God in het lied (meditatie)

God, in het lied

(een korte meditatie)

Afgelopen zondag gingen de liederen over God. Zoals zo vaak is deze God het thema van een lied. Maar wie is deze God, deze Gij die met zoveel smart en zoveel passie wordt toegezongen. De dichters Oosterhuis en Delver doen een poging deze God te naderen met hun woorden. Poëtische taal, aarzelend, tastend, zoekend. Geen stelligheden, geen definities, geen nadruk alsof er geen alternatieven, geen andere wegen mogelijk zijn. Het is de taal van het gevoel. De taal van het hart. De taal van het verlangen, dat hier doorklinkt. Elk lied op zich is al een overweging waard, elk lied, elk vers, stemt hoopvol, verwachtingsvol, laat een indruk na. De volgorde zoals ik die hier bespreek is dezelfde als in de viering (op twee na die ik hier niet bespreek). De volgorde ook zonder viering laat een bijzondere dynamiek zien die hier aanleiding is voor deze tastende woorden over deze liederen. Over de God die hier ter sprake komt.

Hoor. maar ik kan niet horen want mijn oren dichtgestopt, mijn geest gericht op andere dingen, onrustig, jagend, in stress, bezig met de eisen van alledag. Geen stilte, geen ruimte, geen plek waar Gods woord kan klinken in mijn hart. Chaos, nog aan het begin, geen onderscheiding, geen verschil, alles zwaar als een zwart gat. Zo vangt het eerste lied aan. Niet kunnen, gevolgd door niet willen. Want als ik mijn oren open, moet ik gaan, moet ik gehoor geven aan de stem die klinkt. Maar durf ik dat, durf ik dat risico aan, een nieuwe geboorte, weg uit het graf, weg van de weg die leidt naar de dood? De toon is gezet, wij zijn het die open moeten gaan. Wij zitten op slot, God is er, hij is er altijd al. Hij spreekt, maar kunnen wij horen, willen wij horen, durven wij onze angsten los te laten, ons gevoel van (valse) zekerheden? Een toekomst die ons wacht, maar durven wij die stap te zetten?

 

HOOR MAAR IK KAN NIET

Hoor. Maar ik kan niet horen.

Mijn oren dichtgestopt.

Mijn adem opgekropt.

Mijn hart van leegte zwaar.

Ik ben nog niet geboren.

Ik ben niet ik. Niet waar.

 

Hoor. Maar ik wil niet horen.

Zou ik uw woord verstaan,

ik moest uw wegen gaan,

U volgen hier en nu.

Ik durf niet zijn geboren

en leven toe naar U.

 

Hoor, roept Gij in mijn oren

en jaagt mijn angst uiteen.

O stem door merg en been

verwek mij uit het graf,

uw mens opnieuw geboren

O toekomst, laat niet af.

 

Huub Oosterhuis

 

Het begint te dagen. De duisternis wijkt langzaam, de zwaarte wordt lichter. Woorden klinken. Het ligt nu op ons bordje. Maar waar ben Jij dan, jij God, waar aanwezig. Hier in ons midden, hier bij mijn hart, hier aan de deur van mijn ziel? Jouw woorden klinken en hebben mij wakker gekust. Ik ben nog nauwelijks in staat om ze toe te laten, te luisteren, te horen, diep in mij. Ik heb van Uw verbond gehoord, het is al oud, zeer oud. Een weg om te gaan. Een weg naar Uw Rijk van barmhartigheid en vrede. Een lange weg, een moeizame weg. Onderweg blijven velen achter, terug in het stof. Teleurgesteld, ontmoedigd, verbijsterd, en geslagen. De weerstand is te groot. De woestijn duurt te lang. Een snelle zege is niet binnen handbereik. Niet in een mensenleven lang. De aarde trekt aan ons want aarde is wat zij zijn. Uw naam, kan ons wekken, ons doen dromen, een fluistering in de nacht, een zachte bries in de ochtend, de stilte van ons hart. Niet verdreven door angstige gedachten, kortzichtige ideeën en verlangens. Wij weerstaan de verleidingen, de greep naar macht, het willen beheersen wat we niet kunnen beheersen. Geen afgodendienst, geen gepalaver over onzinnige goden, donkere riten, wegen ten dode.

Mijn ziel is wakker gekust. Mijn ziel weet. Mijn ziel kent Uw vuur want vuur en vuur is mijn ziel. En alles wat ik onderneem wordt erdoor gedragen, vindt er zijn oorsprong. Maar mijn geest is koppig, weerbarstig soms. Wil niet luisteren, is eigenwijs. En zet in op nutteloze zaken. Daarom geestkracht is wat ik nodig heb, levende woorden, klank en vuur, geen echo en rook. Mijn ziel wil drinken, ze wil niet sterven van de dorst. Dicht bij de bron, is het verlangen het grootst. De vervulling nabij.

