Studentenpastor op de campus: grensganger zijn – een persoonlijke visie

Afbeelding

In een geseculariseerde samenleving neemt het studentenpastoraat een bijzondere positie in omdat het de boodschap van het evangelie vertaalt voor alle studenten en medewerkers op de campus. Dat niet vanzelfsprekend is blijkt uit de reacties van studenten en medewerkers die niet gelovig zijn maar die wel het programma-aanbod van de Studentenkerk en de gastvrijheid van de organisatie waarderen.  Er zijn voor alle studenten en medewerkers kleurt onze inzet en de vormgeving van ons programma. Als kerkgemeenschap willen wij mensen in de maatschappij inspireren, aanzetten tot rechtvaardig handelen en onderlinge samenwerking. Wij beperken ons hierbij grotendeels tot het werkterrein van de campus hoewel er ook grensoverschrijdingen mogelijk zijn. Wij willen als  “zout zijn” in de huidige context van de universiteit. Zout geeft smaak, het behoedt voor bederf en het vormt zo een krachtig middel om de boodschap van het goede nieuws onder de aandacht te brengen. Vanuit het idee dat wij als christelijke gemeenschap “het levende lichaam van Christus vormen” zijn wij als actoren geroepen en gezonden om dit goede nieuws dat ons door Jezus van Nazareth is voorgeleefd verder te brengen.

De theoloog Paul Tillich heeft een keer opgemerkt dat de grens een vruchtbare plek van inzicht kan worden. Daarom zoeken wij deze grenzen op omdat op het grensvlak van kerk en maatschappij, geloof en scepsis, zingeving en zinloosheid aan de ene kant duidelijk wordt wie wij zijn, waar wij het voor doen en wat we willen bereiken en aan de andere kant wij ons kunnen laten zien als betrokken en bewuste gelovigen die daadwerkelijk iets te bieden hebben op het gebied van verantwoord samenleven en werken. De “blijde boodschap” is geen star geheel van regels en wetten maar een levend organisme dat telkens weer in de praxis van mensen gestalte kan krijgen en hertaald moet worden. “Opdat het woord vruchtbaar wordt en vruchten draagt.” De vruchten worden en zijn zichtbaar in woorden en daden van mensen die hierdoor geraakt worden. Talloze studenten kunnen hierover meepraten die na intensieve ontmoetingen soms fundamentele keuzes maken om hun leven toe te wijden aan dit doel van het verder brengen van het “goede nieuws”.

Op de campus maken wij gebruik van de middelen die ons tot beschikking staan en onze eigen creativiteit om het woord van het evangelie in een eigentijds jasje te presenteren. Ons gebouw is hierbij een troef omdat onze ruimtes als bijna vanzelfsprekend een weerspiegeling vormen van de veelheid van taken en diensten die een kerkgemeenschap kan bieden. Viering en gebed, bezinning en meditatie, stilte en contemplatie, onderlinge ontmoetingen en verdieping, samen eten en gezelligheid, uitwisseling van opvattingen, delen van diversiteit, inzet voor de wereld en de campusgemeenschap, het signaleren van misstoestanden en zaken die verbetering behoeven, het aangaan van samenwerkingsverbanden, het bevorderen van culturele ontmoetingen, een opvang bieden aan studenten met bijzondere vragen, gastvrij zijn in woord en daad, het zijn even zovele aspecten van ons handelen die in onze ruimtes een plek krijgen.

Daarnaast gaan de we “de boer op” en leggen wij contacten met studenten, verenigingen, verbanden op de campus waar wij als pastores een bijdrage kunnen leveren, of waarmee wij onze inzet kunnen versterken om te werken aan een betere wereld. Dat laatste verstaan we breed: we proberen intermediar te zijn in relationele zin (door mensen bij elkaar te brengen met dezelfde belangen en doelen) maar ook in stimulerende zin (door de blijde boodschap ook actueel te laten klinken). Werd in de zestiger en zeventiger jaren een bekende kerkelijke uiting van betrokkenheid op de wereld en de mensen geformuleerd in de drieslag: “heelheid van de schepping, gerechtigheid en vrede” tegenwoordig is de zorg voor een duurzame samenleving (op een breed terrein), ook met betrekking tot het armoede-  en oorlogsvraagstuk en de toegenomen effecten van de globalisering een hot item om aan te werken vanuit de kerken. Dat veel kerkgemeenschappen zich soms beperken tot een vorm van navelstaarderij omdat de interne problemen alle aandacht opeisen doet hier niets aan af. De opdracht die vanuit het evangelie wordt  gegeven luidt “dienstbaar zijn aan mens en wereld” met het oog op het Rijk van God. Dat geeft de richting aan, dat bepaalt de koers. “Levend lichaam van Christus” zijn betekent dan ook brood of tijd delen met hen die een beroep op je doen. Dat gebeurt in pastorale gesprekken en gelovige bijeenkomsten maar vooral ook in ontmoetingen met mensen die niet tot de kerkelijke gemeenschap behoren maar waar je als pastor wel iets voor kunt betekenen op het existentiële vlak, op het terrein van zingeving en verdieping. In die zin blijven we grensgangers die het aanbreken van het Rijk van God binnen de grenzen van de wereld propageren en stimuleren door ons handelen en door onze inzet. In die zin kunnen we spraakmakend worden, een voortrekkersrol vervullen omdat we vervuld zijn van het geloof (vertrouwen) dat onze inzet voor een betere wereld er toe doet. In concrete mensen wordt dit direct duidelijk. In hen ontmoeten wij iets van de sacrale dimensie van het goddelijke als openbaring van een God die zich het lot van mensen aantrekt en die ons oproept hetzelfde te doen in het voetspoor van Jezus van Nazareth. Dat veronderstelt dat wij langs de grenzen durven te blijven wandelen, dat wij ons niet terugtrekken in een veilig oord weg van de “boze buitenwereld”, maar dat wij midden in de wereld en op de campus zichtbaar willen zijn als een lamp die verlicht.

John Hacking

Mede naar aanleiding van een gesprek t.a.v. onze identiteit en werkzaamheid als studentenpastores.

donderdag 29 maart 2012