Het meerstemmig zelf in de computermaatschappij

 

In The Saturated self (1991) van Kenneth Gergen wordt de mogelijkheid van het tegelijkertijd onderhouden van contacten met een toenemend aantal personen, groepen en verbanden besproken. Hubert Hermans gaat in zijn boek Dialoog en misverstand (Soest 2006) daar verder op in, ik citeer:

“De moderne mens bevindt zich in een steeds fluctuerende veelheid van incoherente en onsamenhangende relaties die hem in ontelbare richtingen ‘uiteen trekken’. als gevolg van deze flux van relaties wordt het rolrepertoire aanzienlijk uitgebreid. Het aantal rollen en de variatie ervan nemen zodanig toe dat het zelf een punt bereikt van ‘sociale verzadiging’. In overeenstemming met de poststructuralisten trekt Gergen de eenheid van het zelf in twijfel. Door de sterk centraliserende krachten die op het zelf inwerken, verliest het zijn eenheid en coherentie. Daarbij verwijst de auteur naar de bekende uitspraak van de dichter William B. Yates: ‘ The Center does not hold.’ Doordat het zelf in uiteenlopende richtingen uiteen getrokken wordt, wordt het centrum of de kern ervan opgelost. Dit resulteert in een toestand die Gergen beschrijft als multiphrenia, een proces van ‘splitting of self into a multiplicity of self-investments’ en als een proces van toenemende fragmentatie. Hij voegt er overigens aan toe dat men dit niet moet zien als een ‘ziekte’ maar als een historisch bepaald verschijnsel. Tevens benadrukt hij dat de fragmentering van het zelf niet noodzakelijk negatief ervaren wordt. Het kan ook een avontuur betekenen en zelfs een spel.” (pag. 24)

Voor Hermans is de postmoderne mens een andere dan de moderne en de premoderne. In de premoderne tijd wordt de mens en het zelf gezien als deel van een groter geheel en gaat hij hierin op. In de moderne tijd wint hij aan autonomie en wordt de individualiteit benadrukt. In de postmoderne tijd wordt het idee losgelaten te mens te zien als een geheel, of te beschrijven ‘uit één stuk’. Hermans hierover: “In plaats daarvan rijst het beeld van een pastice personality, een sociale kameleon die voortdurend stukjes identiteit aan elkaar legt en dat doet op een grillige en ongeordende wijze. Dit persoonlijkheidstype is het best te typeren in de woorden ontleend aan de Arabische poëet Sami Ma’ari: ‘Identities are highly complex, tension filled,, contradictionary, and inconsistent entities. Only the one who claims to have a simple, definite, and clear-cut identity has an identity problem.’ (pag. 25) Het zelf in deze postmoderne samenleving is dan ook volgens Hermans een typische netwerker, iemand met veel contacten, bepaald ook door deze netwerken van sociale relaties. Decentralisatie is een toverwoord om de positie van het postmoderne zelf te beschrijven, overal en nergens zijn, overal tegelijk en overal maar half of virtueel.

 

Hermans beschrijft vier opvattingen van het zelf, waarbij hij het premoderne zelf beschrijft als cyclisch, een terugkerende cyclus in de tijd en in de beleving van de mens (feesten, jaargetijden, religie), het moderne zelf als lineair, waarbij rationele doelen worden gesteld, een toename van het calculeren, het zelf doen en de rationalisering, het postmoderne zelf als centrifugaal, een beweging weg van het middelpunt van het zelf als identiteit en als vaststaande grootheid, en tenslotte het dialogale zelf als een combinatie van centrifugaal en centripetaal omdat dit zelf in staat is om een balans te bewaren tussen beide krachten. Het zelf heen en weer gerukt tussen de wereld en datgene wat het zelf is en nodig heeft, het zelf naar buiten en naar binnen gericht, krijgt in deze laatste omschrijving van dialogaliteit pas echt een fundament dat het verdient. Daarmee is een basis gelegd voor de dialoog in het zelf en de dialoog als kenmerk van het zelf in relatie met de wereld en met zichzelf. Het zelf is dus in gesprek, heeft meerdere stemmen en kan op meer wijzen van zich doen horen. Het zelf is dus een meerstemmig zelf. Hermans zegt hier verder over: “Er bestaat geen messcherpe grens tussen zelf en niet-zelf. Er is eerder sprake van een vloeiende overgang. Het zelf is geëxtensiviseerd naar de omgeving: belangrijke personen en objecten zijn in hun subjectieve betekenis deel van het zelf. Het komt voor dat het zelf zich van zichzelf distantieert of zelfs als een ‘vreemde’ ervaren wordt. Omgekeerd komt het voor dat belangrijke anderen als meer ik-nabij ervaren worden dan het zelf ten opzichte van zichzelf. Deze observaties stellen een scherp onderscheid tussen zelf en niet-zelf ter discussie.” (pag. 105)

