4.5.1 Landschap van de ziel
Over de ziel is veel geschreven. Het Duitse ‘Seele’ gaat volgens Manuela di Franco, die een handzaam boekje over de ziel heeft geschreven, etymologisch terug op ‘See’ met de betekenis ‘tot de zee behorend’.(1) Verwezen wordt naar de Germaanse literatuur waar werd aangenomen dat de zielen van de ongeborenen en de doden in het water woonden.
Plato probeert ten aanzien van de ziel o.a. verschillende vragen te beantwoorden rond de goddelijkheid en de menselijkheid ervan, de dimensie van het streven en verlangen, de begeerten, de inhoud van de ziel, de ziel en het lichaam, de wedergeboorte van de ziel en de eenheid van die ziel. Aristoteles wijdt er op geheel eigen wijze een tekst aan en na hem komen vele volgers.(2) In de teksten van Plotinus speelt de ziel een bijzondere rol.(3) Hij besteed heel veel gedachten aan de ziel in relatie tot het lichaam, de relatie tot de kosmos en de ‘wedergeboorte’ van een ziel in een lichaam.(4) De ziel wordt beschreven als onsterfelijk. Plotinus als neoplatonist heeft veel filosofen en theologen na hem beïnvloed. Tot in het werk van moderne filosofen is die invloed terug te vinden. Ook het woordenboek van fenomenologische begrippen besteedt er aandacht aan.(5) Ik maak hier slechts een heel kleine selectie uit de berg gegevens en vooral ook opvattingen over de ziel. Ik stel het bestaan van de ziel niet ter discussie. Net als het Niets is de ziel voor mij een werkelijkheid waartoe wij ons kunnen verhouden en vormt zij onderdeel van onze werkelijkheid. Of ze daarmee ook op een empirisch controleerbare wijze existeert laat ik helemaal in het midden. De vraag eigenlijk naar deze vorm van bestaan vind ik eigenlijk niet echt relevant. Dat is hetzelfde als vragen naar het bestaan van de Geest van God, of naar het bestaan van God zelf. Ik loop mee aan de hand van filosofen en dichters. Kerngegeven hiervoor is de gedachte die ook in Goethe terug is te vinden en die o.a. van Plotinus stamt:
Wär’ nicht das Auge sonnenhaft,
die Sonne könnt’ es nie erblicken;
Läg’ nicht in uns des Gottes eigne Kraft,
wie könnt’ uns Göttliches entzücken?(6)
De tekst komt uit het opschrift in een bundeltje, in het Duits (Gothisch), uitgegeven midden in de oorlog in 1941. Ik kreeg dit boekje toen ik meehielp in de tuin samen met mijn vader die tuinwerkzaamheden verrichte bij mensen in Schin op Geul. Ik was twaalf en het vertalen van de tekst viel niet mee. De bundel wordt zonder commentaar, zonder inleiding en uitleiding gepresenteerd. Het sprak toen waarschijnlijk voor zich: Goethe, de Duitse grootheid. Deze vier regels van dit vers hebben mij daarna mijn hele leven niet meer losgelaten. In de eindigheid van mijn bestaan, in mijn ziel, is de oneindigheid van de Oneindige, van het goddelijke, van God, op de een of andere wijze ervaarbaar. Waarom? Omdat de Oneindige die mogelijkheid in het eindige heeft gelegd. Omdat het eindige voortkomt uit het oneindige, de Oneindige. In die zin kan ik mij helemaal verenigen met de gedachten van Manshi Kiyozawa.
Levinas drukt zich wat moeilijker uit als hij verwijst naar het spreken van God waarin ik mij kan aangesproken voelen, zelfs voordat in woorden is uitgedrukt wat er bedoeld wordt of dat ik mij verantwoordelijk moet voelen voor de ander die een beroep op mij doet. De Oneindige spreekt tot mij (Zegging) voordat het woord klinkt (Gezegde):
“Dat deze betekenis van de Zegging zonder Gezegde de betekenis volheid zelve is van de betekenis, de-een-voor-de-ander—dat is niet iets armzaligs dat de Zegging heeft gekregen in ruil voor de onbegrensde, bestendige en toch zo bewonderenswaardig beweeglijke rijkdom van het Gezegde van onze boeken en onze overleveringen, onze wetenschappen en onze dichtkunst, onze godsdiensten en onze gesprekken -het is geen ruilhandeltje waar wij ingevlogen zijn. De liefkozing uit liefde, altijd hetzelfde per slot van rekening (voor wie in berekeningen denkt) is altijd anders en gaat mateloos over de schreef in de liederen, de gedichten en de ontboezemingen waarin zij zich uitspreekt op zoveel onder-scheiden wijzen en in zovele thema’s waarin zij zich lijkt te vergeten. Zoals Jehuda Halévi heeft gezegd: met zijn eeuwig woord ‘spreekt God tot ieder mens in het bijzonder’.”(7)
AM REIZORT. Stromstösse,
Impulse, grotesk,
doch alles.
