Poëzie en transcendentie (overweging)

Wie man dem toten Hasen die Bilder erklärt – hoe men de dode haas uitleg geeft over de schilderijen. Dit is de titel van een kunstperformance van de Duitse kunstenaar Joseph Beuys. die niet zo ver hier vandaan opgroeide in Kranenburg en waarvan heel veel werk in Schloss Moyland in Bedburg Hau – ook niet zover weg – te bezichtigen is. Persoonlijk ben ik een groot fan van hem en vind hem inspirerend. Maar dat geldt – zo vermoed ik – niet voor iedereen.

In de performance met de haas, heeft hij zichzelf in een kleine ruimte opgesloten en loopt hij door de ruimte, zijn hoofd helemaal met goud en honing bedekt, met een dode haas in zijn armen. Hij spreekt tegen de haas. Pas na drie uur kreeg ook het publiek, dat kon toekijken via een venster, toegang. Beuys spreekt tot de haas, symbool van vruchtbaarheid en opstanding. Goud, symbool van reinheid, wijsheid en honing symbool van nieuw leven. Beuys zegt hier zelf over – vrij vertaald:

“voor mij is de haas symbool voor incarnatie, want de haas realiseert wat de mens  alleen in gedachten kan. Hij graaft zich in, hij incarneert zich in de aarde, dat alleen is  belangrijk, zo lijkt me. Met honing op mijn hoofd doe ik natuurlijk iets dat met denken te maken heeft. De mens geeft geen honing af, maar met zijn denken produceert hij ideeën. Daardoor wordt het doodskarakter van gedachten weer levend gemaakt, want honing is een levende substantie. De menselijke gedachte kan ook levend zijn maar als intellectualisme kan ze ook dodelijk zijn, dood blijven of dood veroorzaken bijvoorbeeld in de politiek of opvoedkunde.” Einde citaat.

Misschien is dit ook wel een zorg van Paus Franciscus: er zijn woorden die dood brengen en er zijn woorden die leven brengen – levende woorden van God. Dat alles in een wereld waarin het Woord van God nauwelijks nog aandacht krijgt omdat God voor velen, in de trant van de aankondiging van Nietzsche, dood is. Sindsdien leven we namelijk volgens Paul Ricoeur in een wereld van wantrouwen; Marx, Freud, Nietzsche noemt hij dan ook de meesters van het wantrouwen vooral ten opzichte van het religieuze bewustzijn. Beuys dialogiseert met deze wereld. Hij verwoordt niet alleen een zorg vanuit een maatschappij-kritische en kunst-kritische optiek (ook in de kunstwereld wordt heel veel onzin verkocht – veel berust op prestige en geld – op buitenkant) – hij laat hiermee ook zien dat hij gelooft in de kracht van het woord.

Ik moest aan deze performance denken toen ik de tekst uit Matheus las over de vissers die geroepen werden om Jezus te volgen, om vissers van mensen te worden. Mensen worden dus vergeleken met vissen. Hoe leg je nou een vis uit wat Koninkrijk van God is? Wat naastenliefde is? Ik neem de beeldspraak van de tekst even heel letterlijk.  Als wij vissen zijn, vissen om gevangen te worden in netten die niet dood brengen maar leven, wat betekent dat dan in een wereld waarin veel vissers actief zijn? Waarin ook vissers actief zijn die niet leven geven maar onder het mom van geluk, macht, natie, ras, superioriteit, en weet ik wat allemaal niet, dood brengen? Hoeveel vis herken je in jezelf? Volgens de evolutietheorie komen we uit zee. Als embryo zwemmen we in de zee van de baarmoeder. Dus die analogie met het vis-zijn is nog niet eens zo vreemd. In Italië noemt de nieuwe protestbeweging tegen het populisme zichzelf: de sardientjes. Een nieuwe massa die opkomt voor humaniteit en mensenrechten. Tegen de corruptie, het eigen belang, de kortzichtigheid en de machtswellust van de populisten die vluchtelingen als kop van jut gebruiken. U merkt het: vis is populair. Welk soort vis wilt jij zijn: forel, sardientje, of haai? Ben je een egotripper, een eenzaat, doe je liever alles op eigen houtje of zwem je liever in een school van soortgenoten?

