Het leven is een eindeloos vers

De Spaanse dichter Gerado Diego wist het al: “La vida es un único verso interminable”, het leven is een eindeloos vers. Eindeloos en uniek, want herhaling van exact hetzelfde lijkt uitgesloten, zelfs niet in de eeuwigheid. Want niets is gelijk aan zichzelf, er zijn geen twee identieke levens, en zelfs geen twee identieke atomen. Het zal nog wel wat tijd kosten om dat natuurkundig te bewijzen. Elk mens is uniek, elk levend wezen een voorzetting van een eindeloze keten.
Maar dit besef van uniciteit, eindproduct te zijn van een lange, lange weg lijkt niet bij iedereen door te dringen. Velen leven alsof zij zichzelf hebben uitgevonden in plaats van te beseffen dat ze (voorlopig) de eindhalte zijn op deze weg van ontwikkeling. Met de dood van een mens komt aan die mens een einde, een definitief einde. Iets wat miljoenen jaren geleden is begonnen vindt zijn einde bij jou als jij sterft. En als er geen kinderen zijn die voortzetten wat er in jouw aanwezig was, houdt het met jou op. De Spaanse dichter Blas de Otero schreef in een van zijn verzen, een zang, hoe wij kunnen leven in duisternis als we blind zijn voor het licht, doof voor het wonder van ons ontstaan de volgende woorden:

Definitivamente, cantaré para el hombre.
Algún día – después -, alguna noche,
me oirán. Hoy van – vamos – sin rumbo,
sordos de sed, famélicos de oscuro.

Es steht fest, mein Gesang gilt dem Menschen.
Eines Tages – danach – eines Nachts
werden sie mich hören. Heute treiben sie- treiben wir – ziellos,
taub vor Durst, hungrig vor Dunkelheit.

(Deutsch von Gustav Siebenmann)

Zo doelloos en donker kan ons handelen zijn als wij niet beseffen wie wij zijn en waar we vandaan komen, wat er nodig is geweest in de geschiedenis van het leven en de mensheid, opdat wij er zijn zoals we nu zijn. Bewustzijn en zelfbewustzijn zijn de loten aan deze boom, heel lang geleden geplant. Kwam er een god aan te pas, was de oorsprong goddelijk? Wie zal het zeggen? Ons denken is als een geruis van zand, het kan je niet veranderen, het blijft een stemmensalvo terwijl jij, urn, opslagplaats voor het zelf, bewust bent en zelfbewust kunt handelen. Jaimes Siles, een andere Spaanse dichter drukt dit prachtig uit als hij schrijft:

Urna de ti, memoria, el pensamiento
es un rumor de arenas que a ti vuelve
a no ser tú, ni el eco de ti mismo,
sino la sucesión de un cumulo de voces.

Urne deiner selbst, Gedächtnis, das Denken
ist ein Geräusch von Sand, das zu dir wiederkommt,
verändert, auch nicht als Echo deiner selbst,
vielmehr als Nacheinander eines Stimmenkanons.

(Deutsch von Gustav Siebenmann)

In ons denken en handelen draaien we als het ware om onszelf, misschien is dit draaien wel de kern van ons zelfbewustzijn, een rondtollen om een ‘wezen’ dat we veronderstellen maar dat we niet kunnen vastpakken. Misschien is dat wel bedoeld met ‘ziel’ en ‘zieleheil’: het feit dat wij bewust zijn van onszelf, zelfbewust en vandaaruit handelen, denken en ervaren. Misschien gaat met het vergaan van ons lichaam die mogelijkheid ten gronde. De ziel die meesterft met het materiële lichaam, einde van een lang proces.
Maar toen wij ontstonden kwam ook dit zelfbewustzijn tot leven en wie weet of door het lichaam ook niet ‘zielekrachten’ van vorige generaties mee gegeven zijn? Hoe zijn we verbonden, hoe uniek zijn we als we ook product zijn van een biologische en genetische ontwikkeling? Zou de psyche daarvan losstaan? Zou het bewustzijn en het zelfbewustzijn zomaar zijn toegevoegd zonder relatie met deze geschiedenis en deze ontwikkeling?
Kenmerk van een mystiek bewustzijn is de ervaring dat het sacrale in alles ervaarbaar is. Rainer Maria Rilke was zich hiervan bewust en hij wist dat de dood in het leven meegedragen wordt. Maar een bewustzijn wil dit liever niet te direct ervaren want dat betekent ook het einde ervan. Een zelfbewustzijn weet dat de meegedragen dood ook het einde betekent van alles wat was en is ontstaan. Het leven als oneindig vers houdt hier voor jou op. Vandaar ook het vers van Rilke dat Bangnis heet, een dor bos waar de vogel zingt, waar de dood verscholen ligt en opstijgt als de tijd rijp geworden is. Dan komt een vers ten einde en andere verzen klinken verder…voorlopig oneindig, voorlopig zonder einde.

Bangnis

Im welken Walde ist ein Vogelruf,
cer sinnlos scheint in diesem welken Walde.
Und dennoch ruht der runde Vogelruf
in dieser Weile, die ihn schuf,
breit wie ein Himmel auf dem welken Walde.
Gefügig räumt sich alles in den Schrei.
Das ganze Land scheint lautlos drin zu liegen,
der große Wind scheint sich hineinzuschmiegen,
und die Minute, welche weiter will,
ist bleich und still, als ob sie Dinge wüßte,
an denen jeder sterben müßte,
aus ihm herausgestiegen.

Rainer Maria Rilke

 

John Hacking
11 november 2017

Spanische Lyrik des 20. Jahrhunderts. Spanisch/Deutsch. Ausgewählt, kommentiert und herausgegeben von Gustav Siebenmann und José Mauel López, Stuttgart 1985, (Reclam)

http://gutenberg.spiegel.de/buch/das-buch-der-bilder-7360/29

 

IMG_3669