De verleiding van het ogenblik

 

Het onvolkomene is ons enige paradijs

Wallace Stevens

Verbeelding is de macht van de geest over de mogelijkheden der dingen. (…) Het leven is een samenvatting van beweringen over het leven. (…) Een leven dat gebaseerd is op een gezindheid is meer een leven dan een leven zonder gezindheid.

Wallace Stevens

Geestelijk voltooien wij ons nooit, emotioneel voortdurend (poëzie, geluk, hoge bergen, panorama’s). Als we dit onderscheid eenmaal begrepen hebben dat we ons geestelijk of filosofisch nooit als een geheel voelen, dan komen we voorruit en kunnen we van de emotionele heelheid (als kunst  of imaginatief) genieten, de ‘abrupte/plotselinge juistheid’ (van het moment) die ons tot vervoeging staat. 

Peter Watson

Geluk is net zo min een eindtoestand als vervulling. De enige ‘eindtoestand’ is zelfkennis. En hoe deze uitziet hangt er helemaal vanaf wat er in het leven aan voorafging. Daarom blijft ze onvoorspelbaar. Ze evengoed negatief als positief uitvallen. Meer mogen we niet verwachten. 

Peter Watson

Bron citaten:  Peter Watson, Das Zeitalter des Nichts. Eine Ideen- und Kulturgeschichte von Friedrich Nietzsche bis Richard Dawkins, München 2016, (C. Bertelsmann)

 

 

Leven in het moment, in het hier en nu, leven in het ogenblik. Talloos zijn de teksten van auteurs (oud en nieuw) die hierop wijzen, die hiervoor pleiten. Het ogenblik om bij jezelf en bij de dingen te zijn, het ogenblik waarin het ‘echte leven’ zich aan jou openbaart en waarin je dicht bij je diepste zelf bent. Soms is contemplatie, afzondering daarvoor nodig. Je zelf de ruimte en vooral de tijd gunnen om even niets te hoeven, geen verplichtingen, geen afleiding vooral. Een activiteit die bestaat uit niets doen, een pas op de plaats, iets wat heden ten dage steeds moelijker lijkt. Anselm Grün schrijft hierover: 

 

“WAT ZICH ONTTREKT AAN DE TIJD DAT IS VOOR MONNIKEN het geheim van contemplatie: het woord zo te horen dat het onhoorbare daarin doorklinkt, het woord zo te overpeinzen dat alle woorden verstommen, dat de mens wordt vervuld met puur zwijgen, je in de jou geschonken tijd zo te concentreren op het woord van God dat de tijd stilstaat en stopt. Voor mij heeft Friedrich Hölderlin, de raadselachtige dichter die een diep inzicht had in het geheim van God en het geheim van de mens, dat op een niet te overtreffen manier tot uiting gebracht. Hij heeft in zijn gedichten geprobeerd om datgene wat zich onttrekt aan de tijd, in het woord aanwezig te laten zijn. Het woord leidt ons het domein van God binnen, dat alle beelden en woorden en ook alle tijd te boven gaat. In zijn gedicht ‘Mnemosyne’ wil de dichter een pleitbezorger zijn van het goddelijke in deze wereld, van het eeuwige in deze tijd. Hij vat de ervaring van dat wat aan gene zijde van de tijd ligt, samen in de raadselachtige woorden:

Lang is / De Tijd. Maar wat plaatsvindt, is / Het ware. 

Hier beschrijft Hölderlin de paradox dat tijd lang duurt, een lange periode in beslag neemt, langzaam is, dat het ene ogenblik op het andere volgt. Maar midden in de tijd vindt het ware plaats, dat wat aan gene zijde van de tijd ligt, wat de tijd overstijgt. Voor Hölderlin is het de dronkenschap van de liefde, waarin de oorspronkelijke eenheid van het leven kan worden gevoeld en ervaren midden in de gebrokenheid van deze wereld. Maar de ervaring van een dergelijke eenheid is slechts van korte duur. Dichters proberen met hun woorden het eeuwige in het tijdelijke te laten doorbreken. ‘Maar wat blijft, wordt geschonken door dichters,’ zegt Hölderlin. Hölderlin schrijft niet over tijd en eeuwigheid, hij wil veeleer met zijn woorden het tijdloze in deze tijd aanwezig laten zijn. Door over God te denken treed ik ineens zijn werkelijkheid binnen. Door over het fenomeen tijd na te denken proef ik zelf de eeuwigheid, voel ik dat plotseling alles één is: God en mens, hemel en aarde, een woord en een Woordeloos geheim, tijd en eeuwigheid.” Einde citaat. (bron: Anselm Grün, Boek van de levenskunst, Kampen 2003 (Ten Have/Lannoo), pag. 51 )

