Gedichten rond de dood (20)

Omdat de wereld mijn huis is
heb ik tussen anderen gewoond
heb ik andere klimaten geproefd
ben ik op mijn tocht over de aarde
terug naar de boom in de avond
voor reflektie en ongebreidelde rust
sluit ik langzaam de keten van reizen
voor het licht in mij raakt uitgeblust

Shrinivási


Despedida

Si muero,
dejad el balcón abierto.

El niño come naranjas.
(Desde mi balcón lo veo).

EI segador siega el trigo.
(Desde mi, balcón lo siento).

¡Si muero,
dejad el balcón abierto!

Frederico García Lorca


AFSCHEID

Als ik sterf,
laat de balkondeur open.

De jongen eet sinaasappels.
(Ik zie hem vanaf mijn balkon.)

De maaier maait het graan.
(Ik hoor het vanaf mijn balkon.)

Als ik sterf,
laat de balkondeur open!

Frederico García Lorca

vertaling Bart Vonck


Suicidio

Quizás fue por no saberte la geometría.

El jovencillo se olvidaba.
Eran las diez de la mañana.

Su corazón se iba llenando,
de alas rotas y flores de trapo.

Notó que ya no Ie quedaba,
en la boca más que µna palabra.

Y al quitarse los guantes, caía,
de sus manos, suave, ceniza.

Por el balcón se veía una torre.
Él se sintió balcón y torre.

Vio, sin duda, cómo le miraba
el reloj detenido en su caja.

Vio su sombra tendida y quieta,
en el blanco diván de seda.

Y el joven rígido, geométrico,
con un hacha rompió el espejo,

Al romperlo, un gran chorro de sombra,
inundó la quimérica alcoba.

Frederico García Lorca


ZELFMOORD

(Misschien omdat je niet goed was in meetkunde)

De jongen viel in zwijm.
Om tien uur ’s ochtends.

Zijn hart liep vol
gebroken vleugels en voddige bloemen.

Hij merkte dat er op zijn mond
nog maar een woord overbleef.

En toen hij zijn handschoenen uittrok,
viel er zachte as uit zijn handen.

Vanaf het balkon zag je een toren.
Hij voelde zich zowel balkon als toren.

Ongetwijfeld zag hij hoe de klok
-stokstil onder haar stolp-hem aankeek.

Hij zag zijn schaduw rustig liggen
op de witte divan van zijde.

En de stijve, meetkundige jongen
brak de spiegel met een bijl.

Bij het breken overspoelde een grote
schaduwstraal de schimmige slaapkamer.

Frederico García Lorca

vertaling Bart Vonck


Altijd

De aarde is zwaar, de sterren zijn ver,
en ik ben wentelensmoede,
wilde versintelen als een ster,
moet op en onder spoeden.

De zwarte, dikke wereld rond
laat ik mij onder het gaan
steigeren, kantelen op mijn mond,
opstaan en slapengaan,
opsteigeren, omkantelen op mijn mond,
opstaan, slapen gaan.

En lang nadat ik dood zal zijn
dein ik nog op en neer,
bevonden groot, bevonden klein,
een doodgewankeld heer.

Leo Vroman


HET GEEFT NIET

Het geeft niet dat wij in bed doodgaan
op een schoon kussen
omringd door vrienden

Het geeft niet dat wij doodgaan
de handen op de borst gevouwen
ze zijn wat bleek
zonder schrammen, ongeboeid
zonder vlag of bedelbrief

Het geeft niet dat wij zonder ophef sterven
in een hemd zonder gaten
zonder lijfelijke bewijzen

Het geeft niet dat wij sterven met een wit kussen
en niet een trottoir onder ons hoofd
de hand in de hand van wie wij houden
met een wanhopige arts en verpleegsters om ons heen
wij kunnen alleen elegant afscheid nemen
zonder om belangrijke
dagen te geven
de wereld de wereld te laten
misschien dat ‘anderen’
haar veranderen

Mourid Barghouti

Vertaling: Kees Nijland en Asad Jaber


Aan de overleden, vergeten dichter

(Ter ere van de overleden, ongepubliceerde dichter)

Goed gedaan!
Je hebt gewonnen!
Je hoeft geen spijt te hebben,
jouw ongepubliceerde gedichten
-vergeet het nooit-
zijn niet begraven
zijn niet gebogen
onder de kracht van de tijd.
Als goud
blijven ze
in de aarde.
Ze blijven,
ze smelten nooit,
ze komen misschien laat,
maar ze zullen ooit 
aangeboden worden
aan hun volk
om hun zoete,
eeuwige essentie te schenken.

DIMITRIS P. KRANIOTIS, Griekenland
 
Vertaling uit het Engels Germain Droogenbroodt


VACA

a Luis Lacasa

Se tendió la vaca herida.
Árboles y arroyos trepaban por sus cuernos.
Su hocico sangraba en el cielo.

Su hocico de abejas
bajo el bigote lento de l_a baba.
Un alarido blanco puso en pie la mañana.

Las vacas muertas y las vivas,
rubor de luz o miel de est~ablo,
balaban con los ojos entornados.

Que se enteren las raíces
y aquel niño que afila su navaja
de que ya se pueden corner la vaca.

Arriba palidecen
luces y yugulares.
Cuatro pezuñas tiemblan en el aire.

Que se en tere la luna,
y esa noche de rocas amarillas
que ya se fue la vaca de ceniza.

Que ya se fue balando
por el derribo de los cielos yertos,
donde meriendan muerte los borrachos.

Frederico García Lorca


KOE

Voor Luis Lacasa

De gewonde koe ging liggen.
Bomen en beken klauterden op haar horens.
Haar snuit bloedde aan de hemel.

Haar bijensnuit
onder de trage snor van kwijl.
Een witte gil bracht de ochtend op de been.

De dode koeien en de levende,
blos van licht of stalhoning,
mekkerden met halfgesloten ogen.

Mogen de wortels het weten
en de jongen daar die zijn mes slijpt,
dat ze de koe al kunnen eten.

Daarboven verbleken
lichten en halsaders.
Vier hoeven trillen in de lucht.

Moge de maan het weten
en die nacht van gele rotsen
dat de koe van as al vertrok.

Dat ze al vertrok mekkerend
door het puin van verstarde hemels,
waar dronkaards zich doodvreten

Frederico García Lorca

vertaling Bart Vonck


Niets is wat

Heel even lijkt het. Ze draagt een groene broek en een rode jas.
Ze zou zijn langstlevende clown zijn, dacht hij. Ze neemt
zonder raken, ze kust zonder geluid

ze bergt haar doden
in de stem van de achterblijvers
ze laat hen in het zwart van de rouw.

Enkel het vel om het vel haalt het goud
de strijd is een uitvlucht
ons grote gelijk.

Dat laatste begreep hij niet helemaal. Hij liep door
het oude paradijs en zag haar weer. Geen clown
dacht hij nu, zij is mijn ballerina.

Ze knipoogt net voor hij slaapt
en alles komt goed. Hij dacht aan zijn vader en zijn moeder.
Heel even leek het.

Steven Graauwmans (1972)

uit: Niets is wat (uitgeverij P, 2026)


NIÑA AHOGADA EN EL POZO

Granada y Newburg

Las estatuas sufren con los ojos por la oscuridad de los ataúdes,
pero sufren mucho más por el agua que no desemboca.
… que no desemboca.

El pueblo corría por las almenas rompiendo las cañas de los
pescadores.
¡Pronto! ¡Los bordes! ¡Deprisa! Y croaban Ias estrellas tiernas
… que no desemboca.

Tranquila en mi recuerdo, astro, círculo, meta
lloras por. las orillas de un ojo de, caballo.
… que no desemboca.

Pero nadie en lo oscuro podrá darte distancias, 1
sino a filado límite: porvenir de diamante.
… que no desemboca

Mientras la gen te busca silencios de almohada
tú lates para siempre definida en tu anillo.
… que no desemboca.

Eterna en los finales de unas ondas que aceptan
combate de raíces y soledad prevista.
… que no desemboca

¡Ya vienen por las rampas! ¡Levántate del agua!
¡Cada punto de luz te dará una cadena!
… que no desemboca.

Pero el pozo te alarga manecitas de musgo
insospechada ondina de tu propia ignorancia.
… que no desemboca.

No, que no desemboca. Agua fija en un punto,
respirando con todos sus violines sin cuerdas
en la escala de las heridas y los edificios deshabitados.
¡Agua que no desemboca!

Frederico García Lorca


MEISJE VERDRONKEN IN DE PUT

Granada en Newburg

Standbeelden lijden met hun ogen in donkere doodskisten,
maar ze lijden nog meer door water dat niet in zee stroomt.
… dat niet in zee stroomt.

Het dorp holde op de kantelen en brak de rietstengels van
vissers.
Vlug! Naar de randen! Haast je! En de tere sterren kwaakten.
… dat niet in zee stroomt.

Rustig in mijn herinnering, ster, cirkel, eindstreep,
huil je aan de oevers van een paardenoog.
… dat niet in zee stroomt.

Maar niemand in het donker kan je afstanden geven,
alleen geslepen grens: toekomst van diamant.
… dat niet in zee stroomt.

Terwijl de mensen stiltes van oorkussen zoeken
klop jij voor altijd omschreven in je ring.
… dat niet in zee stroomt.

Eeuwig ben je in het einde van golven die
strijd van wortels en voorziene eenzaamheid aanvaarden.
… dat niet in zee stroomt.

Ze komen al langs de leuningen! Sta op uit het water!
leder lichtpunt geeft je een ketting!
… dat niet in zee stroomt.

Maar de put reikt jou handjes van mos,
onvermoede waternimf van je eigen onwetendheid.
…dat niet in zee stroomt

Nee, dat niet in zee stroomt. Water vast op een punt,
ademend met al zijn snaarloze violen
op de toonladder van wonden en onbewoonde gebouwen.
Water dat niet in zee stroomt!

Frederico García Lorca

vertaling Bart Vonck


Die kind wat doodgeskiet is deur soldate in Nyanga
 
Die kind is nie dood nie
die kind lig sy vuiste teen sy moeder
wat Afrika skreeu; skreeu die geur
van vryheid en heide
in die lokasies van die omsingelde hart
 
Die kind lig sy vuiste teen sy vader
in die optog van die generasies
wat Afrika skreeu; skreeu die geur
van geregtigheid en bloed
in die strate van sy gewapende trots
 
Die kind is nie dood nie
nòg by Langa nòg by Nyanga
nòg by Sharpeville nòg by Orlando
nòg by die polisiestasie in Phillipi
waar hy lê met ’n koeël deur sy kop
 
Die kind is die skaduwee van die soldate
op wag met gewere saraseens en knuppels
die kind is teenwoordig by alle vergaderings en wetgewings
die kind loer deur die vensters van huise en in die harte van moeders
die kind wat net wou speel in die son by Nyanga, is orals
die kind wat ’n man geword het trek deur die ganse Afrika
die kind wat ’n reus geword het reis deur die hele wêreld
 
sonder ’n pas

Ingrid Jonker


OUDERDOM
Er zijn niet bestaande uitvindingen
zoals de ouderdom

Wie er naartoe gaan
nemen hun babytijd mee
pakken de vingers
met kuiltjes
en vertellen verhalen

Ze nemen hun kleine hebbelijkheden mee
trucjes om aan regels te ontsnappen
sluwe, veelbetekenende blikken
plannen voor komende dagen
verwijten aan een vriend
klachten over onverdraaglijke dingen
en personen
meningen over een eerdere bijeenkomst
of over de volgende verkiezingen

Ik heb gezien dat ze
tot op hun doodsbed
willen dat we met hen spelen
dat ze tegen één of andere vijand vechten
ideeën of mensen wantrouwen
dat hun handen blij de telefoon grijpen
als ze een geliefde naam horen
of
theatraal loom gebaren
“zeg dat hij slaapt”

Ze geven de gebruikelijke bevelen
pikken een sigaret van hun bezoek
die ze onder hun kussen verstoppen

Ze praten over hun plannen
ze begrijpen je niet
en maken ruzie tot je de kamer wordt uitgezet

Ze nemen hun manier om de ‘r’ te zeggen
met zich mee
en hun behoefte aan bewondering
hun gewoonte om iemand te onderbreken
ze pakken hun sloffen
hun gewoonten en geliefden
hun scheerapparaat – een poederdoos
en alles wat ze op de laatste reis
niet nodig hebben

Zelfs wij
die van hen houden
en die vanaf onze komst op de wereld
meenden dat de wereld uit hen bestond
en uit aarde, lucht en sterren  
wij wilden toen het zover was
mee naar de andere wereld
net zoals wij vroeger vroegen
naar een pretpark te gaan
maar zij weigerden
met slimme uitvluchten
en om redenen die zij alleen kennen
ons mee te nemen

Mourid Barghouti

Vertaling: Kees Nijland en Asad Jaber


Ode aan Lieke Marsman

sommige vrouwen zijn zeldzame strijders
die onbevreesd het stormoog inlopen
aan hun zij een gratie die geen tijd erkent 

sommige worden machtige moeders van gebaarde wezens
wilde bloemen
van drinkende hondjes

anderen zijn heksen die achter gordijnen heldere huivering
herintroduceren in een arena vol mannen
hier is falen geen optie

weer anderen zijn geboren als vermomde magiërs
die onverschrokken elk woord de geur van vanille geven
met een feilloze tong tegen hun gehemelte 

en weer anderen zijn profeten die uitbundig spreken met de dood
terwijl zomers op hun deuren kloppen
duisternis op hun schouders fluistert 

de laatste soort vrouwen die dromen van verboden affiches
in verregende steegjes
oog in oog met het sublieme

een zeldzame soort zoals jij Lieke
was ze allemaal

Nisrine Mbarki Ben Ayad


VENUS

Así te vi

La joven muerta
en la concha de la cama,
desnuda de flor y brisa
surgía en la luz perenne.

Quedaba el mundo,
lirio de algodón y sombra,
asomado a los cristales
viendo el tránsito infinito.

La joven muerta,
surcaba el amor or dentro.
Entre la espuma de las sábanas
se perdía su cabellera.

Frederico Garcia Lorca


Venus

Zo zag ik je

Het dode meisje
in de schelp van het bed;
naakt van bloem en bries
verrees ze in onvergankelijk licht.

De wereld bleef achter,
lelie van katoen en schaduw;
en leunde door het raam
en zag de oneindige overgang.

Het dode meisje
doorsneed de liefde vanbinnen.
Haar haardos verdween
in het schuim van de lakens.

Frederico Garcia Lorca


Ik loop de dag in de vogels lang gezwegen
ruisen hun lied als palmen allerwegen
zuiveren de lucht van het bloederig verleden

ik loop de dag in en de karmozijnen morgen
versterkt mij als het bloed der martelaren
dat zaad en toekomst werd voor deze aarde

tot aan de dood echter overschaduwt
je dood vanaf nu, onafscheidelijk
de dag van mijn geboorte

Shrinivási


Lieke

Er is een vrouw die de eerste letter kende van alles,
van angst, van adem, van gewicht.
Ze wist dat een aangevochten lichaam en een uitgeputte wereld dezelfde wortels hebben. Ze tekende de verbinding. Ze gaf de lijn een naam. Wij leven nu in die naam.

Het leven ingeklapt in bundels, tijd ingeklapt in taal.
Ergens dragen planeten die wij nog geen naam hebben gegeven
een handschrift dat op het hare lijkt.
Alles wat niet meer kon, is daar toch aangekomen.

Ik zoek haar in de taal.

Gershwin Bonevacia


III DEBUSSY

La sombra manda a mi cuerpo
reflejos de cosas quietas.

Mi sombra va como inmenso
cínife color violeta.

Cien grillos quieren dorar
la luz de la canavera. •

Una luz nace en mi pecho,
reflejado, de la acequia.

Frederico Garcia Lorca


III DEBUSSY

Mijn schaduw loopt stil
over het water van de sloot.

Door mijn schaduw zijn de kikkers
van sterren verstoken.

De schaduw biedt mijn lichaam
weerspiegelingen van kalme dingen.

Mijn schaduw loopt als een reusachtige
paarskleurige mug.

Honderd krekels willen het licht
van het rietveld vergulden.

Een licht ontstaat in mijn borst,
weerspiegeld, van de sloot.

Frederico Garcia Lorca


’s middags om halfvijf

de zwartkop met zijn Japans;
een spuugvlek op het asfalt,
amoebe-achtig, de lege blik
van de blaar in het midden, tot die knapt.

korporaal snedewind is in de trein
in slaap gevallen, merkt niet dat de kleur
van de gordijnen dezelfde is
als die van zijn camouflagepak.

in het eikenbos test de uil
zijn nachtkijker en doctor kraai
schiet zijwaarts de bosjes in.
een jongen zwaait naar de zeilboot,

want naar boten moet worden gezwaaid,
en het nationaal genootschap ter bescherming
van vossen begint aan zijn jaarvergadering.
terwijl de drinker in de kroeg

de olympische kringen telt van zijn laatste
biertjes op de tafel (nee, vijf?),
de man van de volkstuin op de hoek
staat als een leeuwentemmer tussen de zonnebloemen,

in het huis van de dode horlogemaker
tikken alle klokken nog steeds —
meer eeuwigheid kun je niet krijgen
’s middags om halfvijf.

Jan Wagner

uit: stenen & aarde (PoëzieCentrum, 2026)


NARCISO

Niño,
¡Que te vas a caer al rio!

En lo hondo hay una rosa
y en la rosa hay, otro río.

¡Mira aquel pájaro! ¡Mira
aquel pájaro amarillo!

Se me han caído los ojos
dentro del agua.

¡Dios mío!
¡Que se resbala! ¡Muchacho!

…y en la rosa estoy yo mismo

Cuando se perdió en el agua,
comprendí. Pero no explico

Frederico Garcia Lorca


Narcissus

Jongen.
Straks val je nog in ’t water!

In het diepe ligt een roos
en in de roos nóg een rivier.

Kijk daar, die vogel! Kijk
naar die gele vogel, daar!

Mijn ogen zijn in het water
gevallen.

Mijn God!
Hij glijdt uit! Kerel!

…en in de roos lig ikzelf.

Toen hij in het water verdween,
begreep ik. Maar verklaren, neen.

Frederico Garcia Lorca

vertaling Bart Vonck


wilde dood

wie aan het woord is mag uitspreken
maar je wilde zeggen dat je het niet verstaat
vanwege het verkeer dat voorbij raast
een lijst van gehechtheden
hoe je bestaat
vandaag vertrek ik met pijn in het hart maar zoek niet naar mij het is al laat
tegelijk met het afscheid ontelbare feiten
die als hyfen door zwarte aarde flitsen
in een benijdenswaardig ecologisch bindweefsel
bedoel je dat grommen op de achtergrond?
gewoon niet op letten
wat er echt toe deed bestond helemaal niet in het dagelijks leven
je duwt de gedachte weg
noem je de laag net onder het oppervlak humus?

marwin vos


III Calles y sueños

A Rafael R. Rapún

U pájaro de papel en el pecho
dice que el tiempo de los besos
no llegado.

Vicente Aleixandre

DANZA DE LA MUERTE

El mascarón. Mirad el mascarón
Cómo viene del África a New York

Se fueron los árboles de la pimienta,
los pequeños botones de fósforo.
Se fueron los camellos de carne desgarrada
y los valles de luz que el cisne levantaba con el pico.

Era el momento de las cosas secas,
de la espiga en el ojo y el gato laminado,
del óxido de hierro de los grandes puentes
y el definitivo silencio del corcho.

Era la gran reunión de los animales muertos,
traspasados por las espadas de la luz;
la alegría eterna del hipopótamo con las pezuñas de ceniza
y de la gacela con una siempreviva en la garganta.

En la marchita soledad sin onda
el abollado mascarón danzaba.
Medio lado del mundo era de arena
mercurio y sol dormido el otro medio.
El mascarón. ¡Mirad el mascarón!
Arena, caimán y miedo sobre Nueva York

Desfiladeros de cal aprisionaban un cielo vacío
donde sonaban las voces de Ios que mueren bajo el guano.
Un cielo mondado y puro idéntico a sí mismo,
con el bozo y lirio agudo de sus montañas invisibles,

acabó con los más leves tallitos del canto
y se fue al diluvio empaquetado de la savia,
a través del descanso de los últimos desfiles,
levantando con el rabo pedazos de espejo.

Cuando el chino lloraba en el tejado
sin encontrar el desnudo de su mujer
y el director del banco observando el manómetro
que mide el cruel silencio de la moneda,
el mascarón llegaba al Wall Street.

No es extraño para la danza
este columbario que pone los ojos amarillos.
De la esfinge a la caja de caudales hay un hilo tenso
que atraviesa el corazón de todos los niños pobres.
El ímpetu primitivo baila con el ímpetu mecánico,
ignorantes en su frenesí de la luz original.
Porque si la rueda olvida su fórmula,
ya puede cantar desnuda con las manadas de caballos:
y si una llama quema los helados proyectos,
el cielo tendrá que huir ante el tumulto de las ventanas.

No es extraño este sitio para la danza, yo lo digo
El mascarón bailará entre columnas de sangre y de números,
entre huracanes de oro y gemidos de obreros parados
que aullarán, noche oscura, por tu tiempo sin luces
¡oh salvaje Norteamérica!, ¡oh impúdica!, ¡Oh salvaje,
tendida en la frontera de la nieve!
El mascarón. ¡Mirad el mascarón!
¡Qué ola de fango y luciérnaga sobre Nueva York!

Yo estaba en la terraza luchando con la luna.
Enjambres de ventanas acribillaban un muslo de la noche.
En mis ojos bebían las dulces vacas de los cielos.
Y las brisas de largos remos
golpeaban los cenicientos cristales de Broadway.

La gota de sangre buscaba la luz de la yema del astro
para fingir una muerta semilla de manzana.
El aire de la llanura, empujado por los pastores,
temblaba con un miedo de molusco sin concha.

Pero no son los muertos los que bailan,
estoy seguro.
Los muertos están embebidos, devorando sus propias manos.
Son los otros los que bailan con el mascarón y su vihuela;
son los otros, los borrachos de plata, los hombres fríos,
los que crecen en el cruce de los muslos y Hamas duras,
los que buscan la lombriz en el paisaje de las escaleras,
los que beben en el banco de lágrimas de niña muerta
o los que comen por las esquinas diminutas pirámides del alba;

¡Que no baile el Papa!
¡No, que no baile el Papa!
Ni el Rey,
ni el millonario de dientes azules
ni las bailarinas secas de las catedrales
ni constructores, ni esmeraldas, ni locos, ni sodomitas.
Sólo este mascarón,
este mascarón de vieja escarlatina,
¡sólo este mascarón!
Que ya las cobras silbarán por los últimos pisos,
que ya las ortigas estremecerán patios y terrazas,
que ya la Bolsa será una pirámide de musgo,
que ya vendrán lianas después de los fusiles
y muy pronto, muy pronto, muy pronto.
¡Ay, Wall Street!

El mascarón. ¡Mirad el mascarón!
¡Cómo escupe veneno de bosque
por la angustia imperfecta de Nueva York!

Diciembre 1929

Frederico Garcia Lorca


DANCE OF DEATH

The mask. Look at the mask!
It’s coming from Africa to New York!

The pepper trees are all gone,
the tiny buds of phosphorus with them.
The camels made of torn flesh are gone
and the valleys of light the swan carried in bis bill.

lt was the time of dried things,
of the wheat-beard in the eye, and the flattened cat,
of rusting iron on the giant bridges
and the absolute silence of cork.

lt was the grand reunion of the dead animals,
cut through by blades of light;
the eternal joy of the hippopotamus with bis hoofs of ash,
and the gazelle with an everlasting in its throat.

In the withered solitude without waves,
the dented mask was dancing.
One half of the world was made of sand,
the other half was mercury and the sun asleep.
The black mask. Look at the mask!
Sand, crocodile, and fear over New York!

Mountain passes of lime were walling in the empty sky;
you heard the voices of those dying under the dung of birds.
A sky, clipped and pure, exactly like itself,
with the fluff and sharp-edged lily of its invisible mountains,
has killed the most delicate sterns of song,
and gone off to the flood crowded with sap,
across the resting time of the final marchers,
lifting bits of mirror with its tail.

While the Chinaman was crying on the roof
without finding the nakedness of his wife,
and the bank president was watching the pressure-gauge
that measures the remorseless silence of money,
the black mask was arriving at Wall Street.

This vault that makes the eyes turn yellow
is not an odd place for dancing.
There is a wire stretched from the Sphinx to the safety
deposit box
that passes through the heart of all poor children.
The primitive energy is dancing with the machine energy,
in their frenzy wholly ignorant of the original light.
Because if the wheel forgets its formula,
it might as well sing naked with the herds of horses;
and if a Hame burns up the frozen plans
the sky will have to run away from the roar of the windows.

