Denken en beheersen

“Unser Denken durch das wir das Universum beherrschen lässt uns in jedem Augenblick, in dem wir nicht den beissenden Schmerz der Notwendigkeit spüren, sicut dei sein.

Eva und Adam wollten die Göttlichkeit in der lebenswichtigen Energie suchen. Ein Baum, eine Frucht. Aber sie wird uns auf einem toten, geometrisch zugehauenen Holz dargeboten, an dem ein Leichnam hängt. Das Geheimnis unserer Verwandtschaft mit Gott muss in unserer Sterblichkeit gesucht werden.

Simone Weil – Cahiers/Aufzeichnungen[i]

“Denken ist eine unbegreifliche Beharrlichkeit,

so etwas, wie den Duft der Rose zu erweitern

oder in eine dunkle Seite

Lichtlöcher zu bohren.

Und es ist auch, etwas

in einem törichten Manöver überzusetzen,

von einem unerschütterlich versunkenen Schiff

zu einer schifflosen Navigation.

Denken ist,

auf eine Einsamkeit ohne Rückkehr zu beharren.”

Roberto Juarroz – Vertikale Poesie[ii]

René Descartes bedacht dat het menselijk lichaam behoort tot de werkelijkheid van het “res extensa”, letterlijk: de zaak, of zaken, de dingen, het wezen, de omstandigheid, dat/die uitgebreid zijn, in ruimtelijke zin. Als een tegenover “nulla res”, niets. Maar “res” kan ook verstaan worden als een “ding” in de tijd, namelijk als gebeurtenis, daad, voorval, aangelegenheid, handeling, oorlog. Bijvoorbeeld een “res maior”, een belangrijke gebeurtenis. Tenslotte kan “res” ook een toestand uitdrukken, een verhouding, een lot, een stand van zaken zoals in “res adversare”, tegenspoed. Wat heeft Descartes precies bedoeld als het lichaam plaatst tegenover het “cogito”, het denken van het “ik denk”? We spreken over een dualisme, een tegenstelling maar de beide polen zijn in mijn ogen niet helder of niet goed afgebakend. Zowel het denken als het lichaam blijven onbekende grootheden omdat beiden niet door het denken en ook niet op andere wijze gevat kunnen worden zoals je dat misschien graag via je geest, dus ook denkend, zou willen. Hierin toont zich de enorme kracht en dynamiek van het denken: namelijk het willen begrijpen, grijpen, beheersen, weten. En hierop verder bouwen als een huis op een zeker fundament. Maar het denken kan zichzelf al niet vatten en al helemaal het lichaam niet. Iets denken, het denken denkt altijd iets, zo Edmund Husserl, lost dit probleem niet op. Want ook de inhoud van dit iets blijft “unbestimmt”, onbepaald, niet tot in zijn diepste kern te vatten, welke fenomenologische methode je er ook op loslaat. Ik zou eerder het omgekeerde willen voorstellen: het denken wordt pas mogelijk door en via het lichaam. Het denken losmaken van het lichaam, het een bijzondere plaats geven los van het lichaam is een vorm van imperialisme, van hybris en van totalitair verlangen. Het denken wil de baas spelen en daar komen brokken van. Want niet meer de interpretatie van de werkelijkheid (van het lichaam en de context of van een ander iets) zijn dan uitgangspunt maar het verlangen naar beheersing. Puur machtsstreven dus.

Denken bouwt op betekenisgeving en is betekenisgeving. Maar dat is een continue nooit afgesloten proces dat heen en weer zwenkt tussen de betekenissen, de argumenten, de dynamiek die de werkelijkheid aan de dingen oplegt. De dingen staan nooit op zichzelf, de werkelijkheid, de verzameling van alles wat we kunnen waarnemen, blijft bepalend. En wat we waarnemen en wat daarbuiten valt is lastig af te grenzen vanuit ons lichaam omdat we eenmaal beperkte waarnemingsorganen hebben. Wat beiden teksten aan het begin boven aan de pagina duidelijk maken is dat denken een categorie van de tijd is en minder van de ruimte. Simone Weil stelt dat wij in ons denken als God kunnen zijn, zo ons kunnen voelen als de druk van de werkelijkheid die dagelijks op ons werkt even weg valt. Maar het echte geheim van onze band met God ligt in onze sterfelijkheid, een proces in de tijd. Denken dat zich God waant bedriegt zichzelf want aan het einde van de rit wacht het graf. Franz Rosenzweig heeft gezegd dat filosofen dát de grootste uitdaging vinden: via hun denken de dood zijn angel uittrekken. Maar het idealisme van Hegel en al de andere filosofische systemen zijn hier tekort geschoten: zij falen in het aangezicht van de dood. Roberto Juarroz maakt duidelijk dat denken een weg inzet die eenzaam is en waarvan geen terugweg mogelijk is: eenmaal aan het denken gezet, gaat de weg onherroepelijk verder in de tijd. Alleen de dood roept het denken een halt toe. Mooi dat er in een mens dergelijke krachten en dergelijke verlangens kunnen optreden die hem op gang helpen en in het ritme van het leven houden. Misschien betekent de uitspraak “de moed verliezen” wel exact hetzelfde als ophouden met denken, met het geven van betekenis. Het leven wordt betekenisloos en elke gedachte is er een teveel of ze leidt nergens toe.

Maar wat is tijd, de tijd, en wat is ruimte, de ruimte? Is tijd een onderdeel van de ruimte of is het omgekeerd? Toen de tijd nog deel was van de ruimte – denk aan de scheppingsdagen – was er nog een eeuwigheid waar de mens deel van uitmaakte. God was ermee begonnen het proces ging verder naar de toekomst: een tijd van verlossing die ons te wachten staat. Nu de ruimte onderdeel is geworden van de tijd is er alleen oneindigheid en dat enkel in wiskundige zin. Want het begin van ons universum is nu bepaald en hoewel de uitkomst niet vaststaat zijn we toch opgenomen in de dynamiek van de tijd of de evolutie als je wilt. We zijn onderdeel geworden van een ontwikkelingsproces en we hebben geen deel meer aan de eeuwigheid. Hemel en hel vallen dus buiten de boot. Er is alleen stof, stof van de sterren en een kringloop van elementen, atomen, krachten. Maar we hoeven ons niet op de borst te kloppen dat we nu iets bereikt hebben, dat we nu zoveel meer weten, zoveel beter op de hoogte zijn dan daarvoor. Want beiden visies blijven clusters van betekenis waarbinnen wij onze weg moeten zien te vinden. En zolang wij mensen onze aarde niet op een menselijke, meer humane wijze kunnen bewonen zonder al dat gruwelijk geweld tegenover elkaar (we zijn tenslotte allemaal lichamen) hapert er nog veel aan ons denken, ons handelen en onze betekenissen. Er is nog een lange weg te gaan.

John Hacking

15 augustus 2014

[i] Weil, S., Cahiers. Aufzeichnungen 4 Bd., München Wien (Carl Hanser Verlag) bd. 2, p. 148

[ii] Juarroz, R., Vertikale Poesie. Poesía Vertical. Werkauswahl, Salzburg und Wien 2005 (Jung und Jung) p. 189