 

Het ene ogenblik waarin een inzicht doorbreekt, een verbondenheid met wat in jezelf al lang lag te sluimeren, wat je met je meedroeg, maar wat nog niet aan de oppervlakte was getreden. Zo kan ook de ervaring zijn van het sacrale, het numineuze, het goddelijke, kracht uit de hemel, geestkracht van de H. Geest die je dan doorstroomt. Deze formuleringen stammen uit een religieuze traditie, een geschiedenis van doorgeven van waarden en ervaringen die me dierbaar is en die fungeert als bron. Mijn leven lang ben ik geraakt door dit denken, dit proberen te ervaren van het goddelijke in ons eigen materiele leven. De geest die zich tonen kan in het genieten in het moment, de natuur, de wandeling, de vergezichten in het landschap. 

Maar ook hier geldt zoals in het citaat helemaal boven dat het ‘onvolkomene’ de norm is, en dat er slechts ‘emotionele momenten’, ogenblikken in beslag genomen door de emotie, ons de weg wijzen naar een geheel, een ‘Ganzheit’, zoals de Duitsers zo mooi kunnen zeggen, die we in werkelijkheid nooit zullen bereiken. We vangen slechts een glimp op en onze emotie draagt ons, doet ons hopen en verder verlangen. Maar we komen nooit aan. de kortstondigheid proberen we misschien kunstmatig te verlengen door het nemen van verdorvende middelen, het raken in een roes, maar ook die houdt een keer op. Misschien is dat wel een van de redenen voor verslaging aan middelen die een roes veroorzaken. Ze voeden onze hoop, triggeren ons verlangen naar heelheid. Filosofen hebben het thema van het ogenblik in hun denken opgenomen en Martin Heidegger is er, naast vele anderen zoals Søren Kierkegard, Paul Tillich, Ernst Jünger, Carl Schmitt, Rudolf Otto en Ernst Bloch door gegrepen, zo een van zijn biografen Rüdiger Safranski in een lang citaat. Hij schrijft:

 

“Het ogenblik heeft voor Heidegger een eigenaardige pathos. Bedoeld is daarmee namelijk niet de gemeenplaats dat de verstrijkende tijd steeds een tegenwoordigheid, een ogenblikspunt doorloopt. Het ogenblik is niet eenvoudig ‘gegeven’, maar moet ontdekt worden, juist omdat onze gewone verhouding tot de tijd de ogenblikkelijkheid door een leeg of sabiel ‘enzovoort’ afdekt. Ogenblikkelijkheid is geen passief gebeuren, maar een prestatie van het menselijke bestaan, een deugd van de eigenlijkheid. Het ogenblik is niets anders dan de blik van de resoluutheid, waarin de situatie van het handelen volledig opengaat en wordt opengehouden. Zich openstellen voor het ogenblik, en daarmee voor de dwang tot het nemen van een besluit, noemt Heidegger een fundamentele mogelijkheid van de eigenlijke existentie van het bestaan (GA 29/30,224).

Heideggers ontdekking en huldiging van het ogenblik sluit aan bij de koortsachtige nieuwsgierigheid en metafysische experimenteerlust van de jaren twintig. De filosofische ontwerpen van het tijdsgewricht, van Ernst Blochs ‘duister van het geleefde ogenblik’ tot het ‘ogenblik van de beslissing’ van Carl Schmitt, van Ernst Jüngers ‘plotselinge schrik’ tot het kairos van Paul Tillich, hadden net als bij Heidegger allemaal betrekking op het ‘ogenblik’, dat zijn carrière bij Kierkegard begon. 