This place is a good place for dancing, I say this truth,
the black mask will dance between columns of blood and
numbers,
between downpours of gold and groans of unemployed workers
who will go bowling, dark night, through your time without
stars.·
O savage North America! shameless! savage,
stretched out on the frontier of the snow!

The black mask! Look at the black mask!
What a wave of filth and glow worms over New York!

I was out on the terrace fighting with the moon.
Swarms of windows were stinging one of the night’ s thighs.
The gentle sky-cows were drinking from my eyes.
And winds with immense oars
were beating on the ash-colored lights of Broadway.

A drop of blood was looking for the light at the yolk of
the star
in order to imitate the dead seed of an apple.
A wind from the prairies, pushed along by the shepherds,
shivered with the fear of a mollusk with no shell.

But the dead are not the ones dancing,
I’m sure of that.
The dead are totally absorbed, gobbling up their own hands.
lt’s the others who have to dance with the black mask and its
guitar;
it’s the others, men drunk on silver, the frosty men,
those who thrive at the crossroads of thighs and mineral fires,
those who are searching for the worm in the landscape of
staircases,
those who drink the tears of a dead girl in a bank vault,
or those who eat in the corners the tiny pyramids of the dawn.

I don’t want the Pope to dance!
No, I don’t want the Pope to dance!
Nor the King,
nor the millionaire with his blue teeth,
nor the withered dancers of the cathedrals,
nor the carpenters, nor emeralds, nor madmen, nor corn-holers.
I want this mask to dance,
this mask with its musty scarlet,
just this mask!

Because now the cobras will whistle on the highest floors,
and the stinging weeds will make the patios and terraces
tremble,
because the stock market will be a pyramid of moss,
because the jungle creepers will come after the rifles
and soon, soon, very soon!
Look out, Wall Street!

The mask, the mask. Look at the mask!
How it spits the poison of the forest
over the faulty pain of New York!l

December 1929

Frederico Garcia Lorca

vertaling Robert Bly


III Straten en dromen

Voor Rafael R. Rapún

Een vogel van papier op de borst
zegt dat de tijd van de kussen niet is gekomen.

Vicente Aleixandre

DANS VAN DE DOOD

Het grote masker. Kijk naar het masker
en hoe het uit Afrika naar New York komt.

Verdwenen zijn de peperboompjes,
de zwavelknopjes.
Verdwenen de kamelen met stukgereten vlees
en de lichtvalleien die de zwaan met zijn snavel optilde.

Het was het moment van de dorre dingen:
van de korenaar in het oog en de geplette kat;
van het ijzerroest op de grote bruggen
en de definitieve stilte van de kurk.

Het was de grote samenkomst van de dode dieren
door de zwaarden van het licht doorboord.
De eeuwige vreugde van het nijlpaard met z’n gespleten hoeven
van as
en van de gazel met een strobloem in zijn keel.

In de verwelkte rimpelloze eenzaamheid
danste het gedeukte masker.
De ene helft van de wereld was van zand,
van kwikzilver en slapende zon de andere helft.

Het masker. Kijk naar het masker!
Zand, kaaiman en angst over New York.

Kalken bergengtes hielden een lege hemel in hun greep
waarin de stemmen weerklonken van wie sterven onder
zeevogelmest.
Een schoongewaaide en zuivere hemel, aan zichzelf gelijk,
met het jonge dons en de spitse lelie van zijn onzichtbare bergen,
haalde de lichtste steeltjes van het lied neer
en vertrok naar de ingepakte stortvloed van het levenssap,
door de rust van de laatste profielen heen,
en met zijn staart tilde hij spiegelscherven op.

Toen de Chinees huilde op het dak
maar het naakte lijf van zijn vrouw niet vond,
en de bankdirecteur de manometer aflas
die de wrede stilte van het geld meet,
toen arriveerde het grote masker in Wall Street.

Geen vreemde plek voor de dans,
dit columbarium dat ogen geel kleurt.
Van sfinx naar schatkist loopt een strak koord
die het hart van alle arme kinderen doorboort.
Primitieve drift danst met mechanische drift
en in hun razernij kennen zij het oorspronkelijke licht niet.
Want als het rad zijn formule vergeet
kan het al naakt met de paardenkudden dansen;
en als een vlam de bevroren projecten verzengt
moet de hemel vluchten onder het tumult van vensters.

Geen vreemde plek voor de dans. Ik zeg het.
Het masker zal dansen tussen zuilen van bloed en getallen,
tussen orkanen van goud en het kermen van werkloze arbeiders
die zullen janken, donker de nacht, in je lichtloos seizoen.
O verwilderd Amerika, o zedeloze! O verwilderde!
Uitgestrekt op de sneeuwgrens.

Het masker! Kijk naar het masker!
Wat een golf van slijk en glimwormen over New York!

Ik stond op het terras met de maan te vechten.
Zwermen vensters doorzeefden een dij van de nacht.
Zachte hemelkoeien dronken uit mijn ogen
en briezen striemden met hun lange riemen
de asgrijze ruiten van Broadway.

De bloeddruppel zocht het licht van de dooier van de ster
om een dood appelpitje te veinzen.
De wind van de vlakte, door herders gestuwd,
beefde van schrik als een weekdier zonder schelp.

Maar het zijn de doden niet die dansen.
Dat weet ik zeker.
De doden staan doorweekt en vreten hun eigen handen op.
Het zijn de anderen die dansen met het masker en zijn vihuela.
Het zijn de anderen, ze zijn zilverzat, de kille mensen,
die slapen op het kruispunt van dijen en harde vlammen,
die de worm in het trappenlandschap zoeken,
die op de bank dodemeisjestranen drinken
of die in uithoeken piepkleine piramiden van dageraad eten.

De Paus mag niet dansen!
Nee, de Paus mag niet dansen!
En ook de Koning niet;
de miljonair met blauwe tanden niet,
de dorre danseressen van de kathedralen niet,
de bouwers niet, noch de smaragden, de gekken of de sodomieten.
Alleen dat masker.
Dat masker van oud scharlaken.
Alleen dat masker!

Want cobra’s zullen al sissen op de laatste etages.
Want brandnetels doen al patio s en terrassen huiveren.
Want de Beurs wordt al een piramide van mos.
Want na de geweren zullen en al lianen komen
en zeer vlug, zeer vlug, zeer vlug.
Ay, Wall Street!

Het masker. Kijk naar het masker!
Zie hoe het oerwoudgif uitspuwt
over de onvoltooide angst van New York!

Frederico Garcia Lorca

vertaling Bart Vonck


A DEATH FORETOLD

Sometimes, the pain and the sorrow return
particularly at night.
I will grieve again and again tomorrow
for the memory of a death foretold.
I grieve again tomorrow
cull a flower across the yard
listen to the birds in the tree.

I grieve again tomorrow
for a pain that grows on
a pain a friend of my solitude
in a bed long emptied by choice;
I grieve again this grievance
immemorial for
this pain
this load under which I wreathe and grieve

Yesterday I could not go
for my obligatory walk,
instead I used the hour
to recall the lanes, the trees
the birds, the occasional snarling dog
the brown sheep in a penned field
the dwarf mango tree heavy with fruit
the martian palms tall and erect
the sentry-pines swaying
in a distant field.

I believe in the possibility of freedom
in the coming of the bees in summer
in mild winters and furious hurricanes;
I believe in the arrival of American tornadoes
before I go to hunt
on that island of youth
where I smelt the heady smell
of the wild guinea fowl
and heard her chuckle for her child
in the opening light of an April day.

I believe in hope and the future
of hope, in victory before death
collective, inexorable, obligatory;
in the enduring prospect of love
though the bed is empty,
in the child’s happiness
though the meal is meagre.
I believe in light and day
beyond the tomb far from the solitude
of the womb, and the mystical might,
in the coming of fruits
the striped salmon and the crooked crab;
I believe in men and the gods
in the spirit and the substance,
in death and the reawakening
in the promised festival and denial
in our heroes and the nation
in the wisdom of the people
the certainty of victory
the validity of struggle.

Beyond the fields and the shout
of the youth, beyond the pine trees
and the gnarled mangoes
redolent of childhood and prenativity,
I am affronted by a vision
apparitional, scaly
lumbering over a wall
raising a collosal bellow.
His name is struggle.
He is may comrade and my brother
intimate, hurt, urgent
and enduring.

I will not grieve again tomorrow.
I will not grieve again

Kofi Awoonor


EEN VOORSPELDE DOOD

Soms komen de pijn en de zorgen terug
vooral ’s nachts
Morgen zal telkens weer treuren
over de herinnering aan een voorspelde dood.
Morgen zal ik weer treuren
op het erf een bloem plukken
luisteren naar de vogels in de boom.

Ik treur morgen weer
over een pijn die doorgroeit
een pijn een vriend van mijn eenzaamheid
in een bed uit eigen wil lang verlaten;
Ik treur weer over deze treurnis
onheuglijk voor
deze pijn
deze last waaronder ik kronkel en treur

Gisteren kon ik niet naar buiten
voor mijn verplichte wandeling,
in plaats daarvan gebruikte ik het uur
om de weggetjes, de bomen op te roepen
de vogels, de enkele grommende hond
de bruine schapen op een omheind veld
de dwerg mangoboom zwaar van vruchten
de martiale palmen hoog en recht
de schildwachtsparren zwaaiend
in een afgelegen veld.

Ik geloof in de mogelijkheid van vrijheid
in de komst van de bijen als het zomert
in zachte winters en woedende orkanen;
Ik geloof in de komst van Amerikaanse tornado’s
voordat ik op jacht ga
op dat eiland van mijn jeugd
waar ik de opwindende geur rook
van het wilde parelhoen
en haar hoorde klokken voor haar kind
in het eerste licht van de aprildag.

Ik geloof in hoop en de toekomst
van hoop, in overwinning voor de dood
collectief, onverbiddelijk, onvermijdelijk;
in de duurzame verwachting van liefde
al is het bed leeg,
in het geluk van het kind
al is het maal karig.
Ik geloof in het licht en de dag
achter het graf ver van de eenzaamheid
van de baarmoeder en de mystieke macht
in het rijpen van vruchten
de gestreepte zalmen de dwarse krab;
ik geloof in de mens en de goden
in de geest en de stof,
in de dood en de wederopstanding
in het beloofde feest en de ontkenning
in onze helden en de natie
in de wijsheid van het volk
de zekerheid van de overwinning
de geldigheid van de strijd.

Achter de velden en de roep
van de jeugd, achter de sparren
en de knoestige mango’s
geurend naar kindertijd en ongeborenheid,
word ik getart door een spookachtig
geschubt visioen,
dat log over een muur kruipt
onder een verschrikkelijk gebrul.
Zijn naam is strijd.
Hij is mijn kameraad en mijn broeder
vertrouwd, gekwetst, ongeduldig
en duurzaam.

Ik zal morgen niet weer treuren.
Ik zal niet meer treuren.

Vertaling: Bob den Uyl


Regeneratie

Ieder gedicht
dat ik schrijf
is het laatste
is mijn dood.

Dan smelt mijn gezicht
bijzonder groot
uit in mijn lijf,
in mijn schoot.

Als ik wegloop
mors ik een hoop
dode manen
en kruip-organen,

en ikzelf dool,
zo dun dan
zo fijn van vrees
als een chinees
symbool
voor ‘man’,

(één lijn
voor gebaar
en één voor voet,
waaruit bij mij
nog wat inkt bloedt)

heen.
schaamte: het oor
groeit het eerst weer aan,
spitst, st: leest iemand dit voor?
Dan zwelt een oogbal,
ontluikt en tuurt: weent iemand al?
En dan spruit bang mijn ellendige
bonzende inwendige uit.

Om zich te bevredigen
staat daar dan
vlak achter de lezende
een geheel volledige
dodelijk vrezende 

Leo Vroman.

uit: ‘Uit slaapwandelen’
Amsterdam Querido 1957  


VI

Introducción a la muerte
Poemas de la soledad en Vermont

Para Rafael Sánchez Ventura

MUERTE

A Isidoro de Blas

¡Qué esfuerzo!
¡Qué esfuerzo del caballo
por ser perro!
¡Qué esfuerzo del perro por ser golondrina!
¡Qué esfuerzo de la golondrina por ser abeja!
¡Qué esfuerzo de la abeja por ser caballo!
Y el caballo,
¡qué Hecha aguda exprime de la rosa!,
¡qué rosa gris levanta de su belfo!;
y la rosa,
qué rebaño de luces y alaridos
ata en el vivo azúcar de su tronco!;
y el azúcar,
¡qué puñalitos sueña en su vigilia!;
y los puñales diminutos
¡qué luna sin establos, qué desnudos,
piel eterna y rubor, andan buscando!
Y yo, por los aleros,
¡qué serafín de llamas busco y soy!
Pero el arco de yeso,
¡qué grande, qué invisible, qué diminuto!,
sin esfuerzo.

Frederico Garcia Lorca


DEATH

For Rafael Sánchez Ventura

So much effort!
Effort the horse makes to be a dog!
Effort the dog makes to be a swallow!
Effort the swallow makes to be a bee!
Effort the bee makes to be a horse!
And the horse,
what a sharp arrow it presses out of the rose!
What a gray rose it lifts up from its teeth!
And the rose,
what a mob of lights and barks
it ties into the living sugar of its treetrunk!
As for the sugar,
what tiny daggers it dreams of while awakel!
And the tiny daggers,
what a moon without mangers, what naked bodies-
with skin eternal and blushing-they look and look for!
And I, when I am on the roof,
what a pure seraphim of fire I want to be and I am!
But this plaster arch,
how immense it is, how invisible, how tiny,
no effort at all.

Frederico Garcia Lorca

vertaling Robert Bly


VI Inleiding tot de dood
Gedichten van de eenzaamheid in Vermont

Voor Rafael Sánchez Ventura

DOOD

Voor Isidoro de Blas

Wat een moeite,
wat een moeite heeft het paard
om hond te worden!
Wat een moeite heeft de hond om zwaluw te worden!
wat een moeite heeft de zwaluw om bij te worden!
wat een moeite heeft de bij om paard te worden!
En het paard,
wat een scherpe pijl perst hij uit de roos!
wat een grijze roos tilt hij op met zijn snuit!
en de roos,
wat een kudde van lichten en kreten
strikt zij in de pittige suiker van haar steel!
en de suiker, van wat voor dolkjes droomt hij in zijn waken!
en de minuscule dolken,
naar wat voor maan zonder stallen, naar wat voor naakten,
eeuwige huid en glans, gaan zij op zoek!
En ik op de dakranden,
wat voor vlammende serafijn zoek en ben ik!
maar de gipsen poortboog,
zo groot, zo onzichtbaar, zo piepklein!
moeiteloos.

Frederico Garcia Lorca

vertaling Bart Vonck


IK HEB GEEN PROBLEMEN
Als ik naar mezelf kijk . . . ik heb geen problemen
ik zie er goed uit. Voor sommige meisjes
ben ik aantrekkelijk met mijn grijze haar
mijn bril is perfect
mijn temperatuur is precies zevenendertig graden
mijn overhemd is gestreken, mijn schoenen doen geen pijn
ik heb geen problemen

Mijn handen zijn niet gebonden. Mijn tong zwijgt nog niet
tot nu ben ik niet veroordeeld
of heb ik ontslag gekregen
ik mag mijn familieleden in de gevangenis bezoeken
en ook die in het buitenland zijn begraven
ik heb geen problemen

Het verbaasde mij niet dat mijn vriend een hoorn op zijn hoofd kreeg
ik houd van zijn gave de staart onder zijn kleren te verstoppen
en bewonder de rust van zijn klauwen
hij kan me doden, maar ik zal hem vergeven. Hij is mijn vriend
hij zal me soms pijn doen
ik heb geen problemen

De lach van de omroeper op de televisie maakt me niet ziek
ik ben eraan gewend dat mannen in kaki mensen als ik aanhouden
’s nachts en overdag daarom
heb ik mijn persoonsbewijs bij me tot in het zwembad
ik heb geen problemen

Mijn dromen namen gisteravond de nachttrein
ik kon geen afscheid van ze nemen
ik kreeg bericht dat de trein in een onbegroeide vallei was ontspoord
(van alle passagiers had alleen de machinist het overleefd!)
God zij geprezen. Ik huilde niet lang
ik heb kleine nachtmerries
ik zal die, zo God wil, tot grote dromen maken
ik heb geen problemen

Vanaf mijn geboorte kijk ik naar mezelf
als ik wanhoop, denk ik
er is leven na de dood
er is leven na de dood, ik heb geen problemen

Maar ik vraag: O God!
is er leven vóór de dood?

Mourid Barghouti

Vertaling: Kees Nijland en Asad Jaber


DE HOOGSTE TIJD

mama sterft en dingen gaan
stuk in mij. weet niet wat
weet niet waar. kan er 
niet bij. oorverdovende stilte in me als
toen. ik val van de wip. een arm in het gips. 
negen was ik en
moeder zei. niet aankomen kind. jouw 
lijfje doet het voor je. herstel gebeurt vanbinnen
en kost tijd. kalendertijd. kloktijd. moeder
zei. lichaamstijd.
vandaag rinkelen belletjes 
in mij.

Astrid H. Roemer


PAISAJE CON DOS TUMBAS Y UN PERRO ASIRIO

Amigo,
levántate para que oigas aullar
al perro asirio.
Las tres ninfas del cáncer han estado bailando,
hijo mío.
Trajeron, unas montañas de lacre rojo
y unas sábanas duras donde estaba el cáncer dormido.
El caballo tenía un ojo en el cuello
y la luna estaba en un cielo tan frío
que tuvo que desgarrarse su monte de Venus
y ahogar en sangre y ceniza los cementerios antiguos.

Amigo,
despierta, que los montes todavía no respiran
y las hierbas de mi corazón están en otro sitio.
No importa que estés lleno de agua de mar.
Yo amé mucho tiempo a un niño
que tenía una plumilla en la lengua
y vivimos cien años dentro de un cuchillo.
Despierta. Calla. Escucha. Incorpórate un poco.
En aullido
es una larga lengua morada que deja
hormigas de espanto y licor de lirios.
Ya viene hacia la roca. ¡No alargues tus raíces!
Se acerca. Gime. No solloces en sueños, amigo.

¡Amigo!
Levántate para que oigas aullar
al perro asirio.

Frederico Garcia Lorca


LANDSCAPE WITH TWO GRAVES AND AN ASSYRIAN HOUND

Get up,
my fried, so you can hear the Assyrian
hound howling.
The three nymphs of cancer are already up and dancing,
my son.
They brought along mountains of red sealing-wax,
and some rough sheets that cancer slept on last night.
The neck of the horse had an eye
and the moon was up in a sky so cold
she had to rip up her own mound of Venus
and drown the ancient cemeteries in blood and ashes.

Friend,
wake up, for the hills are still not breathing,
and the grass in my heart has gone off somewhere.
It does not matter if you are full of sea-water.
I loved a child for a long time
who had a tiny feather on his tongue
and we lived a hundred years inside a knife.
Wake up. Say nothing. Listen. Sit up a little.
The bowling is a long and purple tongue leaving behind
ants of terror and lilies that make you drunk.
lt’s coming near your stone now. Don’t stretch out your roots!
Nearer. !t’s moaning. Don’t sob in your sleep, my friend.

My friend,
get up, so you can hear the Assyrian hound
howling.

Frederico Garcia Lorca

Vertaling Robert Bly


LANDSCHAP MET TWEE GRAVEN EN
EEN ASSYRISCHE HOND

Vriend:
Sta op en hoor het janken
van de Assyrische hond.
De drie kankernymfen hebben gedanst,
mijn jongen.
Ze brachten bergen mee van rode zegellak
en harde lakens waarop de kanker lag te slapen.
En het paard had een oog in zijn hals
en de maan stond in zulle een kille hemel
dat zij haar venusberg uiteen moest rijten
om oude kerkhoven in bloed en as te smoren.

Vriend:
Ontwaak, want de bergen ademen nog niet
en de grassen van mijn hart groeien elders.
Het maakt niets uit dat je vol zeewater liep.
Lange tijd heb ik een kind bemind,
het had een veertje op zijn tong
en we woonden honderd jaar in een mes.
Ontwaak. Zwijg. Luister. Kom eens wat overeind.
Het janken
is een lange paarse tong
die mieren van afgrijzen en likeur van lelies afgeeft.
Het nadert al de rots. Verleng je wortels niet!
Het komt dichterbij. Het kermt. Snik niet in je dromen, vriend.

Vriend!
Sta op en hoor het janken
van de Assyrische hond.

Frederico Garcia Lorca

vertaling Bart Vonck


poëzie is het wonder vangen
binnen het broze omhulsel van taal

is God en het Goede ont-dekken
bevrijden uit een voortwoekerende nacht

heel duidelijk ervaar je ineens
hoe nabij de hemel dan is

heel helder in een ondeelbare sekonde
wat geluk is, wat vreugde, wat schoonheid

zijrivier ben je, een donkere kreek
waar de zee instormt als vloed

oeverloos ben je, oneindig
grenzend aan de grenzen der aarde
grenzend aan de rand van de hemel
vol, oneindig vol leven

binnen dit beloftevolle land
kun je volmaakt zijn en gelukkig

de onwetenden, de blinden ten spijt
zij voeren een halsstarrige strijd

tegen kalenders, de wereld, de zon
en dit biedt ons geen brug naar de toekomst

wie een mens verovert met angst
zal omkomen in een lawine van wanhoop

zal verzuipen in een kolk van twijfels
vereenzaamd op de kust van de dood

word wat een mens was in den beginne
waar een mens nog vertederd naar kijkt

Shrinivási


Voor Lieke

er zijn verschillende manieren waarop je kan gaan
en te vroeg is er één van

als het zaallicht aangaat
staat niemand op
zolang we in dit licht versleten
pluchen blijven zitten
volgt er wellicht nog
iets wat we kunnen drukken
tegen schokkende borstkassen

we hielden je graag nog even voor onszelf
maar vandaag geloven we in een parallel universum
in leven op andere planeten

Babs Gons


SMOKKELEN

Ik kom eraan, ik heb mijn rugzak gevuld
Met dierbare spullen:
Medailles, postkaarten,
Een schildpadkam, foto’s,
Ik neem ook deze zilveren riem mee,
Laat hen nu maar een dak op het huis leggen,
Ze waren aan het funderen toen ik wegging.
Ik kom eraan, zonder woede of verdriet,
Mijn haar golft niet in de wolken

-Ik wil geen proviand!
Zeg ik tegen moeder,
Ze gaat akkoord.
Ik kom eraan, iemand geeft me 
Een geborduurde zakdoek,
Een ander een gouden munt,
Schelpen,
Oordopjes die 
In iemands zak zijn blijven steken,
Iemand geeft een gescheurde vlag mee
Met belletjes, linten van kant,
Ik moet op zoek naar hun eigenaren,
Ze zijn niet van mij,
En ook niet van jou.
Zilveren bestek,
Kasjmier, tranen, ambrozijn,
(Waar vind je die in deze tijden van deze kwaliteit!

-Neem maar mee en beschouw het allemaal als een beloning,
(Dat doe ik niet!)

-Wijn kan ik niet meenemen,
 Vloeistoffen zijn niet toegestaan.

Ik kom eraan, kinderen 
Zwaaien me vanuit hun dromen uit,
Met hun vleugels,
… Ze vragen me hun groeten over te brengen,
Aan vogels van om en nabij dezelfde leeftijd.
Daar is de grens,
Ik tast in mijn zakken,
Zijn mijn reisdocumenten in orde?
Laten ze me echt door?
Heb ik alles wat ik nodig heb?

Een strenge cherubijn kijkt me recht in het gezicht, vraagt zich af
Of ik echt diegene ben in de tekening voor hem?

-Wat steekt er in je zak, vraagt hij.
Het spreekt vanzelf dat
ik geen koelkastmagneten kon vinden.
Daarom heb ik mijn zakken met stenen gevuld,
Die ik in de Lethe vond,
Lang hoefde ik niet te zoeken,
De rivier is er vol van,
Ik zal iedereen die nieuws wil
Een steen geven –
Of ik iemand heb gezien,
Of ik iemand niet heb kunnen zien,
Of ik iemand niet heb gezien.

-Wat heb ik bij voor jou?
De cherubijn sprak me streng toe dat 
Het verboden is om scherpe dingen mee te nemen…
In een honderdste van een seconde griste ik het uit mijn jas,
Verstopte het in mijn stem en nu geef ik je het als geschenk.

Een strenge grenswachter keek me verbaasd aan:
-Ik heb er veel naar boven zien gaan,
Maar niemand die naar beneden kwam.
Had ik moeder niet tien minuten eerder gezien,
Dan had ik hetzelfde gezegd
En het tegendeel opgeschreven.