 

Hermans neemt daarmee ook stelling tegen psychologische opvattingen die het zelf voorstellen als een autonome en individuele eenheid die scherp onderscheiden kan worden van andere zelven en niet-zelven. Ook neemt hij daarmee stelling tegen de idee dat het zelf de baas is in eigen keuken alsof andere zelven er niet toe doen en alsof alles onder controle gehouden kan worden. Het zelf wordt door Hermans breed ervaren als mogelijkheid om te communiceren met zichzelf en van daaruit ook met anderen die deel uit kunnen maken van het zelf als belangrijke ander of als opponent. In hoeverre snijdt deze theorie van het dialogale zelf nu hout? Is het empirisch aantoonbaar dat het zelf, als het zelf al aantoonbaar is, meervoudig en meerstemmig spreekt en van zichzelf getuigt? Ik laat het antwoord op deze vraag achterwege want ik weet het niet. Ik ga voor het gemak maar even uit van het bestaan van het zelf in welke vorm dan ook. Hartmut Rosa stelt in zijn boek ‘Beschleunigung. Die Veränderung der Zeitstrukturen in der Moderne’ (Frankfurt am Main 2005) dat tijdwaarnemingen en de horizon waartegen men de tijd ervaart in een samenleving in hoge mate cultuurbepaald zijn. Tijd is dus geen eenduidig begrip en de ervaring van tijd is dat evenmin. Hoe zit het dan met het zelf en de zelfinvulling tegen de achtergrond van de tijd als het zelf afhankelijk is van een zeker gevoel van continuïteit en voortgang van de tijd (cyclisch, lineair, apocalyptisch, of nog anders?) als dat cultuurbepaald is? Zijn er dan verschillende ervaringen van het zelf afhankelijk van de tijdservaring? Hebben verschillende culturen een ander zelfbeeld dat niet meteen in een tijdsdimensie te vangen is omdat de tijdsdimensie relatief is? Of zit de tijdsdimensie en de ervaring van tijd vastgebakken aan een bepaalde cultuur en historische periode zoals boven door Hermans geschilderd wordt in de premoderne, de moderne en de postmoderne tijd? Hermans heeft het strikte genomen over de westerse ontwikkeling. Dus zijn zelf is een westers zelf. Omdat tijd kan verschillen in de beleving verschillen ook de beelden met betrekking tot verleden en toekomst, en tot het heden, aldus Rosa. Herhaling van het zelfde als tijdservaring, de ervaring van een open toekomst, een nooit tot een einde komen, een steeds nieuw begin, de relatie tussen levenstempo en dit tijdsbeeld, de relatie tussen levensinvulling en tijdsbewustzijn, het doorbrengen van de tijd, het invullen van de tijd, de verkorten of verlangzamen van de tijd, het zijn allemaal aspecten die invloed hebben op het zelf en de zelfbeleving. In welke tijd leeft het zelf? In de persoonlijke tijd, de alledaagse tijd van het hier en nu? In de tijd van een land en een geschiedenis, in een groepsgekleurde tijd, de tijd van een organisatie? Welke tijdsdimensie is het meest gezond voor het zelf? Welke tijd doet het meeste recht aan het zelf en zijn verlangens? Hoe bepaalt het lichaam de tijdsbeleving van het zelf en bepaalt het lichaam het regime? In hoeverre vallen tijd en ruimtebeleving samen of wijken ze van elkaar af? Is tijd wel te ervaren zonder ruimte? Rosa onderzoekt de moderne variant van de ervaring van een steeds sneller gaande tijd en stoot daarbij op tal van problemen. Niet alleen van definitorische aard, maar ook meer fundamenteel en existentieël. Ook dit probleem laat ik hier rusten want het maakt het nog minder eenvoudiger om over het zelf te spreken. Bij Hermans wordt de beleving van de tijd niet geoperationaliseerd en bij Rosa wordt het zelf niet geoperationaliseerd. Ik breng ze in deze tekst even bij elkaar omdat ze licht werpen op het fenomeen zelf en het fenomeen tijd vanuit hun eigen vooronderstellingen.

