Epilogos (1) Sneeuw

5.1 Sneeuw

Neige

Entends-tu

le bruit des flocons?

Il neige dans le livre.

Il neige sur les branches des érables ondés.

Il neige sur Ie blanc de la page ombrée

et sur tes cheveux couverts de givre …

Il neige en toi, ma fée adamantine

il neige sur les fleurs de ta voix, 

sur les étoiles de ta bouche cristalline.

Entends-tu

le bruit des flocons?

Dans le silence

de nos lèvres harmoniées

les paroles de nos corps

déferlent sur la plage du futur

et c’est un peu de leur écume

que nous déchiffrons …

Marc-Alain Ouaknin[1]


Een paar jaar geleden toen ik al bezig was met de voorbereiding op deze sabbatperiode en al wist dat ik over God in de leegte zou gaan schrijven heb ik eens alle gedichten van Paul Celan bij elkaar gezet rond de thema’s: Schnee – Welt – Gott. Niet alleen om ze met elkaar te vergelijken en te ontdekken hoe deze dichter hiermee omgaat, maar ook omdat deze thema’s een soort van sleutel zijn voor zijn werk. Sneeuw is beladen, het is niet zomaar alleen de neerslag of de winter die hier besproken wordt. De moeder van Celan werd in de sneeuw koudbloedig met een nekschot vermoord tijdens de Tweede Wereldoorlog.[2] Ook zijn vader overleefde niet het werkkamp waar ze waren ondergebracht om ‘slavenarbeid’ te verrichten ‘Exterminierung durch Arbeit’. Celan overleefde. Zijn leven lang draagt hij hiervan de sporen.[3]

Het thema wereld laat iets zien van het denken van Celan over de wereld en de werkelijkheid zoals hij die beschrijft in zijn eigen leven, zijn eigen ervaringen maar ook in relatie tot de werkelijkheid van God. God ook geïnspireerd vanuit de Kabbala en vanuit de Joodse traditie. De beeldspraak, de metaforen rusten in deze lange historie die de begrippen hebben doorgemaakt. Zo wordt laag na laag opengelegd en geduid, soms met geheel nieuwe woorden. Ook andere dichters komen voorbij en laten hun stem horen in sommige passages. Hölderlin is er een van.[4]

Toen mijn vader stierf heb ik na zijn dood een bundeltje met sneeuwgedichten samengesteld. De dag dat hij de ziekenzalving, het laatste sacrament vóór het sterven, ontving sneeuwde het. Het landschap was opeens helemaal wit. Dat was het afscheid. Zijn en mijn voorvaderen kwamen uit “La Neige” een buurtschap bij Bolland in Waals België. Sneeuw is dus hier op zijn plaats. Aan mijn moeder heb ik een bundel gewijd waarin het water centraal stond. Zij had het water gekozen om afscheid van het leven te nemen. Woorden in gedichten zijn dus nooit zomaar woorden, ze staan ook voor (vaak verborgen) ervaringen.

Misschien is God ook wel te vergelijken met een landschap onder de sneeuw. We zien en ervaren alleen de buitenkant, het oppervlak, alles in zwart-wit-grijs tonen. Maar onder de sneeuw ligt de lente verborgen. Wil je de sneeuw pakken dan smelt hij in je handen zoals God smelt in de namen die wij hem hebben gegeven en waarmee wij hem niet kunnen vastpakken. We kunnen hem hoogstens duiden, de sneeuw verwijst.


Tijd

Nu nog aan gene zijde

de eenvoud gloeit

en hier nog rede woedt

en argumenten

Wacht ik.
In stil ontzag voor Tijd.

Als een besneeuwd juweel

glanst Uw aanwezigheid.

Gemma Pappot


Sneeuw, is en blijft ook een mysterie. De zachtheid, de vorm, de vele mogelijkheden waarin sneeuw zich laat zien en waarin sneeuw zich aanpast. Alle gletsjers zijn verzamelingen sneeuw. Velen zijn afhankelijk voor hun drinkwater van deze (oeroude) sneeuw in de gestalte van ijs. De polen zijn bergen sneeuw, sneeuw van eeuwen. En een flink aantal dieren heeft een innige band met deze sneeuw. In de dierentuin vormen ze in mijn ogen een zielige verschijning zo zonder sneeuw, zonder het landschap waar ze in thuis horen.


