Dank en danken

 

P1030697

Dank en danken

Het was Franz Rosenzweig die in de Stern der Erlösung liet zien hoe het kwam dat hij Jood was en bleef. Een ervaring van liefde, een openbaring van de liefde van God, zoals hij dat noemt was de oorzaak. Toen hij die ervaring in al zijn diepte mocht meemaken stond het voor hem vast en kende hij zijn bestemming. Dat was een persoonlijke ervaring, een ervaring die niet zonder meer generaliseerbaar is. In de Stern beschrijft hij met eenpaar woorden wat hem overkwam maar ook het besef dat wat hij ontving met geen enkele mogelijkheden zou kunnen beantwoorden. Zijn dank zou hij nooit in die mate kunnen tonen, laat staan teruggeven.
Gisteren was ik bij de afscheidsrede van Paul van Tongeren in de Stevenskerk te Nijmegen, waar deze sprak over “denken over danken na de dood van God”. In dit verhaal ging het niet over het wel of niet bestaan van God. Maar wel over een vorm van ongemakkelijkheid, een aarzeling bij het uitspreken van dank voor iets groots en geweldigs, bijvoorbeeld de geboorte van een kind, levensgeluk etc., naar de gever hiervan. De gever in de persoon van God is fragwürdig geworden zeker nadat wij hem bij de mottenballen hebben gezet na de dood van Nietzsche. Dezelfde die deze dood al had aangekondigd en die de verschrikkelijke consequenties daarvan aan den lijve heeft ervaren in denken en leven. Als mensen zweven wij nu vrij rond in de kosmos, zonder houvast, zonder anker, zonder verworteling in een geloof dat ons stuurt en draagt want God die dit alles in gang zou hebben gezet is er niet meer.
Van Tongeren ging in vogelvlucht door de geschiedenis van het begrip dankbaarheid en in zijn boekje dat voor deze gelegenheid werd uitgegeven doet hij dat wat grondiger. De rede was qua tijd natuurlijk erg beperkt. Het liefst zou hij een hele collegereeks hieraan besteed hebben. Wat mij vooral trof was het feit dat hij zelf ook op het einde van zijn verhaal stokte bij het uitspreken van dank, naar vrouw en kinderen toe. Toen werden zijn emoties die daaronder verborgen zaten even zichtbaar. Zijn gevoel kwam aan het licht. Dat wat hij beschreef aan het begin van zijn betoog, de ervaring van dank voelen, van dankbaarheid, en de moeilijkheid of bijna onmogelijkheid om dit in woorden te gieten omdat de adressant ontbreekt of lijkt te ontbreken, of niet meer salonfähig is zoals God, kwam bij hem ook overduidelijk aan het licht terwijl de adressanten, vrouw en kinderen, wel aanwezig waren.
Eugen Rosenstock-Huessy heeft deze aarzeling in de uiting van de taal, het taalspel, de ingehouden stilte, het opnieuw beginnen in een andere variant, een andere grammatica uitgebreid beschreven in zijn werk over de taal. Zodra wij veranderen van grammatica, van persoonsvorm in een gesprek, komt de ziel aan het licht. Deze ietwat cryptische omschrijving veronderstelt dat er een ziel is, en dat die aan het licht kan komen. De ‘moderne’ wetenschap heeft het concept van de ziel net als het concept van God natuurlijk al lang achter zich gelaten maar wil dat dan ook zeggen dat ze gelijk heeft? Wil de aanspraak op autonomie van de mens gebaseerd op ratio, op denken en op reflectie zeggen dat heteronomie in de vorm van een God, in de vorm van liefde van God, noem het maar genade, niet bestaat? Als de mens zijn autonomie verabsoluteert betekent dat dat hij staat te liegen terwijl hij het nog niet eens in de gaten heeft. Het boek Job geeft ons daarin een wijze les. God spreekt Job bestraffend toe en vraagt hem waar hij was toen alles geschapen werd, toen kosmos en universum ontstonden, al die maffe dieren, de golven, de wind en de zee, de sterren