Diana Anphimiadi

Vertaling: Ingrid Degraeve


AMAZONEVREEMDELINGEN

Zij zijn echt niet onder
ons de auteurs van mijn tijd en ik
ik vrees het ergste
hoe overleef ik nog 20 jaar als soort
anderen weten niet hoe
onze kuststad een nieuw ritme vond en
zingt met andere woorden dan die ooit werden verworpen
wij sloegen de taalschat om ons heen als een mantel die
warmte gaf en aanzien waar het koud
was overzee en vreemd.
Ik wil verzamelen wat zij die dood zijn articuleerden
en alles stilletjes transformeren tot geboorteplaats
geen eiland
geen kustvlakte maar
hooggebergte
geen landgenoot wil er wonen helaas
geeft te veel overzicht en inzicht en vrees.
Verslingerd geraakt aan een oorsprong die wij zoeken en maar niet vinden 
hebben zij afstand genomen van mij en ons gehaat om de brokstukken 
die auteurs van mijn tijd hebben gemaakt om vaderland en 
moedertaal te verheffen tot een toekomst
die telt.
Wij hebben ons niet overgeleverd aan toekomstdromen
wij hebben als drenkelingen en 
tegen de stroom in iets duidelijk gemaakt
iets van bestaan
waar geen bestaansgrond is.
Amazonevreemdelingen zijn wij gebleven
en voortdurend op de vlucht.
Ik weet niet waar ik mijn weerwoord kan
uitspreken
ongestraft en onbevreesd. Ik weet niet eens waar
bloedverwanten wachten en waken als een klont aarde krioelend van leven.
Sterf ik dan is een soort verdwenen.

Astrid H. Roemer


HOE TEM JE DE DOOD

Vergeet honden, katten, vogels,
En vooral vissen,
Herinner je je nog de vreselijke Minotaurus uit de mythologie,
Die Theseus heeft geveld?
Ik vertel jou liever 
Over een pluiziger dier,
Dat ik al een tijdje probeer te temmen,
En geen minuut alleen laat.
Sinds we elkaar op een middag ontmoetten, wijk ik niet van zijn zijde,
Wanneer heb ik het voor het eerst gezien?
Weet ik dat nog?
Zeker, dat weet ik nog precies,
Op een zomermiddag,
Op een lage heuvel in het bos,
Terwijl we elkaar kussen 
Met gesloten ogen.
Ik open mijn ogen
En ik kijk in je gesloten ogen,
Dat is het moment dat de Dood me te pakken krijgt,
En ik hem niet meer uit dit gedicht kan schrappen.
Ik vertrok zoals gebruikelijk,
Zei gedag, omhelsde je nog eens goed,
Kuste je op je wangen,
Ik ben thuisgekomen,
Draaide de sleutel in het slot.
Was hij het huis binnengedrongen,
Dan was het allemaal makkelijker te vatten.
Dan zou ik hem eruit kunnen gooien,
Maar ik nam hem in mijn armen,
Droeg hem voorzichtig mee naar binnen,
Wees hem het kussen van de hond toe  
En de bank.
Hij palmde in een paar tellen
De medicijnkast in.
Ik heb geen idee hoe ik ervoor moet zorgen,
Wat hij moet eten zodat hij niet doodgaat.
Waar een handleiding te vinden is,
Hoeveel gedichten ik ervoor moet voordragen,
Hoeveel boze sprookjes,
‘Slaap’, zeg ik,
‘Ik ben moe, slaap,’
Ik bedek zijn opengesperde ogen
Met de palm van mijn hand.
Hij weigerde de hondenmand,
En ook het kinderbed,
Hij kroop onder mijn deken,
Klampte zich aan me vast, likte aan mijn knieën,
Hij eet ongezouten gekookte rijst,
Drinkt enkel koude melk,
(Mijn tranen zijn te zout, hij weigert ze)
’s Nachts naast mijn bed
Reikt hij soms naar de maan,
En jankt zacht vanaf het balkon,
Hij roept 
Zijn soortgenoten op.
Hij trekt alle ijzer uit mijn bloed,
En strooit het als Goliatten over het Marsveld,
Als ik weg ben,
Verlang ik ernaar hem terug te zien,
Wat gedaan, ik heb me eraan gehecht,
Ik kan er niet lang zonder,
Hij heeft niets nodig, geen dierenarts, geen vaccinaties,
Uitlaten? Je hoeft het niets aan te leren en ook niet af te leren.
Soms krabt of bijt hij me lichtjes,
Maar wat dan nog
Niets,
Het is helemaal niet erg,
Volgens mij
Blijf ik in leven.

Diana Anphimiadi

Vertaling: Ingrid Degraeve


Voor Lieke

Het is vrij licht nog.
Er is vrij weinig tijd in dit licht nog
om te beginnen. Vrij weinig vorm
waarin ik zeggen kan: bedankt.
Voor de variaties op de variations
on a theme en de dagen
waarop het donker niet te beschrijven is
behalve met het woord: present.
Voor het ver gesuis van Duitse Autobahn
in het vollopen van een verwarmingsbuis.
Voor wat nog ruist in alle tederheden.
Voor wat lucide was.
Voor een barmhartig vennetje.
Voor steeds maar afdalen
in Onder-Nederland.
Veel eerder: dat huisfeest op de Reguliers,
je danste.
We kregen steeds meer woorden
om verdriet te beschrijven
en we verloren de poëzie,
waarna we dingen gingen doen.
Of in Tilburg, later,
in die tuin. De lucht stil, als lucht.
We stonden in de tijd.
We hadden het ergens over.
Het was bij lange na nog geen gedicht.
En het was veel lichter nog   
en er was meer begin.

Maarten van der Graaff


A MORTE EM PARCELAS

a Francisco Bley

A primeira vez que eu morri,
gaguejei ao amigo se se sobrevive
a essa morte em parcelas
e o amigo, já escolado
em mortandade, respondeu: sim,
se sobrevive, se atravessa o quarto
em chamas e se emerge no jardim,
chamuscado, a musselina pegada
à pele, a própria pele qual musselina,
mas vivo, ainda, ainda mais para cá
do que para o além, quando hemos
de estar não só alfabetizados
mas psiomeguizados nesse vocabulário
das perdas crescentes como as dívidas.

Isso, isto deveria servir de consolo,
como volta a primavera de Perséfone
em férias no submundo, e voltam peixes
a rios devastados, e as baleias a mares
de plástico, e até o sol volta ao Ártico
após uma noite que dura meses.
Ainda que se sinta isso como castigo.

As alegorias mais esdrúxulas
já foram usadas para essa teimosia.
As alegrias mais estapafúrdias.
Almodóvar e o coma em meio a touros,
Duras e os brotos no solo de Hiroxima.
Notem a audácia. Se se sobrevive?
Sobrevive-se.

Rá monta de novo sua carruagem,
o Cristo ressuscita, Dom Sebastião
volta. A holotúria, o rabo da lagartixa,
o braço da estrela-do-mar, etc, etc.

E Hiroxima reconstruiu-se deveras.
Taparam-se as crateras em Berlim.
Vidas individuais, vidas coletivas
que se erguem de escombros
tanto do amor quanto da guerra.

Mesmo que maremotos salguem a terra.
Notem, notem a nossa audácia.
A teimosia dos pulmões. Do coração.

Ricardo Domeneck


DE DOOD OP TERMIJN

voor Francis Bley

De eerste keer dat ik doodging
vroeg ik mijn vriend stamelend of
je die dood op termijn overleeft
en mijn vriend, al geschoold
in doodgaan, antwoordde: ja,
die overleef je, je loopt brandend
door de slaapkamer en duikt verkoold
op in de tuin, de mousseline plakt
aan je huid, de huid zelf net mousseline,
maar je leeft nog, je bent nog meer hier
dan aan gene zijde, als je het vocabulaire
van dat als schulden toenemende verlies
niet alleen hebt leren lezen
maar ook psychisch verwerken. 

Precies, dat zou als troost moeten dienen,
zoals Persephone’s lente terugkeert
uit de onderwereld, en vissen terugkeren
naar vervuilde rivieren en walvissen naar zeeën
vol plastic, en zelfs de zon naar de Noordpool
na een nacht die maanden duurt.
Zelfs al voelt dit aan als een straf. 

De meest excentrieke beeldspraak
werd reeds gebruikt voor die koppigheid.
Het meest freakerige vermaak.
Almodóvar en zijn coma tussen de stieren,
Duras en de loten in de bodem van Hiroshima.
Wat een lef! Of je overleeft?
Ja, je overleeft.
De Zonnegod stapt weer in zijn wagen.
Christus verrijst, Dom Sebastião keert
weer. De zeekomkommer, de staart van de
hagedis, de arm van de zeester, enz. enz.

En Hiroshima werd daadwerkelijk herbouwd.
De bomkraters in Berlijn werden gedicht.
Afzonderlijke levens, collectieve levens
die opstaan uit de puinhopen
van zowel liefde als oorlog. 

Zelfs als zeebevingen de aarde verzilten.
Wat een lef hebben wij toch, wat een lef.
De stugheid van onze longen. Van ons hart.

Vertaling: Harrie Lemmens


DENKEN DAT IEMAND DIE DOOD IS DOOD IS

De nacht hangt uitgeteld boven het veld te drogen
(het is een vroege ochtend in maart).
Boeken en papieren, moe van hun stoelendans,
lezen elkaar. Afgelegde kleren leven er duchtig op los,
nemen bekende vormen aan, bekennen geur.
Prullen en plunje.

Nu denken dat iemand die dood is dood is.
Aan het glas van het oog kleeft een ontplofte gedachte.
Mijn dode valt uit zijn rol, veert op als ik denk
hem eronder te hebben. Hij is een pop
waarvan het mechaniek nog volop spant.

Blijven denken dat iemand die dood is dood is.
Gewicht verdelen over borstkas en gezicht tot
alles, tranen, wondvocht, snot, tot ook het laatste
pijpje lucht het lichaam heeft verlaten.

Knak dan het hoofd. Zie: de geest bungelt scheef
in het vierkante bakbeest van vlees.
Het is volbracht.

Neeltje Maria Min


DRIE CIPRESSEN

Breekbaar en ijl als een houthakkersslaapje
veilig, voorbode van wat komt
de miezerige morgen
legt geen sluier over drie cipressen op een helling
details ontkennen de gelijkheid
die schoonheid bevestigt
ik zei: ik durf niet langer te kijken
soms vervaagt de moed
soms wordt moed door schoonheid aangetast
voortdrijvende wolken
veranderen de vorm van cipressen
naar elders vliegende vogels
veranderen de stem van cipressen
de strakke daklijn erachter
versterkt het groen
sommige bomen hebben geen andere vruchten dan groen
gisteren
in mijn plotselinge vreugde
zag ik hun verheven eeuwigheid
vandaag
in mijn plotselinge droefheid
zag ik de bijl

Mourid Barghouti

Vertaling: Kees Nijland en Asad Jaber


PIANO

Wat is het lang geleden dat ik het zware deksel van de oude piano
openklapte,
Een van de moeilijkste obstakels uit mijn kindertijd.
Klap het zo open dat je vingers niet in gevaar komen.
Wat is het lang geleden dat ik het zware deksel van de oude piano
openklapte,
Een geschenk van mijn grootouders aan moeders kant,
Die niet rijk genoeg waren
Voor een piano met een zwaar opschrift in het Duits,
Zoals op Bachs graf in Leipzig.
Het zou het gedicht sieren, stond er ‘Iveria’ op de piano,
Maar in plaats daarvan was het de naam van een Russische stad.
Wat is het lang geleden dat ik het zware deksel van de oude piano
openklapte,
En de witte toetsen me verlegen toelachten
Als een oude bekende die door en door oud is geworden,
En toch dankzij kunsttanden een glimlach van een kind tevoorschijn tovert.
Hoe dan ook, wat is het lang geleden
Dat ik erop lette dat er in een hoek van het huis een piano stond.
Het aantal huizen waar nog zichtbaar een piano staat, neemt af.
Wat is het lang geleden dat ik het deksel openklapte; er staat nu een
verzameling potten met viooltjes op. 
Ik gooi er vaak de huissleutel op, mijn zonnebril of wat wisselgeld.
Mijn kind vroeg me ooit om op de piano te spelen, eerst weigerde ik
ongemakkelijk,
Maar uiteindelijk tokkelde ik er een paar kinderliedjes op,
Alsof deze vingers nooit gespeeld hadden, tussen Chopin en lentetuinen, 
In tedere mineuren zwevend van de ene klank naar de andere.
Later vergat mijn kind, ook ik, het ongemak van in elkaar gezakte toetsen.
Soms staar ik naar de piano, stof ik hem af, boen ik het deksel. 
Wat is het lang geleden dat ik het zware deksel van de oude piano
openklapte,
Wat is het lang geleden dat ik in de droge 
En allermooiste, vermoeide ogen van mijn moeder keek.

Diana Anphimiadi

Vertaling: Ingrid Degraeve


EEN NACHT ALS GEEN ANDER

Hij raakt de bel nauwelijks aan
of de deur opent zich
ongelooflijk langzaam
hij gaat naar binnen
en loopt naar de deur van zijn kamer
waar zijn portret naast het bed staat
waar zijn schooltas in het donker waakt
ziet hij zichzelf tussen twee dromen of vlaggen slapen
hij klopt op alle deuren – bijna – hij klopt niet
iedereen wordt verward wakker
hij is terug! Hij is er weer, roepen ze
maar horen hun kreten niet
zij steken hun armen uit om Mohammed te omhelzen
maar raken zijn schouders niet

Hij wil ze tijdens de nachtelijke beschieting vragen hoe het met hen gaat
en heeft geen stem
zij spreken zonder geluid
hij komt dichterbij, zij komen dichterbij
hij passeert hen, zij passeren hem, zij blijven schimmen tussen schimmen
en komen elkaar niet tegen
ze willen vragen of hij heeft gegeten
of hij het ’s nachts koud heeft
of de dikke aarden deken voldoende is
of de arts de kogel van de angst uit zijn hart heeft gehaald
of hij nog bang is
of hij de beide rekensommen heeft gemaakt
om de leraar de volgende morgen niet teleur te stellen en of
hij wil in alle eenvoud zeggen
ik ben gekomen om jullie te zien en gerust te zijn
ik zeg, mijn vader zal als gewoonlijk zijn bloeddrukpil vergeten
ik kom hem naar gewoonte eraan herinneren
ik zeg, mijn kussen is hier niet daar
zij zeggen, hij zegt en geen geluid
geen deurbel rinkelt
hun bezoeker ligt niet in zijn bed te slapen
en zij zien hem niet
’s morgens fluisteren de buren dat het verhaal
verbeelding is
zijn doorzeefde schooltas ligt er nog net zo bij
evenals zijn verkleurde schriften
het rouwbezoek bij zijn moeder is nog niet voorbij
verder, hoe kan een dood kind naar zijn familie gaan
als de hele nacht geschoten wordt

Mourid Barghouti

Vertaling: Kees Nijland en Asad Jaber


OVERWINTEREN
wakker: in een pijnbos in het noorden –
van de aarde dwingend getrommel
in de boomstam zonlicht als drank
die het ijs van het duister opzweept
terwijl het hart huilt tegen wolven

wat storm ontvreemdt is storm
met schulden van sneeuw is de winter
groter dan zijn beeldspraak
heimwee als heerser van een rijk ten onder
op zoek naar dwaling voor altijd

de zee treurt om de levenden
sterren verlichten om beurten de liefde
wie heeft alles zien gebeuren
rivier die reikhalst naar hoornspel
opstand in de boomgaard

hoor je dat? mijn geliefde
wil dat wij hand in hand oud worden
en samen met de woorden in winterslaap gaan
nieuw geweven tijd laat een doodknoop achter
of een onvoltooid gedicht

Bei Dao

Vertaling: Maghiel van Crevel


HOE KAN . . . ?
Hoe durft de vorm
– waarborg van verschijning –
met zijn wiskundig jasje
van maat en regel,
betwijfelen en ontmantelen
in naam van het begin
de stilte van de oorsprong?

Hoe mag wonen zich ontplooien
zonder de muren van het huis,
een vloer, een dak,
een lexicon van begrenzing,
een taal van dwang en gevang?

Hoe moet het lichaam
in beweging en vervulling
tussen rede en waanzin,
zin en onzin,
de vormoverheersende,
labyrintische ruimte
doorbreken?

Hoe zal het labyrint,
paragon van gesluierde vrijheid,
het stellen zonder dammen,
wanden, versperringen en grendels,
het verblijven vrijwaren
zonder passer en winkelhaak,
oprichten en instandhouden,
denken en ontwerpen bewaren
ondanks hinder en limiet?

Hoe mogen wij met pleinen en paleizen,
kerken, slachthuizen en musea,
de offerdieren herdenken
– koningen, schapen en criminelen –
waarvan het bloed vergoten werd?
Hoe kunnen wij toedekken
de naaktheid van de dood?

Hoe kan het wonen
ontsnappen aan de bedreiging,
aan de kwetsbaarheid van de vorm?

Albert Bontridder


Aanwezigheid

de kinderjaren, vol bloeiende versprekingen
we zullen het er niet meer over hebben
slenteren door het leven
kijken naar de zee achter het hek
terwijl de jaargetijden waarmee wij ons ooit verplaatsten
erin springen

de muziek is meedogenloos
het huwelijk slingert netjes rond
een levensmoe iemand
loopt naar het juiste adres
en gaat in rook op

golven van eindeloos verdriet
jagen de kinderen hun bed uit
het zonlicht verzamelt zich, valt uit elkaar
we zullen het er niet meer over hebben

Bei Dao

Vertaling: Maghiel van Crevel


Zelfportret als zelf

Wat is de aard van het zelf? Ik zag vandaag
een hoestend schaap maar ik weet niet of dat enig
licht werpt op die vraag. Ook zag ik een hengst
met een erectie van een meter en het regende heel zacht.

Waarmee de afbakening en positionering van dat zelf
een aanvang neemt. Men opent zijn zintuigen
en taal schiet door de schedel. Men kijkt naar iets
en weet dat men dat zelf niet is, al blijft zoiets
onzeker sinds de diepste fysica bewees

dat een ding van vorm verandert als het waargenomen wordt
en de kijker het bekekene dus zelf bepaalt. Waarmee
de grenzen van dat zelf onmiddellijk vervagen,
het zit immers in alles wat men ziet en hoort en voelt
en proeft. Moet men zijn zintuigen dan sluiten

om dat zelf als het ware binnenboord te houden?
Maar dat zou betekenen dat wie niets meer waarneemt
het meest zijn eigen zelf is. Openbaart zich onze ware aard
dan pas in een hoopje as waarnaar geen mens meer omkijkt?

Pieter Boskma


Red Bird, 1964

I’ve only seen a dead bird up close once. It wasn’t red but blue. I named it Happiness before I buried it. My child found a few sticks so we could make a cross. We dug a hole and dropped the bird in, along with a few flowers we plucked. We didn’t touch the bird with our bare hands, in case death was contagious. When I put the cross into the ground, I felt that Nietzsche was wrong. Happiness isn’t the feeling that power increases. The lake isn’t a marketplace. The small pencil marks on the painting aren’t measuring anything. Seeing the dead bird up close only made me want to cover it, not sell its feelings. I am far away from it, in another house, but I still have the bird’s feelings in a small box. Each spring, I can’t see the baby birds in the rafters that, when hungry, sound like death. All these months, I thought they were birds, but it turns out they were really rats. And the feelings in the small box were my own.

Victoria Chang


Rode Vogel, 1964

Ik heb maar eens in mijn leven een dode vogel van dichtbij gezien. Hij was niet rood maar blauw. Ik gaf hem de naam Geluk voor ik hem begroef. Mijn kind raapte wat takjes zodat we een kruis konden maken. We groeven een gat en gooiden de vogel erin, met wat bloemen die we hadden geplukt. We raakten de vogel niet met blote handen aan, voor het geval de dood besmettelijk was. Toen ik het kruis in de grond stak, bedacht ik dat Nietzsche het mis had. Geluk is niet het gevoel dat macht groeit. Het meer is geen markt. De korte potloodstreepjes op het schilderij zijn geen meethulpje. Toen ik de dode vogel van dichtbij zag wilde ik hem alleen maar bedekken, niet zijn gevoelens verkopen. Ik bevind me ver van hem vandaan, in een ander huis, maar ik heb de gevoelens van de vogel nog in een doosje. Iedere lente weer kan ik de babyvogels onder het dak maar niet ontdekken, die, als ze honger hebben, klinken als de dood. Al die maanden heb ik gedacht dat het vogels waren, maar uiteindelijk bleken het ratten. En de gevoelens in het doosje waren van mij. 

Vertaling: Jeske van der Velden


NA ONZE DOOD WETEN ZE

Dit is uit jouw gedicht ‘De Vissers’
dat ik las in een koffiehuis vlak bij de vismarkt
van al-Sîb, terwijl ik op de terugkeer van de boten wachtte om vis te kopen
kwam opeens een visser in zijn gestreepte lendendoek
en dishdāsha met vis. Een visser die ik niet kende
(net zoals in jouw gedicht)
 
Hij was blootvoets en droeg geen lange rubberlaarzen
(en hij had zeker jouw gedicht niet gelezen, Merwin)
terwijl hij aardig was toen we het eens werden over de prijs
die goed voor mij en voor hem was
daarom las ik het slot van je gedicht voor hem bij het onderhandelen:
 
“Ze nemen de einden van ons hongergevoel mee om er vanaf te zijn,
om zwaaiend te wachten op een donkere plaats die we nooit zouden kiezen.
Met bewegingen die we nooit leerden, voeden ze ons.
We leggen kransen in zee als ze op zee zijn verdronken.”
 
Het slot beviel hem en spontaan zei hij:
 
Als wij in de Golf verdrinken, gooien ze
geen kransen in zee
want de levenden weten dat na de dood
die kransen ons wachten
in de eindeloze eeuwigheid
 
We hadden de koop gesloten
en mijn vriend, de handelaar in kruiden, peper, griesmeel
en kokos die hij gisteravond uit Kerala had gekregen…
ging met hem naar zijn winkel. Als je aan een luxe maal voor je vriend de dichter denkt
misschien schrijft hij nog een gedicht
over onze dishdāsha’s en blote voeten.
 
(al-Sib, winter 2012)

Mohamed Al-Harthy

Vertaling: Kees Nijland & Assad Jaber

al-Sîb: Stad aan de kust van Oman
dishdāsha: loshangende mantel, traditionele kledij in de Golfstaten


De dood houdt ermee op, hij of zij
kapt ermee. Het is een uitgemaakte zaak,
ik heb een uitgezaaide levensverwachting.
Nee.
Ja.
We zitten vast aan veel te korte levens,
Mickey Mouseballonnen aan een touwtje.
De peuter die loslaat zet een keel op.
Ze maakt een scene! Sla haar.
Van schreeuwen krijg je ongelijk in je keel,
dat moet ze weten; leer het haar.

Tonnus Oosterhoff


Dood

Dood. Heb geen angst. Talm niet
voor mijn deur. Kom binnen.
Lees mijn boeken. In negen van de tien
kom je voor. Je bent geen onbekende.

Hou mij niet voor de gek met kwalen
waarvan niemand de namen durft te noemen.
Leg mij niet in een bed tussen kwijlende
kinderen die van ouderdom niet weten wat ze zeggen.
Klop mij geen geld uit de zak
voor nutteloze uren in chique klinieken.

Veeg je voeten en wees welkom.