Leitfähig jedes
eingeschlichene Amen,
aber wer hört
sein eigenes Ohr?
Schnürringe sinnen
dem offnen Quadrat nach:
denn es
menscht
die kontraktile
Monade.
Paul Celan(8)
Het probleem is vaak dat wij (ook in ons geloof en ons gedrag) niet vanuit de bijbelse verhalen leven en werken maar met de verhalen, ernaast – erover, alsof al die woorden ééns gezegd zijn en de tijdsafstand tussen toen en nu onoverbrugbaar lijkt te zijn geworden. Misschien wordt in de kloosters waar men contemplatief probeert te leven, dit in het verhaal zijn, door bijvoorbeeld in de psalmen te leven, nog het best benaderd.
Maar hoe zit het met onze ziel, als God daarin zijn ‘afdruk’ heeft achtergelaten, als wij ‘goddelijks’ kunnen herkennen, gevoelig zijn voor het sacrale, geraakt kunnen worden door het ‘oneindige’, de Oneindige? De filosoof Gottfried Wilhelm Leibniz is ervan overtuigd dat Plato gelijk heeft als deze de basis voor de herkenning van de ‘ideeën’ in de ziel plaatst. Hij schrijft in zijn Metaphysische Abhandlung (paragraaf 26):
“Ich glaube, daß diese Qualität unserer Seele, sofern sie eine Natur, eine Form oder ein Wesen ausdrückt, eigentlich die Idee des Dinges ist, die in uns ist und allezeit in uns ist, mögen wir nun an sie denken oder nicht. Unsere Seele drückt nämlich Gott und das Universum und alle Wesen ebensogut aus wie alle Existenzen. Das stimmt mit unseren Prinzipien überein, denn auf natürliche Weise tritt nichts von außen in unseren Geist ein, und es ist eine üble Gewohnheit zu denken, unsere Seele empfinge irgendwelche Arten von Botschaften und hätte Türen und Fenster. Wir haben alle diese Formen, und das sogar jederzeit, im Geiste, weil der Geist stets alle seine zukünftigen Gedanken ausdrückt und bereits in undeutlicher Weise an alles denkt, was er jemals deutlich denken wird. Nichts kann uns gelehrt werden, von dem wir nicht schon im Geiste eine Idee hätten, die gleichsam die Materie ist, woraus sich dieser Gedanke bildet. Plato hat das ausgezeichnet betrachtet, als er seine Lehre von der Wiedererinnerung vorbrachte, die sehr gefestigt ist, wenn man sie nur richtig nimmt, sie vom Irrtum der Präexistenz reinigt und sich nicht einbildet, die Seele müsse schon andere Male deutlich gewußt und gedacht haben, was sie jetzt lernt und denkt. (…) Das zeigt, daß unsere Seele das alles virtuell weiß, daß sie zur Erkenntnis der Wahrheiten nur der Aufmerksamkeit bedarf und daß sie infolgedessen zumindest diejenigen Ideen hat, von denen diese Wahrheiten abhängen. Man kann sogar sagen, daß sie diese Wahrheiten schon besitzt, wenn man sie als Bezüge der Ideen nimmt.”(9)
Leibniz is het minder met Aristoteles eens die uitgaat van een ‘tabula rasa’, een ziel die bij de geboorte leeg is en die dan door het leven zelf met indrukken wordt gevormd.(10) Leibniz staat in een lange traditie als hij de metafoor van het licht gebruikt om de werkzaamheid van God in onze ziel te beschrijven. In paragraaf 28 schrijft hij:
“Nun gibt es im strengen Sinne der metaphysischen Wahrheit keine äußere, auf uns einwirkende Ursache, Gott allein ausgenommen; und er kommuniziert mit uns unmittelbar, kraft unserer kontinuierlichen Abhängigkeit. Daraus folgt, daß es keinen anderen äußeren Gegenstand gibt, der unsere Seele berührt und unmittelbar unsere Perzeption erregt. Auch haben wir in unserer Seele die Ideen aller Dinge nur kraft der immerwährenden Einwirkung Gottes auf uns, d.h. weil jede Wirkung ihre Ursache ausdrückt, und weil so das Wesen unserer Seele ein gewisser Ausdruck, eine Nachahmung, oder ein Bild des göttlichen Wesens, Denkens und Willens und aller darin enthaltenen Ideen ist. Man kann also sagen, daß allein Gott der unmittelbare Gegenstand außer uns ist, und daß wir alle Dinge durch ihn sehen. Wenn wir beispielsweise die Sonne und die Sterne sehen, so ist es Gott, der uns ihre Ideen gegeben hat und sie in uns bewahrt, der uns durch seine gewöhnliche Mitwirkung dazu bestimmt, tatsächlich an sie zu denken in der Zeit, da unsere Sinne den von ihm aufgestellten Gesetzen gemäß in gewisser Weise dazu disponiert sind. Gott ist die Sonne und das Licht der Seelen, lumen illuminans omnem hominem venientem in hunc mundum (Das Licht, das jeden Menschen erleuchtet, der in diese Welt komt), und dieser Ansicht ist man nicht erst seit heute. Ich erinnere mich, schon wiederholt darauf hingewiesen zu haben, daß nach der Heiligen Schrift und den Kirchenvätern, die stets mehr für Platon als für Aristoteles waren, zur Zeit der Scholastiker manche geglaubt haben, Gott sei das Licht der Seele und – ihrer Ausdrucksweise entsprechend – intellectus agens animae rationalis (Der tätige Intellekt der vernunftbegabten Seele). Die Averroisten haben diesen Sinn verkehrt, andere aber, darunter – wie ich glaube – Wilhelm von St. Amour und mehrere mystische Theologen, haben es in einer Weise verstanden, die Gottes würdig und geeignet ist, die Seele zur Erkenntnis ihres Guten zu erheben.”(11)
