Leven is lijden (1)

Herinnering: gisteren en morgen

Als je gezond bent, zinvolle relaties onderhoudt, bevredigend werk hebt dat voldoening geeft en als je elke dag weer dankbaar kunt zijn over wat je in je dagelijks leven meemaakt, sta je waarschijnlijk niet zo vaak stil bij de dood. De dood die als een dief in de nacht kan komen, onverwachts, onvoorbereid. Vooraf heb je waarschijnlijk geen idee wat een ‘doodsbericht’ bij jou teweeg kan brengen als een dierbare plotseling sterft, of dodelijk ziek wordt, (wat uiteindelijk op hetzelfde neerkomt). Of je word zelf (bij toeval ontdekt) geconfronteerd met het feit dat ook jouw leven spoedig zal eindigen omdat je een ongeneeslijke progressieve ziekte hebt met dodelijke afloop. Als je het nooit zelf hebt meegemaakt is het waarschijnlijk onvoorstelbaar welke pijn dit gebeuren kan oproepen, welk gevoel van onmacht en radeloosheid. Je geluk dat zo eindeloos leek voort te duren is opeens als door een plotselinge barricade tot stilstand gebracht zoals een trein moet stoppen aan het einde van een spoorlijn. Het einde van de reis is aangebroken, er zijn geen overstapmogelijkheden meer. Hier houdt het op. Christian Wiman die met een dergelijk bericht wordt geconfronteerd beschrijft die ervaring vanuit zijn eigen situatie.  Daarbij is hij ook heel kritisch op al die schrijvers die over de dood schrijven alsof het een soort van vingeroefening is om jezelf op het einde voor te bereiden. Hij schrijft:

Nee, Stevens geloofde dat je concentreren op de dood het leven geconcentreerd maakt, dat we het leven alleen helder kunnen zien door de lens van de dood, maar dat wij, als we het leven eenmaal met die helderheid hebben gezien, van het leven kunnen genieten. Dit geloofde ik, en zo probeerde ik te leven – totdat ik op een dag zelf werkelijk bleek te kijken door de lens van de dood. Wat ik zag bleek heel anders uit te pakken. Vanaf het moment dat ik vernam dat ik kanker had – op mijn negenendertigste verjaardag, een kort voicemailbericht – werd de wereld helemaal niet geïntensiveerd, het werd zonneklaar gedempt. Ik kan nog navoelen hoe ver weg alles leek – de mensen op straat buiten het raam, de boeken in de kast, mijn vrouw die naar me glimlachte voor ik het ging vertellen. En lang na de eerste schok had de wereld om mij heen een gekmakende, gedempte kwaliteit – die, paradoxalerwijze, hand in hand ging met de meest acute sensaties van innerlijke pijn. Het was alsof niet ik, maar de wereld gevoelloos werd, alsof er een energie uit de dingen was weggesijpeld. Op een zeker moment besefte ik dat, al mijn literaire gepraat over hoe treffend en prikkelend de sterfelijkheid inwerkt op de directe ervaring ten spijt, mijn levensvreugde altijd goeddeels het gevolg was geweest van de onbewuste aanname dat het nooit zou ophouden. Niet dat de realiteit zelf nooit zou ophouden – ogenblikken verstrijken, vanzelfsprekend – maar: de herinnering, die zou voortduren, dat op zijn minst, en ook de toekomst, die het daadwerkelijk herinneren impliceert (er  moet ergens iets zijn van waaruit er herinnerd kan worden). Het leven is kort, zeggen we, op welke wijze dan ook, maar in waarheid leven we, omdat we onze dood niet kunnen beseffen tot hij over ons heen walst, in een lang heden waar alleen andere mensen sterven.

Dood is de moeder van schoonheid is een frase die alleen kon worden geschreven door een man voor wie de dood een abstractie is, en dan ook nog een vaag plezierige abstractie. Kap ‘toekomst’ los van ervaring en je brandt er subiet de betekenis van weg, precies zoals wanneer je iemands verleden zou afkappen. ‘Herinnering is de basis van individuele persoonlijkheid’ schrijft Miguel de Unamuno, ‘net als traditie de basis is van de collectieve persoonlijkheid van een volk. We leven in en van herinnering, en ons geestelijk leven is in de grond simpelweg de poging van ons geheugen om te blijven bestaan, om zichzelf om te zetten in hoop, de poging van ons verleden om zichzelf om te zetten in toekomst’.