Schnee fällt,

vom Winde verweht.

Wind bläst,

mit Schnee vermengt.

Ryōkan[5]


Het mysterie van de sneeuw is het mysterie van het water. In het Japanse geschilderde landschap behoren de sneeuwlandschappen in mijn ogen tot de mooiste. Ook de stroming van het Impressionisme in de schilderkunst heeft tot mooie sneeuwlandschappen geleid. Sneeuw schilderen naast nevel, mist, is in mijn ogen een van de moeilijkste opgaves in de schilderkunst.

Sneeuw heeft een eigen stemming, een eigen kleur, een eigen geluid. Sneeuw maakt de wereld anders. Soms sprookjesachtig, soms tot een hel, zoals soldaten getuigen, die in deze sneeuw moesten vechten en zien te overleven. Wij raken de herinnering aan de sneeuw, de ervaring van sneeuw in ons land, langzaam kwijt als de aarde opwarmt en in onze contreien geen sneeuw meer valt. Maar af en toe valt ons het geluk ten deel, kunnen we met ogen, oren en handen ervaren wat sneeuw is.


Morgen, vielleicht

Schnee fällt augweit: Gewissheit ohne

Stunde. Sonne auf Zeit. Die allerneuste

Runde, uralter Stil, hell zwischen

Kälte Schauern unänderbares

Spiel: Verlassne Feldsteinmauern

besiedeln sich mit Licht die trocknen

Moose trauern bis sie der Schatten bricht

Ulrich Schacht[6]

Marc-Alain Ouaknin schrijft: “Quels poèmes écrirons-nous quand le mot “neige” n’existera plus?” Welke gedichten zouden we nog (kunnen) schrijven als het woord sneeuw niet meer bestaat? Ook hij is gevoelig voor deze poëzie want hij weet dat het goddelijke, de Oneindige, leeft van het geheim, verborgen, misschien wel verborgen onder de sneeuw. En verborgen in het lijden van de mens, zoals bij Rabbi Nachman. Rabbi Nachman (ben Ssimcha), die in het werk van Ouaknin terugkeert[7], werd geboren in Miedzyborz (Polen), de stad van de Baalschem. Een gebied waar de sneeuw niet onbekend is. Martin Buber schrijft over deze rabbi die later de naam rabbi Nachman von Bratzlaw krijgt, de plaats waar hij werkzaam was, dat hij geen hervormer was, maar een revolutionair, die niet het beste wilde, maar het onvoorwaardelijke. Hij wilde niet opvoeden maar verlossen.

Hij wordt door Buber de grootste, de puurste en de meest tragische genoemd onder de rabbijnen in het chassidisme[8], de stroming die de onderwijzingen van de Baalschem in daden wil leven.[9] Nachman had een grote droom: “Er hatte einen grossen Traum von Zadik, der “die Seele des Volkes” ist.”[10] Aan die droom werd alles opgeofferd, zijn geluk, alle hoop ten aanzien van zijn persoonlijk leven. Al zijn worstelingen gingen hierom, hij verloor zijn dierbaren, hij werd arm en omgeven door vijanden (tot aan het einde van zijn leven). En omdat hij zo in zijn droom leefde, zo Buber, vond hij het niet nodig om zijn ‘leer’ op te schrijven. We hebben alles dus van horen zeggen, in onvolmaakte getuigenissen van leerlingen die nog niet de helft zouden hebben begrepen van wat hij leerde.

Daarom schrijft Ouaknin over het ‘Verbrande Boek’ – het boek dat de leer van Nachman zou bevatten. Net als sneeuw die langzaam smelt, opeens is er niks meer van over.

Martin Buber beschrijft op prachtige wijze het hevige verlangen van Nachman als jongen naar God, het lijden dat hij doorstaat en zijn zoektocht. Nachman zal God vinden, in de natuur: “Wenn der Mensch gewürdigt wird, die Gesänge der Krauter zu vernehmen, wie jedes Kraut ein Lied zu Gott spricht ohne alles fremde Wollen und Denken, wie schön und süss ist es, ihr Singen zu hören.”[11] Daarom is het goed, zo Buber, om in het midden van de natuur, God te dienen, op eenzame wandelingen tussen de planten op het veld, je hart te luchten bij God. Alle gesprekken van de planten op het veld verenigen zich in jouw gebed en versterken jouw woorden; je drinkt met elke ademtocht de lucht van het paradijs en als je terugkeert naar huis, is de wereld vernieuwd in je ogen.[12]