en orkanen. Job was daar niet bij en hij was ook niet de Urheber ervan. Wij trouwens ook niet. Los van het feit dat God of een god dit alles voor elkaar zou hebben gebokst blijft staan dat de claim op autonomie zonder acht te slaan op alle heteronomische relaties een gotspe is. Alleen als kind ben volslagen verwikkeld in een heteronomie met je ouders. Als ze je geen melk, geen warmte, geen aandacht, geen lieve zoete woordjes toefluisteren ben je gedoemd te sterven en weg te kwijnen. Hoe haal je het dan in je hoofd als je eenmaal volwassen denkt te zijn geworden te doen alsof de wereld aan je voeten ligt? Alsof jij weet hoe het zit hoe wetenschappelijk je dat ook denkt te kunnen bewijzen.
Paul van Tongeren liet in het laatste deel van zijn verhaal aan de figuur van de drie gratiën zien dat geven niet alleen samenhangt met danken, een soort van teruggeven, maar vooral ook bemiddeld wordt door de derde figuur: het ontvangen. Dit ontvangen van het geschenk veronderstelt een openheid en ontvankelijkheid die de wederkerigheid van geven en danken pas mogelijk maakt en die het danken pas echt tot dankbaarheid maakt. De voorbeelden van dank die geen dankbaarheid is waren prachtig maar die moet je maar nalezen in het boekje zelf. Op Internet is zo ook het een en ander te vinden en een citaat luidt van Karel Jonckheere: “Er zijn mensen die hun dankbaarheid uitsluitend bewijzen door naar uw begrafenis te komen.“
Zoals gezegd, de afscheidsrede ging niet over God als adressant, niet over genade, niet over de ziel, maar waarom zou een filosoof te verlegen moeten zijn om deze fenomenen gekoppeld aan het thema danken voor iets groots en overweldigends niet aan de orde te stellen? Tot aan Nietzsche deed God nog mee in het denken, wel op de achtergrond, als hypothese vaak, maar na hem zou hij dan voorgoed uit het discours verdwenen moeten zijn? Emanuel Levinas heeft het tot zijn levenswerk gemaakt de heteronomie in de relatie tot God, zichtbaar geworden in de relatie tot de ander, de medemens, te thematiseren en bedrijft hij daarom mindere filosofie? Het denken van Levinas is gebouwd op het denken van Franz Rosenzweig, dat zegt hij zelf in “Totaliteit en oneindigheid” een van zijn beroemde boeken. Mijn theologisch anfühlen, mijn intuïtie is hier helemaal door gevormd, ik kan niet anders meer dan ook in deze categorieën denken. Daarbij staat het fenomeen liefde centraal, liefde die je ontvangt en die je kunt geven. Dat gaat alle autonomie te boven en is bij uitstek het bewijs voor de heteronomie die ons leven kleurt en zin geeft. Dank en dankbaarheid zijn daarvan slechts de getuigen die dit ongelofelijk geschenk dat wij hebben ontvangen en dat leven heet, met hun aanwezigheid opfleuren. Als je de adressant dan niet God wilt noemen omdat je een aufgeklärte heiden bent geworden zoals veel hedendaagse atheïsten,a la. Dat moet je dan maar zelf weten. Niet dat ik Paul van Tongeren beschuldig van deze positie, want ik vermoed dat hij diep religieus is gebleven ook al thematiseert hij dat niet filosofisch. Maar ik heb toch sterk het idee dat wij gedragen worden door krachten die veel groter zijn dan onszelf en die Simone Weil al vermoedde toen ze haar werk schreef over zwaartekracht en genade. De zwaartekracht van ons aardse bestaan, de zware dingen in ons leven kunnen we alleen volhouden door de genade, liefde van God en liefde van onze medemens. Hoe zou het anders mogelijk zijn?

John Hacking
12 december 2015

Paul van Tongeren, Dankbaar. Denken over danken na de dood van God. Essay. Zoetermeer 2015 (Klement)

P1030521

2 gedachten over “Dank en danken

Reacties zijn gesloten.