Een God afwezig

Een God afwezig

God is dood, de God die eeuwenlang de gedachten van velen heeft gekleurd is dood. Dat volgens Friedrich Nietzsche, die deze dood triomfalistisch aankondigde in zijn profetisch getinte “Alzo sprach Zarathustra”. Nietzsche voert als Zarathustra een dansje uit met God, een God die er niet meer is, die overbodig is geworden. Die leegte wordt opgevuld door de mens zelf, zijn onverzettelijke wil, zijn scheppende wil die bovenmenselijke krachten heeft: een “Übermenschlicher Wille”. Maar is dat genoeg, is dat voldoende om de leegte te vullen die een verdwenen God achterlaat? Is het genoeg, ook al is deze God een veronderstelling, een product van het denken, beladen met aftandse en archetypische beelden, of met andere woorden kan de mens die ruimte vullen zodat aan elk verlangen wordt beantwoord?

Nietzsche beschrijft zijn nieuwe leer, de woorden van Zarathustra, als sap van de vijgen, vijgen die in de herfst van de bomen vallen en openbarsten: “Die Feigen fallen von den Bäumen, sie sind gut und süss; und indem sie fallen, reisst ihnen die rothe Haut. Ein Nordwind bin ich reifen Feigen. Also, gleich Feigen, fallen euch diese Lehren zu, meine Freunde: nun trinkt ihren Saft und ihr süsses Fleisch! Herbst ist es umher und reiner Himmel und Nachmittag. Seht, welche Fülle ist um uns! Und aus dem Überflusse heraus ist es schön hinaus zu blicken auf ferne Meere.  Einst sagte man Gott, wenn man auf ferne Meere blickte; nun aber lehrte ich euch  sagen: Übermensch. Gott ist eine Muthmaassung; aber ich will, dass euer Muthmaassen nicht weiter reiche, als euer schaffender Wille. Könntet ihr einen Gott schaffen? – So schweigt mir doch von allen Göttern! Wohl aber könntet ihr den Übermenschen schaffen. Nicht ihr vielleicht selber, meine Brüder! Aber zu Vätern und Vorfahren könntet ihr euch umschaffen des Übermenschen: und Diess sei euer bestes Schaffen! –  Gott ist eine Muthmaassung: aber ich will, dass euer Muthmaassen begrenzt sei in der Denkbarkeit. Könntet ihr einen Gott denken? – Aber diess bedeute euch Wille zur Wahrheit, dass Alles verwandelt werde in Menschen – Denkbares, Menschen – Sichtbares,  Menschen – Fühlbares! Eure eignen Sinne sollt ihr zu Ende denken! Und was ihr Welt nanntet, das soll erst von euch geschaffen werden: eure Vernunft, euer Bild, euer Wille, eure Liebe soll es selber werden! Und wahrlich, zu eurer Seligkeit, ihr Erkennenden! Und wie wolltet ihr das Leben ertragen ohne diese Hoffnung, ihr Erkennenden? Weder in’s Unbegreifliche dürftet ihr eingeboren sein, noch in’s Unvernünftige. Aber dass ich euch ganz mein Herz offenbare, ihr Freunde: wenn es Götter gäbe, wie hielte ich’s aus, kein Gott zu sein! Also giebt es keine Götter.“

Met een God kan Nietzsche geen genoegen nemen, hoe zou hij het kunnen uithouden naast, onder een God? Nietzsche maakt zich zelf als Zarathustra tot maatstaf, want God en de goden hebben de beloftes niet vervuld? Hoe zouden ze ook kunnen als ze zo machteloos zijn, zo product van menselijk denken en menselijk verlangen? God is geschapen naar de menselijke maat en die God wordt door Nietzsche afgedankt. Hij wordt bij het grof vuil van de geschiedenis geplaatst. De gevolgen zijn tot op de dag van vandaag merkbaar. Want met het badwater is ook het kind weggegooid. Daar zitten we dan met een hoofd vol woorden, beelden, gedachten en we slagen er niet in te reiken naar een God die verder, dieper, onbekender is, meer heteronoom en sacraal, dan de beschreven, van bijbelse beelden bekende God. God onkenbaar, onbereikbaar, onmetelijk, oneindig, eeuwig en ontoegankelijk. Een God buiten en boven alle beelden en verwachtingen, een God in het niets, een niets als God, de leegte vol van God. Deze radicale stap is nodig, God identificeren met het Niets, de Leegte, om ons te ontdoen van alle beelden en beeldspraak. Als beelden inzetten op identiteit, op het laten samenvallen van beeld, begrip en veronderstelde werkelijkheid, hebben we een afgod in handen. Meer niet. Een leugengod, een leugen want onze beelden, onze begrippen vallen niet samen met de werkelijkheid. Nietzsche is een tragische profeet: hij valt in de afgrond die hij zelf heeft helpen scheppen. Zijn Übermensch is niet en kan niet het antwoord zijn op de leegte, hoe hoog hij ook kan stijgen. De dood haalt hem in, de dood maakt voorgoed een einde aan alle streven, aan alle denken en wilskracht, aan alle beelden en begrippen die in worden ingezet om te scheppen.