Met andere woorden, we hebben zowel verleden als toekomst nodig om onze handelingen en emoties en sensaties iets te laten betekenen in het heden. Strikt genomen, evenwel, bestaan verleden en toekomst helemaal niet. Beide zijn, in mindere of meerdere mate, scheppingen van het voorstellingsvermogen. En ieder die jou zegt dat je alleen in de tijd kunt leven, spreekt niet helemaal de waarheid, want als we in onze verbeelding het leven niet buiten de tijd kunnen voorstellen, kunnen we er ook niet echt in leven. En als we ons dagelijks leven buiten de tijd kunnen leven – als, inderdaad, ons dagelijks bestaan, en het besef ervan, van ons eisen dat we op een bepaalde denkbeeldige manier buiten de tijd leven – gaat het dan te ver om ons voor te stellen dat de verwezenlijking van het bestaan ergens helemaal buiten de tijd ligt?

uit: Christian Wiman, Mijn heldere afgrond. Overpeinzingen van een moderne gelovige. Vertaald door Willem Jan Otten, Barneveld 2016, (Brandaan), pag. 65-67

Dôgen, een filosoof en Boeddhist uit het oude Japan (13e eeuw) schrijft over de tijd vanuit het begrip ‘Zijn-Tijd’ (Uji). Ik heb hem al vaker geciteerd en ik vermoed dat dit concept nog steeds niet helemaal geland is in onze wereld van de dingen die voorbijgaan. In ‘Zijn-Tijd’ is alles met alles verbonden en in het hier en nu direct aanwezig en ervaarbaar. Het bericht van je naderende dood slaat al je zekerheden uit handen maar de pijn die daardoor ontstaat en die je aan den lijve mag ervaren kan ook een deur zijn naar een nieuw inzicht. De grens die hier wordt aangereikt is absoluut voor het leven, het leven kan deze grens niet overschrijden, jouw leven kan niet doorgaan alsof je van de ene in de andere situatie verder leeft, van leven in de dood en van dood in het leven – (trouwens het begrip leven is hier volslagen ontoereikend, volslagen ‘fehl am Platz’). Dôgen schrijft in de passage met de titel ‘Zenki’ in het jaar 1242 (over de hele activiteit van leven en dood): 

Der grosse Weg aller Buddhas und das letzte Ziel im Buddhismus ist die Loslösung von Leben und Tod und die Verwirklichung der Erleuchtung. Wir müssen vom Leben im Leben und vom Tod im Tod losgelöst sein. Wenn wir also lebendig sind, ist das Leben ganze Aktivität, und im Tod ist der Tod die ganze Aktivität. Leben ist die Erfahrung von Leben; Tod ist die Erfahrung von Tod. Zusammen sind Leben und Tod das tatsächliche Erscheinen der Wahrheit. Das letzte Ziel ist die Loslösung, das heillt das vollständige Eintauchen in Leben und Tod.

Die Verwirklichung der Erleuchtung bedeutet wahres Leben -vollständiges, freies Handeln. Wenn wir die Erleuchtung verwirklichen, wird die ganze Bedeutung von Leben und Tod klar. Diese Erfahrung kann jedoch nicht durch das Bewusstsein oder den Intellekt, ob begrenzt oder unbegrenzt, gross oder klein, lang oder kurz, nah oder fern, erklärt werden. 

Unser gegenwärtiges Leben wird durch diese Erfahrung gestaltet, und umgekehrt wird diese Erfahrung durch unser gegenwärtiges Leben gebildet. Das Leben ist nicht Kommen oder Gehen, Erscheinen oder Vergehen. Das Leben ist die ganze Erfahrung des Lebens; und dementsprechend ist der Tod die ganze Erfahrung des Todes. In der unbeschränkten Natur der buddhistischen Übung haben Leben und Tod diese besondere Bedeutung. Wenn wir auf unser gegenwärtiges Leben schauen und allmählich anfangen zu erwachen, beginnt die Welt nach und nach, ihre ganze Erscheinung zu offenbaren. Das gesamte All ist mit der ganzen Aktivität des Lebens gefüllt. Jeder Augenblick enthält ganzes Sein.

