Leven als spel

De schrijver Friedrich Schiller, die een tijdje geleden leefde (ongeveer 250 jaar), en die veel heeft nagedacht over vrijheid, kunst en invulling van het leven vanuit het beroep als schrijver, ziet in het fenomeen spel de mogelijkheid om invulling te geven aan het leven en daarbinnen aan het begrip vrijheid. Voor hem is kunst een soort vormgegeven vrijheid.  De kunstenaar maakt gebruik van de mogelijkheden die zich aandienen via het materiaal: de kunstenaar vormt de materie en gebruikt daarbij vormen en methodes om het idee dat hij/zij heeft om te zetten in een kunstwerk. Soms is de kunstenaar zo gegrepen door bijvoorbeeld een landschap, of een tragedie, dat hij/zij niet anders kan dan de verfkwast grijpen, of de pen, om het beleefde om te zetten in een schilderij of geschreven drama. Laat de kunstenaar daarbij echter zijn oren te veel hangen naar de geldende mode of de geldende moraal, dan is er sprake van minder vrijheid. De kunstenaar is dan eerder uitvoerder van de zogenaamde ‘goede smaak’, (een algemeen geaccepteerd beleven van kunstwerken): het kunstwerk schuurt niet, het roept alleen maar instemming op, het bevat geen kritische noten. De toeschouwer wordt behaagd en in slaap gesust. Van vrijheid van handelen bij de kunstenaar kun je dan eigenlijk niet meer spreken. Hij/zij kan en durft dan geen thema’s meer aan de orde te stellen die pijnlijk zijn, vragen en kritiek oproepen, die kortom controverse veroorzaken in de samenleving. Toch is dat laatste soms nodig als de bewegingen in de samenleving een kant op gaan die niemand (eigenlijk) graag wil: bijvoorbeeld het overheersen van het nuttigheidsdenken, alles moet nut hebben, het overheersen van een commerciële instelling, alles moet wat opbrengen op economisch terrein, het overheersen van de drang naar afleiding en vermaak, nooit is er een ledig moment waarin niets hoeft en niets moet. De filosoof Rüdiger Safranski beschrijft in een artikel over Schiller hoe deze in zijn tijd vrijheid, kunst en schoonheid beleefde. Hij schetst daarbij de tijd waarin Schiller leefde en wat zijn idealen waren. Hij schrijft over de wereld van de kunst en de vrijheid die daarbinnen kan worden beleefd, het volgende:

In der ästhetischen Welt feiert die Freiheit ihre Feste. Alles kommt heraus, kommt zu sich, zeigt sich so, wie es von sich aus ist, tritt ein in ein Spiel, worin jeder Mitspieler zu seinen besten Möglichkeiten ermuntert wird. Das muss nicht harmonisch sein, es kann auch tragisch enden. Und doch ist es ein Zusammenstimmen des Lebendigen in seinen starken Momenten. So ist eben das Leben, gestaltenreich, gefährlich und schön. Das ist der Schiller’sche Idealismus: wenn die Dinge und Menschen zu sich selbst kommen und in der vollendeten Gestalt ihrer Möglichkeit und Lebendigkeit ihr Spiel des Lebens auffuhren.

De kunstenaar in het bijzonder en de mens in het algemeen hebben de mogelijkheid om deze vrijheid die hun handelen en denken kleurt te ontdekken bij zichzelf. Zij zijn zelf de bron van deze vrijheid, gebaseerd op zelfacceptatie, aanvaarden wie je bent en wat je mogelijkheden zijn. Heb je eenmaal jezelf geaccepteerd, weet je wie je bent, dan ligt de wereld voor je open en kun je leven volgens je eigen opvattingen. Natuurlijk niet willekeurig, niet absoluut autonoom, alsof er geen anderen bestaan, maar in samenspraak en in samen leven met anderen die ook deel uitmaken van de wereld. Jouw subjectiviteit is daarbij een bron van inspiratie maar steeds in relatie met de andere subjecten. Intersubjectiviteit is dus van groot belang voor een harmonieuze samenleving. De nadruk op de eigen subjectiviteit, het eigen zelf, en de vrijheid die je hieraan kunt ontlenen, (een vrijheid die nooit autonoom kan zijn) is een uitvloeisel van de Verlichting waarbij het individu meer nadruk kreeg. De collectieve verbanden waaronder de religieuze instellingen, overkoepelende organisaties waarin het individu slechts weinig ruimte kreeg, zijn nu minder belangrijk. De mens ontdekt zichzelf als subject. Schiller legt hiervan als ooggetuige en als erfgenaam getuigenis af in zijn tijd. Het spel van het leven kan slechts gevoerd worden vanuit een zekere mate van vrijheid die gebaseerd is op de subjectiviteit van het individu. Safranski verwoordt dit zo:

Zur Vollendung bringt Schiller diese Gedanken in seinem wahren Meisterstuck, dem bedeutendsten Werk der ästhetischen Philosophie überhaupt, in den Briefen Über die ästhetische Erziehung des Menschen von 1794. Dort im fünfzehnten Brief findet sich jener Satz, auf den in dieser Abhandlung alles zuläuft und aus dem alles abgeleitet wird, was für Schiller am Kunstschönen von Belang ist. Es handelt sich um eine These mit weitreichenden Konsequenzen für das Verständnis der Kultur im Allgemeinen und der Moderne im Besonderen; eine These auch, mit der Schiller seinen Anspruch, durch ästhetische Erziehung die Krankheit der Kultur kurieren zu können, recht eigentlich begründet. Diese berühmte These lautet: „Um es endlich einmal herauszusagen, der Mensch spielt nur, wo er in voller Bedeutung des Wortes Mensch ist, und er ist nur da ganz Mensch, wo er spielt.”

De mens is dus een speler, hij speelt, en als hij niet kan spelen, is er nauwelijks sprake van menszijn. Menszijn komt dus in de ogen van Schiller overeen met vrijblijvend kunnen spelen, in vrijheid kunnen deelnemen aan verschillende spelen, zonder dat je leven ervan af hangt. Safranski onderschrijft dat dit een uitspraak is met verreikende gevolgen voor het begrijpen van onze samenleving en onze cultuur, speciaal ook onze moderne samenleving. Het spel en het spelen staat namelijk onder druk. De mens speelt niet meer vrijblijvend (genoeg) – hij zit (te vaak) gevangen in een serieuze modus, een harnas waarin nut, geld, prestatie, productie leidend zijn. Ondanks de beloftes ontstaan na de industriële revolutie dat wij met zijn allen minder zouden gaan werken (door inzet van techniek, robots en andere hulpmiddelen) is het tegendeel het geval. De meeste mensen moeten nog hard werken om hun dagelijks brood te verdienen. De meeste mensen hebben nauwelijks invloed op de gang van zaken in de maatschappij waarin zij leven. Mensen met nauwelijks een bestaansminimum bevolken grote delen van onze aarde. Honger heerst alom, droogte, corruptie, mensenrechtenschendingen, en op veel plaatsen ook conflicten en oorlog. Ook in de tijd van Schiller speelt oorlog een belangrijke rol en zijn er velen arm en afhankelijk. En heerst de gedachte dat alles nuttig moet zijn. Schiller constateert in zijn tijd reeds waar het fout gaat. Safranski schrijft, hiernaar verwijzend – ook met het oog op onze tijd:

Wenn das so ist, kann die Kurzformel für den Krankheitsbefund im Umkehrschluss nur lauten: Die Moderne begünstigt nicht mehr den spielenden Menschen und darum droht sie unmenschlich zu werden. Es ist also noch nicht das Entscheidende über die Moderne gesagt, wenn man auf die Folgen der Arbeitsteilung, auf die Fragmentierung des Menschen und die Vorherrschaft der bloß theoretisch-wissenschaftlichen Kultur hinweist. Vielmehr ist die Moderne auch und vor allem eine Kultur, die unter dem Diktat der Nützlichkeit steht. Die Moderne ist ernst, sie spielt nicht, erklärt Schiller, sie hat keinen Sinn für schöne Zwecklosigkeit. Er beschreibt sie als geschlossenes System der Zweckrationalität und der instrumentellen Vernunft, als eine Gesellschaftsmaschine, fast schon als jenes „stählerne Gehäuse”, als welche sie Max Weber ein Jahrhundert später bezeichnen wird: Der Nutzen, schreibt Schiller, „ist das große Idol der Zeit, dem alle Kräfte fronen und alle Talente huldigen sollen. Auf dieser groben Waage hat das geistige Verdienst der Kunst kein Gewicht, und, aller Aufmunterung beraubt, verschwindet sie von dem lärmenden Markt des Jahrhunderts.” Schiller bestimmt den Begriff des Spiels als Freiheit vom Zwang und als Gegensatz zum bloß nützlichen Handeln, genauer: zu einem Handeln, das seinen Zweck nicht in sich selbst, sondern außer sich hat. Was tun wir eigentlich wenn wir spielen?

Spel vindt in onze samenleving plaats op velerlei manier: bijvoorbeeld de rituelen in diverse organisaties, ook religieus, zijn een vorm van spel. Sport is een andere vorm van spel (leren samenspelen en agressie kanaliseren). In plaats van oorlog voeren voetballen we met elkaar. De symbolisering van onze angst voor de dood, voor ziektes en verval (ook in de beeldende kunst, film, het theater, de dans) is een vorm van spel waarbij het ‘naakte realisme’ (namelijk de confrontatie met al deze ellende en onze reactie daarop) wordt gerelativeerd of in een ander daglicht geplaatst. Het kan ons helpen om wat meer afstand te nemen van al deze gruwelijke feiten, het kan ons helpen om er mee om te leren gaan zonder dat we vervallen in wanhoop en cynisme. Safranski verwoordt dit laatste zo:

Wenn man die ernsten Zwänge der Natur, die Triebe also, und die Zwänge der lebensdienlichen und lebenserhaltenden Nützlichkeit unter dem Begriff des Realitätsprinzips zusammenfasst, dann bedeutet “Spiel” befristete Entmachtung des Realitätsprinzips, eine Lockerungsübung für Herz, Sinn und Verstand, welche im Treiben der Triebe und in der Walkmühle der nützlichen Arbeit eingeschränkt und gefesselt sind. Gegen die Gewalt der Triebe bedeutet solche spielerische Lockerung: Zivilisierung, Sublimierung. Gegen den Zwang der lebenserhaltenden Nützlichkeit bedeutet Lockerung: Sinn für das Überflüssige, Hingabe ins Zwecklose oder Selbstzweckhafte, Verspieltheit statt Zielstrebigkeit.

Het nutteloze, het spelen zonder doel, zonder effectbejag, zonder nut voor het een of ander, enkel spelen om het plezier van het spel, dat is vaak ver te zoeken in onze maatschappij. Voetbalwedstrijden ontaarden soms in vechtpartijen, spelers krijgen belachelijke vergoedingen op hun bankconto gestort omdat ze ‘bijzonder’ zijn en boven de middenmoot uitsteken. Sport is op veel vlakken al lang gaan spel meer maar een serieuze business waar miljoenen in omgaan en waar weer anderen de rekening voor moeten betalen zoals de slaaf-arbeiders in Qatar die in de gloeiende hitte voetbalstadions moeten bouwen voor een wereldkampioenschap. Schiller zou trouwens nooit hebben kunnen bedacht welke ontwikkeling de sport als spel zou doormaken of welke spelmogelijkheden door de digitale ontwikkelingen bevorderd zouden worden. Voor Schiller lag de nadruk vooral op de kunst als spel. Safranski vat dit treffend samen met oog voor de huidige maatschappelijke situatie waarin het spel als spel veel meer is gaan betekenen, en niet alleen maar op een positieve wijze:

Die Kunst und das Spiel. Sie gehören zusammen, aber das Spiel umfasst weit mehr als die Kunst. Doch wenn Schiller das Spiel als Therapie der Kultur vorschlagt, denkt er fast ausschließlich an die schönen Künste. Sein Befund, dass die Moderne den spielenden Menschen nicht ermuntert und begünstigt, mag auf das Schicksal der Künste in der bürgerlichen Gesellschaft zutreffen; bedenkt man aber, dass im Zeitalter der elektronischen Massenmedien die Dimension des Spiels sich ungeheuer ausgeweitet hat, muss man zu dem Schluss kommen, dass sich Schillers Utopie der spielenden Gesellschaft auf überraschend banale Weise verwirklicht hat. Im Zeitalter des Fernsehens und der digitalen Bilderfluten verbringt man wachsende Anteile des Lebens in der Welt des Scheins, auch wenn es meist nicht mehr der schöne Schein ist, der da lockt. In den „ernsten” Lebensbereichen der Politik und Ökonomie sind inzwischen auch Spielertypen gefragt und Inszenierungen machen sich überall geltend.

In de politiek lijkt het soms meer om het spel te gaan op de tv: aandacht krijgen voor het eigen standpunt, niet omdat dat zo belangrijk is, maar het gaat enkel om aandacht. Talkshows over allerlei onderwerpen: het spel waarin de spelers kunnen laten zien dat ze meespelen in het debat, de actualiteit, de show-bussiness, de sport, de corona-pandemie, de politiek. Veel is buitenkant, echte analyses ontbreken, want het format is 2-3 minuten. Daarin kun je niet specifiek gedetailleerd en genuanceerd zijn. Programma’s die dieper op en materie ingaan en die meer tijd en vooral ook meer deskundigheid en geld nodig hebben worden wegbezuinigd onder allerlei voorwendsels (ze bereiken geen jong publiek bijvoorbeeld). Zo wordt ons medialandschap een verzameling opportunisten die alleen maar onder het mom van een thema met zichzelf bezig zijn. Een groot narcistisch spel. Safranski stelt dat de strenge realistische kijk op de dingen, de kijk beperkt door de kritiek van wat kan, mag en zou moeten, (een omschrijving van het realiteitsprincipe) verdwijnt achter de horizon van het idee dat het leven en het optreden in het openbaar ook een spel is. Het ‘doen alsof’ dat kenmerkend was voor het esthetische spel, wordt nu ook toegepast op veel andere terreinen van het leven. De media laten dit als beste zien. Hij schrijft:

Die ursprünglich ästhetische Haltung des „als ob” dehnt ihren legitimen Geltungsbereich, wo sie zur Spielregel gehörte, aus. Das Realitätsprinzip verliert seine strenge Miene. Die Medienkultur bewirkt Lockerungen bis hin zur Bereitschaft, sich gehen zu lassen. Traditionelle Verbindlichkeiten lösen sich auf, werden Geschmacksache und der schlechte Geschmack bekommt ein gutes Gewissen. Die Spielfelder erstrecken sich inzwischen fast über den ganzen Raum des gesellschaftlichen Betriebs. Das hat Schiller nicht geahnt und er hatte es sich als Erfüllung seiner Utopie auch nicht gewünscht. Er dachte bei dem Satz „der Mensch ist nur da ganz Mensch, wo er spielt” vor allem an das edle Spiel der Kunst. Als Arzt der Kultur wollte er der Gesellschaft eine Spieltherapie verordnen. Dass die Lust am Spiel aber selbst zu einer Krankheit werden konnte. hat er sich nicht träumen lassen.