 

Ik heb voor het gemak maar even aangenomen dat het zelf bestaat en dat de tijdservaring van het zelf gevolgen heeft voor het zelfverstaan. Maar wat vindt er dan nu plaats nu de tijd in de ervaring van velen in een soort van stroomversnelling beland schijnt te zijn en dat velen het gevoel hebben dat alles sneller gaat. De technische ontwikkelingen hebben niet alleen voor dit gevoel van versnelling gezorgd, zij hebben misschien ook wel ten dele een vervreemdend effect op de beleving van de tijd en van het zelf. Een voorbeeld komt uit de Japanse samenleving die steeds individualistischer aan het worden is, een ontwikkeling die haaks staat op de oorspronkelijke invulling van de samenleving. Er komen steeds meer Japanners die volledig afhankelijk worden van de moderne techniek: een waterkoker die de dochter van een bejaarde een sms stuurt omdat de waterkoker nog niet is gebruikt en dus de bejaarde geen thee heeft gezet. De ijskast die laat weten dat de bewoner nog niet gegeten heeft, de stofzuiger die ‘verongelijkt’ meedeelt deze week nog niet in actie te zijn gekomen. Het kan en het is mogelijk dat de machines laten weten aan de gebruikers hoe de stand van zaken is. Over niet al te lange tijd zullen onze woonhuizen voorzien zijn van technische snufjes en computergestuurde beeldschermen, ijskasten, toiletpotten, grasmaaiers, stofzuigers, robots die eieren bakken, of magnetrons die zelfstandig koken. Niet wij zijn dan de beheerders en bestuurders, de gebruikers en de aan-stuurders van het materiaal. Nee wij leven dan in de computer. De computer is onze biotoop geworden. Natuur ervaren wordt misschien onbetaalbaar omdat aan teveel voorwaarden moet worden voldoen en die tijd en het geld ervoor wordt steeds minder. Het beeldscherm en de geur-capsule, de auditieve suggesties en bijbehorende temperatuur nemen de plaats in van de ervaring van een boswandeling. Je hoeft er je deur niet meer voor uit. Hoe zal het zelf zich dan gaan ontwikkelen en wat blijft er over van de meerstemmigheid die boven even aan de orde kwam. Meerstemmigheid als vorm van aanpassing, als adaptie aan anderen en aan nieuwe situaties. Past het zelf zich zo aan dat het zelf gedeeltelijk een virtueel zelf wordt? Virtueel gekoppeld aan de computer en daardoor gevoed? Dan lijkt het stadium waarin het zelf nu verkeert hopeloos verouderd, zoals wij nu ten aanzien van een maatschappij van Neanderthalers. Als het zelf gekoppeld wordt aan de virtuele wereld kan dat betekenen dat het nog meer dan nu het geval is gesynchroniseerd wordt, het valt eigenlijk samen met andere zelven want die hebben dezelfde lichamelijke behoeftes. En als die lichamelijke dimensie kleiner en kleiner wordt, zullen de zelven helemaal opgaan in de computer en bestaat de mens zoals wij die nu kennen niet meer. Is het een kwestie van tijd voordat het zover is? Een gekoppeld zelf aan de computer, een zelf dat in de computer woont en er deel van uit gaat maken, dat biedt ongekende mogelijkheden voor controle en beheersing van al die zelven door de (virtuele) overheid. Wie gaat dan de baas spelen? Of zijn we dat stadium dan allang voorbij en bestaat er zoiets als een collectief geheugen en collectief wereldbrein dat zoveel rekenkracht bezit dat het telkens de situatie op basis van opgeslagen ervaringen, dus informatie, kan inschatten en aanpassen? De aarde als een grote wereldbol die in feite een soort ruimteschip is geworden waarop de mensheid, of wat er nog van over is, ronddrijft in het melkwegstelsel, aangestuurd door machines (wat dan een scheldwoord is geworden) met een collectievere (en dus hogere?) intelligentie?

Hebben we een stem in het kapittel? Is er nog een kapittel of zijn we dat stadium al lang voorbij? Democratie per computerknop is oncontroleerbaar geworden, de hoeveelheid en de snelheid van wisselende informatie is onbevatbaar geworden voor het menselijk brein zoals dat nu bestaat. Dus als we greep willen houden moeten we wel worden aangesloten maar als we worden aangesloten verliezen we ons laatste stukje zelf. Dat gevaar lijkt me levensgroot en ook het dilemma waarin wij ons nu bevinden als mensheid in relatie tot de nieuwe ontwikkelingen. Is dit een negatief scenario met een negatief mensbeeld, cq computerbeeld? Hoever is het zelf bereid te gaan in het opgeven van zijn autonomie die toch al onder vuur ligt en nauwelijks een echte autonomie is? En is het zelf niet een illusie van het zelf die het daarom makkelijk kan inruilen voor de illusie van almacht? Weliswaar verbonden aan de computer, maar toch? Geluk uit de muur? Geluk uit de virtuele mogelijkheden van het systeem? Geluk uit de brein-stimulatie die de computer ons toedient? We zullen zien, horen en vooral voelen.

 

John Hacking

19 juni 2011

 

 

 

Een gedachte over “Het meerstemmig zelf in de computermaatschappij

  1. Nu nog een zelf, morgen een wens, overmorgen een machine zonder dat we zelf nog weten: paradise lost wordt paradise regained

    Like

Reacties zijn gesloten.