uit: Dôgen Zenji, Shôbôgenzô. Der Schatz des Wahren Dharma. Gesamtausgabe, Frankfurt 2008, (Angkor Verlag), pag. 315

 Christian Wiman vraagt zich af of we ons dagelijks leven buiten de tijd kunnen leven – als, inderdaad, ons dagelijks bestaan, en het besef ervan, van ons eisen dat we op een bepaalde denkbeeldige manier buiten de tijd leven – gaat het dan te ver om ons voor te stellen dat de verwezenlijking van het bestaan ergens helemaal buiten de tijd ligt? Dit is vooral een vraag naar de zin van ons bestaan, naar de zin en zinvolheid van zijn bestaan en zijn leven nu de dood lijkt te naderen. De pijn bij het besef van je eigen sterfelijkheid, een idee dat nu realiteit dreigt te worden, kan er evengoed toe leiden dat je jezelf afvraagt wat je hele leven eigenlijk voor zin heeft gehad nu er een einde aan gaat komen. Waarom leven we als we toch moeten sterven? Wat maakt ons, wat maakt mijn leven in het aangezicht van de dood de moeite waard? Als je geen Boeddhist bent die naar verlichting streeft, want dan heb je een doel om voor te leven, maar een niet-gelovige, een areligieus mens, waar vind je dan houvast met betrekking tot een antwoord op de zinvraag? Berusten in scepticisme? Of in melancholie, of als leerling van Epicurus proberen in diens voetsporen te treden?

De kracht van de woorden van Dôgen ligt in het feit (voor mij persoonlijk) dat hij je als het ware dwingt om eens goed naar je idee van de tijd, je ervaren tijd in je leven en de mogelijkheid van je dood, waarbij je leven stopt, te kijken. En je af te vragen wat je nu eigenlijk weet van de tijd, van het voorbijgaan der dingen, de sterfelijkheid en het opnieuw geboren kunnen worden. Dôgen is zich goed bewust van het feit dat wij er nauwelijks in slagen om tijd te kunnen ‘begrijpen’ en dat de weg van de ratio geen  begaanbare weg is met betrekking tot de ervaring van tijd en tijdeloosheid. Hij nodigt ons dan ook uit om het principe tijd in de wereld grondig te onderzoeken vanuit ons eigen bestaan. Hij schrijft: 

“Sein-Zeit” bedeutet, dass Zeit Sein ist, d.h., ”Zeit ist Existenz, Existenz ist Zeit.” Die Gestalt einer Buddha-Statue ist Zeit. Zeit ist die leuchtende Natur eines jeden Augenblicks; es ist die jetzige tägliche Zeit in der Gegenwart. Auch wenn wir selbst nicht die Länge eines Tages berechnet haben, ist nicht daran zu zweifeln, dass ein Tag zwölf Stunden hat. Der Wechsel der Zeit ist klar, es besteht kein Grund, daran zu zweifeln; das bedeutet jedoch nicht, dass wir genau wissen, was Zeit ist. Allgemein gesagt, wenn jemand an etwas zweifelt, das er nicht ganz versteht, bleibt es solange ungewiss, bis es gelöst wird, bis dahin bestehen verschiedene Zweifel. Die Zweifel selbst sind durch die Zeit bedingt. 

Alle Dinge existieren in uns selbst. Jedes Ding, jedes Wesen in dieser ganzen Welt ist Zeit. Kein Ding behindert oder bekämpft irgendein anderes, genauso wie die Zeit niemals irgendeine andere behindert. Wenn wir den Entschluss fassen, höchste Erleuchtung zu erreichen, fasst in diesem Augenblick die ganze Welt den gleichen Entschluss. Hier gibt es keinen Unterschied zwischen deinem Geist und der Zeit; durch deinen Entschluss, Erleuchtung zu erlangen, bist du einbezogen. Dies gilt auch für die Übung und das Erreichen des Weges. Die ganze Welt ist in uns enthalten. Das ist das Prinzip: “Wir selbst sind Zeit.” 