Eddy van Vliet


De dood
De dood is hier
De dood is daar
De dood is ver
De dood is na
De dood is sterk
De dood is zwak
De dood is wit
De dood is zwart
De dood is hard
De dood is wreed
De dood is zacht
De dood is week
De dood is goed
De dood is fout
De dood is warm
De dood is koud
De dood is waar
De dood is echt
De dood is krom
De dood is recht
De dood is blind
De dood is doof
De dood is klein
De dood is groot
De dood is oud
De dood is wijs
De dood is baas
De dood is prijs
De dood is kaal
De dood is raak
De dood is spier
De dood is naakt
De dood is scherp
De dood is bot
De dood is zwaar
De dood is rot
De dood is vals
De dood is schijn
De dood is kramp
De dood is pijn
De dood is angst
De dood is zweet
De dood is lief
De dood is leed
De dood is heer
De dood is knecht
De dood is straf
De dood is wet
De dood is ernst
De dood is streng
De dood is strak
De dood is eng
De dood is grauw
De dood is grijs
De dood is glad
De dood is ijs
De dood is zak
De dood is as
De dood is moord
De dood is brand
De dood is beul
De dood is boef
De dood is vrij
De dood is troef
De dood is koel
De dood is kalm
De dood is rijk
De dood is arm
De dood is bar
De dood is boos
De dood is vuns
De dood is voos
De dood is ziek
De dood is laf
De dood is lood
De dood is last
De dood is berg
De dood is dal
De dood is man
De dood is vrouw
De dood is stil
De dood is stom
De dood is leeg
De dood is hol
De dood is stof
De dood is zand
De dood is stront
De dood is dank
De dood is scheel
De dood is schor
De dood is pech
De dood is goor
De dood is bont
De dood is blauw
De dood is rood
De dood is rauw
De dood is rust
De dood is roest
De dood is zout
De dood is zoet
De dood is links
De dood is rechts
De dood is vast
De dood is next
De dood is link
De dood is louche
De dood is wild
De dood is woest
De dood is bruusk
De dood is plots
De dood is bruin
De dood is rond
De dood is hoe
De dood is wat
De dood is droef
De dood is plat
De dood is mits
De dood is maar
De dood is kras
De dood is gaar
De dood is stik
De dood is sterf
De dood is been
De dood is merg
De dood is lik
De dood is stuk
De dood is kruis
De dood is munt
De dood is droog
De dood is dor
De dood is piep
De dood is knor
De dood is fier
De dood is trots
De dood is trouw
De dood is honds
De dood is schots
De dood is scheef
De dood is ach
De dood is wee
De dood is niks
De dood is bluf
De dood is mist
De dood is lucht
De dood is punt
De dood is uit
De dood is kut

Jules Deelder


De dood en het meisje

een regenglanzende middag op de Autovia Uno bij
Malaga, in een zwakke bocht, waar de vangrails ineen duikt
in de middenberm als een bange ijzerslang , komt de Por-
sche op de verkeerde rijbaan en raakt de tegenligger, de auto met
de jongen en het meisje, en de dood in de Porsche pakt de jongen,
de vluchtstrook komt er het best vanaf, loopt slechts
een kras op, het meisje ontwaakt uit een coma, glas valt
uit haar haar, de mishandelde jongen, de man
van het meisje, is mijn oudste zoon, ze waren één jaar getrouwd, hij
fonkelt, de diadeem waarmee de dood haar kroont, waarmee
ze tot weduwe wordt gekroond, waar de Dood naar wees met
zijn schokvinger

DE DOOD EN DE JONGEN

De Puberteit is een aangekondigde brand, een aangekondigd ongeluk op
weg naar man, zei de vader van de Puberteit. De Puberteit is een
hel, zei de moeder van de Puberteit; wat mij betreft kan hij
in de vriezer worden gelegd, dan kunnen we hem eruit halen
als hij volwassen is. Niemand van ons wist toen van de dood van de Puberteit
en de lijkschouwing die zou komen. Ze kregen hem niet uit
de vriezer om hem weer te laten lopen, tikken en weer lopen,
nee, na de lijkschouwing moest de Puberteit er weer in, moest
wachten tot de crematie, er ging een paar weken voorbij voordat
hij thuis kwam, in een urn kregen ze hem, de Puberteit, de as
van een aangekondigde man.

Torgeir Rebolledo Pedersen

Vertaling: Liesbeth Huijer


DEATH: BARON SAMEDI

First your dog dies and you pray
for the Holy Spirit to raise the inept
lump in the sack, but Jesus’ name
is no magic charm; sunsets and the
flies are gathering. That is how faith
dies. By dawn you know death;
the way it arrives and then grows
silent. Death wins. So you walk
out to the tangle of thorny weeds behind
the barn; and you coax a black
cat to your fingers. You let it lick
milk and spit from your hand before
you squeeze its neck until it messes
itself, it claws tearing your skin,
its eyes growing into saucers.
A dead cat is light as a live
one and not stiff, not yet. You
grab its tail and fling it as
far as you can. The crows find
it first; by then the stench
of the hog pens hides the canker
of death. Now you know the power
of death, that you have it,
that you can take life in a second
and wake the same the next day.
This is why you can’t fear death.
You have seen the broken neck
of a man in a well, you know who
pushed him over the lip of the well,
tumbling down; you know all about
blood on the ground. You know that
a dead dog is a dead cat is a dead
man. Now you look a white man
in the face, talk to him about
cotton prices and the cost of land,
laugh your wide open mouthed laugh
in his face, and he knows one thing
about you: that you know the power
of death, and you will die as easily
as live. This is how a man seizes
what he wants, how a man
turns the world over in dreams,
eats a solid meal and waits
for death to come like nothing,
like the open sky, like light
at early morning. Like a man
in a red pin striped trousers, a black
top hat, a yellow scarf
and a kerchief dipped in eau
de cologne to cut through
the stench coming from his mouth.

Kwame Dawes


DE DOOD: BARON SAMEDI
Eerst sterft je hond en je bidt
dat de Heilige Geest de homp in de zak
zal doen verrijzen, maar Jezus’ naam
is geen toverspreuk; zonsondergangen en
vliegen verzamelen zich. En zo sterft
het geloof. Bij het ochtendgloren ken je de dood;
zoals hij zich aandient en vervolgens
stil wordt. De dood wint. Dus je loopt
naar de wirwar van doornen achter
de schuur; en je lokt een zwarte
kat naar je vingers. Je laat haar melk en spuug
van je hand likken en knijpt haar dan
in de nek totdat ze zichzelf bevuilt,
haar klauwen je huid schrammen,
haar ogen schotels worden.
Een dode kat is licht als een levende
en niet stijf, nog niet. Je
pakt haar staart en slingert haar zo
ver je kunt. De kraaien vinden
haar eerst; dan verhult de stank
van de varkenshokken al de kanker
van de dood. Nu ken je de macht
van de dood, weet je dat jij die bezit,
dat je het leven in een flits kunt eindigen
en de dag daarop net als anders ontwaken.
Daarom kun je de dood niet vrezen.
Je hebt de gebroken nek gezien
van een man in een put, je weet wie
hem over de rand van de put duwde,
zodat hij viel; je weet alles over
bloed op de grond. Je weet dat
een dode hond een dode kat is een dode
man is. Nu kijk je een blanke man
in het gezicht, spreek je met hem over
wat de katoen kost, en hoe duur de grond is,
je lacht je uitbundige lach
in zijn gezicht, en hij weet één ding
over jou: dat je de macht kent
van de dood, en even kalm zult sterven
als leven. Zo pakt een man
wat hij wil, zo zet een man
de wereld om in dromen,
eet hij een stevig maal en wacht hij
tot de dood komt als niets,
als de open hemel, als licht
vroeg in de morgen. Als een man
met een rode streepjesbroek, een zwarte
hoge hoed, een gele sjaal
en een zakdoek gedoopt in eau
de cologne die snijdt door
de smerige stank uit zijn mond.

Kwame Dawes


FOR THOSE IN PERIL ON THE SEA
and for the lovely young taken to the sea for the first time
and for the unlovely unyoung taken to the sea for the last time
and for the unlovely young untaken to the sea
and for the lovely young taken to the unsea.

Oh Lord when thou were alone in the Beginning thy
spirit was in peril on the sea and thou called to me
to rescue thee. It was in an unyear rhyming with
unsea unlike 1973 when thou called “Gertjie!” and
I turned around and died and said the word rhyming
with lonely,

and so it was.

Off to the sea we went my father and me in a little
boat from Calvinia we sailed desperately, moenie asb.
moenie my asseblief per trein verlaat nie my Lief dis
die diepste weggaan vir my noudat almal in die ganse
www al hulle websites begin bou het buiten
ek&jy@somewhere.co.za. O Heer, at the cusp of this here
whatever time wat al hoe meer whatever raak I am praying to
thee in the language that will outlive me and the sea
for the river my father my love and me are all in peril
on the sea

Gert Vlok Nel


VOOR HEN OP ZEE DIE IN DOODSNOOD VERKEREN
en voor de lieflijke jongeren die voor het eerst naar zee zijn meegenomen
en voor de niet lieflijke niet jongeren die voor het laatst naar zee zijn meegenomen
en voor de lieflijke niet jongeren niet meegenomen naar de zee
en voor de lieflijke jongeren meegenomen naar de onzee

O Heer toen u alleen was in den Beginne was uw
geest in doodsnood op zee en gij riep mij
om u te redden. Het was in een onjaar rijmend op
onzee anders dan in 1973 toen gij riep ‘Gertje!’ en
ik mij omkeerde en stierf en ik het woord zei rijmend
op eenzaam,

en zo was het.

Weg naar de zee gingen wij mijn vader en ik in een klein
bootje vanuit Calvinia voeren wij wanhopiglijk, verlaat
me aub niet alsjeblieft verlaat mij niet per trein mijn Lief het
is het diepste weggaan voor mij nu iedereen in het ganse
www begonnen zijn hun websites op te bouwen buiten
ik&jij@somewhere.co.za. O Heer, op dit punt gekomen
en de tijd al hoe onbelangrijker en onzinniger wordt bid ik
u in de taal die mij zal overleven en tot de zee
want de rivier mijn vader mijn lief en ik verkeren in doodsnood
op zee

Vertaling: Robert Dorsman


IDEEEN OVER DOODGAAN

Krijg ik de sleutel tot de tijd te pakken? word
ik een door zwaartekracht krom gebogen straal
op reis naar het ultieme wormgat, een zwart gat
waarin ik word gezogen en aan de andere kant
weer uit kom als licht dat in rechte lijn beweegt?
grijpt er een verblindende schijn in mij plaats
die mij inziet, mij encyclopedisch openbaart tot
ik zonneklaar een bijzon word? ga ik als een
zwarte stip zwerven in het toonveld van toeval?
word ik een eeuwige spiegeling in dood later?
een oneindig afdraaiende ring van herinneringen?
een longitudinale trilling? een uitstrijkje vlakte?
vloei ik op het niets als inkt op ongegomd papier?

Mark van Tongele


EEN VROUW VERKONDIGT AAN DE BIJEN DE DOOD VAN DE HEER DES HUIZES / EN DOET EEN ZWARTE STRIK OM DE BIJENKORF

Het is onvoorstelbaar wat een gesprongen buis kon aanrichten.
Het is onvoorstelbaar wat een man en een vrouw konden aanrichten.
De deur sluit achter de kelner, maar hij sluit achter jou
als elke deur die sluit.
 
Ik heb ons afscheid al beweend voor de bijen,
nu probeer ik me te verheugen in wat daarvoor komt
tot het moment waarop ik niet meer weet
wat ik moet doen met de tijd die ik nog heb,
 
dus ga ik slapen, en iemand staat over mij heen gebogen en zegt:
zo slapen slangen, opgerold tot een kluwen als poesjes of kleine kinderen,
en kijk goed, want dit is de houding waarin je in de hemel wordt opgenomen.

Justyna Bargielska


THE COFFIN STORE

I was lugging my death from Kampala to Krakow.
Death, what a ridiculous load you can be,
like the world trembling on Atlas’s shoulders.

In Kampala I’d wondered why the people, so poor,
didn’t just kill me. Why don’t they kill me?
In Krakow I must have fancied I’d find poets to talk to.

I still believed then I’d domesticated my death,
that he’d no longer gnaw off my fingers and ears.
We even had parties together: “Happy,” said death,

and gave me my present, a coffin, my coffin,
made in Kampala, with a sliding door in its lid,
to look through, at the sky, at the birds, at Kampala.

That was his way, I soon understood, of reverting
to talon and snarl, for the door refused to come open:
no sky, no bird, no poets, no Krakow.

Catherine came to me then, came to me then,
“Open your eyes, mon amour,” but death
had undone me, my knuckles were raw as an ape’s,

my mind slid like a sad-ankled skate, and no matter
what Catherine was saying, was sighing, was singing,
“Mon amour, mon amour,” the door stayed shut, oh, shut.

I heard trees being felled, skinned, smoothed,
hammered together as coffins. I heard death
snorting and stamping, impatient to be hauled off, away.

But here again was Catherine, sighing, and singing,
and the tiny carved wooden door slid ajar, just enough:
the sky, one single bird, Catherine: just enough.

C.K. Williams


DE DOODSKISTENWINKEL

Ik sleepte mijn dood van Kampala naar Krakau.
Dood, wat een belachelijke lading ben je soms,
zoals de wereld trillend op Atlas’ schouders.
 
In Kampala had ik me afgevraagd waarom die lui, zo arm,
me niet gewoon afmaakten. Waarom maakten ze me niet af?
In Krakau had ik me voorgesteld met dichters te gaan praten.
 
Ik geloofde nog altijd dat ik mijn dood getemd had,
dat hij niet langer mijn vingers en oren af zou knagen.
We hadden soms zelfs feestjes samen: ‘veel geluk’ zei dood,
 
en gaf me mijn cadeau, een doodskist, mijn doodskist,
gemaakt in Kampala, met in het deksel een schuifdeur,
om door te kijken, naar de hemel, naar de vogels, naar Kampala.
 
Dat was zijn manier, begreep ik algauw, om als een wilde
te klauwen en te grauwen, want de deur ging niet open:
geen hemel, geen vogel, geen dichters, geen Krakau.
 
Catherine kwam naar me toen, die kwam toen,
‘Open je ogen liefste,’ maar dood had me
tenietgedaan, mijn knokkels waren rauw als van een aap,
 
mijn geest gleed weg als een jammerlijk foute schaats,
en wat Catherine ook zei, zuchtte of zong,
‘Liefste, mijn liefste,’ de deur bleef dicht, ja dicht.
 
Ik hoorde bomen die geveld werden, geschaafd en gladgemaakt,
tot doodskisten vertimmerd. Ik hoorde dood
snuiven en stampen, ongeduldig om te kunnen gaan, weg.
 
Maar daar was Catherine weer, zuchtend en zingend,
en het bewerkte houten deurtje ging op een kiertje, net genoeg:
de lucht, een vogel, Catherine, net genoeg.

Vertaling: Rob Schouten


DE DOOD VAN ARAFAT

‘Ik heb genoeg van die ouwe
die maar niet doodgaat en op een lepraleider lijkt
de klootzak hoeft zijn gezicht maar te laten zien
en er komt geheid heibel tussen Palestina en Israël’

Dood, niet dood, bijna dood
de avond dat het recentste betrouwbare nieuws
van Arafats dood vanuit Parijs werd verspreid
moest ik denken aan een oude vriend
die enkele jaren geleden
privé
met mij sprak over
zijn indruk van deze politicus
zijn woorden –
geen visie
geen benul
geen intuïtie
geen mededogen
geen ziel
geen overtuiging
geen hart
geen longen –
heb ik puur vanwege
hun ware realiteitszin
die sympathie wekt
en hun rijke levendigheid
meer dan tien jaar lang onthouden
(als dichter
is dit niet helemaal
de taal die ik nastreef)

Het stoffelijk overschot van Arafat
is terug naar zijn geboorteland vervoerd en begraven
wat ik kan doen is
deze in mijn hersens opgeslagen passage opgraven
en begraven in de bloembak op mijn balkon

Yi Sha

Vertaling: Silvia Marijnissen


‘DE OOGST VAN KAÏN OF DE DOOD VAN DE LOGICA’ KAN OOK

Alsof iets in me is doodgegaan, ophield te bestaan,
iets ouds en van jaren, zoals de geschiedenis,
alsof iets wat ik tot een tellurisch lichaam
kneedde, in honderdduizend stukjes en elementen uit elkaar viel,
als een mensenlichaam,
dat na de dood alles teruggeeft aan de aarde
wat het in de loop van de levensjaren heeft genoten,
om zijn onzichtbare fantoom te sterken:
om hem met mineralen, met koolhydraten, met plantaardige vetten en dierlijke vetten, met eiwitten,
zichtbaar en tastbaar te maken,
tastbaar want hij at de aarde
wanneer hij at: uien en tomaten,
knoflook en aardappelen, oude en nieuwe,
venkel en dille en slablaadjes en
petroesjka wat peterselie wil zeggen.
En ook prei en munt en koriander en basilicum
en dragon en bieslook en
kleurige groentengerechten,
duizend soorten groen blad en pepers en
wortels en kool en knollen en
komkommer en aubergine en maïs,
die je kunt koken,
maar ook fijnstampen om er mtsjadi  mee te bakken,
de keuze staat open.
Duizend soorten bessen en een waaier aan fruit:
pruimen en appels en
peren en jujube en reine claude en blauwe kwets
en karaliok wat mispel wil zeggen
en granaatappels en watermeloenen en honingmeloenen en
aardbeien en aloetsja’s  en gekruiste aloetsja’s.
Ach, wat een overvloed kent de natuur!
En vijgen en druiven die na het persen
vocht voortbrengen waarmee je voor de kinderen
pelamoesji  en tatara  kunt maken
en als je nog wat walnoten en hazelnoten hebt liggen,
hoort zelfs tsjoertschela  tot de mogelijkheden,
maar je hebt ook het volste recht dat vocht
als druivensap of matsjari  of hoe je het ook wil noemen te serveren,
en als je wat geduld hebt,
kan het voor de grote mensen in wijn veranderen.
En damascener pruimen en abrikozen en victoria’s
en perziken en tchemali  en
krieken en kersen,
kan je niet alleen rauw, maar ook als confituur of jam,
als gelei of compote op tafel zetten,
en wie kan niet nog veel meer dingen opsommen
die we uit de natuur halen
en in onze fysieke huishouding opnemen
om ons onzichtbare fantoom tastbaar en zichtbaar te maken
dat na onze fysieke dood alles wat
hij in zijn levensjaren ontvangen en verwerkt heeft,
teruggeeft aan de aarde en weer onzichtbaar wordt
als het tellurische lichaam,
dat ik onvermoeibaar tot een geheel kneedde
en dat in honderdduizend stukjes en elementen uit elkaar viel,
want het is alsof iets in me is doodgegaan,
ophield te bestaan,
oud en van jaren, als de geschiedenis.

Rati Amaghlobeli

Vertaling: Ingrid Degraeve


Les sept Vieillards

A Victor Hugo

Fourmillante cité, cité pleine de rêves,
Où le spectre en plein jour raccroche le passant!
Les mystères partout coulent comme des sèves
Dans les canaux étroits du colosse puissant.

Un matin, cependant que dans la triste rue
Les maisons, dont la brume allongeait la hauteur,
Simulaient les deux quais d’une rivière accrue,
Et que, décor semblable à l’âme de l’acteur,

Un brouillard sale et jaune inondait tout l’espace,
Je suivais, roidissant mes nerfs comme un héros
Et discutant avec mon âme déjà lasse,
Le faubourg secoué par les lourds tombereaux.

Tout à coup, un vieillard dont les guenilles jaunes
Imitaient la couleur de ce ciel pluvieux,
Et dont l’aspect aurait fait pleuvoir les aumônes,
Sans la méchanceté qui luisait dans ses yeux,

M’apparut. On eût dit sa prunelle trempée
Dans le fiel; son regard aiguisait les frimas,
Et sa barbe à longs poils, roide comme une épée,
Se projetait, pareille à celle de Judas.

Il n’était pas voûté, mais cassé, son échine
Faisant avec sa jambe un parfait angle droit,
Si bien que son bâton, parachevant sa mine,
Lui donnait la tournure et le pas maladroit

D’un quadrupède infirme ou d’un juif à trois pattes.
Dans la neige et la boue il allait s’empêtrant,
Comme s’il écrasait des morts sous ses savates,
Hostile à l’univers plutôt qu’indifférent.

Son pareil le suivait: barbe, œil, dos, bâton, loques,
Nul trait ne distinguait, du même enfer venu,
Ce jumeau centenaire, et ces spectres baroques
Marchaient du même pas vers un but inconnu.

A quel complot infâme étais-je donc en butte,
Ou quel méchant hasard ainsi m’humiliait?
Car je comptai sept fois, de minute en minute,
Ce sinistre vieillard qui se multipliait!

Que celui-là qui rit de mon inquiétude,
Et qui n’est pas saisi d’un frisson fraternel,
Songe bien que malgré tant de décrépitude
Ces sept monstres hideux avaient l’air éternel!

Aurais-je, sans mourir, contemplé le huitième,
Sosie inexorable, ironique et fatal,
Dégoûtant Phénix, fils et père de lui-même?
–Mais je tournai le dos au cortège infernal.

Exaspéré comme un ivrogne qui voit double,
Je rentrai, je fermai ma porte, épouvanté,
Malade et morfondu, l’esprit fiévreux et trouble,
Blessé par le mystère et par l’absurdité!

Vainement ma raison voulait prendre la barre;
La tempête en jouant déroutait ses efforts,
Et mon âme dansait, dansait, vieille gabarre
Sans mâts, sur une mer monstrueuse et sans bords!

Die sieben Greise

Victor Hugo gewidmet

Wimmelnde Stadt, Stadt die erfüllt von Träumen
Wo das Gespenst bei Tag antritt den Mann!
Geheimes schwillt gleich Säften wenn sie schäumen
In engen Gossen des Kolosses an.

An einem Morgen als in tristen Straßen
Die Häuser die im Nebel aufgereckt
Zu Dämmen wurden die ein Strombett fassen
Und, dieses Mimen würdiger Prospekt

Ein gelber Dunstkreis alles überschwemmte
Schritt ich vertieft – heroisch auszuharren
Mein Herz beredend das Ermüdung lähmte –
Die Vorstadt hin die dröhnte von den Karren.

Da stieg ein Greis in Lumpen die verblassen
Vom Ton der Wolken dieser gelben feuchten
Des Antlitz Gaben hätte regnen lassen
Ohn seiner Blicke höchst gemeines Leuchten

Vor mir empor. Sein Auge blickte schwer
Wie voller Galle; Frost fiel ihm vom Lid
Sein Bartwuchs welcher hart war wie ein Speer
Glich dem des Jüngers der den Christ verriet.

Er, nicht gekrümmt, zerbrochen, und sein Rücken
Lief gen den Schenkel im genauen Lot
So daß sein Stab der dies Bild sonder Lücken
Vollendete ihm Aussehn lieh und Trott

Des lahmen Tiers, des Juden auf drei Pfoten
Durch Schnee und Pfützen ging es unablässig
Als wate er mit seinem Schuh in Toten
Mir schien er nicht so fremde denn gehässig.

Ein gleicher folgte ihm: Bart Stock und Haar
Nichts unterschied den Sohn der gleichen Hölle
Und dies barocke greise Zwillingspaar
Schritt wie im Takt – wer weiß nach welcher Stelle?

Welch Anschlag war das der zum Ziel mich wählte
War’s hämischer Zufall der mich so verlachte
Daß siebenmal minutenweis ich zählte
Den grausen Alten der sich vielfach machte!

Mag wer da lächelt meiner bangen Qual
Wen brüderliche Schauder nicht befahren
Bedenken daß trotz völligem Verfall
Die sieben Ausgeburten ewig waren!

Konnt ohne Todesnot ich noch den achten
Den scheelen Sosias der sich drohend trug
Den eklen Phönix der sein eigner Sohn betrachten?
Doch ich entkehrte mich dem Höllenzug.

Rasend gleich Trunknen wenn sie doppelt schauen
Mein Haus gewann ich und verschloß mich drin
Krank und durchfroren, wirr vom Fieberbrauen
Wund vom Geheimnis und vom Widersinn!

Umsonst Vernunft zur Heimfahrt Segel pflanzte –
Sturm brach ihr Trachten mit gewaltger Hand
Und meiner Seele Kutter tanzte, tanzte
Mastlos auf wüsten Wogen ohne Land.

Charles Baudelaire

vertaling Walter Benjamin


TO WHEN WE NO LONGER DIE
We have all we don’t want now and can’t
know need, though the Victorian terminal’s still
visible from here. Its shell freshly sand-blasted,

and what iron still veins those windows
gives them a lumpen aspect, like trowelled-on
mud in the winter of an era deeply previous to —
 
unnamed calendrical marker fading fast
into movie wars, pundits in seizure, and fragments
from Lincoln’s speeches. Latin U’s appear as V’s,
 
we can’t help wondering were they missing
a particular chisel blade. Rock doves
decorate the gothic cake in cack. Shot
 
in black and white, we’re to choose colour
tone and contrast later, in post-production,
once we’re past the very teenage tristesse
 
of imagining ourselves gone, all art-house taciturn,
crises of finitude, and very little make-up. Ranks
of the as it was ever it shall be, still smoking. Treble clefs
 
of black squirrels, meanwhile, change to bass as a wind
gets up in the far-off branch work. We’d like
to be remembered for not mucking
 
up the place. Are songs litter? Is there an alley
we have yet to piss in? Accelerating heads whip past
in illuminated diorama, flip-book depicting
 
the one head. Our own train slows. We re-take
our seats in separate compartments, tot up
turkey vultures, imports from Arkansas, glaring
 
at congested cloverleafs. Mid-range drone of turbines
above sugar beets and alpaca. Appearance proclaims
itself the original mystery. Northern life migrates north.

