Landschap en Zen

Als schilder kijk ik naar het landschap met overgave. Overgave in die zin dat ik het landschap niet beschouw als object waarin ik als toeschouwer een zeker plaats met bijbehorend perspectief inneem en waardoor ik me bewust ben van mijn eigen positie, maar als situatie waarin ik opga. Het landschap is een werkelijkheid waar ik deel van uitmaak. Ik hoef dan ook niets, ik hoef het niet uit te beelden, niet weer te geven. Als ik foto’s maak van het landschap is dat om de herinnering eraan vast te houden en in films die ik maak van deze foto’s komt dit landschap voorbij als een reis. Reis door het landschap. Ik gebruik soms foto’s om een landschap te ontwerpen, ik laat me leiden door de foto en fantaseer de rest erbij, beter gezegd, ik laat de kwast zijn werk doen. Een landschap ervaren en een landschap weergeven is niet hetzelfde. Tussen beiden bestaat een grote kloof en die kloof ligt vooral aan mijn kant als toeschouwer, als beschouwer. Zo gauw ik in een object-subject relatie treed ten aanzien van het landschap ben ik het al kwijt. Dan sta ik er buiten en doe ik eigenlijk niet meer echt mee. Het landschap proberen te schilderen alsof het een object is ervaar ik dan ook als een zinloze actie. Dan heb je een object weergegeven en dat is het dan. Daar gaat voor mij geen inspiratie vanuit en het heeft voor mij niks te maken met het gevoel dat je deel bent van het landschap. Vanuit het Zen-Boeddhisme kijkt men hier op een speciale wijze tegenaan. Byun-Chul Han die een klein boekje over de principes van het Boeddhisme heeft geschreven zegt over de kunst geïnspireerd door het Zen-Boeddhisme het volgende:

Jede zen-buddhistisch inspirierte Kunst beruht auf einer singulären Erfahrung der Verwandlung. Ein Zen Wort lautet: »Nachdem ich die Landschaft Hsiao-Hsing erschöpfend betrachtet habe, komme ich mit dem Boot in das gemalte Bild hinein.« Die Landschaft erschöpfend betrachten heißt nicht, sie vollständig erfassen. Einen Gegenstand vollständig erfassen würde bedeuten, sich seiner ganz bemächtigen. Die Landschaft erschöpfend betrachten heißt dagegen, von sich wegsehend sich in die Landschaft versenken. Der Betrachter hat hier die Landschaft nicht als einen Gegen-Stand vor sich. Viel mehr verschmilzt er mit der Landschaft. (pag. 73-74)

Hier vindt iets plaats wat niet vanzelfsprekend is. De toeschouwer wordt deel van het landschap, hij komt binnen in het landschap. Als je zo kunt schilderen dat je als toeschouwer kunt binnentreden ben je een bijzonder vakman. Dan ben je een kunstenaar die de kunst verstaat mensen in zijn werk binnen te laten treden. Alles wat aan de buitenkant van dit werk wordt gezegd en geopperd over financiële waarde van het werk, kortom zaken waarmee de moderne kunsthandel zich vooral bezighoudt, doet afbreuk aan deze ervaring. Want dan is het werk opeens een object en verbeeldt het niet het landschap maar is het iets voor handelaars en verzamelaars. Eigenlijk is dit landschap niet aan hen besteed. Het is hetzelfde als het interieur van een religieus gebouw dat gebruikt werd voor de uitvoering van rituelen verhandelen als koopwaar. Als rituele voorwerpen in een andere context terecht komen worden ze ontwijd. Ze staan dan als het ware leeg en eenzaam in een woestijn van betekenissen en vinden geen aansluiting meer bij de beleving van mensen. In het Zen-Boeddhisme vervalt het onderscheid tussen subject en object en het landschap nodigt ertoe uit om binnen te treden en te ervaren hoe jij zelf deel ervan bent. Byung-Chul Han schrijft:

Zu dem Bild Abendschnee auf dem Land, wo Fluss und Himmel in einander übergehen schreibt Yü-chien: »Die unendliche Weite von Fluss und Himmel ist die unendliche Weite des Herzens. « Das Herz ist hier kein Organ der Innerlichkeit. Es schlägt gleichsam draußen. Seine Weite ist der Weite der Landschaft koextensiv. Fluss und Himmel gehen ineinander über, und strömen in das ent-innerlichte, ent-leerte, niemandige Herz. (pag. 74)