Untersuche das Prinzip, dass alles in der Welt Zeit ist. Jeder Augenblick enthält die ganze Welt. Wenn wir das verstehen, ist das der Beginn der Übung und Erleuchtung. Wenn wir dieses Verständnis erreichen, erkennen wir die Wichtigkeit von jeglichem Tun; ein Grasblatt, jeder einfache Gegenstand, jedes lebende Ding ist untrennbar von der Zeit. Die Zeit enthält jedes Wesen und alle Welten. 

uit: Dôgen Zenji, Shôbôgenzô. Der Schatz des Wahren Dharma. Gesamtausgabe, Frankfurt 2008, (Angkor Verlag), pag. 90

Dôgen schrijft voor de monniken die de weg ingeslagen hebben van het Boeddhisme om in hun leven te mogen ervaren wat de betekenis en de zin is van de woorden en leefwijze van Boeddha. Niet op een intellectuele wijze, niet via het verstand maar via het verkrijgen van inzicht door praktische oefeningen. Bij de dingen zijn, in de wereld existeren met aandacht voor alles wat zich aandient. Wat dienst zich dan aan? De wereld als zodanig in elk object, in elk ding, in elk dier, plant, mens. Wij zijn zelf tijd, wij zijn zelf ding in en van de wereld. Het is een illusie om te denken dat als je iets wilt het dan ook vanzelf zal gebeuren alsof het reeds voldoende is om te willen. Dat wat je wilt is net zo illusoir als de gedachten die je koestert over de dingen en de wereld. Want de denker zelf is een illusie. Toch is er de pijn. De pijn houd je wakker, de pijn van het besef dat je dood gaat. Is de pijn ook een illusie? Een vorm van vasthouden aan een leven dat in Boeddhistische zin schijn is? Misschien zijn de gedachten wel illusies en waanbeelden, iets waarop nauwelijks valt te bouwen omdat ze komen en gaan als de wind. Maar waar vind je dan houvast? Is het het lichaam, de concrete pijn, de huid die voelt, het hart dat trilt van spanning en van verwachting? Kan dat wel een trillend hart, of speelt de taal ons weer parten door ons stiekem metaforisch te verleiden alsof deze ingang tot de werkelijkheid geen illusie is? Wiman ontdekt (ook op metaforische wijze beschreven) dat er een gebied is in je leven, een samenballing van ervaringen waarin je mocht ervaren dat je gewenst bent, dat het goed zo is, en dat je volmondig ja kunt zeggen tegen het leven. Wiman verwoordt het zo:

Onschuldig blijven betekent: de plek in je hart bewaren waar je ooit een stil stemmetje hoorde dat niet je naam zei maar veeleer je natuur; je hoorde hoe je opnieuw en voor altijd woordeloos maar lucide, ja zou kunnen zeggen, zonder triomf maar absoluut. Je moet deze plek beschermen opdat hij jou kan beschermen. Je moet hem bij je dragen, dwars door om het even welk element waar je je te comfortabel in voelt: de verleidelijke zekerheid en de kant-en-klare minachting van het secularisme, de mierenhoopachtige zekerheden van kerken, de mentale spinsels van de theologie, de veilige, professionele haven van de bezieling die een literair leven kan worden. iets moet bewaard blijven in jou, woordeloos, zelfs als je je diepste geloof, twijfel, angst, dromen verwoordt…

uit: Christian Wiman, Mijn heldere afgrond. Overpeinzingen van een moderne gelovige. Vertaald door Willem Jan Otten, Barneveld 2016, (Brandaan), pag. 73

Hebben we hiermee nou genoeg houvast in handen? Kunnen we daarmee de naderende dood tegemoet treden vanuit het besef ja te kunnen en te mogen zeggen, vanuit de diepste grond van je hart? Ik zelf ben ervan overtuigd dat in elk mens een grond is waarin je ‘absolute’ vrijheid kunt ervaren, die niemand je kan afpakken, een vrijheid die ten diepste rust in dit ja tegenover jezelf en tegenover het leven en de wereld. De kunst is nu om ja te zeggen, dwars door alle pijn heen, misschien wel helemaal gebouwd op die pijn en op de herinneringen die er altijd al waren en die zullen zijn. Dat jouw leven dan wel eindig is maar dat het niet zinloos was en niet zinloos zal zijn. Zoals de roos ontluikt, bloeit en verwelkt. 

John Hacking 

31 juli 2022

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.