Ken Babstock


VOOR WANNEER WE NIET LANGER DOODGAAN
We hebben nu alles wat we niet willen en weten
niets van schaarste, hoewel het Victoriaanse station nog
te zien is vanaf hier. Zijn skelet vers gezandstraald
 
en het restantje ijzer dat die ramen dooradert
geeft ze een lomperig aanzien, als losgeschoffeld
slijk in de winter van een tijdperk ruim voor –
 
vage kalenderaanduidingen snel fadend
in filmoorlogen, spasmische deskundologen, en fragmenten
uit Lincolns toespraken. Latijnse U’s lijken op V’s,
 
we blijven ons maar afvragen of het ze niet ontbrak
aan een specifiek bijtelblad. Rotsduiven
sieren de gotische cake met kak. Geschoten
 
in zwartwit moeten we later kiezen uit kleur-
tonen en -contrasten, tijdens postproductie,
achter ons de zo puberige weemoed van inbeelden
 
dat we er niet meer zijn, heel arthouse-achtig zwijgzaam,
crises van eindigheid en een vrij dun laagje grime. De reut
van het zoals het was zal het altijd zijn, paft nog steeds. Vioolsleutels
 
van zwarte eekhoorns, intussen, gaan over in bas terwijl een wind
opsteekt in het afgelegen branchewerk. We willen er graag
om herinnerd worden dat we geen zooi
 
hebben achtergelaten. Zijn liedjes rommel? Is er een steeg
om nog in te zeiken? Versnellende hoofden schieten
in uitgelicht diorama voorbij, flipboekje toont
 
het ene hoofd. Onze eigen trein mindert vaart. In aparte
coupés nemen we onze plaatsen weer in, tellen
de kalkoengieren op, import uit Arkensas, met dreigblik
 
op een congestie van klaverblad. In middengolf gonzende turbines
boven suikerbieten en berglama. Verschijning roept zichzelf uit
tot het oorspronkelijke mysterie. Noordelijk leven trekt noordwaarts.


Waiting for you to die so I can be myself
a thousand years of daughters then me
what else could i have learned to be?

girl after girl after giving herself to herself
one long ring shout name, monarchy of copper

& coal shoulders. the body too is a garment.
i learn this best from the snake angulating

out of her pork rind dress. i crawl out of myself
into myself, take refuge where i flee.

once, I snatched my heart out like a track
& found not a heart, but two girls forever

playing slide on a porch in my chest.
who knows how they keep count

they could be a single girl doubled
& joined at the hands. i’m stalling.

i want to say something without saying it
but there’s no time. i’m waiting for a few folks

i love dearly to die so i can be myself.
please don’t make me say who.

bitch, the garments i’d buy if my baby
wasn’t alive. if they woke up at their wake

they might not recognize that woman
in the front making all that noise.

Danez Smith


Wachtend op jouw doodgaan om mijzelf te kunnen zijn
duizend jaar van dochters voor mij
wat anders kon ik leren zijn?

meisje na meisje na haarzelf aan haarzelf te schenken
één lange doorgegeven naam, monarchie van koper

& kolen schouders. ook het lichaam is een gewaad.
dit leer ik het meest van de slang die kronkelend

haar zwoerden pak verlaat. ik kruip uit mijzelf
mijzelf binnen, zoek dekking waar ik vlucht.

eens griste ik mijn hart eruit als een vlecht
& vond geen hart, maar twee meisjes voor altijd

handjeklap spelend op een veranda in mijn borst.
wie weet hoe ze de tel bijhouden

ze zouden een enkel meisje kunnen zijn, verdubbeld
& aaneengesloten bij de handen. ik loop vast.

ik wil iets zeggen zonder het te zeggen
maar er is geen tijd. ik wacht op het doodgaan van

een paar dierbaren om mijzelf te kunnen zijn.
laat me alsjeblieft niet zeggen wie.

bitch, de gewaden die ik zou kopen als mijn lief
niet in leven was. als ze ontwaakten bij hun wake

zouden ze wellicht die vrouw niet herkennen
vooraan, die al dat lawaai maakt.


Wie zich de dood herinnert in een droom . . .

Ze verbeeldt zich wat ik mis,
Het haakt zich aan haar schaduw vast,
Voor ze het weet heeft het haar ingehaald
En is ze prooi in plaats van jager.

Het gaat ook zo verloren.
Ik weet niet wat je wist,
Maar wat ik misloop
Duikt op in beelden onderweg.

De bodem zinkt steeds
Verder weg, er is een punt
Waar alles stil zal vallen,

En wij er middenin,
Een beeld dat niet
Van wijken wist.

Stefan Hertmans


“Alles is altijd hetzelfde,” zegt mijn
oudste zusje. “De lucht is altijd blauw,
met soms een beetje wit, en het gras is
altijd groen. Nooit eens een keer rood.
Of oranje!”
“Wij zijn ook altijd hetzelfde,” ant-
woordt mijn tweede zusje. “We hebben altijd
dezelfde jurk. En dezelfde schoenen. En we
spelen altijd dat we iemand anders zijn . . . ”
“Misschien moeten we even doodgaan,” zegt
mijn oudste zusje opnieuw. “Heel even maar.
En dan komen we terug. Dan is alles weer
nieuw!”
We staren naar onze gebarsten schoenen in
het groene gras.
“We kunnen net doen alsof we dood zijn,”
stel ik voor.
“Dat telt niet,” zegt mijn oudste zusje.
“Het moet echt!”
Onze grootmoeder staat achter in de tuin.
Ze staat daar maar. Ze werkt niet. We zien
haar witte haren. En een stuk van haar ge-
bloemde schort. Boven aan de hemel drijven
rustige witte wolken. Rond het witte wol-
kenpak zijn de wolken water. Grijs en leeg
als de zee.

Kreek Daey Ouwens


Les petites Vieilles

A Victor Hugo

I
Dans les plis sinueux des vieilles capitales,
Où tout, même l’horreur, tourne aux enchantements,
Je guette, obéissant à mes humeurs fatales,
Des êtres singuliers, décrépits et charmants.

Ces monstres disloqués furent jadis des femmes,
Éponine ou Laïs! Monstres brisés, bossus
Ou tordus, aimons-les! ce sont encor des âmes.
Sous des jupons troués et sous de froids tissus.

Ils rampent, flagellés par les bises iniques,
Frémissant au fracas roulant des omnibus,
Et serrant sur leur flanc, ainsi que des reliques,
Un petit sac brodé de fleurs ou de rébus;

Ils trottent, tout pareils à des marionnettes;
Se traînent, comme font les animaux blessés,
Ou dansent, sans vouloir danser, pauvres sonnettes
Où se pend un Démon sans pitié! Tout cassés

Qu’ils sont, ils ont des yeux perçants comme une vrille,
Luisants comme ces trous où l’eau dort dans la nuit;
Ils ont les yeux divins de la petite fille
Qui s’étonne et qui rit à tout ce qui reluit.

–Avez-vous observé que maints cercueils de vieilles
Sont presque aussi petits que celui d’un enfant?
La Mort savante met dans ces bières pareilles
Un symbole d’un goût bizarre et captivant,

Et lorsque j’entrevois un fantôme débile
Traversant de Paris le fourmillant tableau,
Il me semble toujours que cet être fragile
S’en va tout doucement vers un nouveau berceau;

A moins que, méditant sur la géométrie,
Je ne cherche, à l’aspect de ces membres discords,
Combien de fois il faut que l’ouvrier varie
La forme de la boîte où l’on met tous ces corps.

–Ces yeux sont des puits faits d’un million de larmes,
Des creusets qu’un métal refroidi pailleta…
Ces yeux mystérieux ont d’invincibles charmes
Pour celui que l’austère Infortune allaita!

II
De Frascati défunt Vestale énamourée;
Prêtresse de Thalie, hélas! dont le souffleur
Enterré sait le nom; célèbre évaporée
Que Tivoli jadis ombragea dans sa fleur,

Toutes m’enivrent! mais parmi ces êtres frêles
Il en est qui, faisant de la douleur un miel,
Ont dit au Dévouement qui leur prêtait ses ailes:
Hippogriffe puissant, mène-moi jusqu’au ciel!

L’une, par sa patrie au malheur exercée,
L’autre, que son époux surchargea de douleurs,
L’autre, par son enfant Madone transpercée,
Toutes auraient pu faire un fleuve avec leurs pleurs!

III
Ah! que j’en ai suivi de ces petites vieilles!
Une, entre autres, à l’heure où le soleil tombant
Ensanglante le ciel de blessures vermeilles,
Pensive, s’asseyait à l’écart sur un banc,

Pour entendre un de ces concerts, riches de cuivre,
Dont les soldats parfois inondent nos jardins,
Et qui, dans ces soirs d’or où l’on se sent revivre,
Versent quelque héroïsme au cœur des citadins.

Celle-là, droite encor, fière et sentant la règle,
Humait avidement ce chant vif et guerrier;
Son œil parfois s’ouvrait comme l’œil d’un vieil aigle;
Son front de marbre avait l’air fait pour le laurier!

IV
Telles vous cheminez, stoïques et sans plaintes,
A travers le chaos des vivantes cités,
Mères au cœur saignant, courtisanes ou saintes,
Dont autrefois les noms par tous étaient cités.

Vous qui fûtes la grâce ou qui fûtes la gloire,
Nul ne vous reconnaît! un ivrogne incivil
Vous insulte en passant d’un amour dérisoire;
Sur vos talons gambade un enfant lâche et vil.

Honteuses d’exister, ombres ratatinées,
Peureuses, le dos bas, vous côtoyez les murs;
Et nul ne vous salue, étranges destinées!
Débris d’humanité pour l’éternité mûrs!

Mais moi, moi qui de loin tendrement vous surveille,
L’œil inquiet, fixé sur vos pas incertains,
Tout comme si j’étais votre père, ô merveille!
Je goûte à votre insu des plaisirs clandestins:

Je vois s’épanouir vos passions novices;
Sombres ou lumineux, je vis vos jours perdus;
Mon cœur multiplié jouit de tous vos vices!
Mon âme resplendit de toutes vos vertus!

Ruines! ma famille! ô cerveaux congénères!
Je vous fais chaque soir un solennel adieu!
Où serez-vous demain, Èves octogénaires,
Sur qui pèse la griffe effroyable de Dieu?

Alte Frauen

Victor Hugo gewidmet

I
Im Faltenschoß der alten Metropolen
Wo Feen im Entsetzen selber walten
Folgt meine trübe Leidenschaft verstohlen
Verfallnen doch vollendeten Gestalten.

Die Unform die da abstößt war ein Weib
War Epona! war Lais! Ehrt ihr Leben
Das seelenhafte noch im morschen Leib.
Im dünnen Rock in löchrigen Geweben

Herzloser Winde Geißelhieb im Rücken
Ziehn sie verstört vom Wagenlärm vorbei.
Was für Reliquien sie an sich drücken!
Ihr Beutelchen mit Blumenstickerei;

Sie gehn wie Püppchen ihre Füße stellen
Sie kommen wie ein wundes Tier gekrochen
Tanzen und wollen doch nicht tanzen – arme Schellen
An die ein Troll sich anhängt! So zerbrochen

Sie sind, ihr Aug’ dringt bohrend in die deinen
Blank wie ein schlafend Regenloch bei Nacht;
Es ist das göttlich blickende der Kleinen
Die über Glänzendes erstaunt und lacht.

Habt ihr bemerkt wie sie in Särgen ruhen
Die oft kaum größer sind als für ein Kind.
Der weise Tod bewährt in solchen Truhen
Wie ernst die Spiele seiner Laune sind!

Und seh ich ihrer eine schattenhaft
Sich im Pariser Schwarm vorüberheben
Stets scheint mir ihre stille Wanderschaft
Zu einer andern Wiege hin das Streben.

Dann sinne ich, ein neuer Geometer
Vergrübelt in der Glieder Mißverhältnis
Darüber nach wie oft der Schreiner später
Abwandeln wird ihr hölzernes Behältnis.

Augen, aus tausend Tränen ihr Zisternen
Ihr Tiegel wo Metall im Guß gerann
Der widersteht nicht so gewalt’gen Sternen
Den die Verfemung groß gesäugt – der Mann.

II
Der Vesta Magd die zu Frascati glühte;
Thaliens Priesterin – ach wie sie hieß
Weiß nur ihr toter Partner – die einst blühte
Im Schatten Tivolis eh’ sie es ließ.

Von allen bin ich voll! doch von den Alten
Rief manche für die Gram wie Honig floß
Der Inbrunst zu die ihr zum Dienst verhalten:
Heb mich empor, gewalt’ges Flügelroß!

Sie die ihr Vaterland mit Not geschändet
Sie die ihr Mann mit Kränkung überlud
Die Schmerzensmutter die im Sohn verendet
Von ihrer aller Tränen welche Flut!

III
Nie ward ich müde, ihnen nachzugehen!
Einst traf ich eine, als die Sonne sank
Wie Blut aus goldnen Wunden anzusehen
Fand sie sich sinnend abseits eine Bank

Zu lauschen jenen großen Blechkapellen
Der Garden welche im betäubten Park
Zu diesen Stunden unsern Lebensquellen
Ein Schauern senken in der Bürger Mark.

Sie saß gereckt den strengen Takt zu saugen
Zum durst’gen Ohr ließ sie den Kriegsmarsch ein
Und wie ein alter Aar hob sie die Augen;
Ihr Haupt schien für den Lorbeer da zu sein!

IV
Dies seid ihr, euer klageloses Kommen
Durch meiner Stadt lebendiges Gedränge
Herzblut der Mütter, Dirnen wie Madonnen
Einst Namen in dem Munde dieser Menge.

Die ihr die Gnade wart und wart der Ruhm
Keiner erkennt euch! nur ein Trunkenbold
Streift euch mit seiner Liebe Narrentum;
Ein feiges Kindchen kommt euch nachgetrollt.

Scham dazusein, ihr eingeschrumpften Schemen
Macht, daß ihr krumm und scheu die Mauern streift;
Man grüßt euch nicht, Erloste großer Femen
O Menschenschutt zur Ewigkeit gereift!

Doch ich der ich von ferne euch behüte
Der zag und zärtlich euren Gang ermißt
Nun ganz euch Vater aus beglückter Güte!
Ich schlürfe Süßen welche ihr nicht wißt:

Das frühste Keimen spür ich in euch allen
Die längst verlebte, eure Zeit ward mein
Mein Herz ist tausendfach in euch der Brunst verfallen
Und meine Seele ist aus eurer Tugend rein!

Verfallene! an Blut und Wissen meinesgleichen
Euch gilt zur Nacht mein scheidender Gedanke;
Wo wird der nächste Morgen euch erreichen
Uralte Even unter Gottes Pranke?

Charles Baudelaire

vertaling Walter Benjamin


“Bestaat er verlies dat enkel leefbaar is”
Bestaat er verlies dat enkel leefbaar is
als je vergeet dat de doden een lichaam hadden
Ik zet foto’s neer en haal ze weer weg
Kan niet beslissen wat het meest ondraaglijk is
Heb ik iets, vraagt mijn dochter, van je broers die dood zijn
Ik pak een zakje ketchup en een uil in papier-maché
Toen ze stierven, zeg ik, ging ik ze broeders noemen
hier denken ze dat neef vreemdeling betekent
Ze waren mijn meest naaste familie als familie
datgene is wat geschiedenis verbindt met toekomst
Ik volgde hen naar de onderwereld en bleef daar bijna
En toen, toen kreeg ik jullie

Athena Farrokhzad

vertaling Lisette Keustermans


[

: ¿Es posible entender ese extraño lugar entre la
vida y la muerte, ese hablar precisamente desde el
límite?

: una habitante de la frontera

: ese extraño lugar

: ella está muerta pero habla

: ella no tiene lugar pero reclama uno desde el
discurso

: ¿Quieres decir que va a seguir aquí sola,
hablando en voz alta, muerta, hablando a viva voz
para que todos la oigamos?

]

Sara Uribe


“Hoe kunnen we die vreemde plek begrijpen”

[
: Hoe kunnen we die vreemde plek begrijpen tussen leven
en dood, het spreken precies vanaf de grens?

: een grensbewoonster 

: die vreemde plek

: ze is dood maar ze spreekt

: ze heeft geen plek maar eist er een op vanuit de spraak

: Wil je zeggen dat ze hier alleen zal blijven, hardop
pratend, dood, luidkeels pratend zodat wij haar allemaal
horen?
]

Vertaling: Lisa Thunnissen


(Ze vertelt:) je merkt het niet eens aan dat het geheugen
gaat, ik tenminste,
maar aan zijn doen en laten. Onhandigheid,
verkeerd woordgebruik. Hij begon
Hij begon met zijn been te breken met skieën, dat was
uit een soort bravoure. Terwijl hij altijd ontzettend zorgvuldig
was.
Ontzettend zo zorgvuldig was. En ook. Ik

Ik zag het aan zijn tennissen ook.
Hij tenniste niet meer aanvallend,
het was alleen verdedigend.
Op de kinderen redigeerde hij vreemd. Rea.
Dat zei ik

En continu hetzelfde boek mee op vakantie.

En op zijn werk. Hij wou maar/zo (op de brug) blijven,
(de kapitein op het schip), zijn
zijn collega’s hielden een hand

boven zijn hoofd. Hem de.
Maar steeds iets beginnen dat al af is,
telkens en telkens, het
het ging niet meer.
Uiteindelijk thuis      zo lang het     tehuis

Nu ik dit zo gezien heb (vertelt ze;
het waait, maar dat is buiten), meegemaakt, hij
ik weet niet eens hoe ik me hem herinneren moet
hij was niet eens     niet meer dezelfde

en natuurlijk hij is er ook nog . . .
maar nu dit zo
weet ik met de dood is er niets meer weet ik
zeker weet ik.

Tonnus Oosterhoff


/B/

naar Dylan Thomas

En de dood zal niet over ons heersen,
de doden en de naakten als de levenden
zullen aan voeten en ellebogen sterren dragen,
zullen aan voeten en ellebogen memes dragen, aan voeten
en ellebogen Pusheenkatjes, dragen
zullen ze het licht, het blauwe licht van tablets, van
monitoren, smartphones, het gele licht van schermen met een filter
van blauw, het oogverblindende licht van YouTube ’s nachts in bed bekeken,
het regelmatige
geritmeerde licht van behendigheidsspelen in de bus naar het werk, en de
dood
zal niet over ons heersen,
en alle Japanse veertienjarigen op Tumblr en alle
zevenenveertigjarige Letse spoorwegmecaniciens die hen bekijken zullen
aan voeten en ellebogen
sterren dragen,
en een miljoen anoniempjes op 4chan die dromen van seizoenen, forten,
geheel andere regenbogen
en krachtigere grafische kaarten zullen aan voeten en ellebogen
sterren dragen, en de dood zal niet over ons heersen,

het licht zal vullen, overlopen, alle 1024 serverruimtes van Pornhub
volstoppen, alle
2048 serverruimtes van YouTube, elke executievideo zal het veranderen
in een willekeurige kattenfilmpje in ultraHD, elke opname van Jordan
Peterson
in een elf uur lange Frank Sinatracover op uitgeholde zoete aardappelen,
het licht zal vullen, overlopen,
en de dood zal niet over ons heersen,

en alle 24-uursuitzendingen van marathonsessies mango paneren zullen
veranderd worden,
alle managers uit het midden- en topkader met Skype onder
de oogleden, dood en naakt als memes, en licht zal hen omhullen, en licht
zal hen vervullen,
en licht zal hen vervullen, aan voeten en handen zullen zij het licht dragen, en
filters van
blauw zullen er niet meer zijn, en de dood zal niet over ons heersen,

en de dood zal niet over ons heersen,
en de dood zal niet over ons heersen,

Radosław Jurczak

Vertaling:Kris Van Heuckelom


  1. I’m coming over, Grandma

Ik zal naar je toekomen, oma. Het zal zomer zijn en dan hang je vliegenpapier boven aan het deurkozijn. Terwijl de vliegen zich in trosjes op de plakkerige stroken verzamelen, zal ik mijn hoofd in je schoot leggen en jij zult me vertellen wat je met Keteltinne, de zigeunerin, hebt bedisseld. Je jurk zal naar huiszeep ruiken en je handen zullen ruw zijn. Je zult me beginnen te verwijten dat ik dat allemaal ben vergeten. Alles zal even doorzichtig zijn als een glas water, maar dan zal ik dichter bij de dood zijn.

Doina Ioanid

Vertaling: Jan H. Mysjkin


  1. LAKEN

Toen iedereen dood was begon ik hier voor mezelf
met mijn ak-47 mijn broertje van staal,

niemand komt me hier wassen en kammen en ik haal voor niemand
meer hout, alles komt van de soldaten 

die van me houden omdat ik geluk breng en goed
kan mikken met de granaten. 

Daar voor ons ligt de stad waar niemand meer woont
en ik kijk van hoog, stel mijn broertjes oog af op de daken, 

dan lopen we wacht, allereerst naar het huis van mijn oom
die zich ophing omdat hij alleen nog met doden kon praten. 

Mijn broer is zo groot als ik maar ik hou hem goed vast
op mijn schouder waar hij kan slapen 

en het raam van mijn oom staat open, op het balkon
bolt een laken op en het waait niet en niemand daar hangt 

was aan de lijn, dus ik schiet en
het valt op de grond, het ziet er niet uit als een laken.

Eva Gerlach


  1. MADHOUSE

The point about the madhouse is that it’s virile.
The point about the madhouse is that it sticks by its beliefs.
The point about the madhouse is that sanity is bourgeois.
The point about the madhouse is that no one is acting.
The point about the madhouse is that no one gets in by simply being nice.
The point about the madhouse is that it liberates the spirit.
The point about the madhouse is that you can think just what you like there.
The point about the madhouse is that anyone can enter.
There’s nothing special about the madhouse, people come and go all the time.
There’s nothing threatening about the madhouse, we are all of us dying.
There’s nothing terminal about the madhouse: you go along for the ride.
There’s nothing sad about the madhouse: weeping and gnashing of teeth, that’s nothing.
There’s nothing mad about the madhouse, it is sanity by default.
We are sane by default, we are mad by design, but the mad are more admirable.
Admirable is the ape, the bulbul, the mitochondrion, the swelling of the larynx,
Admirable the orchid, the garlic, the fire inside the shut book,
Admirable the cry of the tortured, the lost voice of the nightingale, the laughter
in everything ostensibly sane but tending towards madness
such as sunlight, the slow rain, each pendulous drop, the wide road,
the brimming eye, shadows, picnics, public conveyances, thunder.
Nature is a madness with a method and all the madder for that.
Culture is a madness everyone inherits.
Science is a madness in love with numbers, the perfect amour fou.
Health is a madness that shifts from minute to minute, gesundheit!
Money is madness that fills your pockets and leaves a silver slugtrail in the garden.
The point about the madhouse is not to describe it.
The point about the madhouse is not to change it.
The point about the madhouse is to live there
to accustom yourself to its immaculate manners
to dwell in the house of the Lord for ever
with the prophet, the poet, the dwarf, the scholar, the fire.

George Szirtes


  1. GEKKENHUIS

Het punt met het gekkenhuis is dat het mannelijk is.
Het punt met het gekkenhuis is dat het vasthoudt aan z’n geloof.
Het punt met het gekkenhuis is dat gezondheid bourgeois is.
Het punt met het gekkenhuis is dat niemand acteert.
Het punt met het gekkenhuis is dat niemand binnenkomt door gewoon aardig te zijn.
Het punt met het gekkenhuis is dat het de geest bevrijdt.
Het punt met het gekkenhuis is dat je er gewoon mag denken wat je wilt.
Het punt met het gekkenhuis is dat iedereen er binnen kan.
Er is niks bijzonders aan het gekkenhuis, mensen komen en gaan er voortdurend.
Er is niks bijzonders aan het gekkenhuis, we gaan allemaal dood.
Er is niets terminaals aan het gekkenhuis, je gaat mee met het tochtje.
Er is niks droevigs aan het gekkenhuis, geween en tandengekners, dat is niks.
Er is niets gek aan het gekkenhuis, het is standaard gezond.
Wij zijn standaard gezond, gek door ontwerp, maar de gekken zijn bewonderenswaardiger.
Bewonderenswaardig is de mensaap, de bard, de mitochondria, de opgezwollen larynx,
Bewonderenswaardig de orchidee, de knoflook, het vuur in het gesloten boek,
Bewonderenswaardig het geschreeuw der gekwelden, de verloren stem van de nachtegaal, het gelach
in ogenschijnlijk alles wat gezond is maar naar gekte neigt
zoals zonlicht, trage regen, elke hangende druppel, de brede weg,
het vollopende oog, schaduwen, picnics, publieke vervoersmiddelen, donder.
Natuur is gekte met methode en daarom des te gekker.
Cultuur is gekte die iedereen erft.
Wetenschap is gekte die verliefd is op getallen, de ware amour fou.
Gezondheid is gekte die van minuut tot minuut verschuift, gesundheit!
Geld is gekte die je zakken vult en een zilver slakkenspoor in de tuin achterlaat.
Het punt met het gekkenhuis is beschrijf het niet.
Het punt met het gekkenhuis is verander het niet.
Het punt met het gekkenhuis is leef er
om jezelf te gewennen aan z’n smetteloze manieren
om voor altijd in het huis des Heren te verblijven
met de profeet, de dichter, de dwerg, de geleerde, het vuur.