Reclames op tv die spelers moeten werven om een financieel gokje te wagen, online-casino’s, bekende sporters die worden ingezet om anderen te verleiden tot gokken, ook op de uitslag van voetbalwedstrijden, het zijn ontwikkelingen waar een prijskaartje aanhangt. (Sommige voetballers verdienen bij door vals spel). Net als met roken worden mensen verslaafd en kost dat de maatschappij heel veel geld. Een overheid die dit toestaat laat de bevolking op een onverantwoorde wijze over aan haar eigen lusten en lasten, alsof alleen de consument zelf in staat is om de goede keuzes te maken. Dat is meestal telkens weer een illusie. De verleiding is vaak te groot, net als de verleiding voor jongeren (en ouderen) om alternatieve en bekende drugs uit te proberen (tijdens een festival of op een feestje). De criminaliteit veroorzaakt door de productie, de verkoop en het consumeren van drugs, zal pas stoppen als er géén verdienmodel meer is en als er géén consumenten meer zijn die zich laten verleiden. Elke gebruiker heeft in feite een (klein) aandeel in de vele doden die er vallen als er afgerekend wordt tussen de bendes die de markt beheersen. Jouw coke-gebruik heeft rechtstreeks te maken met de gruwelijke beelden van opgehangen mensen aan bruggen in Mexico omdat deze criminelen totaal niets – ontziend zijn waar het tegenstanders betreft. De corruptie, veroorzaakt door deze handel in drugs – ook in de Nederlandse samenleving – is erger dan een gezwel. Velen zijn er niet tegen bestand omdat het snelle geld lokt. Wat begon als een spelletje op een feestje, een pilletje hier of daar, een snelle kick, een manier om 5 uur muziek en dans vol te houden, kan ontaarden in een levenshouding die eerder ziekelijk te noemen is. Hoe ga je hierna verder, met en in je leven? Wordt dit de norm, de normale gang van zaken? Als je het even niet ziet zitten, of denkt het niet vol te kunnen houden, of als je vindt dat je beloond moet worden na al je inspanningen op je werk, in je studie, of als compensatie voor relaties die stuk lopen…aan de drank, aan de drugs, aan het gokken, aan het ‘vreten’ slaan? Leven als spel wordt zo een spel met een andere inzet: je gezondheid, je levensmoed, je levenslust, je toekomst staat letterlijk op het spel. Misschien heb je de spelregels niet begrepen, zijn ze niet goed geformuleerd zodat je ze niet goed kent, ga je teveel uit van je eigen ongenoegen, en teveel ook van de verleiding die anderen je voorhouden omdat ze weten dat ze aan jou veel geld kunnen verdienen, wie zal het zeggen? Als je als subject de bron bent van je eigen vrijheid (in relatie met anderen), dan zou je die vrijheid ook anders kunnen inzetten om het spel des levens te leiden, te spelen, te vervolmaken, opdat jij en opdat je relaties met anderen er baat bij hebben. Je hebt alles te verliezen en je kunt heel veel winnen, als je het spel maar goed speelt. En als je het niet alleen kunt, kun je ook anderen vragen je te helpen, kun je afkijken hoe anderen het spel spelen en hoe zij dit tot grote kunst verheffen.

John Hacking

12 mei 2022

Rüdiger Safranski, „Schönheit ist Freiheit in der Erscheinung“. Friedrich Schiller: Der Denker des Schönen und der Freiheit. der blaue reiter 49 (2022): Schöne Theorie, p. 18-21

Homage to Joseph Beuys

3 gedachten over “Leven als spel

  1. Je hebt op een mooie manier verwoord John hoe ons innelijke, spelende kind in onze samenleving in de knel zit.

    Geliked door 1 persoon

  2. John, het mag ook speelser gezegd worden dacht ik. Nu wordt het een brok theorie en helemaal achteraan de praktijk. Stel dat je vanuit je creaties zou vertrekken. Dat laatste lange Duitse citaat, lees dat eens luidop. Lust am Spiel is dan voor mij wel helemaal weg. Verder alle waardering. Ik heb Safranski soms ook even terzijde gelegd en naar het licht buiten gekeken en gezucht…Bitte Beschrankung Herr Safranski geh etwas spielen draussen. Ik geef toe, het kan ook aan mij liggen.

    Like

  3. Je hebt helemaal gelijk. Ik had het ook kort kunnen samenvatten. Volgende keer beter. Safranski is breedsprakig maar ook boeiend hoe hij over dingen schrijft – zijn laatste boek leest zo weg. Dank voor je commentaar.

    Like

Reacties zijn gesloten.