In Die Prinzipien der Philosophie oder die Monadologie noemt Leibniz de ziel een monade. De monade is een (ondeelbare) vorm van substantie (of zijn). Verschillende eenvoudige monaden vormen samengestelde complexe substanties. In de ogen van Leibniz zijn deze monaden de atomen van de natuur, of de elementen van de dingen. Ze zijn er voor eeuwig en kunnen niet vergaan. Ze zijn in een klap door de schepping ontstaan en slechts door (goddelijke) vernietiging vergaan. Elke monade is verschillend van alle anderen want in de natuur bestaan geen twee ‘zijnden’ die volkomen gelijk zijn aan elkaar. Elke monade is voortdurend aan verandering onderhevig en wel op basis van een innerlijk principe (want voor een uiterlijke oorzaak voor verandering is de monade niet gevoelig). Leibniz noemt de verandering het gevolg van het steeds veranderen van de percepties (Perzeption), van de ene perceptie naar de andere en dat noemt hij ‘Strebung’(appetitus).(12) Niet altijd lukt de bevrediging van dit streven, maar steeds vinden er nieuwe percepties plaats.(13) Percepties zijn hier iets anders dan de zintuigelijke bewuste waarneming en het oordelen, zij vormen de voorwaarde voor de bewuste waarneming en de oordelen, zij gaan eraan vooraf. Leibniz noemt alle eenvoudige substanties of geschapen monaden entelechiën, omdat ze een zekere volkomenheid hebben en ze hebben ook een zekere autarkie of zelfgenoegzaamheid wat hen tot de bron maakt van hun handelingen en daarom ook tot onlichamelijke automaten.(14) Hij stelt:
“Kommen wir überein, Seelen alles dasjenige zu nennen, dem in obenerklärtem Sinne die Fähigkeit des Vorstellens und Begehrens zukommt, so sind alle einfachen Substanzen oder geschaffenen Monaden Seelen. Allein da Empfindung schon etwas mehr ist, als eine bloße Perception schlechtweg, so bin ich der Meinung, für diejenigen einfachen Substanzen, welchen nur die letztere zukommt, reiche der Name: Monade oder Entelechie hin, und die Bezeichnung: Seele (âme) solle für diejenigen vorbehalten werden, deren Vorstellungen deutlicher und vom Erinnerungsvermögen begleitet sind.”(15)
“Der Körper einer Monade, dessen Entelechie oder Seele sie ist, macht mit dieser Entelechie dasjenige aus, was man ein lebendes Wesen (vivant) nennen kann, mit einer Seele verbunden jedoch dasjenige, was wir ein Thier (animal) nennen wollen. Der Körper eines Lebendigen sowohl als der eines Thieres ist immer organisch, denn jede Monade ist in ihrer Art ein Spiegel des Universums; und weil dieses selbst nach einer vollkommenen Ordnung eingerichtet ist, so folgt, daß auch in den auf dasselbe bezüglichen Vorstellungen der Seele, folglich auch im Körper, als dem Mittel, mit Hilfe dessen die Seele das Universum sich vorstellt, eine solche herrschen müsse.”(16)
De werkzaamheid van God heeft van het lichaam een levend wezen, een goddelijke machine gemaakt, of zoiets als een natuurlijke automaat, die alle andere kunstmatige automaten ver overtreft. Deze natuurlijke machines zijn in hun kleinste deel nog machine (monades).(17)
Zo weerspiegelt elke ziel het universum, elke monade, als natuurlijke machine de scheppingskracht van God die dit universum heeft ingericht. Dit spiegelaspect was ook al bij Meister Eckhart een thema, hij schrijft in Von der Ueberfahrt zur Gottheit:
“Wie die Sonne scheint, so sieht das Auge; dann ist das Auge in der Sonne, und die Sonne im Auge. Wohlauf, mein Freund, nun merke, was ich meine, denn ich traue mich kaum, meine Meinung zu schreiben oder zu reden, weil in den Personen die göttliche Natur ein Spiegel ist, wohin nie Sprache kommt. Soweit sich die Seele über die Sprache erheben kann, so weit macht sie sich dem Spiegel gleich. In dem Spiegel sammelt sich nur Gleiches.”(18)
De monade (afgeleid van het Griekse monos, monas, dat wil zeggen een) van Leibniz heeft veel gesprekstof onder filosofen opgeleverd, maar nu is het een voor velen tegenwoordig achterhaald concept dat vooral het principe van de entelechie
(doelgerichtheid) (Aristoteles) van de substanties (of het zijn) en het idee van het kleinste deel (het atoom) en het wezen van de ziel (Plato) en de inwerking van God hierop met elkaar op een erudiete manier wilde verenigen.