Vertaling: Rob Schouten


1924

Ik ben geboren in 1924. Als ik een viool was van mijn leeftijd
was ik niet een van de beste. Als wijn zou ik uitstekend zijn
of helemaal zuur. Als hond was ik al dood. Als boek
werd ik nu waardevol of zou ik al zijn weggegooid.
Als bos zou ik jong zijn, als machine lachwekkend
en als mens ben ik heel moe.

Ik ben geboren in 1924. Als ik denk aan de mensheid
denk ik alleen aan hen die in hetzelfde jaar zijn geboren als ik,
van wie de moeders tegelijk met mijn moeder in het kraambed lagen
waar dan ook, in ziekenhuizen of in schemerige kamers.

Op deze dag, mijn geboortedag, wil ik
een grote zegen over jullie uitspreken,
over jullie van wie het leven al doorbuigt
onder het gewicht van hoop en teleurstelling,
van wie de daden steeds minder worden
en de goden talrijker.
Jullie zijn allen mijn broeders in hoop, mijn vrienden in wanhoop.

Mogen jullie elk de juiste rust vinden,
de levenden in hun leven, de doden in hun dood.

En wie zich beter dan de anderen
zijn jeugd herinnert is winnaar
als er tenminste winnaars zijn.

Yehuda Amichai

Vertaling: Tamir Herzberg


1938

DE OORLOG ACH

de oorlog dat bij ons nogal wat

huizen plat en

buren dood ach dood gesmakt en dat ik sliep in bed of

wieg meer weet ik niet

de oorlog ach

de oorlog dat wij

de tuin van

nonkel kapitein onveilig maakten dat we

vader hoorden klagen dat hij vastzat op dit

slot en niet naar duitsland kon ach kon en wij zijn

prinsen waren en dat ik sliep in

bed of

wieg meer weet ik niet van

de oorlog ach

de oorlog die

een vrouw

een zangeres van

opera’s verongelukt ach door een

bom verongelukt al op

de weg naar maldegem zag liggen maar da’s al lang geleden ach

de oorlog ach

Xavier Roelens


1989

wie zegt dat de doden elkaar zullen omarmen
zoals paard na paard        met zilvergrijze manen
buiten het raam in het bevroren maanlicht staan
zijn de doden begraven in de dagen van het verleden
in een heel recent verleden        werden gekken op bedden vastgebonden
kaarsrecht als ijzeren nagels
die het timmerhout van de duisternis vastspijkeren
zo wordt elke dag het deksel van de doodkist gesloten

wie zegt dat de doden dood zijn        de doden
zijn opgesloten in de dag des oordeels gedoemd om voor altijd te dolen
op vier muren vier maal hun eigen gezicht
nogmaals afgeslacht        bloed
blijft het enige befaamde landschap
wie slapend het graf in gaat heeft geluk        maar hij ontwaakt
op een nieuwe dag die vogels nog meer vrezen
dit was niets meer dan een doodgewoon jaar

Yang Lian

Vertaling: Jan De Meyer


“20.-Da la vuelta y el cielo abre la boca. Has desparecido entre nosotras. Este es un libro que no existe. Te tenemos rodeado. Cielo y muerte. Cielo y sangre. Perfección y dolor. Somos tuyas cuando tú crees que nos devoras. Somos tuyas con la boca cerrada. Instrumentos de tu fonación. No nos diferenciamos. Saltamos en el aro del cielo. Somos espacio y somos superficie. El cielo tiene un cuerpo que camina. El camino se ha cubierto de sangre.”

Dolores Dorantes


20.- Turn around and the sky opens its mouth

“20.-Keer om en de hemel opent zijn mond. Je bent in onze meisjesmassa verdwenen. Dit is een boek dat niet bestaat. We hebben je omsingeld. Hemel en dood. Hemel en bloed. Volmaaktheid en pijn. We zijn van jou wanneer jij denkt dat je ons verslindt. We zijn van jou met gesloten mond. Instrumenten van jouw klankvorming. We zijn onderling niet verschillend. We springen in de ring van de hemel. We zijn ruimte en oppervlak. De hemel heeft een lichaam dat zich verplaatst. De plaats is bedekt met bloed.”

Vertaling: Mariolein Sabarte Belacortu


6
Bruno está muerto, Susana está muerta. El campo 
negro y atrás la gasa sanguinolenta de la nieve de 
las montañas. La rompiente blanca sube y baja 
adelante. Las ciudades pequeñas son blancas en 
los caminos de noche. Se asemejan a copos de luz 
apareciendo de pronto y luego nada. Alguien los 
oyó y ahora son miles de caras blancas, con los 
dientes levemente enrojecidos y las cuencas de los 
ojos vacías. Mis cartas de amor. Luego nada.

Cruzo pueblos pequeños en la noche. Cruzo 
pelajes moteados de sangre. Ambos son leves. 
Bruno es leve, Susana ahora es leve.

Las palabras de amor son leves, como la noche es 
leve, como los tallos de las margaritas, sin 
embargo ellos chillan cuando el viento los dobla. 
Chillan y yo los escucho. Mis cartas de amor son 
leves. Tienen pequeñas motas de sangre y saliva.

Vuelvo a casa, dice Bruno. Susana también dice 
que vuelve a casa.
 
Raul Zurita


6
Bruno is dood, Susana is dood. Het zwarte
veld en erachter het bloederige gaas van de sneeuw
in de bergen. Verderop gaat de witte branding 
omhoog en omlaag. De kleine steden zijn wit op
de nachtelijke wegen. Ze lijken spetters licht 
die plotseling verschijnen en daarna niets. Iemand
hoorde ze en nu zijn het duizenden witte gezichten, 
met lichtrood gekleurde tanden en de oogholtes 
leeg. Mijn liefdesbrieven. Daarna niets. 

Ik doorkruis kleine dorpjes in de nacht. Ik doorkruis
vachten bespikkeld met bloed. Beiden zijn ijl. 
Bruno is ijl, Susana is nu ijl.

Woorden van liefde zijn ijl, zoals de nacht
ijl is, zoals de stelen van de margrieten, maar
toch krijsen ze wanneer de wind ze dubbelklapt.
Ze krijsen en ik hoor ze. Mijn liefdesbrieven zijn
ijl. Er zitten kleine spikkels op, van bloed en speeksel.

Ik ga terug naar huis, zegt Bruno. Susana zegt ook
dat ze teruggaat naar huis. 

Raul Zurita

Vertaling: Lisa Thunnissen  


Een vriend
Ik had een vriend die doodging,
ik zag hem doodgaan,
hoorde hem doodgaan

ik stond erbij
en met uiterste inspanning van mijn tot dan toe onbruikbaar gebleken inlevingsvermogen
verwisselde ik van plaats met hem

het verschil was kleiner dan ik dacht

hij zag mij doodgaan
hoorde mij doodgaan

hij stond erbij
en zei dat het beter was zo, rechtvaardiger,
hoe moest hij het zeggen,
hij had nog zoveel te doen, zoveel te betekenen

hij dankte mij voor mijn inlevingsvermogen
en voor de ongelooflijke precisie van het tijdstip
waarop het zijn nut bewees

het was op een ochtend in een bos,
hij was daar aan het hollen,
ik ging daar dood.

Toon Tellegen


een prille vrouw slaapt net

een prille vrouw slaapt net
of iemand van haar ligt te dromen
een volwassene slaapt
alsof er een oorlog dreigt
een oude vrouw slaapt net
of zij aan de dood kan ontkomen
door te doen of ze dood is
de dood om de dromentuin leidt.

Vera Pavlova

Vertaling: Nina Targan Mouravi


DE VAL

Midden op het plein
viel een man op zijn knieën

− Was hij te moe
om te staan?

− Was hij aan de grens gekomen,
                    waar golven breken?

− Had verdriet hem neergeslagen?
                    of een pijnaanval?

− Of een slag die geen mens doorstaat.

− Of de doodsengel
                   met zijn zeis toen de tijd daar was.

− Of God of Satan.

Midden op het plein
       viel plotseling een man als een paard
                   met afgemaaide knieën.

Sargon Boulus

Vertaling: Kees Nijland


A MAN IN HIS LIFE

Een mens heeft in zijn leven geen tijd om voor alles
tijd te hebben.
En hij heeft geen uren genoeg om elk ding
zijn uur te geven. Prediker heeft zich daarin vergist.
Een mens moet haten en beminnen op hetzelfde moment,
met dezelfde ogen huilen en met dezelfde ogen lachen,
met dezelfde handen stenen wegwerpen
en ze met dezelfde handen vergaren,
liefde bedrijven in de oorlog en oorlog voeren in de liefde.
En haten en vergeven en onthouden en vergeten,
orde scheppen en verwarring, eten en verteren
waar lange geschiedenis
jaren voor nodig heeft.
Een mens heeft in zijn leven geen tijd.
Terwijl hij verliest zoekt hij,
terwijl hij vindt vergeet hij
terwijl hij vergeet bemint hij
en terwijl hij bemint begint hij te vergeten.
De ziel is ervaren,
de ziel is zeer professioneel.
Alleen het lichaam blijft altijd
een amateur. Het probeert en vergist zich
leert niets, raakt in de war
dronken en blind in zijn genot en zijn pijn.
De dood van vijgen zal hij sterven in de herfst
verschrompeld en vol met zichzelf en zoet
terwijl de bladeren opdrogen op de grond
en de naakte takken al wijzen naar
waar alles zijn tijd heeft.

Yehuda Amichai

Vertaling T. Herzberg


A PANIC THAT CAN STILL COME UPON ME
If today and today I am calling aloud

If I break into pieces of glitter on asphalt
bits of sun, the din

if tires whine on wet pavement
everything humming

If we find we are still in motion
and have arrived in Zeno’s thought, like

if sunshine hits marble and the sea lights up
we might know we were loved, are loved
if flames and harvest, the enchanted plain

If our wishes are met with dirt
and thyme, thistle, oil,
heirloom, and basil

or the end result is worry, chaos
and if “I should know better”

If our loves are anointed with missiles
Apache fire, Tomahawks
did we follow the tablets the pilgrims suggested

If we ask that every song touch its origin
just once and the years engulfed

If problems of identity confound sages,
derelict philosophers, administrators
who can say I am found

if this time you, all of it, this time now

If nothing save Saturdays at the metro and
if rain falls sidelong in the platz
doorways, onto mansard roofs

If enumerations of the fall
and if falling, cities rocked
with gas fires at dawn

Can you rescind the ghost’s double nakedness
hungry and waning

if children, soldiers, children
taken down in schools

if burning fuel

Who can’t say they have seen this
and can we sing this

if in the auroras’ reflecting the sea,
gauze touching the breast

Too bad for you, beautiful singer
unadorned by laurel
child of thunder and scapegoat alike

If the crowd in the mind becoming
crowded in streets and villages, and trains
run next to the freeway

If exit is merely a sign

2

It isn’t alright to want just anything
all the time, be specific sky

I can read the narrow line above the hills

The day unbraids its pretty light
and I am here to see it

This must be all there is
right now in the world

There are things larger than understanding

things we know cannot
be held in the mind

If the sun throbs like a drum
every five minutes

what can we do with this

the 100,000 years it takes a photon
to reach the surface of the sun

eight minutes to hit our eyes

If every afternoon gravity and fire
it’s like that here

undressed, unwound

3

If today and today I am speaking to you, or
if you/I whisper, touch, explain

If they/you hate those phrases
if we struggle to get to the thing
the body and the other noises

If a W stumbles here even in private
there was this man we said
everywhere between us

if speech can free us

If summer fall winter spring
the broadcast day spins round my head
its grin stuck out there

when I am a tiger inside the DMZ
or if I am a tiger man
if no one believes what I see

If behind the grail and new elm
the pink light saying welcome earthling

my biography as an atom
picture of my smile

is this what my body said

If I forget my notebook
if these gaps I feel are also the gaps
I am built inside, thinking it’s all good

If the sun sharp and hot and still
but deep and clarifying, walking its boulevards

if bound by the most ignoble cords
if squatting in time

If every day a struggle, the blue copse speaking
sky arching over nothing—uh-huh

If every struggle ice-cream truck tinkle
interrupting the cosmological

if everyday strife, everyday sprecenze
if everyday uh

is this what my body says
my buddy said

and if I die
and begin to lose consciousness
and the flag

There was this man we said
this W here even in private

I said in my letter
if I see you again

4

A branch and the scent of pine in summer
the bridge and the water in the creek
the stones and the sound of water
the creek and my body
when hair and water flowed over me

If I am a bridge I am standing on, thinking,
saying goodbye to myself
when I stood by the water in life
thinking of my life, pine boughs
the hill next to water

The sun in the creek on the bridge
on my hair and pine boughs
in wind mixed with water,
one crow skating by, the life
of water, life of thinking
and moving, a crow passes by
this place in the mind, on my eyes

5

So the vocalise day imprinted a sound

I’m not stupid
I too unwind in the most circuitous fashion
I undress water directly

Who hasn’t seen unnumbered sparrows
enter the silhouette of a tree

why shouldn’t I come in from the cold

Sure, there is the monument
the grass and the plate it grows on

If the answer becomes sun
then sun inside, normal things, okay

the ribbon above our heads is not a banner

Scaling this leafy architecture
we say wind / night sky / moon / clouds / stars
if silver stands for syncopation

indeed, symphonic dailiness is felt order

I have felt it at the back of me,
light on the table, the book open

If we struggle for a name
if colors change

if mood is connected to naming, to color

If say a ship’s in deep water
and a piece of sky empties the mind

or when I was frigate-tossed

if I wanted to go all over a word
and live inside its name, so be it

There is my body and the idea of my body
the surf breaking and the picture of a wave

Peter Gizzi


EEN PANIEK DIE MIJ SOMS NOG OVERVALT
Als ik hardop roep vandaag en vandaag
 
Als ik in glinsters op asfalt uiteenval
zonnescherfjes, herrie
 
als banden janken op nat wegdek
en alles zoemt
 
Als we merken bestendig te bewegen
en aan zijn gekomen in Zeno’s denken, zo
 
als de zon op het marmer valt en de zee oplicht
weten we wellicht geliefd te zijn geweest, en nog
als vlammen en oogst, de betoverde vlakte
 
Als onze wensen stuiten op vuil
en tijm, distel, olie,
erfstuk en basilicum
 
of het eindresultaat zorgen zijn, chaos
en als ‘ik beter moest weten’
 
Als onze liefdes worden gezalfd met raketten
Apachevuur, Tomahawks
volgden wij de tafelen die de pelgrims aanbevalen
 
Als wij verlangen dat elk lied zijn oorsprong raakt
één keer maar en de jaren verzonken
 
Als identiteitsproblemen de wijzen verbijsteren,
de haveloze filosofen, beheerders
wie kan dan zeggen dat ik gevonden ben
 
als dit keer jij, het geheel, dit keer nu
 
Als niets dan zaterdagen in de métro en
als het zijdelings de deuren inregent
van het platz, en op de mansardedaken
 
Als opsommingen van de val
en als al vallend de steden schudden
van gasvuren ’s ochtends
 
Kun je de dubbele naaktheid van het spook herroepen
dat hongerig verflauwt
 
als kinderen, soldaten, kinderen
in scholen neergehaald
 
als vlammende brandstof
 
Wie kan niet zeggen dat ze dit zien
en kunnen we dit zingen
 
als in ’s morgenroods zeeweerspiegeling
gaas dat de borst raakt
 
Spijtig voor je, mooie zanger
ongetooid met lauwer
kind van de donder en zondebok ineen
 
Als de drommen in de geest gaan
drommen in straten en dorpen, en treinen
vlak naast de snelweg lopen
 
Als uitweg enkel een bordje is

 
2.
 
Het is niet in orde om de hele tijd
zomaar wat te willen, wees duidelijk hemel
 
Ik kan de dunne lijn boven de heuvels lezen
 
De dag ontvlecht zijn fijne licht
en ik ben erbij en zie het
 
Dit moet al zijn wat er is
op dit moment ter wereld
 
Er zijn zaken groter dan het begrip
 
dingen waarvan we weten
dat de geest ze niet omvat
 
Als de dag als een trommel bonst
om de vijf minuten
 
wat kunnen we hier dan mee
 
de 100.000 jaar die een foton nodig heeft
om het zonneoppervlak te bereiken
 
acht minuten om onze ogen te treffen
 
Als elke middag zwaartekracht en vuur
zo gaat dat hier
 
ontbloot, ontward
 
 
3.
 
Als ik je aanspreek vandaag en vandaag, of
als jij/ik fluisteren, aanraken, uitleggen
 
Als jij/zij die frasen haten
als wij worstelen om tot de zaak te komen
het lichaam en de andere geluiden
 
Als een W hier zelfs privé struikelt
er was zo’n man zeiden we
overal tussen ons
 
als ons te uiten ons vrij kan maken
 
Als zomer herfst winter lente
de alom vertoonde dag tolt rond mijn hoofd
zijn grijns zit daar nog ergens vast
 
wanneer ik een tijger ben binnen de DMZ
of als ik een tijgerman ben
als niemand gelooft wat ik zie
 
Als achter de graal en de nieuwe iep
terwijl het roze licht zegt welkom aardbewoner
 
mijn biografie als atoom
plaatje van mijn glimlach
 
is dit wat mijn lichaam zei
 
Als ik mijn schrift vergeet
als de leemten die ik hier voel ook de leemten zijn
waarin ik ben gebouwd, en denk prima zo
 
Als de zon scherp en heet en roerloos
maar diep en verhelderend, zijn boulevards aflopend
 
als door de meest infame kabels gebonden
als in gekraakte tijd
 
Als elke dag een worsteling, het blauwe bosje dat praat
hemel die zich welft boven niks – mm-hm
 
Als elke worsteling ijscokar klingel
die het kosmologische onderbreekt
 
als alledaagse strijd, alledaags spreggensie
als alledaags hm
 
is dit wat mijn lichaam zegt
mijn maatje zei
 
en als ik doodga
en het bewustzijn begin te verliezen
en de vlag
 
Er was zo’n man zeiden we
zo’n W hier zelfs privé
 
Ik zei in mijn brief
als ik je weerzie
 
 
4.
 
Een tak en dennengeur in de zomer
de brug en het water in de kreek
de stenen en de klank van water
de kreek en mijn lichaam
toen haar en water over mij vloeiden
 
Als ik een brug ben waar ik op sta, en denk,
en mezelf vaarwel zeg
toen ik bij het water in leven stond
en aan mijn leven dacht, dennentakken
de heuvel bij het water
 
De zon in de kreek op de brug
op mijn haar en dennentakken
in de wind vermengd met water,
een kraai die langs scheert, het leven
van water, leven van het denken
en bewegen, een kraai komt langs
deze plek in de geest, op mijn ogen
 
 
5.
 
Dus prentte de vocalisedag een klank in
 
Ik ben niet achterlijk
Ook ik ontwar op de meest omslachtige wijze
Ik ontbloot water direct
 
Wie zag nooit ontelbare mussen
het silhouet van een boom ingaan
 
waarom zou ik niet binnenkomen uit de kou
 
Tuurlijk is er het monument
het gras en de plaat waarop het groeit
 
Als het antwoord zon wordt
dan zon binnenin, gewone dingen, prima
 
het lintje boven ons hoofd is geen banier
 
We beklimmen deze bladerrijke architectuur
en zeggen wind / nachthemel / maan / wolken / sterren
als zilver voor syncopen staat
 
jawel, het symfonisch dagelijkse is wat voelt als orde
 
Ik heb het achter mij gevoeld,
licht op tafel, het boek open
 
Als we worstelen om een naam
als kleuren veranderen
 
als stemming verbonden is met noemen, met kleur
 
Als, zeg, een schip in diep water is
en een stuk hemel de geest ledigt
 
of toen ik fregat-geslingerd werd
 
als ik een woord helemaal af wilde gaan
en binnen de naam ervan wonen, zo zij het
 
Er is mijn lichaam en het idee van mijn lichaam
de branding die breekt en het beeld van een golf

Vertaling: Samuel Vriezen


Een vroege morgen

Jij schitterde bij het aanbreken van een vroege morgen in de geest
Ik geloofde het niet:
Jij was een reiziger in de greep van de dood
Een dode in de greep van de reis
Alles wat wij deden – verbaasd over jouw terugkeer – was rennen
In ons door hekken verdeelde land, bezet met grimmige woongebouwen van kolonisten
Wij weten niets van dit kanaal dat ons naar zee brengt
Niets van de gebouwen, trottoirs en droeve morgen die ons beproefden
Ik geloofde het niet
Jij was een reiziger die de dood had teruggebracht
Jij was een dode die de reis had teruggebracht
Ik liet een edelsteen fonkelen in de geest
En geloofde niet dat de dood en de reis
Jou hadden gegrepen en teruggebracht

Najwan Darwish

Vertaling: Kees Nijland & Asad Jaber


een geur van verbrande veren
Men komt thuis, het is maart, men ontsluit
het verwinterde huis, afzijn gebrek
hebben webben gestrikt, mee-eters verteerd, de uil
door de schoorsteen de dood in gedreven

de vloer vol hulpeloos dons, de boeken kalk
wit bescheten, de glazen aan gruizels
op het eeuwige bed een proper karkas
met machtige vleugels

wat heeft men gedaan vandaag?
takken geraapt, de kwijnende vlier beklaagd
vuur gestookt van afval –

Gerrit Kouwenaar


A TELESCOPE PROTECTS ITS VIEW

I like to read the dead.

Part of a whole lost era campaign.

The bridge is up.

A portrait of you from what you aren’t saying.

On my sleeve. The verb to be.

I’m plucky but thankful.

Death and the imagination equals life itself.

Letters from an old bottle,
junk in space.

A book or a boat?

The black ribbons of a spring day
might sound mawkish

but I like to read under a pale blue sky
animated and deepening.

I like to read the dead.

There’s so and so going by
everyone, outside

everyone

the words scroll onto air.

Synecdoche: act of receiving from another.

Metonymy: change of name.

Who hasn’t found themselves
praying in an awkward room.

She said but what of their sad work
by the river’s edge

sad way of working the moth paper light

trellis of dented garbage cans
and debris at dawn.

Peter Gizzi


EEN TELESCOOP BESCHERMT ZIJN UITZICHT

Ik lees de doden graag.
 
Deel van een complete verloren-tijdperk-campagne.
 
De brug staat open.
 
Een portret van jou uit wat je niet zegt.
 
Loop ik ermee te koop. Het werkwoord zijn.
 
Ik ben dapper maar dankbaar.
 
Dood en de verbeelding staat gelijk aan het leven zelf.
 
Brieven uit een oude fles,
rommel in de ruimte.
 
Een boek of een boot?
 
De zwarte linten van een lentedag
of klinkt dat te zijig
 
maar ik lees graag onder een bleekblauwe hemel
vol leven en steeds dieper.
 
Ik lees de doden graag.
 
Die en die komt er voorbij
iedereen, buiten
 
iedereen
 
de woorden lopen over op de lucht.
 
Synecdoche: het iets ontvangen van een ander.
 
Metonymie: naamsverandering.
 
Wie heeft nooit eens zitten
bidden in een benarde kamer.
 
Zij zei maar hun trieste werk dan
bij de rand van de rivier
 
trieste werkwijze het vouwpapieren licht
 
raster van gebutste vuilnisbakken
en rotzooi bij dageraad.

Vertaling: Samuel Vriezen


Calvariestelling

Je spant je tegen je groeiende volume aan.
Wat in een vlak een wetmatigheid was,
verklaart je pijn niet meer.
Na je vader heeft nu ook de euclidische meetkunde
je in de steek gelaten.

Als een gepijnigd landschap
getroffen door droogte of erosie
is je lichaam verscheurd door de tektoniek van de pijn
en nu vluchten de blikken ervan weg.

Over de glooiingen van het vlees
trekken karavanen van diepe angst, gebalk van ezels
kleedt de olijfgaarden in zwart, terwijl
deernis van drie vrouwen elkaar nadert
bij het beginpunt van je langste diagonaal.

De beenderen van je armen worden langer,
de rechte hoek van je oksels worden stomp
en als door een draaiend sterrenbeeld in de ruimte
wordt de blik geradbraakt door de halve boog
terwijl hulplijnen van devotie
de kruisarmen verbinden.
De handpalmen van het veld doorboord
door grassprieten als miljoenen spijkers.

Een deltoïde over een bolmantel geslagen.
Terwijl je verhaal van vlak tot ruimtelijk buigt,
wordt materie gevuld door geloof
het zegbare door het onzegbare.
Je vlijt je tegen je dood aan.

Péter Závada

Vertaling: Mari Alföldy


AFSCHEID

Kleine dood,
Word niet groot.

Moshe Dor

Vertaling: Shulamith Bamberger


NA EEN BOZE DROOM

Toen ik wakker werd, zat het deksel op zijn plaats
van de grote, zwarte pan
en van de kannibalen
restte slechts een echo
van hun exotische namen.