Ein Wort

 

Ein Wort, ein Satz-: Aus Chiffern steigen

erkanntes Leben, jäher Sinn,

die Sonne steht, die Sphären schweigen

und alles ballt sich zu ihm hin.

Ein Wort- ein Glanz, ein Flug, ein Feuer,

ein Flammenwurf, ein Sternenstrich -,

und wieder Dunkel, ungeheuer,

im leeren Raum um Welt und Ich.

Gottfried Benn

 

Dat is wat wij mensen in handen hebben: een woord, het woord, waarmee wij de wereld scheppen, waarmee we zin en betekenis aan ons leven geven en waarmee we ons leven gestalte geven. Een woord in een lege ruimte – een leegte die noodzaak is, opdat de woorden niet over elkaar heen buitelen, samenvallen en daardoor elkaar elke zin en elke betekenis ontnemen. Alle letters op elkaar, alle woorden en zinnen in een kluwen, dat is een inktvlek op papier. De leegte maakt betekenis pas mogelijk. Zo is het ook met God. Dat is mijn vermoeden. Waarom is God bij Nietzsche gestorven? Omwille van zijn betrokkenheid op de mens, omwille van zijn (door Nietzsche christelijk ingevulde en geduide) liefde voor de mens. Nietzsche zegt: Also sprach der Teufel einst zu mir: “auch Gott hat seine Hölle: das ist seine Liebe zu den Menschen.” Und jüngst hörte ich ihn diess Wort sagen: “Gott ist todt; an seinem Mitleiden mit den Menschen ist Gott gestorben.”

 

Wat moeten we doen met deze afwezigheid?

Wat doet de rivier met dit water:

inslikken kan zij niet.

Wat doen wij met deze afwezigheid?

Abbâs Baidûn

Wat te doen met een afwezige God, de afwezigheid van God? Hoe kunnen we de leegte verteren, het niets opslokken opdat het geen niets meer is? Nietzsche heeft die poging gedaan door de Übermensch in de plaats van God te laten treden: de bovenmenselijke mens die scheppend door zijn denken en zijn wil de wereld tot aanzien brengt. Maar het was, het is niet genoeg. Geen enkel humanisme, ook niet als bovenmenselijk humanisme is daartoe in staat. Het zou ijdele hoogmoed zijn om dat toch te willen want de dood is onverbiddelijk. De mens is een aporie, een doodlopende weg. Een weg die zo op die wijze niet bij God uitkomt. Hoogstens bij zijn tegenspeler, de dwarsligger, de roet in het eten gooien of in de woorden van de bijbel, de satan, de grote verleider.

Maar de mens is ondanks dat toch een project van hoop. Naar Gods evenbeeld geschapen, zoals de schrift leert. Dat wil zeggen, goddelijk trachten is hem niet vreemd en dat vormt misschien daarom die motivatie om naar Gottähnlichkeit te streven bij alles wat hij onderneemt. Maar daarbij overspeelt hij soms zijn hand. Wordt dan teruggeworpen in het stof. Elke dood is een herinnering hieraan. Elk sterven een pas op de plaats. Elk mens hoe goed, hoe slecht, zal eindigen. En voor de mens geldt dat zijn leven – net als elk ding voor de mens– pas bestaansrecht heeft als het betekenisvol wordt voor zichzelf en voor anderen. Die betekenisvolheid drukken wij uit met het woord. Zin gevat in een woord.

Das Wort

 

Wunder von ferne oder traum

Bracht ich an meines landes saum

Und harrte bis die graue norn

Den namen fand in ihrem born –

Drauf konnt ichs greifen dicht und stark

Nun blüht und glänzt es durch die mark…

Einst langt ich an nach guter fahrt

Mit einem kleinod reich und zart

Sie suchte lang und gab mir kund:

>So schläft hier nichts auf tiefem grund<

Worauf es meiner hand entrann

Und nie mein land den schatz gewann…

So lernt ich traurig den verzicht:

Kein ding sei wo das wort gebricht.

Stefan George

Daar moeten we het mee doen. Met dit woord, met deze in woorden gevatte betekenis en in gebaren uitgedrukte zinvolheid voor elkaar. In onze sterfelijkheid, onze relativiteit, ons kortstondig bestaan op aarde is een God die wij kunnen pakken, omschrijven en onder druk zetten niet genoeg. Dat wordt vanzelf een afgod, een gouden kalf, een manifeste leugen. Maar durven we het aan de plaats van God, zijn ruimte, zijn aanwezigheid, leeg te laten, een open vraag, een duiding zonder einde, zonder bodem, zonder houvast? Durven wij ons te storten in die Leegte, dit Niets? Leegte met een hoofdletter, Niets met een hoofdletter, om aan te geven dat het buiten onze macht ligt – ver verwijderd van onze autonomie? Durven we het aan die afwezigheid Afwezigheid te laten zijn en daarbinnen te handelen opdat een ieder tot zijn recht komt? Misschien is dat wel de allergrootste uitdaging voor ons mensen!

John Hacking

17 november 2017

Nietzsche: http://www.gutenberg.org/cache/epub/7205/pg7205-images.html