Voor ons westerlingen is het misschien moeilijk te ervaren hoe het voelt om ont-innerlijkt te worden, leeg, een niemand in het landschap. Wij zijn het landschap en het landschap valtsamen met mij. Er is geen onderscheid, geen differgentie tussen het landschap en mezelf. Wat doe jij zelf nog terzake als je gegrepen door het landschap deel ervan bent? Hoezo ego, hoezo zelf, hoezo identiteit? Dat zijn (toch) allemaal illusies, spoken, gedachten, vluchtig als de wind. Geen echt houvast, geen aarde onder je voeten, geen rots waarop je staat. Doen alsof je vanuit je ego, vanuit je subjectiviteit contact hebt met andere ego’s, subjecten, is een illusie. Je hebt natuurlijk wel op de ‘een of andere’ wijze contact maar het contact wordt pas echt en krijgt pas diepgang, een basis, als je de tegenstelling subject-object achter je laat. Als je zelf niet meer vanuit die tegenstelling de ander ervaart als ander. Dan ervaar je dat je ook met de ander diep verbonden bent. Net zoals je deel uitmaakt van het landschap. Als schilder is dit nog niet zo eenvoudig. Laat je hand het penseel voeren en zit er niet met je verstand doorheen te redeneren, te sturen, te bepalen. Want met je ratio komt er niks uit. Dat geldt ook voor echt contact met mensen: zodra je uitgaat van oordelen, vaste patronen, rationele overtuigingen kom je niet ver. Je loopt vast in je eigen gelijk en je bent niet in staat om echt te luisteren. Byung-Chul Han beschrijft prachtig hoe de kunstenaar zijn penseel het landschap laat schilderen:

Yü-chien rahmt sein Bild In die ferne Bucht kommen Segelboote zurück in die Worte ein: »Grenzenloses Land kommt in die Haarspitze des Pinsels herein. Segel sind in den herbstlichen Fluss gefallen und verborgen im abendlichen Dunst. Der letzte Abendschein ist noch nicht erloschen, doch beginnen schon die Lampen der Fischer zu flimmern. Zwei Greise in einem Boot sprechen gelassen vom Land Jiang-nan.« Grenzen-los ist diese Landschaft deshalb, weil sie fließt. Der abendliche Dunst verhüllt die Segel. Vom herbstlichen Fluss ist das Boot kaum zu unterscheiden. Hell und Dunkel vermischen sich. Und wo das grenzenlose Land in die Pinselspitze hineinkommt, ist der Maler die Landschaft. Er malt sich weg in die Landschaft. Der Maler spiegelt die Landschaft niemandig in sich. Die Landschaft malt die Landschaft. Sie führt den Pinsel. Die Landschaft wird so gesehen, wie sie sich selbst sieht ohne die Perspektive des beobachtenden Malers. Der Pinsel, der mit der Landschaft eins wird, ließe keine Distanz zu, in der ein perspektivisches, vergegenständlichendes Sehen möglich wäre. Und wo grenzenloses Land mit der Pinselspitze verschmilzt, ist jeder Pinselstrich die ganze Landschaft. Jeder einzelne Strich atmet das Ganze, die ganze Landschaft von Hsiao-Hsing. Im zen-buddhistischen Landschaftsbild wird eigentlich nichts >gemalt< oder >ausgeführt<. Teile werden nicht zu einem Ganzen diskursiv angehäuft oder zusammengeführt. (pag. 74-75)

Als de schilder wegvalt als bepalende instantie, als stuurder van het proces, als ontwerper, als de schilder de penseel het werk laat doen en als hij zelf er niet tussen gaat staan en zo een positie inneemt kan er iets bijzonders ontstaan. Dat is in mijn ogen de moeilijkste manier van schilderen omdat je ego, je zelf, je gedachten, je voortdurend in de weg kunnen zitten. Ze belemmeren het doorstromen van de energie van het landschap om in verf of inkt/sumi-e gestalte te krijgen.
Ik heb een fascinatie voor sneeuw en mist. Beiden geven het landschap een ander aanzien. Maar als je als schilder dat gevoel wilt weergeven in een schilderij stoot je op veel hindernissen. De voornaamste hindernis is de hoeveelheid. Met verf zichtbaar willen maken wat er voor je ogen zich afspeelt. Hoe je als deel van het landschap kunt ervaren hoe het is om in de sneeuw te staan. Hoeveelheid wil eigenlijk zeggen dat je teveel middelen wilt inzetten om te schilderen. In veel Japanse en Chinese traditionele landschappen is de leegte aanwezig. Weglaten dus, niet invullen van elke ruimte. De leegte is zonder grenzen en de leegte is een speciale manier van ervaren. Ook de dichters worstelen hiermee. Dichters die getuigenis afleggen van die worsteling krijgen mijn aandacht. Dichters die alleen maar met zichzelf bezig zijn als subject en dus eigenlijk als object laat ik meestal links liggen. Leven en dood, de grote thema’s van het menselijk leven spreken mij aan. Het landschap raakt daaraan. De seizoenen, de getijden, maken dit zichtbaar. Poëtisch heeft hier romantische wortels: verlangen naar een landschap om in op te gaan. Dat is in de literatuur. Maar in de schilderkunst keren deze emoties terug. Byung-Chul Han vergelijkt het schrijven met beelden uit de schilderkunst als hij zegt:

Man hat hier nicht mit einer >poetischen< Rede zu tun, es sei denn, poetisch bezeichnet einen Seinszustand, in dem die Klammer der Identität sich lockert, nämlich den Zustand einer besonderen In-Differenz, in dem die Rede gleichsam fließt. Diese fließende Rede antwortet auf die fließende Landschaft der Leere. Im Feld der Leere befreien sich die Dinge aus der Isolierzelle der Identität in eine All-Einheit, in die Freiheit und Ungezwungenheit einer wechselseitigen Durchdringung.
Wie das alles durchdringende Weiß des Schnees taucht es die Dinge in eine In-Differenz. Schwer ist es nämlich, zu unterscheiden zwischen dem Weiss einer Blüte und dem des darauf liegenden Schnees:
„Schnee liegt auf den Blütenrispen des Uferschilfs; schwer ist’s, zu unterscheiden, wo diese anfangen und wo jener aufhört.« Das Feld der Leere ist in gewisser Hinsicht grenzen-los. Innen und Außen durchdringen sich: »Schnee in den Augen, Schnee in den Ohren: genauso ist es, wenn sich einer in der Gegend der Einfarbigkeit [sc. der Leere] aufhält.« (pag. 49-50)

De ervaring van de leegte in het schilderij is niet een ervaring van afwezigheid. Geen leegte waarin men verzinkt en niets meer tegenkomt. Geen kosmische leegte van een zwart gat. De leegte wijst op een niets, een niet ingevuld zijn, een open laten, een witte ruimte in het schilderij die noodzakelijk is om het geheel te ervaren als landschap waar je deel vanuit maakt. Het is ook de leegte in je zelf, het niet willen invullen, niet willen bepalen en controleren. Het is de leegte van het laten gebeuren en niet willen sturen. Het is de leegte van het laten ademen, de lucht die wij inademen en waar we niet bij stil staan omdat het zo vanzelfsprekend is. De leegte voorkomt dat wij vastlopen in een subject-object relatie, dat we verstarren in onze identiteit, ons zo-zijn, ons zelf waargenomen subject. Alsof die waarneming het laatste woord zou hebben. Als deel van het landschap los je op in het landschap, je bent er even niet. In deze vorm van schilderen in het Japanse en Chinese landschap (zoals de landschappen in de citaten) lijkt het misschien of de kleuren door deze leegte er ook even niet zijn maar de schijn bedriegt. Byung-chul Han schrijft:

Die »Einfarbigkeit« der Leere tötet zwar die Farben, die in sich verharren. Aber dieser Tod belebt sie zugleich. Sie gewinnen an Weite und Tiefe oder an Stille. Die »Einfarbigkeit« hat also mit der unterschiedslosen, farblosen oder eintönigen Einheit nichts gemeinsam. Man könnte sagen: Das Weiß bzw. die Leere ist die Tiefenschicht oder der unsichtbare Atemraum der Farben bzw. der Formen. Die Leere taucht sie zwar in eine Art Abwesenheit. Aber diese Abwesenheit erhebt sie zugleich in eine besondere Anwesenheit. Eine massive Präsenz, die nur >anwesend< wäre, würde nicht atmen. Die wechselseitige Durchdringung im Feld der Leere zieht kein gestalt- und formloses Durcheinander nach sich. Sie bewahrt die Gestalt. Leere ist Form: »Meister Yunmen sagte einmal: >Die wahre Leere vernichtet nicht das, was ist. Wahre Leere ist nicht verschieden vom Gestalthaften.<« Die Leere verhindert nur, dass das Einzelne sich auf sich versteift. Sie löst die substanzhafte Starre. Die Seienden fließen ineinander, ohne dass sie zu einer substanzhaften >Einheit< verschmölzen. (pag. 50-51)