 

Terzake

Terzake Gij die leeft, geef hier aanwezig

uw eerste woorden, roep ons uit de leegte.

Kome ter sprake uw verbond voor eeuwig

volheid van tijd, uw koninkrijk nabij.

 

Verduister niet uw licht – dat wij ons wanen

diep in de aarde, spoorloos, en ons schamen

hoe wij op hoop van zegen ooit gegaan zijn

achter U aan, tot ver in de woestijn.

 

Onthoud ons niet uw Naam. Laat ons niet over

aan stand van sterren, vloed en maangetover,

aan wat ons hoog omfluistert en doet dromen

dat zou bestaan een andere god dan Gij.

 

Ontneem mij niet het vuur dat Gij gegeven,

Gijzelf mij ingestort hebt, dat ik leven,

met vuur van hartstocht als een mens zou leven

dat ik zou geven liefde, dag en uur.

 

Ga open, Gij die leeft – voor nu en later

kome uw geest, uw stromen levend water.

Geef mij een mond waarmee ik U kan drinken.

Dat niet van dorst ik sterf vlakbij de bron.

 

Deut 4,19

 

Huub Oosterhuis

 

 

De bron brengt mij tot leven, het levende water geeft mij kracht. De hoop is ontvlamt. Gij wacht. Gij wacht een eeuwigheid lang. De tijd is aan Uw zijde. En telkens weer, telkens weer, doen wij een poging, trachten wij u te verstaan. Maar telkens weer zitten onze oren vol gedachten, vol verwachtingen zodat wij niets kunnen horen, niet afgestemd raken. Loslaten, ook onszelf in deze stilte, dat is het geheim. Dan zijn wij open. Kunnen wij horen, horen wij Uw stem, Uw stilte. Als uw stilte dan mag klinken, in ons hart, onze ziel, onze geest, weten wij, ervaren wij waar het over gaat. Wat de kern, de inhoud is van Uw Gestalte. Gij die eeuwig zijt. Gij die raakt aan ons bestaan. Gij die ons tegemoet komt met een woord. Een woord dat wij kunnen verstaan omdat wij wezens zijn van de taal. Wezens van het woord. Wezens van het luisteren, spreken en horen. Eindelijk thuis.

 

Gij wacht op ons

 

Gij wacht op ons totdat wij open gaan voor U.

Wij wachten op uw woord dat ons ontvankelijk maakt.

Stem ons af op uw stem, stem ons af op uw stem,

Op uw stilte.

 

Huub Oosterhuis

 

Maar wij zijn er nog niet. Thuis is een voortdurend wandelen met je God, een onderweg zijn zonder einde. Het thuis van de woning is niet het thuis bij God. Het thuis van de gezelligheid is niet het thuis van de woestijn, de weg om te gaan. Geen steen om je hoofd op te leggen rusten. Vuur drijft voort, vuur drijft aan, vuur zet aan tot bewegen, tot zielenheil. De ziel komt nooit thuis in de wereld. De wereld vergaat. Is vergankelijk. Het huis van hout, van steen, van aarde, breekt af. Stopt en duurt niet voort. Het lichaam van de aarde is eindig als lichaam. Het lichaam van materie, sterrenoud, stort ineen als de tijd rijp is. Dat doet pijn, dat stemt donker. Verdrietig. Chaos vanuit het begin. Ook op het einde. De kringloop is rond, ware er niet het vuur, de liefde, de geestkracht van de Herder der Ziel. Zijn staf en zijn stok zijn ons steun, zijn woord is ons leven, zijn weide onze toekomst. Laat daarom niet varen het werk van Uw handen, de inzet van eeuwen, het woord dat altijd klinkt in de stilte. Bemoedigend woord, veerkrachtig woord, hoopvol woord. Woorden als liefde. Woorden als gestolde, als vloeibare, als geestrijke liefde. Voedend. Blijvend. Houvast voor wat er ook moge gebeuren. Sterk ons hierin. Alleen dat, dat vragen wij: veerkracht.

 

Eerste Stem

 

Eerste stem, Herder der ziel

Gij, Enige, IK-Zal-Er-Zijn,

Ach, hoe is uw naam, Gij die ons schiep?

Hoor ons dan nu en roep ons weg

Uit chaos, ellende en matheid,

Raak onze veerkracht aan,

Raak onze veerkracht aan!

J. Delver

 

 

John Hacking

13 oktober 2016

L1220147