Het ‘ogenblik’ van Kierkegard is het moment dat God inbreekt in het leven en de enkeling zich geroepen voelt tot het besluit de sprong in het geloof te wagen. Op zo’n ogenblik verliest de historische tijd, die de enkeling sdcheidt van Christus, zijn betekenis. Wie door de boodschap en het verlossingswerk van Christus wordt aangesproken en uitgedaagd, existeert ‘gelijktijdig’ met Christus. De hele culturele traditie, waarin de religie als cultureel bezit en conventionele moraal wordt meegezeuld, verbrandt op dat existentieel verhitte ogenblik. Sinds Kierkegard wordt het ‘ogenblik’ een vuurbaken voor antiburgelijke geloofsvirtuozen van het slag van een Carl Schmitt, die met zijn ogenbliksmystiek in de politiek en het staatsrecht verdwaalt, of een Ernst Jünger, die daarmee tussen de soldaten en surrealisten verzeild raakt.Tegenover het vlakke ‘enzovoort’ van de burgerlijke stabiliteit staat het schrille genot van een intensieve oneindigheid – in het ogenblik.

Het ogenblik, zo opgevat, houdt de belofte in van een betrekking tot het ‘geheel andere’, het betekent een andere ervaring van de tijd en de ervaring van een andere tijd. Het belooft onverwachte wendingen en veranderingen, misschien zelfs aankomst en verlossing, maar in elk geval dwingt het tot een besluit. Op zo’n ogenblik wordt de horizontale tijd door een verticale doorsneden. Het ogenblik is, volgens de definitie van Rudolf Otto in zijn invloedrijke boek Das Heilige (1917), het subjectieve tijdsequivalent voor de ontmoeting met het humineuze. Op het numineuze, in wat voor vorm dan ook, had het naar intensiteit hongerende geestelijke leven van de jaren twintig het voorzien. De metafysische drijfveer verandert in de angst het beslissende ogenblik te zullen missen.” Einde citaat. (Bron: R. Safranski, Heidegger en zijn tijd, 2017 (Olympus), pag. 218-220)

 

Heidegger en veel anderen zijn kinderen van hun tijd en filosofische erfgenamen van Friedrich Nietzsche. De dood van God die in Also Sprach Zarathustra bijna triomfantelijk wordt geproclameerd heeft de westerse filosoof achter gelaten met lege handen: er is geen metafysica waarop nog een beroep kan worden gedaan als het om waarden en doelen gaat. De mens moet het nu helemaal zelf opknappen. Maar kan die mens deze last wel dragen? Zeker als de motivatie voor de ervaring van het moment komt uit de confrontatie met het ogenblik waarin niet God maar het niets zich openbaart. Dit is wat Nietzsche zichtbaar heeft gemaakt. En dat met nefaste gevolgen. Safranski schrijft:

 

“Nietzsches ogenblik is toegenomen intensiteit, die niet door contact met het absolute wordt bereik, zoals bij Kierkegard, maar in een eigenmachtig transcenderen, ‘het grote loslaten’. Een endogene verhitting, die zich niet op een hogere waarde kan oriënteren, want die is immer verdwenen: ‘God is dood!’ De intensiteit van het ogenblik komt uit de vrijheid, uit de absolute spontaniteit. Uit het niets. Natuurlijk zijn zulke ogenblikken uitzondering. Maar pas vanuit het uitzonderlijke wordt duidelijk wat anders in het geregelde leven verborgen blijft. ‘Het normale bewijst niets, het uitzonderlijke bewijst alles […] In het uitzonderlijke doorbreekt de kracht van het werkelijke leven het omhulsel van een door herhaling verstarde mechaniek.’ Dat zijn zinnen uit de Politische Theologie van Carl Schmitt uit 1922, die krachtig pleit voor besluiten die ‘normatief gezien uit het niets geboren’ zijn. De macht van het besluit heeft geen ander fundament dan de wil tot macht; in plaats van legitimatie de intensiteit van een ogenblik dat nog kracht van de oorsprong bezit.” (Bron: R. Safranski, Heidegger en zijn tijd, 2017 (Olympus), pag. 221-222)

 

