Filosofenweg – weg van de filosofie

De filosoof Ryōsuke Ohashi, directeur van het Japans-Duits Kultuurinstituut in Kyoto, (Japan), beschrijft een wandeling langs tempels, graven en andere bezienswaardigheden, een route midden in Kyoto, die naderhand (vanaf 1972) de filosofenweg is gaan heten. De filosoof Kitarō Nishida heeft hier vaak gewandeld en er is ook een steen met een gedicht van hem langs deze route van 2 km te vinden. De weg heet in het Japans tetsugaku-no-michi, letterlijk weg van de filosofie. Daarvoor had hij een andere naam: bunjin-no-michi, weg van de schrijvers. Maar de filosofenweg in Heidelberg bracht bezoekers aan deze weg ertoe om ook in Kyoto de weg van de schrijvers om te dopen in de weg van de filosofie. 

Wat is er filosofisch aan deze weg? Behalve het feit dat er (Japanse) filosofen gewandeld hebben? Of zoals in Heidelberg (en op nog veel meer plaatsen) filosofiestudenten. Ryōsuke Ohashi geeft een overzicht van de gebouwen en monumenten die in de geschiedenis van Japan een belangrijke rol hebben gespeeld omdat ze naar mensen en gebeurtenissen verwijzen die ook vanuit filosofisch oogpunt, met name de esthetica belangrijk zijn. Hij vergelijkt bijvoorbeeld hoe Martin Heidegger een gedicht van Goethe benadert en hoe Kitarō Nishida dat vanuit zijn eigen context beschrijft. Hetzelfde ten aanzien van het ‘iki’  van Shüzö Kuki die met Heidegger daar een uitgebreid gesprek over heeft gehad en dat in het werk van Heidegger als een dialoog terugkeert. (Dialog »Aus einem Gespräch von der Sprache«, in Unterwegs zur Sprache).

Aan de orde komen ook historische gebeurtenissen, de relatie Boeddhisme en Shintoïsme, opvattingen over kunst en architectuur (het theehuis bijvoorbeeld en de tuin) en zelfs een korte beschrijving van een aantal restaurants. Het gaat de auteur erom om een indruk te schetsen van de gebruiken en opvattingen van de Japaners aan de hand van indrukken die hij opdoet op deze weg van de filosofie. Daarbij krijg je als buitenstaander een klein beetje een beeld van de Japanse denkwijze met betrekking tot taal. Wat mij vooral aansprak waren de beschrijvingen van de monumenten, de rol van de stenen en de gedichten op deze stenen, geschreven in kalligrafie. En de opvattingen over kunst. 

Park Brakkenstein Nijmegen Hortus Arcadie: filosofenpad

Hij beschrijft het Japanse begrip zanshō-bi, vertaald: de dingen laten iets van het verleden doorschijnen, de schoonheid blijft aanwezig en roept soms ook een zekere melancholie op, maar dat laatste is mijn invulling. Denk ook aan de grote gothische kathedralen, de indrukwekkende composities van musici, de schilderijen van grote kunstenaars. Ohashi schrijft: 

