De zwarte herauten

Afbeelding

(Verdriet voorjaar 1997)

LOS HERALDOS NEGROS

Hay golpes en la vida, tan fuertes… Yo no sé!
Golpes como del odio de Dios; como si ante ellos,
la resaca de todo lo sufrido
se empozara en el alma… Yo no sé!

Son pocos; pero son… Abren zanjas oscuras
en el rostro más fiero y en el lomo más fuerte.
Serán talvez los potros de bárbaros atilas;
o los heraldos negros que nos manda la Muerte.

Son las caídas hondas de los Cristos del alma,
de alguna fe adorable que el Destino blasfema.
Esos golpes sangrientos son las crepitaciones
de algún pan que en la puerta del horno se nos quema

Y el hombre… Pobre… pobre! Vuelve los ojos, como
cuando por sobre el hombro nos llama una palmada;
vuelve los ojos locos, y todo lo vivido
se empoza, como charco de culpa, en la mirada.

Hay golpes en la vida, tan fuertes… Yo no sé!

 

 

DE ZWARTE HERAUTEN

Er vallen klappen in het leven, zo’n harde.. . Ik weet niet!

Klappen als van Gods haat; alsof in hun aanschijn,

de branding van al het geledene

de ziel drassig zou maken… Ik weet niet!

Er vallen er weinig; maar ze vallen…

[ Ze trekken donkere groeven

in het hardste gelaat en in de sterkste rug.

Zullen ze misschien de veulens zijn van barbaarse attila’s;

of de zwarte herauten die de Dood ons zendt.

Het zijn de diepe vallen van de Christussen van de ziel,

van een aanbiddelijk geloof belasterd door het Lot.

Deze bloedige klappen zijn het geknisper

van een brood dat voor ons verbrand wordt

[ aan de deur van de oven.

En de mens… Sukkel… sukkel! Hij draait de ogen, zoals

wanneer een schouderklopje ons roept;

hij keert zijn dolle ogen, en al het geleefde

wordt drassig, als een poel van schuld, in onze blik.

Er vallen klappen in het leven, zo’n harde.. . Ik weet niet!

 

Cesar Vallejo

 

 

Dit gedicht kwam bij me boven toen ik nadacht over het ongeluk dat vanmorgen plaatsvond in Nijmegen waarbij een kind overleed, aangereden door een auto. Het fietsje lag nog verkreukeld op de weg, vertelde mijn collega Froukien, toen zij daar minuten moest wachten omdat alle verkeer werd tegengehouden.

“Er vallen harde klappen in het leven, zo’n harde…”

Hoe zullen de ouders en de andere familieleden zich voelen als dit bericht je leven komt binnengestormd en alles wat je dierbaar is opeens voor je ogen in de afgrond dreigt te zinken, je kunt het niet bevatten, het is niet te begrijpen, het is meer dan verschrikkelijk en er zijn geen woorden voor, alleen verbijstering, afschuw, walging, zwart en donker, tot in het diepst van je ziel. Je kind is er niet meer, je kind kun je nooit meer in je armen houden, je kunt nooit meer praten, knuffelen, samen lachen…

Je leven is op slag veranderd. Je leven is op slag een slagveld, een doods land doemt voor je op, grauw, mistig, koud, onerbarmelijk wreed. Waar heb je dit aan verdiend, waarom moest ons, mijn kind dit overkomen?

Gods haat noemt Vallejo het en hij heeft gelijk. Alle woorden over liefde, troost, erbarmen komen te vroeg, ze passen niet in deze context, ze zijn overbodig, koud, harteloos, ze weten niet waar ze over praten. Pas als de haat uitgewoed is, als de pijn zo ver is afgestompt, weggezakt, geleden is (en dat kan lang duren) is er misschien ruimte voor meer licht en meer warmte. Maar nu is het koud, hard en kil. Er is niets dat je kan troosten, er is niets dat verlichting brengt. Je kunt het alleen uitschreeuwen, brullen, janken, tot je geen lucht meer hebt en misschien kan dat al niet omdat je zo verslagen bent dat je geen klank meer kunt uiten.

Ik heb in mijn werk al een aantal kinderen en ouders mogen begraven. Ik heb in mijn eigen biografie deze onheilstijding aan den lijve ervaren. Dit plotselinge geweld van de dood dat je leven binnenstroomt. Daar sta je dan, verbijsterd, je weet niet wat te zeggen. Er zijn geen woorden er is geen troost. Ik heb gezien hoe de schamele overblijfselen van een dierbare echtgenoot werden overhandigd, als het allerlaatste dat gegeven werd: zijn beurs, zijn trouwring, zijn horloge. Het lichaam was ontoonbaar door een ongeluk. Ik heb gezien hoe witte ballonnen werden opgelaten en twee minuscule kistjes in een graf werden gezet – twee te vroeg geboren kinderen, en al deze beelden komen weer boven als ik nadenk over hoe de ouders zich nu moeten voelen bij het horen en ervaren over de dood van hun kind. Het is als het ware in je lichaam opgeslagen, al dit verdriet, al deze emoties, al deze ervaringen. Je kunt er niet van weglopen, je blijven bij je, als aan je huid, diep in je ziel gegrift.

“Er vallen harde klappen in het leven, zo’n harde…”

Kan geloven, kan religie troosten? Kun je steun beleven aan je geloof als je zo hard wordt geslagen? De vraag komt veel te vroeg. Eerst moet al het leed worden uitgelepeld, tot op de bodem ervaren. Eerst moet je door de woestijn van de pijn, eerst moet je huilen en huilen en huilen, alsof het nooit ophoudt. Ben je sterk genoeg om dit te dragen, dit te ondergaan. Dat is nu waar het om draait. En je weet het niet, de tijd zal het leren. En in die tijd kunnen anderen van betekenis voor je zijn, je ondersteunen, je telkens weer uitnodigen om je verdriet te laten zien, om de pijn proberen te delen hoe moeilijk dat ook is. Er is geen God die deze dood kan voorkomen. Er is geen God die ons beschermt tegen het onverwachte, het onheil op onze weg. Er zijn wel mensen om je heen die hun uiterste best kunnen doen, uit liefde, uit betrokkenheid, om samen met jou te lijden. En waar je dan uitkomt. Dat is soms altijd weer anders. Sterkte heb je nodig, veel kracht, maar vooral veel moed en durf om in de donkere nacht te blijven staren.

John Hacking

30 maart 2012

Afbeelding