auf euch liegen lassen wollt und immerfort allem möglichen Unglücke von ferne her schon vorbeugt, wenn ihr Leid und Unlust überhaupt als böse, hassenswert, vernichtungswürdig, als Makel am Dasein empfindet: nun, dann habt ihr, außer eurer Religion des Mitleidens, auch noch eine andere Religion im Herzen, und diese ist vielleicht die Mutter von jener – die Religion der Behaglichkeit. Ach, wie wenig wißt ihr vom Glücke des Menschen, ihr Behaglichen und Gutmütigen! denn das Glück und das Unglück sind zwei Geschwister und Zwillinge, die miteinander großwachsen oder, wie bei euch, miteinander – klein bleiben! Aber nun zur ersten Frage zurück. – Wie ist es nur möglich, auf seinem Wege zu bleiben! Fortwährend ruft uns irgendein Geschrei seitwärts; unser Auge sieht da selten etwas, wobei es nicht nötig wird, augenblicklich unsre eigne Sache zu lassen und zuzuspringen. Ich weiß es: es gibt hundert anständige und rühmliche Arten, um mich von meinem Wege zu verlieren, und wahrlich höchst »moralische« Arten! Ja, die Ansicht der jetzigen Mitleid-Moralprediger geht sogar dahin, daß eben dies und nur dies allein moralisch sei – sich dergestalt von seinem Wege zu verlieren und dem Nächsten beizuspringen. Ich weiß es ebenso gewiß: ich brauche mich nur dem Anblicke einer wirklichen Not auszuliefern, so bin ich auch verloren! Und wenn ein leidender Freund zu mir sagte: »Siehe, ich werde bald sterben; versprich mir doch, mit mir zu sterben« – ich verspräche es, ebenso wie mich der Anblick jenes für seine Freiheit kämpfenden Bergvölkchens dazu bringen würde, ihm meine Hand und mein Leben anzubieten – um einmal aus guten Gründen schlechte Beispiele zu wählen. Ja, es gibt eine heimliche Verführung sogar in alle diesem Mitleid-Erweckenden und Hilfe-Rufenden: eben unser »eigener Weg« ist eine zu harte und anspruchsvolle Sache und zu ferne von der Liebe und Dankbarkeit der anderen – wir entlaufen ihm gar nicht ungern, ihm und unserm eigensten Gewissen, und flüchten uns unter das Gewissen der anderen und hinein in den lieblichen Tempel der »Religion des Mitleidens«. Sobald jetzt irgend ein Krieg ausbricht, so bricht damit immer auch gerade in den Edelsten eines Volkes eine freilich geheim gehaltene Lust aus: sie werfen sich mit Entzücken der neuen Gefahr des Todes entgegen, weil sie in der Aufopferung für das Vaterland endlich jene lange gesuchte Erlaubnis zu haben glauben – die Erlaubnis, ihrem Ziele auszuweichen – der Krieg ist für sie ein Umweg zum Selbstmord, aber ein Umweg mit gutem Gewissen. Und, um hier einiges zu verschweigen: so will ich doch meine Moral nicht verschweigen, welche zu mir sagt: Lebe im Verborgenen, damit du dir leben kannst! Lebe unwissend über das, was deinem Zeitalter das Wichtigste dünkt! Lege zwischen dich und heute wenigstens die Haut von drei Jahrhunderten! Und das Geschrei von heute, der Lärm der Kriege und Revolutionen soll dir ein Gemurmel sein! Du wirst auch helfen wollen: aber nur denen, deren Not du ganz verstehst, weil sie mit dir ein Leid und eine Hoffnung haben – deinen Freunden: und nur auf die Weise, wie du dir selber hilfst – ich will sie mutiger, aushaltender, einfacher, fröhlicher machen! Ich will sie das lehren, was jetzt so wenige verstehen und jene Prediger des Mitleidens am wenigsten – die Mitfreude!“

http://www.zeno.org/Philosophie/M/Nietzsche,+Friedrich/Die+fr%C3%B6hliche+Wissenschaft/Viertes+Buch.+Sanctus+Januarius/338.+Der+Wille+zum+Leiden+und+die+Mitleidigen

 

Nogmaals, de waarheid, die hebben we niet en hebben we ook niet in pacht. De waarheid zal ons bevrijden, maar het voorzetsel “de” zou ik voor het gemak maar weglaten, want er is geen waarheid die ons als algemene waarheid zal en kan bevrijden. De bijbelse waarheid die hier bedoeld wordt is ook geen algemene waarheid, maar een nauwkeurig bepaalde en gedifferentieerde waarheid. Waarheid in overgave, overgave aan een “eugangelion” (Grieks voor:) “evangelie”, woorden die (al) bevrijding en vreugde aankondigen als je daar voor open durft te gaan staan. Zoals zaad in een akker kan vallen en dan ontkiemen. Dat is een proces. Dat kost tijd, heeft duur nodig, en kan zo duurzaam worden en werken. Wat dit exact kan inhouden is niet zonder meer te beschrijven – hoogstens poëtisch te duiden zoals de metafoor of frase: het aanbreken van het Rijk van God, bijvoorbeeld. Is het dan duidelijk, is er niet eerder een goede verstaander nodig, die vertrouwd is met deze traditie? Nietzsche heeft gepoogd deze traditie te doorgronden en op zijn merites te beoordelen. Ik vermoed dat hij niet helemaal hierin geslaagd is maar hij heeft zijn best gedaan en gepoogd een fundament te vinden in de eigen ziel. Alleen, en dat geldt voor iedereen, de eigen ziel is niet sterk genoeg om de tegenstellingen en contradicties te kunnen dragen die het leven aanreikt en waarmee je of je wilt of niet wordt geconfronteerd. Dat is de tragiek van een mensenleven. De werkelijkheid is te groot en te overweldigend om het zonder een systeem van betekenissen te doen – buiten jouw eigen existentie. In mijn ogen doen religies een (vaak beperkte en soms mislukte) poging om dit te verhelpen. Maar zelf hou je een groot aandeel hierin. Nietzsche heeft dat met zijn leven laten zien. Ook een – in veler ogen – mislukt leven is de moeite waard om over na te denken en te beschouwen in het licht van een waardesysteem. Waarheid komt zo stapje voor stapje metaforisch aan het licht en kan ons zo verlichten.

John Hacking

1 september 2017

 

bron: H. Arendt, Willen. Het leven van de geest. Zoetermeer 2016 (Klement, Pelckmans)

L1230729