“Bereits am Anfang dieses Buches habe ich einen Terminus verwendet der im Japanischen zanshō-bi lautet und der in etwas umständliche; deutscher Übersetzung lautet: »der ästhetische Nachschein des Vergangenen «. Der Nachschein im gewöhnlichen Sinne ist das Phänomen des Nachglanzes der Sonne, die untergegangen ist, deren Licht aber als Abendrot noch am Himmel zurückbleibt. Auch er wird bald vergehen. Es gibt aber einen Nachschein, der in Form der »Tradition« nicht leichthin vergeht, sondern als der ästhetische Schein bestehen bleibt und in die Gegenwart hineinwirkt. Das in diesem Buch gemeinte zanshō-bi ist in diesem Sinne aufzufassen, als der »ästhetische Nachschein des Vergangenen, das nicht vergeht«.Wenn aber dieses Wort in diesem Buch eigens als ein Terminus für das »japanische Schöne« verwendet wird, bedarf es einer ergänzenden Erklärung. Denn dazu muss gleich angemerkt werden, dass der ästhetische Nachschein der Tradition nicht nur in der japanischen Kultur und Kunst, sondern in jeder Weltkultur zu finden ist. Um den »japanisch ästhetischen Nachschein« auszuzeichnen, sind also zum Vergleich kurz die Charakteristika des »europäisch ästhetischen Nachscheins« zu betrachten. Wer die Reliquien und Kunstdinge der griechisch-römischen Antike kennt ader sich für die grossartige Architektur der Kathedralen und die diese schmückenden Skulpturen in den europäischen Städten interessiert, weiterhin, wer die malerischen Werke in den Museen oder die klassische Musik in den Konzerten geniesst, wird immer von der Kraft dieses »Vergangenen, das nicht vergeht« und seines ästhetischen Effektes überwältigt werden. Zur philosophischen Bestimmung dieses »europäisch ästhetischen Nachscheins« ist zuerst wieder die hegelsche Definition des Schönen in seinen »Vorlesungen über die Ästhetik« heranzuziehen.(…)”(pag. 171)

Park Brakkenstein Nijmegen Hortus Arcadie: filosofenpad

Wat mij ook bijzonder trof was de wijze waarop in Japan nagedacht wordt over de verwoording van de ervaring van schoonheid en hoe bijvoorbeeld “wabi (wörtlich: »die Öde«) und sabi (wörtlich: »die Einsamkeit«)” de schoonheid van alledaagse dingen een bijzondere rol kan spelen. Hoe het kan dat alledaagse gewone niet bijzondere dingen toch belangrijk kunnen worden en in de ervaring kostbaar legt Ohashi zo uit: wabi sabi betekent:

“Wörtliche Übersetzung des ersteren, seinem Inhalt nach kaum übersetzbaren Begriffs, wäre »die öde Einsamkeit«, die des letzteren Begriffs »die Einsamkeit in der Verlassenheit«. Dieser letztere wird onomatopoetisch oft mit »Rost« assoziiert, weil das Wort für Rost ebenfalls »sabi« lautet und weil, was gerostet ist, oft ein in einsamer Verlassenheit Liegendes ist. Wie solch extrem negative Ausdrucke wie »wabi« und »sabi« in positive Ausdrücke für das “Schöne” umschlagen konnten, ist ein Geheimnis der japanischen Ästhetik, dessen begriffliche Erläuterung zwar nicht unmöglich, aber umständlich ist. Eine eher empirische Annäherung anhand konkreter Beispiele wäre der kürzere Weg. Ein Ansatzpunkt hierfür ist das » Beruhrungsgefuhl. « . Sowohl die Werke der Volkshandwerk-Bewegung wie auch die Dinge, die den Geschmack von wabi und sabi ausdrücken, sind Gebrauchsdinge im Alltagsleben, die immer mit der Hand berührt werden: das »Berūhrungsgefühl« (jap: tezawari, wörtlich: »Gefühl der Berührung mit der Hand«) gilt als das Hauptelement einer sonst optisch orientiertenn Schönheitsempfindung. Ein exemplarisches Beispiel van wabi und sabi ist in der Abbildung einer Teeschale zu sehen (…).”(pag. 149)

Heidelberg Filosofenweg

Ohashi ziet heel scherp wat de verschillen zijn tussen Europa en Japan als het om formuleringen gaat, om beschrijvingen van kunstobjecten, schilderijen, thema’s in de kunst en de vormgeving ervan op verschillende terreinen. Hij onderscheidt de hang naar het ‘eeuwige’ in de kunst van het Westen maar ook de tegenstelling met het ‘hier en nu’ in de kunst, de wijze waarop kunstenaars zich plaatsen in de huidige geseculariseerde context. Dat veel draait om de kunstenaar zelf en niet zozeer om zijn werk dat dat ook in ‘multiples’ wordt geproduceerd. Andy Warhol is daar een groot voorbeeld van. De naam Warhol staat voor een merk, maar zijn producten zijn massaproducten ook al wordt er voor de originelen veel geld neergelegd. 