In deze beeldtaal wordt ook het verhaal van de blijde boodschap, het evangelie, gegoten. Wat is dat Koninkrijk van God – snappen de vissers het? Hebben ze in de gaten waarover het gaat als Jezus hen roept? Ik vermoed van niet, toch volgen ze. Hoe zit het met ons? Ik ben zelf geneigd deze teksten te lezen vanuit een poëtische instelling. Veel bijbelse teksten zijn poëzie. Psalmen, het scheppingsverhaal en ook Jesaja. Als profeet spreekt hij namens God, maar zijn profetie is er niet een die morgen uitkomt, die plaatsvindt, omdat God het heeft aangekondigd. “Eilanden, hoor mij aan, verre volken luister aandachtig”….  Wie wordt hier aangesproken – wie is het licht voor alle volken, door wie wordt redding gebracht tot aan de einden der aarde.” Dat is nogal wat! In mijn oren is dit pure visionaire poëzie. Krachtige woorden die hoop bieden. Hoop aan mensen in duisternis, in verdrukking. Het zijn daarom woorden van leven. Het verhaal van Matheus verwijst hiernaar, is hiermee in dialoog.

Georg Steiner heeft eens gezegd dat ook kunst een vorm van dialoog is. Kunst is niet autonoom. Autonomie is een leugen. Alles hangt samen. Alles heeft effect – wij zijn met elkaar op heel veel wijzen verbonden. Het gesprek dat mensen met elkaar voeren via de kunst is een weg naar waarheid en naar schoonheid. Ik citeer vrijelijk: “De wijze hoe latere kunstwerken bouwen op vroegere – met hoffelijkheid, met gastvriendelijkheid en zelfs met liefde – zou ons tot voorbeeld kunnen dienen voor onze interacties in deze seculiere wereld.”  Zo zou ik ook naar Jezus willen kijken: hij bouwt voort op Jesaja. Hij is in dialoog met Jesaja of de evangelisten zijn in dialoog met hem. De knecht van God van Jesaja heeft overeenkomsten met Jezus – Jezus actualiseert dat, past dat toe in zijn tijd, op zijn wijze. Dat allemaal op een poëtische wijze.

Misschien denkt je nu wel, “is dat alles”, en heb je misschien minder waardering voor een gedicht omdat je er minder aan vindt – want het is maar een gedicht. Datzelfde kan dan net zo goed gelden voor een tekst uit de bijbel. Dat betekent dat dit woord je niet raakt, of je hebt je niet laten raken, je hebt er geen moeite voor gedaan en je hebt je er níet voor opgesteld. In feite zwem je nog in de donkere zee, een vis die van niets weet. Misschien alleen bezig met veiligheid en met voedsel zoeken.

Je zou het misschien niet verwachten maar poëzie spreekt vaak met een onverschrokken nauwkeurigheid. Ze legt de werkelijkheid op heel een eigen wijze bloot. Ze geeft daardoor levensvreugde. Dat geldt zeker voor mezelf. In de dichtkunst worden de grenzen van de wereld verkend. Deze grenzen worden overstegen, getranscendeerd. Misschien volgens sommigen, is dit de enige manier in deze seculiere wereld waarop transcendentie plaatsvindt. Plaats kan vinden. Ik zelf ben ook seculier én ik noem mij religieus. Dat wil zeggen dat ik beide bewegingen onderschrijf: transcendentie in het seculiere domein én de mogelijkheid ervan in het religieuze domein. Hemel en aarde kunnen elkaar raken. Ik geloof in een over-stijging van de grenzen in ons bestaan. Schoonheid en waarheid maken dit zichtbaar. Mijn ego, mijn zelf kan ten diepste worden geraakt – bijvoorbeeld door het landschap, de natuur, de liefde. Maar ik geloof ook dat het Woord van God in mij kan werken.

Jesaja gaat bijna uit zijn dak als hij geïnspireerd zijn woorden laat klinken. De menselijke grenzen, alles wat mogelijk is, wordt ruimschoots overschreden. Alleen de dichter kan dit, alleen de visionair kan zo spreken. Tenslotte als we onszelf toch al hebben vergeleken met een vis – zwemmend in de zee, dan heb ik als aanmoediging om poëtisch te gaan denken nog een mooi gedicht om mee af te sluiten. Van de Frans-Uruguayaanse dichter Jules Supervielle, in een vertaling van Henricus Keuls: La mer secrète

De geheime zee

Als niemand naar haar kijkt

is de zee niet meer de zee,

dan is zij wat wij zijn

wanneer niemand ons ziet,

dan wisselt zij van vissen,

laat and’re golven toe

en wordt zee voor zichzelf

en voor wie van haar dromen,

zoals ik dit uur doe.


John Hacking

26 jan 2020

Gelezen:

Jesaja 49, 1-7 en Matheus 4, 12-22