Op het eind van zijn leven, van Rabbi Nachman, toen hij zich had overgegeven aan de komende dood, leefde hij al in het ‘absolute’. “Siehe”, sagte er einmal, “uns entgegen kommt ein gar grosser und erhabener Berg. Aber ich weiss nicht: gehen wir zum Berg, oder geht der Berg zu uns?” Zo stierf hij in vrede.[13]


Ou sommes-nous

 lorsque nous nous taisons?

Dans la blessure du vent?

Dans Ie frémissement des marges?

Dans Ie presque du peut-être? …

Ou va Ie blanc quand la neige a fondu?

Minuscules riens

dans Ie regard de la chouette,

insupportable solitude

de l’aile sans terre …

Étranger à ta porte,

je questionne

Ie murmure du papillon

Et j’implore l’obscur

de me rendre la bouche

ou se terre l’exil

de tes silences …

Où ira Ie blanc quand la neige aura fondu?

Marc-Alain Ouaknin[14]


God’s truth is in silence.

To fall silent in turn, with the hope of dissolving into it.

But we become aware of it only through words.

And words, alas, drive us ever farther from our goal.

Edmond Jabès[15]


[1] Marc-Alain Ouaknin, Zeugma. Mémoire biblique et déluges contemporains, Paris 2008 (Éditions du Seuil), p. 347

[2] Vgl. ook: Andreas Girbig, “Die Abgründe sind / eingeschworen auf Weiß”. Erinnerung und Dialog. Bemerkungen zum Motiv des Schnees in Gedichten Paul Celans. in: Dialogues. Cahiers d’études Germaniques. Études réunies pas Jean-Charles Margotton en hommage au Professeur René Girard, PDF  – (bron: Internet geraadpleegd 5 december 2021: https://www.academia.edu/32378468/_Die_Abgr%C3%BCnde_sind_eingeschworen_auf_Wei%C3%9F_._Erinnerung_und_Dialog._Bemerkungen_zum_Motiv_des_Schnees_in_Gedichten_Paul_Celans)

[3] Vgl. de brieven van Celan aan Ingeborg Bachman in: Ingeborg Bachman,  – Herzzeit. Ingeborg Bachman – Paul Celan. Der Briefwechsel. Mit den Briefwechseln zwischen Paul Celan und Max Frisch sowie zwischen Ingeborg Bachmann und Gisèle Celan-Lestrange, Frankfurt am Main 2008 (Suhrkamp); en: Helmut Böttiger, Celan am Meer, Göttingen 2017, (Wallstein Verlag); en: Hans-Peter Kunisch, Todt Nau Berg. Die Geschichte von Paul Celan, Martin Heidegger und ihrer unmöglichen Begegnung, München 2020, (DTV)

[4] Vgl. Robert André, Gespräche von Text zu Text. Celan-Heidegger-Hölderlin, Hamburg 2019, (Felix Meiner Verlag), pp. 191-192

[5] Kazuak Tanahashi, Friederike Juen Bossevain, Hoher Himmel, grosser Wind. Leben, Gedichte und Kalligraphie des Zen-Meisters Ryōkan, Berlin 2012, (edition steinrich), p. 131

[6] Ulrich Schacht, Ibid., p. 46

[7] Vgl. het aantal keren dat Nachmann wordt genoemd, ook in verband met de titel van: Marc-Alain Ouaknin, The Burnt Book. Reading the Talmud, New Jersey 1995 (Princeton University Press)

[8] Vgl. ook de andere grote rabbi’s in Elie Wiesel, De wanhoop verdreven. Eerbetoon aan negen chassidische meesters, Hilversum 1986 (Gooi en Sticht)

[9] Vgl. Martin Buber, Die Geschichten des Rabi Nachman. Nacherzählt von Martin Buber, Gütersloh 2015, (Gütersloher Verlagshaus), p. 28

[10] Ibid., p. 29

[11] Ibid., p. 33

[12] Vgl. Ibid., pp. 33-34

[13] Ibid., p. 43

[14] Ibid., p. 320

[15] Edmond Jabès, The Book of Shares. Ibid., p. 9