Hoe deze wil tot macht, hoe een menselijk fundament dat voortbouwt op de ervaring van het niets eruit kan komen te zien hebben we na Nietzsche vooral gemerkt in de doodbrengende ideologieën zoals die door velen werden beleden in facisme en communisme. Hier werd de mens de basis, de bron, het uitgangspunt en het einddoel van de geschiedenis, de beschaving, de cultuur en de ‘nieuwe religie’. Mijn stelling is dat de mens deze last niet kan dragen, zijn schouders zijn te zwak, zijn voeten te fragiel om het gewicht te kunnen dragen. Geen leider (Führer, Duce, absoluut heerser) kan ons leiden, en iedereen die zijn kaarten zet op dergelijke misleiders, werkt mee aan de afgronden waarin velen zullen vallen. Onder elke vorm van populisme toont zich al heel snel het onverbloemde streven naar (persoonlijke) macht en de poltiek is het vehicel, het verlangen van de mensen de brandstof en het sluimerende geweld in een ieder, de verleiding. Geef ze een wapen en ze genieten van het ogenblik. Wis alle ethische grenzen en de mens gaat op in een bachanaal van geweld. De talloze oorlogen hebben dit laten zien en ze laten dit nu zien. Verlangen naar een hemel, naar heelheid wordt hier woede die alles verteert en die geen rekening meer houdt met andersdenkenden en anders levenden. Het is een allesverterend vuur dat blind maakt, en dat hoe dan ook, de poorten van de hel (op aarde) wijd open zet. Als je als religieus mens dat niet begrijpt, als je niet inziet dat dit verlangen bij velen sterker is dan de religieuze plicht om anderen bij te staan en te ondersteunen, dan kun je jouw religie beter bij de schroothoop zetten. Want dan helpt geen gebod als je zelf niet het goede voorbeeld geeft dwars tegen alle geweld in. Religieus en geloofssystemen zijn in het leven geroepen om ook een halt aan het woekerende geweld te bieden. Als je het geweld heilig verklaard in naam van de religie om het ogenblik te genieten, zal je door je eigen vuur worden verteerd. Dat is de les die uit veel religieuze geschriften spreekt: ‘die het zwaard hanteert, komt om door het zwaard.’ 

Maar religies proberen ook een deur open te houden naar de eeuwigheid, de eeuwigheid in de ervaring van het ogenblik. Kan deze deur, deze toegang tot een ervaring van heelheid genoeg kracht laten zien, heeft ze genoeg overtuigingskracht om het geweld in de mens gevoed door het niets, tegen te gaan? Zelfkennis staat hier op het spel. Wat heb je meegemaakt, hoe kijk je aan tegen jezelf en tegen de wereld. Dat is uiteindelijk waar je bij uitkomt: wie ben je en welk antwoord geef je op deze vraag. Anselm Grün houdt een lijntje open met de eeuwigheid in het ogenblik. Hij pleit voor openheid om deze ervaring van het ogenblik in een vorm van heelheid te kunnen laten gebeuren. Hij schrijft: 

 

“PIEKERVARING – EÉN ASPECT VAN EEN piekervaring is dat we helemaal alleen zijn. David Steindl-Rast interpreteert dit woord alleen als al-één, één zijn met alles en helemaal één zijn met jezelf. Dat was een belangrijke ervaring bij de oude monniken. Dionysius Areopagita leidt het woord ‘monnik’ (monachos) af van ‘monas’, eenheid. Een monnik is iemand die helemaal één is, die één is met zichzelf, maar tegelijkertijd ook met alles en iedereen. Evagrius Ponricus, de Griekse monnik uit de 4e eeuw, schrijft in een tekst over het gebed: ‘Een monnik is een mens die alles heeft losgelaten en zich toch met alles verbonden voelt. Een monnik weet zich één met alle mensen, want hij vindt zichzelf voortdurend terug in ieder mens.’ Hij voelt zich één met de hele kosmos. 

Van de heilige Benedictus wordt verteld dat hij de hele wereld zag in één enkele zonnestraal. Dat is een typisch kenmerk van contemplatie. Ik word één met de hele wereld. Het betekent niet dat ik alles achter elkaar kan bekijken, maar alles is er opeens. Ik kijk in de oergrond, waarin alles met elkaar verbonden is, waarin alles één is. In deze oergrond ben ik één met de schepping, één met God, één met ruimte en rijd. Ruimte en rijd houden in deze contemplatieve ervaring op te bestaan. Dan kom ik in contact met de eeuwigheid, dan breekt de eeuwigheid door in mijn leven.” (Bron: Anselm Grün, Boek van de levenskunst, Kampen 2003 (Ten Have/Lannoo), pag. 58).

Einde citaat. “Wessen Welt ist die Welt, wessen Morgen ist der Morgen?” (Berthold Brecht). De keuze is aan ons!

John W. H. 

7 okt 2018