Jheronimus Bosch ‘den duivelmakere’

Jheronimus Bosch ‘den duivelmakere’

Op 9 augustus 2016 is het precies 500 jaar geleden dat Jheronimus Bosch op ongeveer 66 jarige leeftijd overleed in zijn stad Den Bosch waar hij zijn artiestennaam aan ontleende. Er zijn niet zoveel werken meer over van zijn hand en over veel werk bestaat discussie of het wel van hem is. Bekend is ook dat hij een schilderende broer en knechten had, die werkzaam waren in zijn atelier. Veel schilderijen zijn dan misschien ook wel door meerdere mensen gemaakt en/of bewerkt. Maar hoe het ook zij, dat is niet meer te achterhalen. Er bestaat een tekening met de titel: ‘Het woud heeft oren, het veld heeft ogen’, met een waarschijnlijk door Bosch eigenhandig geschreven tekst die luidt: Miserimi quippe est ingenii semper uti inventis et numquam inveniendis (Het is toch eigen aan een allerellendigste geest steeds maar gebruik te maken van clichés en nooit van eigen vondsten) (bron: https://nl.wikipedia.org/wiki/Het_woud_heeft_oren,_het_veld_heeft_ogen)

Eigen vondsten, ‘inventio’, het uitvinden van steeds nieuwe wezens en situaties, daar was Bosch goed in. Dat werd zijn handelsmerk. Monsters en duivels bevolken de panelen van Jheronimus Bosch. Het houdt niet op. Overal waar je kijkt zie je ze tevoorschijn kruipen, uit holen en gaten en in de hellepanelen vervullen ze de rol van beulsknecht en folteraar. Diverse instrumenten worden ingezet om mensen te kwellen en te doden. De Apocalyps schijnt te zijn aangebroken en de hel is een feit. Op alle triptieken staat de hel aan de rechterkant, einde van de reis, einde van de tocht door het leven waarin de verkeerde keuzes zijn gemaakt. Straf, vuur en kwelling zijn het resultaat en Christus blijft met lege handen zitten, de hemelen blijven leeg want de hel zit overvol. Dat is het beeld dat Bosch ons voorhoudt: velen zijn op weg naar de hel en velen smaken de bittere vruchten van hun handelen.

Voor ons is dit natuurlijk heel middeleeuws. De hel, daar kunnen de meesten niets meer mee en het vagevuur is ook al zo’n uitvinding uit een ver verleden. Maar met het verdwijnen of ontkennen van de hel is ook de hemel als het ware afgeschaft. Maar stel nou dat hel en hemel enkel vrome voorstellingen zijn, beelden van een op hol geslagen fantasie van de kunstenaar, slaat het werk van Bosch dan nergens op? Met andere woorden, hebben de schilderijen nog op de een of andere wijze een realiteitsgehalte? Opvallend is de ruimte waarin de schilder zijn verhaal vertelt. Links, het linker paneel, bevat vaker het begin van de schepping, een Adam en Eva aan de hand van God, dan een middenpaneel en vervolgens de hel als rechterpaneel. Ik vermoed dat veel werk ook een religieuze bestemming had en diende ter overdenking van het leven en de eigen zonden. Particulieren kochten het en ook kerken namen delen op in hun collectie. Dit ter lering van het gelovige volk. Maar er is dus een verhaal dat links begint en rechts eindigt. En wij, wij bevinden ons als toeschouwers en als deelgenoot in het midden, het middenpaneel is tot ons gericht want het gaat over ons.

Bosch schept dan wel fantastische fabelwezens en gruwelijke taferelen, zijn voorstellingen zijn niet zonder betekenis. Hij vertelt een verhaal, hij stelt de hypocrisie van zijn tijd aan de kaak, hij laat zien waar de wereldlijke verleidingen toe lijden. Sterk komt dit in beeld bij de kluizenaars zoals de Heilige Antonius en de Heilige Hiëronymus. Zij moeten worstelen om stand te houden in een wereld vol van, ik noem het maar, ‘satanesque’ monsters en figuren, verleidingen van allerlei aard. De ruimte waarin wij als mensen onze weg moeten vinden is vol gevaren en vol moeilijkheden. Als we niet deugdzaam leven, als wij ons laten verlokken wacht een helse straf. De mensen op en achter de hooiwagen bijvoorbeeld beseffen niet dat de route richting afgrond gaat, het eindpunt van het leven en het begin van de hel. Jes 40,6-7 maakt ervan gewag dat wij zijn als gras en ik citeer: “een rijmdicht ‘Van den hopper hoeys’ (Over de hooimijt), afkomstig uit het in de jaren 1460 geschreven Geraardsbergse handschrift komt het meest overeen met het Hooiwagen-drieluik van Bosch. De eerste twee strofen van dit gedicht luiden:

De vader god van hemelrijke
Heeft dit eerdsche goet ghegheven
Recht eenen hopper hoeys ghelike
Dat wy daer op souden leven
Alle ende niement uut ghescreven
Maer het maect te vele vernoys
Dat hi onghedeelt es bleven
Desen goeden hopper hoys

Uut siner groter miltheden
Gaf hi den hopper al gheheel
Om ons te nutten met minnelicheden
Sonder kijf ofte crackeel
Maer elc wils een groot partseel
Vlaminc duutsche ende franchoeys
Elc hadde gheerne tmeeste deel
Van den goeden hopper hoys

(God de vader in de hemel heeft dit aardse goed gegeven, dat te vergelijken is met een hooimijt, waar wij van zouden moeten leven, allemaal en niemand uitgezonderd. Maar het veroorzaakt te veel leed dat zij onverdeeld is gebleven, deze hooimijt. Door zijn grote mildheid gaf Hij deze hooimijt helemaal aan ons om er vreedzaam van te genieten, zonder ruzie of gekrakeel. Maar iedereen wil een grote portie: Vlaming, Duitser en Fransman. Ieder wil graag het beste deel van de goede hooimijt)” Einde citaat. bron: https://nl.wikipedia.org/wiki/Hooiwagen-drieluik

Ik vind het een fascinerend beeld dat Bosch laat zien dat wij ons streven naar gelukzaligheid op deze aarde verwarren met het bevredigen van onze verlangens en het najagen van wind. Want dat zijn al die aardse en wereldlijke verlokkingen, ze leiden alleen tot de hel. En hooi staat symbool hiervoor. Wij zijn als stromannen, vogelverschrikkers opgesteld in het veld, de Hollow men, uit het gedicht van T.S. Eliot, “headpiece filled with straw”. In de tekening ‘Het woud heeft oren en het veld heeft ogen’ verwijst het woud misschien ook naar Bosch zelf. Net zoals Anselm Kiefer houten ruimtes schildert betimmert met “Kieferholz” , een verwijzing naar zijn naam. Bosch als waarnemer van de wereld en de wellustige mens en die er het zijne over denkt. Hij hoort en ziet en geeft weer. Op zijn eigen spitsvondige en humoristische wijze maar niet zonder een zeker sarcasme. En overal de uil die toekijkt, kompaan van de duivel volgens sommige interpreten. In mijn ogen heeft hij nog niets van zijn actualiteit verloren en de tentoonstelling die nu in Den Bosch is te zien mag je daarom zeker niet missen.

http://jheronimusbosch.ntr.nl/

http://boschexpo.hetnoordbrabantsmuseum.nl/nl

John Hacking

9 februari 2016

The_Woods_that_Hears_and_Sees_Bosch