Als hoeveelheid het gevaar is, de opvulling, de invulling van elk detail, als er geen leegtes mogen zijn in het geschilderd landschap, dan zegt dat vooral iets over de artiest. Tekeningen en schilderijen van psyhiatrische patiënten legger daar soms getuigenis van af: geen enkel gaatje, geen hoekje dat niet is opgevuld. Een vorm van manisch gedrag om elke lege ruimte in te vullen. Ik vermoed dat dit voorkomt uit een vorm van angst voor die leegte. Een niets dat je kan beheersen, bedreigen, overvallen, en dat je daarom moet afweren, bezweren. In het Zen-Boeddhisme wordt die leegte, dit niets, als vervolmakend ervaren, als basis onder je bestaan, als teken dat je samenvalt met alles en dat je deel uitmaakt van het grote geheel. Geen afscheiding, geen afzondering, geen staan tegenover, maar er deel van zijn. Als patiënten de leegte misschien ervaren als negatie, als ontkenning, als bedreiging, is dat niet zo vreemd in een samenleving waar alles valt onder de noemer subject-object onderscheiding. Als leegte en het niets nooit deel hebben uitgemaakt van je ervaringen, van je staan in de werkelijkheid, omdat alles benoemd moest worden, gekategoriseerd en bepaald, dan is het niet vreemd dat er een angst ontstaat voor het lege, het niets. We kunnen van andere religies leren dat er ook een andere houding mogelijk is en dat dit zelf verrijkend is. Byung-Chul Han haalt Dôgen aan als voorbeeld hoe je ook anders in de werkelijkheid kunt staan:

Im Shôbôgenzô heißt es: »Der erleuchtete Mensch ist wie der Mond, der im Wasser sich spiegelt (wörtlich: wohnt, haust): der Mond wird nicht nass, und das Wasser wird nicht gestört. Obwohl das Licht des Mondes breit und groß ist, wohnt es in einem kleinen Wasser. Der ganze Mond und der ganze Himmel wohnen in einem Tautropfen auf einem Grashalm, in einem einzigen Wassertropfen. Erleuchtung durchbricht das Einzelwesen nicht, genauso wie der Mond das Wasser nicht durchbohrt. Das Einzelwesen stört den Zustand der Erleuchtung nicht, genauso wie ein Tautropfen den Himmel und den Mond nicht stört.«
Die Leere bedeutet also keine Negation des Einzelnen. Die erleuchtete Sicht sieht jedes Seiende in seiner Einzigartigkeit leuchten. Und nichts herrscht. Der Mond bleibt dem Wasser freundlich. Die Seienden wohnen ineinander, ohne sich aufzudrängen, ohne das Andere zu behindern.

Einer Windenblüte
einziger tiefer Kelch atmet
die Farbe des Bergsees …
Buso

Die Leere oder das Nichts des Zen-Buddhismus ist also keine einfache Negation des Seienden, keine Formel des Nihilismus oder des Skeptizismus. Sie stellt vielmehr eine Äußerste Bejahung des Seins dar. Verneint wird nur die substanzhafte Abgrenzung, die gegensätzliche Spannungen erzeugt. Die Offenheit, die Freundlichkeit der Leere besagt auch, dass das jeweilige Seiende nicht nur >in< der Welt ist, sondern in seinem Grunde die Welt ist, in seiner Tiefenschicht die anderen Dinge atmet oder diesen Aufenthaltsräume bereitet. So wohnt in dem einen Ding die ganze Welt. (pag. 51-52)

Het is zoals William Blake dicht: “To see a World in a Grain of Sand, and a Heaven in a Wild Flower. Hold Infinity in the palm of your hand, and Eternity in an hour.” (De aarde schuilt in een korrel zand, het heelal in een bloemblad puur, de oneindigheid in de palm van je hand en de eeuwigheid in een uur.) Om zo te kunnen ervaren is vaak een lange weg te gaan. Loslaten is het devies. Laat het maar gebeuren, ook in het schilderen zelf.

John Hacking
30-11-2019

bronnen:

Han, Byung-Chul, Philosophie des Zen-Buddhismus, Stuttgart 2002, (Reclam), pag 73-75 en pag 51-52

Vgl. Navratil, Leo, Die Künstler aus Gugging, Wien Berlin 1983, (Medusa Verlag)

Geef een reactie

Gelieve met een van deze methodes in te loggen om je reactie te plaatsen:

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.