De boekenlegger stak uit het boek op het nachtkastje
op de juiste plaats
en toen ik mijn voeten buiten het bed uitstak
zag ik dat mijn veters
correct in mijn schoenen zaten.
En de sokken lagen er precies naast.

Er zat geen krokodil onder het bed
en de spin
die achter de deur op de loer had gelegen
was weggegaan.

Mijn hoofd en mijn armen
zaten niet in een
zwarte plastic zak.
Ze zaten echt goed vast aan mijn lichaam.

Ik kon me bewegen zonder te bloeden.
Ik had niet eens
pijn in mijn buik.

Op het aanrecht stond een koffiezetapparaat
een gewoon koffiezetapparaat
in het licht van de voormiddag dat naar binnen sijpelde
door de gebloemde gordijnen.

Die moesten nodig gewassen worden.
Het zag er naar uit
dat het midden april was.

Toen het water kookte
klonk het huis zo leeg.

Iedereen van wie ik had gehouden

was allang dood.

Henrik Nordbrandt

Vertaling: Annelies van Hees


AFTER THE FIRST WAR:

                       For the war dead
 
In the first ceasefire, we used to come upon 
a bundle of someone’s hair,
           a long hip bone here,

sometimes in our backyard brush,
abandoned when we fled, 

                     abandoned in our rush to save
ourselves from the bombings,
from death, from the massacres of Samuel Doe.

But coming home from the massacres
           of Charles Taylor, the ghosts 
           of dead Bodies haunted us at night,

sometimes, they stood there, near a street 
corner in our nightmares,

                      needing answers, why we let them
die, let them be killed, let rebels slash their
heads off instead of their limbs.

One day, on our way to Monrovia in search
of the life we had lost, 
in search of food, in search 

of visas to flee that miserable place, in search 
of our souls being lost in the memory 
of many massacres,

           my husband and I, walking the ghost 
streets of Sinkor, there it was, along a bushy 
           street side, a long bone, some remnants 

of a broken skull, and I froze, looking, 
as if I had not already seen
too many lost limbs, lost pieces of a people,

the massacred forgot to take along when they died,
and my husband would grab my arm, 
put his arm around me, 

and draw me away into his calm, 
and we kept on walking
           as if those bones did not belong to us

did not belong to our people.
Sometimes, I wonder if some of the bones
and hair, and lost pieces of people

were not the family we still dream
of seeing someday.
           Maybe, those are the ones we meet 

at night, asking us why those that cut 
them up still reign over our bloody land, 
standing there at night, 

when the moon is hidden in the dark
night, when the moon is hidden 
                      in the dark of the night.

Patricia Jabbeh Wesley


NA DE EERSTE OORLOG:

                           Voor de oorlogsdoden
 
Tijdens het eerste staakt-het-vuren kwamen we soms
een pluk van iemands haar tegen,
                   of een lang heupbot,

soms in onze tuinbezem,
verlaten toen we vluchtten,

                           verlaten in onze haast om
onszelf te redden van de bombardementen,
van de dood, van de massamoorden van Samuel Doe.

Maar toen we thuiskwamen van de massamoorden
                     van Charles Taylor, achtervolgden de geesten
                     van dode lichamen ons ’s nachts,
soms stonden ze daar, bij een straathoek
in onze nachtmerries,

                         zoekend naar antwoorden, waarom we ze lieten
sterven, ze lieten vermoorden, rebellen hun hoofden eraf lieten hakken
in plaats van hun ledematen.

Op een dag, op weg naar Monrovia, op zoek
naar het leven dat we verloren hadden,
naar voedsel, op zoek

naar visa om die ellendige plek te ontvluchten,
naar onze zielen die verloren gingen in de herinnering
aan vele bloedbaden,

                       liepen mijn man en ik door de spookstraten van Sinkor, 
daar was het, langs een struikachtige
                       straatkant, een lang bot, wat resten

van een gebroken schedel, en ik verstijfde, kijkend,
alsof ik niet al te veel verloren ledematen had gezien, 

verloren stukken van een volk,
die de afgeslachtenen vergaten mee te nemen toen ze stierven,
en mijn man greep mijn arm,
sloeg zijn arm om me heen,

en trok me mee in zijn kalmte,
en we liepen verder
                alsof die botten niet van ons waren

niet aan ons volk toebehoorden.
Soms vraag ik me af of sommige botten
en haren, en verloren stukken van mensen

niet de familie waren die we nog steeds
dromen op een dag weer te zien.
                Misschien zijn dat degenen die we ’s nachts

ontmoeten, en die ons vragen waarom degenen die hen
in stukken sneden nog steeds over ons bloedige land regeren,
daar ’s nachts staan,

wanneer de maan verborgen is in de donkere
nacht, wanneer de maan verborgen is
                     in het donker van de nacht.

Vertaling: Babeth Fonchie Fotchind


AFTER THE MARCH

To speak with the words of others that is what I’d like. That must be freedom (“La Maman et la Putain”)

1
After the march we sat on the roadside and wept. 

2
The prisoner was dragged from the cart, did you see him, his hair
and matted helmet, streaks with bright white and gray, did you see
him let his body fall limp—they must work for their wages,
he muttered, they must dream of me being dragged like a body,
and even though now, in their blood, they do not know the self-wounding
of killing, how it has planted a nest of nightmares under their skin,
they will one day wake to an itch beneath their right armpit, and it will
be the puss and worms of memory coming to haunt them, well, me, 
my body as if ready for burial, and they are dragging me through the glass-
strewn streets, the air heavy with gunpowder. And then someone will
remember the day, after the march, when we all sat down by the roadside
and wept, the peppery mist still lingering in the air, and someone
slapping a hubcap, began the chant, “By the rivers of Babylon…”

3
“But though I have wept and fasted, wept and prayed,
….
I am no prophet — and here’s no great matter…”
T.S. Eliot “Love Song of J. Alfred Prufrock

It occurs to me that mortality turns language
into its own significance. To say, when I come
is to consider my age, to consider a mantra
a kind of gift—a thing I’d never before have imagined
to be beautiful—not since the terror before the second time
the fear of failure, the fear of a broken body
the fear that such magic, such impossible surprise
would not happen again, as if it was a trick of light.
Not since those decades ago has the miracle
of these words comforted me with sobering like
happiness—are you happy, are you having fun?
When I come, when I come, I sing into the wind.
And the Holy Spirit stays by my side, to assure me
that to say, “when I come” is to say hallelujah and amen. 

4
We’ve had the experience but missed the meaning 

The path of ignorance, honest ignorance,
is the path to knowing.  I do not want to sound
profound, it is not like me, this even balance of meaning
to say “the agony abides” is to say I hurt still which
is its own truth. Like saying “time is no healer…the patient 
is dead”. God, the despair of war and surviving it,
of the killings in Kingston, Kofi Awoonor murdered in Nairobi 
and surviving it unremarkably, though the sorrow was heavy.

Only women late at night will work it out, doubting Thomas. 
Only the women will work it out, all of this, so we will pray
for the ships going out and coming in, and for the woman.. 

5
In the mirror my shape comforts me, sometimes.
I consider love for an instance—a kind of beauty,
then I turn my gaze to the window behind me 
and the almond trees crowd the world, leaving spots
of the sky, and I find myself in that instant believing
that the body can work at pleasure so efficiently,
which is an act of faith, a death, so small it anticipates
the quiet resurrection before the long gentle sleep. 

Kwame Dawes


NA DE MARS

Met de woorden van anderen spreken dat zou ik graag doen. Dat moet vrijheid zijn (‘La Maman et la Putain’)

1
Na de mars zaten we aan de kant van de weg en weenden.

2
De gevangene werd van de kar getrokken, zag je hem, zijn haar
en matglanzende helm, strepen helderwit en grijs, zag je
hoe hij zijn lichaam slap hield – ze moeten werken voor hun geld,
mompelde hij, ze moeten dromen dat ik als lijk word meegesleept,
en ook al kennen ze nu, in hun bloed, de zelfverwonding 
van de dood niet, hoe die onder hun huid een nest van nachtmerries plantte,
ze worden op een dag wakker met jeuk onder hun rechteroksel, het zullen
de pus en wormen van de herinnering zijn die hen komen kwellen, ikzelf,
mijn lichaam alsof het klaar is voor het graf, en ze sleuren me door de straten
bezaaid met glas, de lucht zwaar van kruit. En dan zal iemand zich
de dag herinneren, na de mars, toen we allemaal aan de kant van de weg zaten
en weenden, de bijtende mist hing nog in de lucht, en iemand
sloeg op een wieldop, hief het lied aan: ‘By the rivers of Babylon…’

3  
‘Hoewel ik weende en vastte, weende en bad

…Ik profeteer niet – en dit is geen wereldnieuws…’
T.S. Eliot ‘Liefdeslied van J. Alfred Prufrock’.
Het komt me voor dat sterfelijkheid taal
haar eigen betekenis geeft. Zeggen ‘wanneer ik kom’
is mijn leeftijd beschouwen, een mantra beschouwen
als een soort gift – iets waarvan ik eerder nooit besefte 
hoe mooi het was – na de schrik vóór de tweede keer
opnieuw de angst om te falen, de angst voor een gebroken lichaam
de angst dat zo’n magie, zo’n onmogelijke verrassing
nooit meer zou plaatsvinden, alsof het een lichttruc was.
Voor het eerst sinds decennia heeft het wonder
van die woorden me getroost met ontnuchtering als
geluk – ben je gelukkig, heb je plezier?
Wanneer ik kom, wanneer ik kom, zing ik in de wind.
En de Heilige Geest blijft aan mij zij, verzekert me
Dat ‘wanneer ik kom’ zeggen halleluja en amen zeggen is.

4
De ervaring hadden we maar de betekenis ontging ons

De weg der onwetendheid, eerlijke onwetendheid,
is de weg naar kennis. Ik wil niet diepzinnig
klinken, zo ben ik niet, dit evenwicht van betekenis;
zeggen: ‘de pijn blijft’ is zeggen: het doet me nog pijn wat
zijn eigen waarheid is. Net als zeggen: ‘de tijd heelt niet … de patiënt 
is dood’.  God, de wanhoop van oorlog en overleven,
het bloedbad in Kingston, Kofi Awoonor, vermoord in Nairobi,
overleefde het terloops, hoewel het verdriet hevig was. 

Alleen vrouwen ’s avonds laat lossen het op, ongelovige Thomas.
Alleen de vrouwen lossen het op, dit alles, dus we bidden
voor de schepen die uitvaren en arriveren en voor de vrouw.

5
In de spiegel troost mijn gestalte me soms.
Een ogenblik overweeg ik liefde – een soort schoonheid,
dan wend ik mijn blik naar het raam achter me
en de amandelbomen vullen de wereld, op stukjes
hemel na, en op dat moment geloof ik even
dat het lichaam naar believen zo doeltreffend kan werken,
wat een geloofsdaad is, een dood zo klein dat hij vooruitloopt
op de stille wederopstanding voor de lange, vredige slaap.

Vertaling: Jabik Veenbaas


ah tamanrasset zuidwaarts oh dood
geheeld absurd ubuntu door de ander levend uwe dood
heeft hier ter hoogte van tamanrasset zijn grote voeten in het zand gelobd
en korstig ook zie ik een heel grote wrat. verder kan ik melden
dat dood luid snurkt. hij kan het niet helpen: tot diep in de nacht
zat hij te mailen en nu plagen hem talloze overlevenden
die hem slapeloos in hun sahara vrezen
 
klein zusje van dood is een woestijn die soms en langzaamaan sahel
wat groener wordt zodat je voeten zo te zien vanuit de hoogte hier of daar
wat nat wanneer ze aan de oever van een meer of meer rivier.
het mist. en je verwacht hem ieder ogenblik. waaraan herken
je hem? wat is zijn teken of besluit zodat hij aan je komt?
zijn zusje zwijgt. je weet nog wel: dood heeft een smoel
en wie weet is die kaaps in kaapstad
nu wordt dood toerist van alle kleuren thuis
 
erg druk was het tussen de vissen en heel warm toen de piloot opeens
zei: dat schip zinkt! het zinkt en daalde hij verder naar de haven
verderop. we hebben gevlogen rond de tafelberg de dichtheid van de townships
vastgesteld. na de vlekkeloze landing zagen we de waarheid onder ogen.
geen commissie die het na kan doen: dit is een verdrietig land
waar medemensen als verschrikte vogels uiteenstuiven wanneer
dood als mijn wit van deze bladzij hen te na komt
 
gaan we wat met een eitje doen? vraagt de vrouwelijke gastheer aan
dood die zichtbaar erg moe aan het ontbijt zit dood kijkt naar buiten
ziet de oceaan glinsteren in zonlicht ergert zich aan de harde hete wind
(de cape doctor) waardoor het huis potdicht moet. en benauwd. daar
zit dood tussen antiek en porselein en verlangt naar het zwembad
vol bladeren. straks rijdt hij naar stellenbosch met zijn
klagende chauffeur die dood weer gaat uitleggen dat
toerisme townships en de arms industry klaterende herinneringen
broertjes in een supermarktwagentje of brieven aan een berg zijn
 
dood aan zee in sea point thelema chardonnay blanke
drukte om hem heen en dan ineens de regenboog wat zelfingenomen
boven de oceaan en zo groot als een natie. regenboog (vraagt dood) regenboog
waar zit het wit in je kleuren? in alles samen dood! regenboog
draait zich om en dood zegt: doe het maar en regenboog wit.
regenboog regenboog waar zit je zwart? nu regenboog link
tegen dood: dood – zwart is afwezig wit licht! aha! zegt
dood. je hebt een probleem. laten we zaken doen
 
even later is dood omgeven door
pornosterren uit jo’burg zij leggen zijn vermoeide hoofd
op een houten droommachine tussen hun welige haren
terwijl zij zich vullen met wodka hun borsten
omvatten met beide handen klaar
voor de camera waar dood ineens bang
voor is hij moest hen wel beloven
dat zij in de verre toekomst mogen sterven
in het harnas
 
als dood met een voldaan gevoel het graf in zou en dan de paradyskloof
binnengaat voor zijn tijd uit ver buiten de wasem township
waar het stinkt de huizen van karton hel scheef zo hier of daar met platen
zink wat steviger maar altijd schuin
de pui gemaakt van afval dat de straten keurig
in het midden siert. wie kunnen er niet mee: de vele vrouwen
die dood achterlaat zijn kapper met krot de containers
vol bloemen van blik en zijn jongste zoontje dat nóg
naar zijn knieën snakt en rollend door het kale droge zand verdwijnt
 
dood is zelf een dream machine een klein construct van tijd en ruimte
ook wel xhosa-dichter die met dierenvellen
op zijn hoge muts een schuchter schrapend oud verhaal wil doen
en met zijn staf naar ouders stampt van ouders’ ouders’ ouders’ enzovoort.
de berg in de verte eindigt in een leeuwenkop.
vandaag is op de snelweg ter hoogte van de afslag naar het vliegveld
een blauw zwembad van zijn lorrie weggevlucht.
het heeft zich in spier verstopt ver weg aan de rand
van het landgoed waar de cheeta’s er nerveus van zijn.
daar staat dood klaar voor onder water. tijd en ruimte wachten af:
een klein
construct de leegte die een bijna slapende
jonge cheeta ongemerkt zou kunnen vullen.
eenmaal in het glinsterende water vindt dood
de zwarte vlekken op zijn lichtgekleurde huid opeens zo smaakvol
 
in hun helder gele blote cocktailjurken omgeven en verdedigen zij dood
die wat verlegen zit te liegen over zijn status en verdiensten.
dit is de zulabar: een rode
vloer en daarop zwarte lichtgekleurde blanke jeugd en dan muziek om van te . . .
dood in de ban van haar en haar: dood omvat haar diepbruine en haar roomblanke
boezem die een man als dood doen dorsten naar meer.
zij lezen hem zwijgend hun gedicht
deze vrouwen van 1 nacht zij omgeven hem met hun radiostemmen
en beschermden zij hem die stervende ééngedichtdichteressen

waar de atlantische en indische oceaan elkaar treffen staan bewakers klaar met een
antwoord dat gewapend is. het smaakt hier wat zout en verder naar niets.
zilverkleurige auto’s en zwarte mannen van de veiligheidsdienst.
wij hebben de grenzen verkend en wij zijn verder verdwenen
achter de mascara die zuid-afrika heet.
wij: shabbir noch omé violetta napo ruben changa
en zonder ondergetekende. we zijn afwezig geweest toen de lucht
uit zichzelf sprak. we zijn in noordelijke richting onszelf vergeten.
leid ons neem ons bij de neus o dood: de laatsten zijn wij
dichters de laatste
late
 
(kaapstad: februari 2008)

antoine de kom


ALICE

Hart-hamer, doodskist-spijkers, passie-bedrog.
Shakespeare stierf in april op een oude kalender
schreef ‘heftige lusten vinden heftige eindes’
passeerde met ganzenveer de doodsakte van de romantische liefde.
Sindsdien worden bergen geliefden als casussen bestudeerd
in westerse onderzoekscentra vrouwen en mannen
worden bij hun nekvel gepakt en verslinden elkaar
en de duisternis – hoe moeilijk herkennen ze elkaar in het fluor
van koplampen, beeldschermen, salons van kantoren en hotels
– in de vroege ochtend geplumeaud en gezogen door zwijgende
blauwgejasten met dromen magerder dan hun salaris.

Ik verwacht van jou wat niet als vraag in je opkomt, moet
je wijzen op deze wereld vol vergissingen.
De wereld is vol. Vol doden die niet zullen vallen.
De wereld is vol doden die leven
van weinig dorst. De wereld is vol jongeren
die binnen twee dagen wegglijden in solide slaap herleven
op de derde zonder verlossing, zonder iemand die hun polsslag
checkt of wat ze in overdosering namen of kregen toegediend.
Ik vraag van jou vergeving en begrip voor zo veel teleurstellingen
die de knevel van volwassenheid niet stelpt, je ontdekt

op een dag wat loodzwaar te verstouwen is. De wereld is vol
volwassenen zonder bijsluiters met oplossingen ze strompelen
over golven langs lange tektonische breuken, de wereld
is vol verkrampte apathici huiselijke aardbevingen
torpedo’s in rusthuizen van de kaart geveegde pittoreske
stadjes waar je pleintjes zwembaden priklimonade en
zondagmatinees had, kruispunten, straathoeken en wit wegdraaiende ogen
gericht op de hemel. De wereld is vol sperdraden
grote migraties naar slechtere plaatsen besmet
met schimmels die niet genezen maar wel de aantallen
wetenschappelijke publicaties omhoogjagen, op een dag woon je

waar je moet wikken en wegen – je zult nuances vinden van wat ik
onvoorzien verwacht. De wereld is vol ambivalente
opstandigen die zachtmoedig zwarte rollen linoleum
uitrollen waar niets op te lezen staat; waarmee ze mijnen
toedekken uit oorlogen van alle ouders, lijdzaam duizendjarige
gaven van dwaasheid verwerpen en besluiten dat hen rest
dansfiguren te maken tegen de hachelijke toevlucht
dat er een grond is om te vallen. Ik verwacht van jou rechtvaardigheid, openheid
en onbekendheid met angst en weerstand tegen complottheorieën
zo mogelijk gewaagd aan de volle verbeelding
van anderen, de afleiding die toeristen traint tot moed.

Magisch denken genoeg, dochter, ik hoop dat je
bij toeval zult ontdekken dat je bestaan deels resulteert
uit de ontmoeting met intensiteiten; doorleefde volstrektheden
en zorgen, corrigerende botsingen, bijgestelde beloften, hervonden
schaamtes, verbroken correspondenties, krenkingen
met liefdevol detail. Ik verwacht van jou niet minder
en veel meer: het soort humor dat raakt en vergeeft
tegen onverschilligheden in, de vergetelheid gebracht
door de verrukking van opeenvolgende gezichtspunten zonder
voorgaande herinnering, hulpvaardigheid, nieuwsgierigheid,
het liefdesfilter dat zoet is bij de minste verdunning.

Margarida Vale de Gato

Vertaling: Arie Pos


Todo esto es reportaje
Todo esto es reportaje. El periodismo y la historia
Y la historia y la repetición y la narración y las anécdotas

Ya ni siquiera lo que la evolución hizo del pie ha resultado suficiente
Para en tropel huir hacia un lugar que no se preste de ocasión para labrar mentiras

Tempestad o bombardeo
Todo es reportaje

Ya nos ocurre que en ningún lugar asociación alguna hace imposible la destrucción entera del planeta

Una profundidad, una amplitud que apenas desespere a la medida – lo digo en serio-
De un vericueto común

El personaje del tiempo ido es el reportero del futuro
Alza su casa en los rincones de las fiestas, celebraciones de muchachas
En las que muele de prisa unas semillas que lo engordan
Todo lo hace a la vez sin acabar molesto

Una llanura, músculo enhebrado de anécdotas insulsas,

Demasiadas casas demasiados matrimonios demasiados pobres demasiadas fechas Ay, ¡tan numerosos!

Todo esto es reportaje

También los números apestan y hay demasiado peso inconmensurable de narración que nadie quiere contar y demasiados alimentos perforados a causa de un lenguaje extinto

Se ha dicho siempre que es por los viejos tiempos que se desea morir
De ser tan numerosos una inmensa ola nos arrebata el sueño de ser jóvenes. Y una luz de
enfermedad nos cuece la energía que la muerte deposita en nuestras fichas técnicas

Demasiada muerte, demasiada historia demasiado livianos en el aire- lo digo en serio,
demasiadas vidas individuales estremecedora luz, faldas hermosas demasiado mecidas por el viento

Hemos llegado al punto que ninguno imaginó en los comienzos al decir ya, mira, vamos
a ser hombres, ¿qué me dices?

El reportero del futuro ha devenido el visionario de las pestes ordinarias
Muele esas semillas preñadas de todos los silencios todos los silencios se descuelgan de los aulladores y gimnastas todos los cuadrados y gimnastas de los paralelos y los ortogonales gimnastas del espíritu
                              se deslizan
como imanes del abismo fulminados por la altura

Una flojera cósmica nos ilumina sin saber qué oscurece al hacerlo
Jugueterías actuales de inmensas proporciones, demasiado tristes para jugar a la guerra

La infinitud se ha aburrido de nosotros

Ay, ¿somos tan numerosos? Y la estupidez en un tinco nos desarma

Ruma de sismógrafos en venta:
todo esto es reportaje

Los tendones perfectos bajo la piel, la vida perfecta y una voluntad
femenina por ocultar al dios más evidente arrastrándose por la ceguera

El sol, las campanas, los árboles, las imágenes del sol, las imágenes de las campanas, las
imágenes de los arboles

Infinitas escalas y posibilidades con que proyectamos esto. Las resbaladeras, los criterios a la hora de juzgar, las banderas a la zaga de los hitos, las galaxias, mecidas por el viento,
esas inmensas bolas de acero que pueblan nuestra imaginación cuando nos hallamos frente a una encrucijada, la banqueta, la luz, el último soplo, tú, estos, nunca mejor dicho, eso, yo, el último escalón previo a ninguna nada

Todo esto es reportaje

Un universo ficticio se infla y se desinfla alternativamente. Es mentira. Se desalma Hoy
Nos damos cuenta

Santiago Vera


Dit alles is reportage
Dit alles is reportage. De journalistiek en de geschiedenis
En de geschiedenis en de herhaling en de vertelling en de anekdotes

Wat de evolutie van de voet heeft gemaakt blijkt nu niet eens meer voldoende om
Massaal te vluchten naar een plek ongeschikt om leugens te vervaardigen

Zware storm of bombardement
Alles is reportage

Het overkomt ons al dat nergens enige vorm van verbond ertoe in staat is de gehele vernietiging van de planeet onmogelijk te maken

Een diepte, een omvang die amper radeloosheid veroorzaakt in de mate ‒ ik meen het serieus ‒
van een gemeenschappelijk labyrint

Het personage van de voorbije tijd is de verslaggever van de toekomst
Slaat zijn tenten op in de hoeken van de feesten, meisjespartijtjes
Waarin hij haastig wat zaad fijnmaalt dat hem dik maakt
Hij doet alles tegelijk zonder boos te worden

Een vlakte, smakeloze anekdotes geregen aan een spier,
Te veel huizen te veel echtparen te veel armen te veel datums Ach!
met zovelen!

Dit alles is reportage

Ook de getallen stinken en veel te onmetelijk is de vracht aan verhalen die
niemand wil vertellen en te veel voedingsmiddelen doorboord door een uitgestorven taal

Er is altijd gezegd dat we willen sterven om de goede oude tijd
Daar we met zovelen zijn, ontrukt een enorme golf ons de droom dat we jong zijn. En een ziekelijk licht
kookt onze energie die de dood in onze databladen deponeert

Te veel dood, te veel geschiedenis te veel lichte wezens in de lucht ‒ ik meen het serieus,
te veel individuele levens, angstaanjagend licht, mooie rokjes die te veel zijn opgewaaid in de wind

We zijn op een punt beland dat niemand zich in het begin kon inbeelden toen hij zei, ja, kijk, we gaan mens worden, wat zeg je ervan?