In de Japanse kunstvormen, (die vandaag de dag natuurlijk veelal aansluiten bij het Westen), zit een ander soort verlangen. Het vergaan van de dingen, de invloed uit het verleden, de ouderdom, de schijn van wat was en wat er doorheen schijnt, en de wijze waarop dit beschreven wordt in begrippen, – wat ook in de beschrijvingen van de tempels en grafstenen op de filosofenweg blijkt – is belangrijk. Belangrijker dan het reiken naar de ‘eeuwigheid’ of het streven naar ‘onsterfelijkheid’ (plat uitgedrukt: beroemdheid).

Niet de auteur, niet de kunstenaar maar het werk zelf dat verwijst, spreekt me aan. Maar dat is persoonlijk. Ik heb sowieso niet veel op met het kunstcircus rond een kunstenaar dat voortdurend de aandacht zoekt en dat de galeriehouders gouden bergen belooft. 

Ohashi schrijft over het verschil tussen Japan en het Westen:

“In der modernen europäischen Kunstwelt herrscht die Tendenz der Polarisierung von “Ewigem” und »gegenwärtigem Jetzt«, wobei der eine Pol, das Ewige bzw. Übersinnliche, immer weiter an Macht verloren hat. Dies kann wohl als eine Folge der immer erfolgreicheren und zugleich nicht in allen Hinsichten optimistisch stimmenden Moderne gesehen werden. Die japanische Moderne läuft im Grossen und Ganzen parallel mit dieser europäischen Moderne. Allerdings findet sich in ihr auch oft ein nicht letztlich ins »Europäische« zurückzuführendes » Japanisches«, das seinerseits gar nicht leicht zu bestimmen ist. Anstelle der begrifflichen Bestimmung kann aber eine phänomenale Beschreibung unternommen werden. 

Es gibt seit alters her verschiedene Begriffe für “Schönes” in der japanischen Ästhetik. In der antiken Dynastiezeit aware ( da diese Begriffe nicht genau übersetzbar sind, kann ihre Bedeutung nur etwa umrissen werden, hier: »emotional bewegend«), hakanashi (“das Gefühl der Vergänglichkeit”), oder miyabi (“schmuckhaft-elegant”) und seit dem Mittelalter wabi (“öde Einsamkeit”), sabi (“Einsamkeit in der Verlassenheit”), yūgen (“verborgene Feinheit”), sowie fūga (“anmutiger Wind”). In der Neuzeit kamen Ideen hinzu wie iki van Shūzō Kuki oder die »Ästhetik des Schattens« von Tanizaki, über die in den vorangegangenen Kapiteln berichtet wurde. Ich selbst habe einst den aus der Dichtungstheorie stammenden Begriff “Schnitt-Kontinuum” (kire-tsuzuki) auf die japanische Kunst und Kultur im Ganzen zu erweitern versucht. Wenn man alle diese Begriffe überschaut, bemerkt man eine allgemeine Richtung, auf die sie verweisen, bzw. einen Gegenzug zu dem im klassisch-europäischen Begriff des Schönen versteckten Streben nach der “Teilhabe am transzendenten Ewigen”. Der von uns gemeinte japanisch-ästhetische Nachglanz dagegen wird darin empfunden, dass das, was ist, wesentlich vergänglich ist und von der »Zeit« erodiert wird, wobei aber diese Vergänglichkeit und die Erosion durch die Zeit als solche bejaht und künstlerisch bearbeitet wird. Diese Vergänglichkeit wird vom Beobachtenden als Wesensnatur ihres eigenen Selbst aufgefasst, statt zu versuchen, diese auf das “Ewige” hin zu überwinden.” (p. 175)

Het vergankelijke van een kunstwerk, het vergaan ervan, de invloed van de tijd, de ouderdom, het steeds opnieuw bijvoorbeeld vervangen van oude religieuze gebouwen in exact dezelfde vorm en stijl, met hetzelfde materiaal (nieuw dat oud representeert), dat is in Japan belangrijk. Dat spreekt me aan. Daarom werk ik zelf het liefst op papier (niet op doek) met verf (inclusief inkt en sumi-e) die niet zoals olieverf veel kwetsbaarder is. het hoeft niet voor de eeuwigheid bestemd te zijn. Kopers die verwachten dat mijn werk de tand des tijds zal doorstaan komen bedrogen uit. Papier is een gevoelig medium voor alle weersinvloeden. 