Gesang der Frauen an den Dichter
Sieh, wie sich alles auftut: so sind wir;
denn wir sind nichts als solche Seligkeit.
Was Blut und Dunkel war in einem Tier,
das wuchs in uns zur Seele an und schreit
als Seele weiter. Und es schreit nach dir.
Du freilich nimmst es nur in dein Gesicht,
als sei es Landschaft: sanft und ohne Gier.
Und darum meinen wir, du bist es nicht,
nach dem es schreit. Und doch, bist du nicht der,
an den wir uns ganz ohne Rest verlören?
Und werden wir in irgendeinem mehr?
Mit uns geht das Unendliche vorbei.
Du aber sei, du Mund, daß wir es hören,
du aber, du Uns-Sagender: du sei.
Rainer Maria Rilke(19)
François Cheng zegt in de eerste brief van zeven aan een teruggevonden vriendin: “Ich schreibe das Wort “Seele” âme, ich spreche es still in mir, und ich atme eine frische Brise. Die klangliche Verwandtschaft lässt mich Aum hören, ein Wort, mit dem im indischen Denken der Ur-Hauch bezeichnet wird. Sofort fühle ich mich dem Ur-Begehren verbunden, durch das das Universum erschienen ist. Ich finde im Innersten meines Wesen etwas vor, das sich mir offenbart und das ich seit langem verlegt hatte, das vertraute Gefühl einer tatsächlichen Einzigartigkeit und einer möglicher Einheit.”(20)
Het Franse woord âme komt van het latijnse anima dat levensadem betekent. Het verwijst ook naar het scheppingsverhaal waar God de levensadem in de neus van de eerste mens blaast. Nadat in Genesis 1,2 de Geest van God (Hebr. Ruach; Grieks: pneuma) over het water van de oerchaos zweeft, brengt de geest van God als adem (des levens) (Hebr. nesjama) de mens tot leven in Gen 2,7 :”En JHWH Elohiem had de mens geformeerd uit het stof van de aarde (Hebr. adama) en in zijn neusgaten geblazen de adem van het leven (Hebr. nischmat chaijim) en zo werd de mens tot een levende ziel (Hebr. Nefesch chaja).”
Vijf namen voor leven-geest-adem-levensadem-ziel worden er in het Hebreeuws genoemd die met elkaar samenhangen, waarin de betekenissen verschuiven en die in verschillende contexten soms een andere betekenis hebben, ik noem slechts enkele betekenissen hier:
Nefesj = bloed, leven.
Roeach = (omdat) de ziel als de wind (is), roe-ach (vroeger opgevat als klanknabootsende naam voor wind), opstijgt en daalt.
Nesjama = adem, ademhaling.
Chajja = dat wat in leven blijft, of dat wat het leven aan de ledematen en organen geeft.
Jechida = de enige – de ziel is zonder partner (twee ogen-twee oren, enz.). In de talloze commentaren in de Talmoed wordt hier uitgebreid over gesproken maar het voert te ver hier om hier nader op in te gaan.
Cheng citeert Hildegard von Bingen die het lichaam de werkplaats van de ziel noemt. Maar het is niet goed om de ziel te idealiseren zo Cheng want binnen in de ziel huist ook een afgrond, waar de ziel alle tragische omstandigheden en ervaringen op zich neemt. Ze is echter in staat om al deze negatieve ervaringen van lijden en dood te doorstaan omdat ze in staat is tot aan het goddelijke te reiken.(21) Bewust en onbewust is ze echter ook in staat om complexe relaties met het kwaad (das Böse) aan te gaan. Vandaar ook de beschrijving van Plato in Phaedrus van een ziel die naar het goddelijke en die naar het aardse getrokken kan worden en die de prijs betaalt voor haar gedrag. Dat doet ook denken aan de metafoor van de engel op de ene schouder en de duivel op de andere.