De huidige trend om veel digitale kunst te bezitten, via de zogenaamde NFT’s (non-fungible token: niet-inwisselbaar, onvervangbaar digitaal eigendomscertificaat), waardoor je de garantie hebt dat jij de enige bezitter bent omdat een digitaal document (de token) uit een unieke, onveranderbare code bestaat, die informatie bevat over eigendom en bijvoorbeeld de verkoopcommissie, vind ik persoonlijk een vorm van ‘spielerei’. Niet het maken/produceren van deze kunstwerken, er gaat heel veel tijd in zitten, maar de markt er om heen en de beloftes die worden gedaan op basis van de handel in deze NFT’s. Dat is alles in mijn ogen wat een kunstwerk NIET is. Het feit dat je bezitter kunt zijn van een code waaraan dan een prijskaartje wordt gehangen vind ik een vorm van virtueel bedrog. Je hebt niks in handen, alleen een code, en een werk dat door de digitale structuur ervan eigenlijk geen vastheid heeft. Het wabi sabi theekopje kan ik vastpakken, tegen het licht houden, ik kan er thee in drinken, ik kan het stukgooien. Het NFT – werkje bestaat niet als er geen elektriciteit (meer) is, als de server ‘down’ gaat of de boel ‘gehackt’ wordt.  Persoonlijk vind ik de hebzucht rond deze nieuwe vormen van digitale kunst een vorm van volksverdwazing. Een versnelde gang op de weg van het ‘niets’, richting de afgrond waarin alles zijn waarde heeft verloren omdat alles maakbaar en alles virtueel is geworden. 

Wat heeft nog waarde in een mensenleven? Wat is echt waardevol? Ook tegen het licht van de eindigheid, de smalle strook tijd die wij innemen tegenover een tijd die duurt en die voortgaat, ook als wij er al lang niet meer zijn. Een ander land je wil willen opleggen door het te bezetten zoals nu met Oekraïne gebeurt door de aanval van Rusland’s dictator Poetin, is van een kortzichtigheid die de eigen onmacht kost wat kost wil camoufleren en de angst om greep op de staat te verliezen maskeert. Over een paar jaar, misschien al eerder is het zover. Dan staat de kist klaar waarin deze moordenaar naast al die andere moordenaars die zijn handlangers en uitvoerders zijn geworden, zal worden gelegd. Een paar later is hij voorgoed verdwenen, een hoopje as. De dood is een zegen, vooral voor hen die het niet waard zijn om op deze aarde rond te wandelen omdat ze leed en verderf toebrengen aan hun medemens. Je kunt alleen maar op hun graven spugen. Uit verachting, uit boosheid, uit verzet. Dat is het lot dat deze ‘waanzinnigen’ wacht. Het is jammer dat de schoonheid die door zoveel anderen met moeite tot stand is gebracht, en de schoonheid van het concrete leven van mensen in hun onderlinge relaties, zo door oorlogsgeweld in ‘no time’ wordt vernietigd. Dat is de tragiek van ons menszijn. Misschien zou wandelen op een filosofenweg en nadenken over het leven een klein beetje kunnen helpen, maar dan moet je daar wel voor open durven staan. 

John Hacking 

25 februari 2022 

de derde dag van de oorlog van Rusland tegen Oekraïne dat lafhartig wordt aangevallen 

bronnen:

Ryōsuke Ohashi, Der Philosophenweg in Kyōyo. Eine Entdeckungsreise durch die japanische Ästhetik, München 2019, (Verlag Karl Alber Freiburg / München, p. 98

Martin Heidegger, Unterwegs zur Sprache, Pfullingen 1986 (Verlag Günther Neske)

Park Brakkenstein Nijmegen Hortus Arcadie: filosofenpad