In China stamt het beeld van de ziel uit het Daoisme. De menselijke ziel die door de Oer-adem tot leven is gekomen heeft een hoger en een lager deel, een hemels deel (hun) en een aards deel (po). Zolang de mens leeft, zo Cheng, geven hun en po samen de mens de mogelijkheid om in harmonie met de aarde te leven en is er tegelijk een opening naar de sfeer die ruimte en tijd transcendeert. Dat is dan de ideale toestand. Maar hun kan getroffen worden door verwarring en po door zedeloosheid. In het uiterste geval van de ontkenning van het leven voert hun-po tot vernietiging. Bij de dood keren als de mens goed heeft geleefd po terug naar de aarde en hun naar de hemel. In het huidige Chinees heet ziel ling-hun waarbij ling vertaald wordt met wezen van de ziel.(22) Maar ling betekent ook efficiënt zijn. In dit denken is het vanzelfsprekend dat een mens in overeenstemming met zijn goddelijke ziel ook een efficiënt leven kan leiden. Shou-ling betekent de wacht houden bij een dode, letterlijk zielenwacht. Cheng verwijst ook naar de indische wijsheid naar het begrip atman dat we al eerder zijn tegengekomen. Vanuit deze visie zijn wij een verzameling van een ‘ewigen Wesenheit’ atman, die er al was voor onze geboorte en die zal bestaan na onze geboorte. Het boeddhisme bevraagt deze gedachte in de persoon van Boeddha Shakyamun op een zeer radikale wijze door het zelf te ontkennen, als leer van de anatman.(23) We hebben hier eerder al op gewezen maar ik citeer de gedachten va Cheng om te illustreren op hoeveel wijzen je over de ziel kunt nadenken en hoeveel invloed dit idee heeft in de verschillende culturen en godsdiensten. Straks in de paragraaf over het lege landschap zal dit nog in de gedaante van de opvattingen vanuit het Zenboeddhisme nader worden geïllustreerd. Deze paragraaf sluit ik af met een aantal grote fragmenten uit een preek van Meister Eckhart waarin hij uitlegt hoe God geboren wordt en kan worden in de ziel. De preek draagt de titel
UBI EST, QUI NATUS EST REX IUDAEORUM? (MATTHEUS 2, 2), (Waar is het waar de koning van de Joden is geboren?). Deze vraag vormt de aanleiding om een verhandeling te houden over de ziel en hoe God hierin werkt. Ik geef de overweging grotendeels weer omdat zo goed zichtbaar wordt hoe Eckhart deze Godsgeboorte voor zich ziet:
“God is in alle dingen wezenlijk, werkend, weldadig. Maar alleen in de ziel is Hij barend, want alle schepselen zijn een voetstap van God, doch de ziel is van nature Gods evenbeeld. Door die geboorte moet dit beeld verfraaid en voltooid worden. Voor dat werk en die geboorte is niets wat geschapen is ontvankelijk, behalve de ziel. Werkelijk waar, wat er aan volmaaktheid moet komen in de ziel, hetzij goddelijk licht of genade en zaligheid, dat alles kan alleen maar door middel van deze geboorte in de ziel komen en op geen enkele andere manier. Sta enkel open voor deze geboorte in je, dan vind je al het goede en alle troost, alle gelukzaligheid, al het zijn en alle waarheid. Laat je dat na, dan laat je je al het goede en alle zaligheid ontgaan.
Wat met die geboorte in je komt, brengt je louter zijn en vastigheid, maar wat je daarbuiten zoekt en je toe-eigent, dat vergaat, wat je ook neemt. Enkel die geboorte geeft zijn, alle het andere vergaat. In die geboorte krijg je deel aan de goddelijke instroom en aan al de gaven daarvan. (…)
Het is eigen aan die geboorte dat zij steeds met een nieuw licht gebeurt. Ze brengt steeds groot licht in de ziel, want het ligt in de aard van de goedheid dat ze zich moet uitstorten waar ze ook is. In deze geboorte stort God zich met een zodanig licht in de ziel uit, dat dit licht in het zijn en in de grond van de ziel zo groot wordt, dat het zich naar buiten werpt en overstroomt in de krachten en ook in de uiterlijke mens.
Zoiets overkwam ook Paulus, toen God hem onderweg met Zijn licht aanraakte en tot hem sprak; een overeenkomstig licht verscheen hem uiterlijk, zodat zijn reisgenoten het zagen, en het omving hem zoals de zaligen. De overvloed van licht dat in de grond van de ziel is, stroomt over in het lichaam en dat wordt daardoor vol helderheid. Een zondaar nu kan dat niet ontvangen en is het niet waardig, want hij is vervuld van zonde en boosheid, wat men duisternis noemt.
Daarom staat er: ‘De duisternis ontvangt en begrijpt het licht niet.’ Dat komt omdat de wegen waarlangs het licht naar binnen moet gaan overladen en versperd zijn door valsheid en duisternis, want licht en duisternis kunnen niet samen bestaan, noch God en geschapenheid: wil God ingaan, moet tegelijkertijd het geschapene uitgaan. Dit licht wordt de mens heel goed gewaar.
Zodra hij zich tot God wendt, fonkelt en glanst in hem een licht en geeft hem te kennen wat hij moet doen of laten, met veel goede aanwijzingen waarvan hij tevoren niets wist of begreep. ‘Hoe weet je dat?’ Kijk, let nu op. Je hart wordt dikwijls zo aangeraakt dat het zich van de wereld afkeert. Waar zou dat anders door gebeuren dan door die lichtinval? Die is zo teer en verrukkelijk dat alles wat niet God of goddelijk is je tegenstaat. Die lokt je naar God en je wordt veel goede aansporingen gewaar en je weet niet waar die voor jou vandaan komen. (…)
Augustinus zegt: ‘Er zijn er velen die licht en waarheid hebben gezocht, maar steeds buiten, daar waar ze niet waren. Daarom komen zij tenslotte zo ver naar buiten, dat ze nooit meer thuis en naar binnen komen. En daarom hebben ze de waarheid niet gevonden; want de waarheid is innerlijk in de grond en niet buiten.’ Wie nu licht en inzicht in alle waarheid wil vinden, die moet openstaan en oog hebben voor die geboorte in hem en in de grond: dan worden alle krachten verlicht en de uiterlijke mens bovendien. Want zodra God de grond inwendig aanraakt met de waarheid, werpt het licht zich in de krachten en is de mens soms tot veel meer in staat dan iemand hem ooit zou kunnen leren. Zo zegt de profeet: ‘Ik heb meer begrepen dan allen die me ooit onderwezen.’ Kijk, omdat dit licht niet kan schijnen en stralen in de zondaar, is het onmogelijk dat die geboorte in hem kan plaats vinden. (…)
Elk schepsel handelt met het oog op een einddoel. Dat einddoel komt in de opzet steeds op de eerste plaats en in de handeling op de laatste. Op vergelijkbare wijze beoogt God in al Zijn handelen een heel zalig einddoel: zichzelf, namelijk om de ziel met al haar krachten in het einddoel te brengen, dat is: in zichzelf. Met het oog daarop verricht God al Zijn werken, met het oog daarop baart de Vader Zijn Zoon in de ziel, opdat alle krachten van de ziel in dat einddoel aankomen. Hij kijkt uit naar alles wat in de ziel is en nodigt dat uit voor het gastvrije onthaal aan Zijn hof. Nu heeft de ziel zich uitwendig opgedeeld en verspreid in krachten die elk hun eigen werk hebben: het gezichtsvermogen in het oog, het gehoorvermogen in het oor, het smaakvermogen in de tong; en daarom zijn haar krachten voor het innerlijke werk des te zwakker, want elke opgedeelde kracht is onvolkomen.
Wil zij daarom haar innerlijke werk met kracht doen, dan moet zij al haar krachten weer thuis roepen en hen uit alle verspreidheden bijeenzamelen tot een inwendig werk. Augustinus zegt dat de ziel meer daar is waar zij liefheeft dan waar zij aan het lichaam leven schenkt. (…)
De zaligen aanschouwen in God één beeld en in dat beeld onderkennen zij alle dingen, ja, God zelf schouwt op die wijze in zichzelf en onderkent in zichzelf alle dingen. Hij hoeft zich niet van het ene naar het andere te wenden, zoals wij dat moeten. Zou het in dit leven zo zijn dat we aldoor een spiegel voor ons hadden waarin we in één ogenblik alle dingen zouden zien en onderkennen in één beeld, dan zou ons werken en weten geen hindernis vormen. Maar omdat we ons nu van het ene naar het andere moeten wenden, kan het niet anders dan dat voor ons het ene een beletsel vormt voor het andere. Want de ziel is zo helemaal aan de krachten gebonden, dat zij met hen meestroomt waar zij heen stromen, en in al hun verrichtingen moet de ziel aanwezig zijn en met aandacht, anders kunnen zij met hun verrichtingen helemaal niets bereiken. Vloeit zij dan met haar aandacht weg in uiterlijke verrichtingen, dan kan het niet anders of zij is innerlijk des te zwakker voor haar inwendige werk, want voor deze geboorte moet en wil God een lege, onbekommerde, vrije ziel hebben, waarin niets anders is dan Hij alleen en die niets en niemand verwacht dan Hem alleen. Dat bedoelde Christus toen Hij zei: ‘Wie iets anders liefheeft dan Mij en voor vader en moeder en veel andere dingen grote liefde voelt, die is Mij niet waard. Ik ben niet op aarde gekomen om vrede te brengen, maar het zwaard, opdat Ik alle dingen afsnijd en afsnijd de broer, het kind, de moeder, de vriend, die waarlijk jouw vijanden zijn.’ Want wat je vertrouwd is, is in feite je vijand. Wil je oog alle dingen zien en je oor alle dingen horen en je hart alle dingen bedenken, werkelijk, dan kan het niet anders of je ziel wordt in al die dingen verstrooid.
Daarom zegt een leermeester: Wanneer de mens een inwendig werk wil verrichten, dan moet hij al zijn krachten naar binnen halen, als het ware in een hoekje van zijn ziel, en zich voor elk beeld en elke vorm verbergen, en daar kan hij zijn werk doen. Daar moet hij komen tot een vergeten en een niet-weten.’ Het moet zijn in een stilte en in een zwijgen dat dit woord gehoord wil worden. Men kan dit woord niet beter tegemoetkomen dan met stilte en met zwijgen: daar kan men het horen en daar verstaat men het op de juiste manier, in het onweten. Waar men niet weet, daar bewijst en openbaart het zich. (…)
…elke goddelijke gave verruimt de ontvankelijkheid voor en het verlangen naar een nog grootsere gave. En daarom zeggen sommige leermeesters dat de ziel daarin aan God gelijkwaardig is. Want even mateloos als God is in het geven, is ook de ziel mateloos in het aannemen of ontvangen. En even almachtig als God is in Zijn werk, even afgrondelijk is de ziel in het ondergaan, en daarom wordt zij met God en in God om- en overgevormd. God moet werken en de ziel moet ondergaan, Hij moet zichzelf in haar onderkennen en liefhebben, zij moet onderkennen met Zijn kennen en moet liefhebben met Zijn liefde, en daarom is zij veel zaliger met het Zijne dan met het hare, en zo is ook haar zaligheid meer gelegen in Zijn werken dan in het hare.”(24)
UNTERRICHT
Jeder der geht
belehrt uns ein wenig
über uns selber.
Kostbarster Unterricht
an den Sterbebetten.
Alle Spiegel so klar
wie ein See nach einem grossen Regen,
ehe der dunstige Tag
die Bilder wieder verwischt.
Nur einmal sterben sie für uns, nie wieder.
Was wüssten wir je über sie?
Ohne die sicheren Waagen,
auf die wir gelegt sind,
wenn wir verlassen werden.
Diese Waagen, ohne die nichts
sein Gewicht hat.
Wir, deren Worte sich verfehlen,
wir vergessen es.
Und sie?
Sie können die Lehre
Nicht wiederholen.
Dein Tod oder meiner der nächste Unterricht:
so hell, so deutlich,
dass es gleich dunkel wird.
Hilde Domin(25)
Dit is een deel uit mijn essay: God in de leegte. Het hele essay is te lezen (eventueel te koop) (en te downloaden) op:

Noten:
1 Manuela di Franco, Die Seele. Begriffe, Bilder und Mythen, Stuttgart 2009, (Reclam), p. 40
2 Vgl. Aristoteles, de ziel. Vertaling, inleiding, aantekeningen Ben Schomakers, Leende 2000 (Damon); Meister Eckehart, Vom Wunder der Seele. Eine Auswahl aus den Traktaten und Predigten, Stuttgart 1979 (Reclam); René Descartes, Die Passionen der Seele, Hamburg 2014 (Felix Meiner Verlag) Peter Sloterdijk, Thomas Macho, Weltrevolution der Seele. Ein Lese – und Arbeitsbuch der Gnosis von der Spätantike bis zur Gegenwart, Zürich 1993 (Artemis und Winkler); J. Grunert, (Hrsg), Körperbild und Selbstverständnis. Psychoanalytische Beiträge zur Leib-Seele-Einheit, München 1977 (Kindler); François Cheng, Über die Schönheit der Seele. Sieben Briefe an eine wiedergefundene Freundin, München 2018, (C.H. Beck); Peter Strasser, Die Sprengkraft des Humanismus. Ein Beitrag zur Politik der Seele, München 2020, (Verlag Karl Alber Freiburg / München); Franz Josef Wetz, Philophische Körperbilder. Der menschliche Körper: Ebenbild Gottes oder Kerker der Seele in; Unser Körper zwischen Ich und Welt, Der blaue Reiter – journal für Philosophie Ausgabe 26 (2/2008) Stuttgart (Omega Verlag) p. 6-12; der blaue reiter. Journal für Philosophie. 41. Ausgabe – 2018, Die Seele im digitalen Zeitalter.
3 Plotinus, Enneaden. Porphyrius, Het leven van Plotinus, vertaald en ingeleid door Rein Ferwerda, Budel 2005, (Damon)
4 Vgl. Ibid., Deel IV van de Enneaden is grotendeels aan de ziel gewijd, pp. 421-558
5 Vgl. Helmuth Vetter, (Hrsg.), Wörterbuch der phänomenologische Begriffe. Unter Mitarbeit von Klaus Ebner und Ulrike Kadi herausgegeben von Helmuth Vetter, Hamburg 2005, (Felix Meiner Verlag), p. 479
6 Johann Wolfgang von Goethe, Das Göttliche. Gedichte, Potsdam 1941, (Rütten & Loening Verlag), p. 8
7 Emmanuel Levinas, Anders dan zijn of het wezen voorbij, Baarn 1991 (Ambo), pp. 259-260
8 Paul Celan, Die Gedichte aus dem Nachlass, Ibid., p. 191
9 Leibniz. Ausgewählt und vorgestellt von Thomas Leinkauf, München 1996, (Diederichs), p.177-178
10 Ibid., p. 178: “27. Aristoteles hat unsere Seele lieber mit noch leeren Täfelchen verglichen, auf denen Platz zum Schreiben ist, und er hat behauptet, nichts sei in unserem Verstände, was nicht von den Sinnen komme. Dies paßt eher zu populären Begriffen, wie das ja die Art des Aristoteles ist, während Plato mehr in die Tiefe geht.”
11 Ibid., pp. 179-180
12 Vgl. Ibid., pp. 407-409
13 Vgl. Perceptie bij Leibniz, Ibid., p. 446: Leibniz setzt Perzeptionen einer lebendigen Substanz von den Wahrnehmungen und Urteilen einer beseelten un intelligenten Substanz ab; erstere sind Voraussetzung der gleichsam das Material der letzteren, sie drücken das spezielle Sein, das Leibniz als individuelle Substanz oder Monade begreift, also den ontologischen Bezug des Einzelnen zum Universum, aus ( siehe Monadologie nr. 14, S. 408-409 ). Diese hingegen können, im Unterschied zur apriorischen und Gott gegründeten Wirklichkeits-Konformität der Perzeptionen, irren. Da in Wahrnehmungen vor allem aber in Urteilen über Verhältnisse zwischen Dingen und über das Verhältnis der Dinge zum Subjekt und Urteilenden entschieden wird, treten hier die Kriterien wahr und falsch allererst auf. Perzeptionen vollziehen sich einfach und setzen ausschliesslich die Unversehrtheit und die Präsenz des natürlichen Wahrnehmungsvermögens voraus. Die gerade auch vor-bewusste durchgängige >Herstellung von Perzeptionen< ist systematische Voraussetzung dessen, was Leibniz Spiegelung des Universums in der Einzelsubstanz nennt. Denken ist letztlich nichts anderes als das aktive Distinkt-Machen dieser konfusen Totalrepräsentation; vgl. Metaphysische Abhandlung nr. 14 Ende, S. 164 und nr. 26, hier S. 177-178; Brief an de Volder, hier S. 311-312; Theodizee Teil 111 nr. 356, hier S. 389-390.
14 Vgl. Ibid., pp. 409-410
15 19. Wenn man alles, was in dem dargelegten allgemeinen Sinne Vorstellungen und Begehrungstriebe hat, Seele nennen will, so könnten alle erschaffenen einfachen Substanzen oder Monaden Seelen genannt werden. Da aber der Gedanke etwas mehr als eine einfache Vorstellung ist, so bin ich einverstanden, daß der Gemeinname Monade oder Entelechie die einfachen Substanzen bezeichne, die nur einfache Vorstellungen haben, und daß man nur die einfachen Substanzen Seelen nenne, deren Vorstellen deutlicher und mit Erinnerung verbunden ist. Internet: Gutenberg.org (geraadpleegd 1 februari 2022: https://www.projekt-gutenberg.org/leibniz/kl-schri/chap015.html Vgl. ook Leibniz, Ibid., p. 410
16 63. Der einer Monade, die seine Entelechie oder Seele ist, angehörende Körper bildet mit der Entelechie das, was man ein Lebendiges nennen kann, und mit der Seele das, was man ein Tier nennt. Dieser Körper eines Lebendigen oder eines Tiers ist aber immer organisch, denn da jede Monade nach ihrer Weise ein Spiegel des Universums und das Universum in vollkommener Ordnung geregelt ist, so muß es auch eine Ordnung in dem Vorstellenden geben, d. h. in den Vorstellungen der Seele und folglich auch im Körper, nach welchem das Universum in der Seele vorgestellt wird. Internet: Gutenberg.org, Ibid; Vgl. ook Leibniz, Ibid., p. 418
17 Vgl. Leibniz, Ibid., p. 419
18 Meister Eckharts mystische Schriften. Berlin 1903, p. 191 )bron: Internet geraadpleegd 1 februari 2022: Zeno.org: http://www.zeno.org/nid/20009222774)
19 Rainer Maria Rilke, Neue Gedichte, Ibid., p. 354
20 François Cheng, Über die Schönheit der Seele. Sieben Briefe an eine wiedergefundene Freundin, München 2018, (C.H. Beck), p. 19
21 Vgl. Ibid., p. 50
22 Vgl. Ibd., pp. 53-54
23 Vgl. Ibid., pp. 55-56
24 bron: Meister Eckhart, Over God wil ik zwijgen II. Preken, Vertaald door C.O. Jellema, Groningen 2001 (Historische uitgeverij), pp. 39-47
25 Geciteerd in: Jean Greisch, Hermeneutiek der Endlichkeit und Hermeneutiek der Transzendenz, in Sirovátka, Jakub, (Hg.), Endlichkeit und Transzendenz. Perspektiven einer Grundbeziehung, Hamburg 2010, (Felix Meiner Verlag), pp. 185-210, p. 205