De verslaggever van de toekomst is de visionair geworden van de ordinaire epidemieën
Hij maalt de zaden die zwanger zijn van alle stiltes alle stiltes maken zich los van de schreeuwers en gymnasten alle rechthoeken en gymnasten van de paralellen en de rechthoekige gymnasten van de geest
ze glijden
als door de hoogte dodelijk getroffen kompassen naar de afgrond

Een kosmische luiheid verlicht ons zonder te weten wat ze verduistert door dat te doen
Moderne speelgoedwinkels van enorme omvang, veel te treurig om oorlogje te spelen

De oneindigheid heeft haar buik vol van ons

Ach, zijn we met zovelen? En met een tikje ontwapent de stompzinnigheid ons

Partij seismografen te koop:
dit alles is reportage

De perfecte pezen onder de huid, het perfecte leven en een vrouwelijke
wilskracht verbergen de zichtbaarste god die zich voortsleept in blindheid

De zon, de kerkklokken, de bomen, de beelden van de zon, de beelden van de kerkklokken, de
beelden van de bomen

Oneindige trappen en mogelijkheden waarmee wij dit projecteren. De glibberige paden, de criteria op het uur van beoordeling, de vlaggen achter de piketpaaltjes, de melkwegstelsels, opgewaaid in de wind,
die immense ijzeren ballen die onze verbeelding bevolken wanneer we op een kruispunt staan, het bankje, het licht, de laatste adem, jij, deze lui, nooit beter gezegd, precies, ik, de laatste trede voorafgaand aan geen enkel niets

Dit alles is reportage

Een fictief universum blaast zich beurtelings op en loopt leeg. Is een leugen. Springt uit zijn vel Vandaag
Beseffen wij

Vertaling: Mariolein Sabarte Belacortu


TODA PASIÓN CONCLUIDA

Caprichos de la luz
por el resquicio superior
de los postigos
y el calor,
el frío como cal y el sol,
que no es estar
y es
entre otros brazos
que den lo mismo.

Está

la luz que llena el jarro,
el rojo interior que se ha colmado
de vacío. ¿Es eso?
Es
el estilo, más bien,
de hueco que acata la continencia,
la sentencia que da un adentro donde
– si se quiere –
por un momento el mundo entra
y cree en maneras
de hacerse inconmovible.

Así

que tiembla. Con la luz que
cambia. Y con las hojas
que se enrejan en el viento.
¿Fuera de él
no habrá nada? ¿Ni abrazo
que lo sujete?

Dura

lo que se muere.
Quedan familiares
cajones con la ropa que se ha vuelto
ajena, satenes personales y tizones
de dolores
que ya no duelen.
En rincones
de la carne, desusada,
la saciedad del poder
detenerse.

Es la pasión o el paso
entre dos vacíos, la atrocidad
que deja intacto el corazón
tras el carozo
de un personaje inventado
para el mundo.
Y nadie ama
lo que no conoce: este sitio
ha dejado de ser
iluminado
porque ahora
los lugares sombríos son el centro.

Toda

pasión concluida
es emoción
aclarada. Correr
la silla al sol para rehacer
el ayer
y ver cómo maduran,
bellamente,
los duraznos este año.

Mirta Rosenberg


IEDERE PASSIE VOLTOOID

Grillen van het licht
door de bovenste spleet
van de luiken
           en de warmte,
de kou zoals kalk en de zon,
wat niet zijn is
           en is
in andere armen
om het even.

           Er is
het licht dat de kruik vult,
het rode binnenste helemaal vol
leegte. Is het dat?
           Het is
de stijl, veeleer,
van holte die inhoud eerbiedigt,
het vonnis dat een binnenste geeft waar
           – als men wil –
de wereld even binnentreedt
en gelooft in manieren
om zich onwrikbaar te maken.

           Dus
trilt ze, de wereld. Met het licht
dat verandert. En met de bladeren
die in de wind een afrastering vormen.
          Bestaat
daarbuiten niets? Ook geen omarming
die haar onderwerpt?

          Duren doet
alles wat doodgaat.
          Blijven doen de vertrouwde
laden met kleren die vreemd
zijn geworden, persoonlijk satijn en gloeiende kooltjes van pijn
die al geen pijn meer doen.
          In de hoeken
van het vlees, in onbruik,
de verzadiging van het kunnen
          stoppen.

De passie of de passage
tussen twee leegtes, de wreedheid
die het hart intact laat
          achter de pit
van een personage voor de wereld
uitgevonden.
          En niemand bemint
wat hij niet kent: die plek
is al niet meer
          verlicht
               want nu
zijn de donkere plekken het centrum.

          Iedere
voltooide passie
          is uitgeklaarde
emotie. De stoel
in de zon zetten om gisteren
over te doen
          en te zien hoe mooi
de perziken
rijpen dit jaar.

Mirta Rosenberg

Vertaling: Bart Vonck


Alphabetisch

Alfabetisch gezien
staat alles voor niets
Adam voor Eva en
auto voor fiets

Hel komt voor hemel
Duivel voor god
Haat staat voor liefde
Sleutel voor slot

Dood komt voor leven
Donker voor licht
Zes staat voor zeven
Maan komt voor zon

Dicht staat voor open
Ledig voor vol
Beneden voor boven
en tegen voor voor

Jules Deelder



Le Squelette laboureur

I
Dans les planches d’anatomie
Qui traînent sur ces quais poudreux
Où maint livre cadavéreux
Dort comme une antique momie,

Dessins auxquels la gravité
Et le savoir d’un vieil artiste,
Bien que le sujet en soit triste,
Ont communiqué la Beauté,

On voit, ce qui rend plus complètes
Ces mystérieuses horreurs,
Bêchant comme des laboureurs,
Des Écorchés et des Squelettes.

II
De ce terrain que vous fouillez,
Manants résignés et funèbres,
De tout l’effort de vos vertèbres,
Ou de vos muscles dépouillés,

Dites, quelle moisson étrange,
Forçats arrachés au charnier,
Tirez-vous, et de quel fermier
Avez-vous à remplir la grange?

Voulez-vous (d’un destin trop dur
Épouvantable et clair emblème!)
Montrer que dans la fosse même
Le sommeil promis n’est pas sûr;

Qu’envers nous le Néant est traître;
Que tout, même la Mort, nous ment,
Et que sempiternellement,
Hélas! il nous faudra peut-être

Dans quelque pays inconnu
Écorcher la terre revêche
Et pousser une lourde bêche
Sous notre pied sanglant et nu?

Das Skelett bei der Arbeit

I
Atlanten der Anatomie
Die sacht auf diesen Quais verstauben
Wo Bücher modern daß wir glauben
Wie alte Mumien schlummern sie

Voll Tafeln die das treue Sinnen
Des alten Zeichners und sein Wert
Wiewohl ihr Urbild trauern lehrt
Wahrhafte Schönheit ließ gewinnen

Sie weisen daß uns tiefer bette
Dies unergründlich rege Schauern
Den Boden schaufelnd gleich den Bauern
Enthäutete und auch Skelette.

II
Die ihr durchstöbert, dieser Hänge
Verdrossene und trübe Sassen
Nach Kräften eurer Wirbelmaßen
Und bloßgelegten Muskelstränge

Sprecht: welche Ernte sondrer Art
Volk das dem Beinhaus man entlockte
Ist’s die ihr bergt? und welchem Vogte
Dem ihr im Schober sie bewahrt?

Wollt ihr (der künft’gen Kümmernis
Ein Sinnbild fürchterlich und klar)
Erweisen daß im Grab sogar
Verheißner Schlummer ungewiß;

Daß wider uns das Nichts Verräter;
Daß alles selbst der Tod uns lügt
Und daß es leider so gefügt
Daß man für ew’ge Zeiten später

In einer fremden Gegend muß
Durchwühlen spröde Ackerflächen
Und einen schweren Spaten stechen
Unter dem blutend nackten Fuß?

Charles Baudelaire

vertaling Walter Benjamin


GACELA VIII
DE LA MUERTE OSCURA

Quiero dormir el sueño de las manzanas,
alejarme del tumulto de los cementerios.
Quiero dormir el sueño de aquel niño
que quería cortarse el corazón en alta mar.

No quiero que me repitan que los muertos no pierden la sangre
que la boca podrida sigue pidiendo agua.
No quiero enterarme de los martirios que da Ia hierba,
ni de la luna con boca de serpiente
que trabaja antes del amanecer.

Quiero dormir un rato,
un rato, un minuto, un siglo;
pero que todos sepan que no he muerto;
que hay un establo de oro en mis labios;
que soy el pequeño amigo del viento Oeste;
que soy la sombra inmensa de mis lágrimas.

Cúbreme por la aurora con un velo ,
porque me arrojará puñados de hormigas,
Y moja con agua dura mis zapatos
para que resbale Ia pinza de su alacrán.

Porque quiero dormir el sueño de las manzanas
para aprender un llanto que me limpie de tierra;
porque quiero vivir con aquel niño oscuro
que quena cortarse el corazón en alta mar.

Federico García Lorca


GHAZAL VIII
OF THE DARK DEATH

I want to sleep the sleep of the apples,
I want to get far away from the busyness of the cemeteries.
I want to sleep tl1e sleep of that child
who longed to cut his heart open far out at sea.

I don’t want them to tell me again how the corpse keeps all
its blood,
how the decaying mouth goes on begging for water.
I’d rather not bear about the torture sessions the grass arranges
for
nor about bow the moon does all its work before dawn
with its snakelike nose.

I want to sleep for half a second,
a second, a minute, a century,

but I want everyone to know that I am still alive,
that I have a golden manger inside my lips,
that I am the little friend of the west wind,
that I am the elephantine shadow of my own tears.

When ifs dawn just throw some sort of cloth over me
because I know dawn will toss fistfuls of ants at me,
and pour a little hard water over my shoes
so that the scorpion claws of the dawn will slip off.

Because I want to sleep the sleep of the apples,
and learn a mournful song that will clean all earth away from me,
because I want to live with that shadowy child
who longed to cut his heart open far out at sea.

Federico García Lorca

vertaling Robert Bly


GHAZEL VIII
VAN DE DONKERE DOOD

Ik wil de slaap van de appels slapen,
me ver houden van het tumult van de kerkhoven.
Ik wil de slaap van dat kind slapen
dat zijn hart wilde uitsnijden in volle zee.

Ik wil niet dat ze mij herhalen dat de doden niet bloeden;
dat de verrotte mond water blijft vragen.
Ik wil niets weten over de martelingen die het onkruid brengt,
noch over de maan met haar slangenmond
die nog vóór de dageraad aan het werk gaat.

Ik wil een ogenblik slapen,
een ogenblik, een minuut, een eeuw;
maar dat iedereen weet dat ik niet dood ben;
dat er een gouden stal op mijn lippen staat;
dat ik het vriendje ben van de Westenwind;
dat ik de onmetelijke schaduw van mijn tranen ben.

Bedek me bij dageraad met een sluier,
want hij zal handenvol mieren op me werpen,
en maak mijn schoenen nat met hard water
opdat de schaar van zijn schorpioen afstuit.

Want ik wil de slaap van de appels slapen
om een klaagzang te leren die mij zuivert van aarde;
want ik wil leven met dat donkere kind
dat zijn hart wilde uitsnijden in volle zee.

Federico García Lorca

vertaling Bart Vonk


Besuch

Besucht alte Dichter
nicht.
Ihre langen Einsamkeiten
verstreichen schwerer
als eure eilige Zeit.
Von ihren Stirnen scheint nicht
der Glanz der fünften Auflage
ihrer Gesammelten Werke.
Mit verlöschendem Blick
starren sie
in verkohlte Kladden,
in die sie einst
mit brennenden Stiften
Eintragungen machten.
Auch unglückliche Lieben
können sie nicht mehr retten.
In ihren Busen blieb
von den türkischen Bräuten
nur kalte Asche.
Sie liegen auf alten Sofas,
zurückgeworfen auf ihre Niedergeschlagenheit,
und knarrt eine Stufe,
fragen sie sich,
wer das hölzerne Treppenhaus hochsteigt,
ein Arzt oder der Tod.

Kajetan Kovič

vertaling Fabian Hafner


Danse macabre

A Ernest Christophe

Fière, autant qu’un vivant, de sa noble stature,
Avec son gros bouquet, son mouchoir et ses gants,
Elle a la nonchalance et la désinvolture
D’une coquette maigre aux airs extravagants.

Vit-on jamais au bal une taille plus mince?
Sa robe exagérée, en sa royale ampleur,
S’écroule abondamment sur un pied sec que pince
Un soulier pomponné, joli comme une fleur.

La ruche qui se joue au bord des clavicules,
Comme un ruisseau lascif qui se frotte au rocher,
Défend pudiquement des lazzi ridicules
Les funèbres appas qu’elle tient à cacher.

Ses yeux profonds sont faits de vide et de ténèbres,
Et son crâne, de fleurs artistement coiffé,
Oscille mollement sur ses frêles vertèbres.
O charme d’un néant follement attifé!

Aucuns t’appelleront une caricature,
Qui ne comprennent pas, amants ivres de chair,
L’élégance sans nom de l’humaine armature.
Tu réponds, grand squelette, à mon goût le plus cher!

Viens-tu troubler, avec ta puissante grimace,
La fête de la Vie? ou quelque vieux désir,
Éperonnant encor ta vivante carcasse,
Te pousse-t-il, crédule, au sabbat du Plaisir?

Au chant des violons, aux flammes des bougies,
Espères-tu chasser ton cauchemar moqueur,
Et viens-tu demander au torrent des orgies
De rafraîchir l’enfer allumé dans ton cœur?

Inépuisable puits de sottise et de fautes!
De l’antique douleur éternel alambic!
A travers le treillis recourbé de tes côtes
Je vois, errant encor, l’insatiable aspic.

Pour dire vrai, je crains que ta coquetterie
Ne trouve pas un prix digne de ses efforts;
Qui, de ces cœurs mortels, entend la raillerie?
Les charmes de l’horreur n’enivrent que les forts!

Le gouffre de tes yeux, plein d’horribles pensées,
Exhale le vertige, et les danseurs prudents
Ne contempleront pas sans d’amères nausées
Le sourire éternel de tes trente-deux dents.

Pourtant, qui n’a serré dans ses bras un squelette,
Et qui ne s’est nourri des choses du tombeau?
Qu’importe le parfum, l’habit ou la toilette?
Qui fait le dégoûté montre qu’il se croit beau.

Bayadère sans nez, irrésistible gouge,
Dis donc à ces danseurs qui font les offusqués:
»Fiers mignons, malgré l’art des poudres et du rouge,
Vous sentez tous la mort! O squelettes musqués,

Antinoüs flétris, dandys à face glabre,
Cadavres vernissés, lovelaces chenus,
Le branle universel de la danse macabre
Vous entraîne en des lieux qui ne sont pas connus!

Des quais froids de la Seine aux bords brûlants du Gange,
Le troupeau mortel saute et se pâme, sans voir
Dans un trou du plafond la trompette de l’Ange
Sinistrement béante ainsi qu’un tromblon noir.

En tout climat, sous tout soleil, la Mort t’admire
En tes contorsions, risible Humanité,
Et souvent, comme toi, se parfumant de myrrhe,
Mêle son ironie à ton insanité!«

Totentanz

Ernest Christophe gewidmet

Kein Lebender pocht mehr auf seine Größe
Als sie die Strauß und Handschuh an sich preßt
Und in der Haltung die verwegne Blöße
Der hagern Kurtisane sehen läßt.

Wer fand beim Ball ein Mieder so verengt?
Die Robe stürzt in königlicher Fülle
Auf einen ausgezehrten Fuß – den zwängt
Der seidne Schuh wie eine Blumentülle.

Die Rüschen die am Schlüsselbein sich spreiten
(So leckt am Fels ein Bächlein lockrer Art)
Behüten spröd vor faden Lustigkeiten
Die düstern Reize die sie wohl verwahrt.

Die tiefen Augen sind aus Nichts und Nacht
Ihr Schädel den ein Bau von Blumen schmückt
Wiegt auf dem brüchigen Genick sich sacht.
Wie bist du, taubes Meisterstück, geglückt!

Ein Zerrbild magst du heißen vor dem Tadel
Der fleischlichen Galane die nicht schätzen
Des sterblichen Gerüsts erlesnen Adel.
Großes Skelett! Du stimmst zu meinen liebsten Sätzen!

Grandiose Larve, willst du dies Gelage
Des Lebens stören? oder aber blieb
Dir im Gebein vom Kitzel früherer Tage
Zurück was hier in Satans Garn dich trieb?

Glaubst du bei Geigen und entbrannten Kerzen
Den Alben abzutun mit seinem Lächeln?
Und soll dem Höllenglast in deinem Herzen
Der Sturzbach dieser Orgien Kühlung fächeln?

Grundloser Bronn von Dummheit und Verschulden!
Kelch der die alte Qual uns destilliert!
Durchs Stabwerk deiner leeren Rippenmulden
Zeigt sich die Natter die um Fraß noch irrt.

Ich frage mich: wird deiner Koquetterie
Auch ihr verdienter Lohn beschieden sein?
Den Spott erfaßt der Haufe hier doch nie
Nur Starke saugen lustvoll Grauen ein.

Aus hohlen Augen haucht verruchtes Sinnen
Noch Schwindel und beim Anblick weckt gewiß
Den zagen Tänzern bittres Würgen innen
Dein volles ewig lächelndes Gebiß.

Und doch – wo ist der kein Skelett umfangen
Und nicht von Gräbergut die Mahlzeit hielt?
Was kann hier Pflege Duft und Kleid verfangen?
Fein schilt sich selber wer den Heiklen spielt.

Du Bajadere der die Nase fehlt
Begehrenswertes Weib! sprich du zu jenen:
»Ihr Äffchen, ob ihrs unterm Puder hehlt
Riecht doch nach Tod! O duftende Gebeine ihr und Sehnen

Ihr glatten Dandys, Aas im Firnisglanz
Du greiser Lovelace, Antinous
Euch führt der ungeheure Totentanz
Mit in ein Land das dunkel bleiben muß.

Vom Seinequai zum Ganges, durch die Welt
Taumelt des Todes Herde, blickt nicht auf
Wo die Drommete die der Engel hält
Im Dachstuhl gähnt – ein schwarzer Büchsenlauf.

Mors schaut Dir, Menschheit, beim Verrecken zu
Gelächter das du bist in allen Zonen
Und läßt, mit Myrrhen parfümiert wie du
Versteckten Hohn bei deiner Tollheit wohnen!«

Charles Baudelaire

vertaling Walter Benjamin


Allein

Ich schließe die Tür hinter mir,
ich schließe die Tür
hinter dem Mond, hinter den Sternen, den Blumen,
ich schließe die Tür für die Vögel,
ich schließe die Tür zu den Gräsern,
allein
wie der Wermut
lasse ich meinen Kummer erblühen,
allein wie das Meer
rufe ich die Kraniche der Sehnsucht,
allein wie der Wind
singe ich die Psalmen des Todes und der Liebe,
ich schließe die Tür,
ich schließe die Tür mit meinem verwundeten Mund,
mit bis zur Seele durchbohrten Händen.

Kajetan Kovič

vertaling Matthias Göritz


Casida VI
De la mano imposible

Yo no quiero más que una mano,
una mano herida, si es posible.
Yo no quiero más que una mano,
aunque pase mil noches sin lecho.

Sería un pálido lirio de cal,
sería una paloma amarrada a mi corazón,
sería el guardián que en la noche de mi tránsito
prohibiera en .absoluto la entrada a la luna.

Yo no quiero más que esa mano ,
para los diarios aceites y la sábana blanca de mi agonía.
Yo no quiero más que esa mano
para tener un ala de mi muerte.

Lo demás todo pasa.
Rubor sin nombre ya. Astro perpetuo.
Lo demás es lo otro; viento triste,
mientras las hojas huyen en bandadas.

Frederico Garcia Lorca


CASIDA VI
VAN DE ONMOGELIJKE HAND

Ik wil maar een hand,
een gewonde hand, als het kan.
Ik wil maar een hand,
al breng ik duizend nachten door zonder bed.

Ze zou een vale lelie van kalle zijn,
ze zou een duif zijn vastgemaakt aan mijn hart,
ze zou de wachter zijn die in de nacht van mijn dood
onverbiddelijk de maan de toegang zou verbieden.

Ik wil alleen maar deze hand
voor de dagelijkse oliën en het witte laken van mijn doodsstrijd.
Ik wil alleen maar deze hand
om een vleugel van mijn dood vast te houden.

De rest gaat voorgoed voorbij.
Het al naamloze rozerood. Eeuwigdurende ster.
De rest is het andere; droeve wind,
en bladeren vliegen in zwermen voorbij.

Frederico Garcia Lorca

vertaling Bart Vonck


Vater (zum dritten Todestag, 30. Dezember 1994)

Solang die Eltern leben, sind sie Körper
zwischen Tod und uns, den Kindern:
Schicksal sehn wir wie durch Schleier.

Mich schmerzten deine dünnen Hände,
als du starbst, mein einzig Vater:
noch deine, und schon fremd, zu tief,

fielen sie, wohin ich nicht vermag,
ins Weite, und ganz nah, hierher, zum Quell
der Tränen, wo ich falie aufs Gesicht und weine.

An jenem schrecklich hehren Abend,
als wir den siechen Körper wuschen,
zurückzugeben rein den Ruhelosen ewiger Ruhe,

nahm ich ihn an, kristallklar und jäh,
meinen Menschentod: seitdem bin ich Vater,
ich bin offne Wunde, welche ohne Hoffnung

schützt ihr Kind vor Hagelschlägen
einzig mit dem Tod des eignen Körpers,
der aus Erinnerung ins Morgen wächst

und singt, Rhythmus des Tanzes, Schnee des Abschieds.
Ins Jenseits flieg ich, folge dem Gesetz
der Zugvögel, und weine, komme ich zurück zu dir,
mein Vater.

Boris A. Novak

vertaling Ludwig Hartinger und Mira Miladinovič Zalaznik


Engel

In tagen,
als ob sie nicht wären,
im wirrwarr des abgrunds,
wo in uns die nacht herrscht,
erstrahlst du nur schwächlich,
flackernd wie der morgenstern,
als wärst du nicht Gott.

GORAZD KOCIJANCIC (*1964)

vertaling Matthias Göritz und Amalija Maček


Zehnter Januar

Jemand geht davon
Er breitet die Flügel über das
brüchige Nest des Atems
als wäre der Hauch nur
ein Mass der Zeit
Jemand geht davon
in den dunklen Sack Erde
als wäre das Licht
nur eine Sache der Wahl
Er löscht seinen Stern
an der Decke der Welt wenn
er leeren Mundes den Fluss überquert
Jemand tritt
ins Jenseits ein als würde er
auf einem unbekannten Bahnhof
aussteigen
Ich lege den Kopf
auf die Schienen
Mich überrollt Stille

CVETKA LIPUS (*1966)

vertaling Klaus Detlef Olof


Verzweiflung im Jenseits

Wenn sie dich ins Grab legen,
wirst du nicht grösser und nicht kleiner, als du bist,
wirst du nicht heller und nicht dunkler, als du bist,
all deine Wunden werden mie dir gehen.

All deine Verzweiflung wird mie dir gehen,
und dort wirst du sie ebenso bitter spüren,
und kein neuer Himmel wird sich öffnen,
du wirst dort liegen, und alle alten Stimmen prasseln auf dich ein.

Und alle Tage und Nächte werden in dir nisten,
denen du zu Lebzeiten Schutz gewährt hast,
an dir wird derselbe Wurm der Reue nagen,
der dir schon in der Kindheit das Herz verzehrt hat.

BOŽO VODUŠEK

vertaling Matthias Göritz und Alei Šteger


La servante au grand cœur dont vous étiez jalouse,
Et qui dort son sommeil sous une humble pelouse,
Nous devrions pourtant lui porter quelques fleurs.
Les morts, les pauvres morts, ont de grandes douleurs,
Et quand Octobre souffle, émondeur des vieux arbres,
Son vent mélancolique à l’entour de leurs marbres,
Certe, ils doivent trouver les vivants bien ingrats,
A dormir, comme ils font, chaudements dans leurs draps,
Tandis que, dévorés de noires songeries,
Sans compagnon de lit, sans bonnes causeries,
Vieux squelettes gelés travaillés par le ver,
Ils sentent s’égoutter les neiges de l’hiver
Et le siècle couler, sans qu’amis ni famille
Remplacent les lambeaux qui pendent à leur grille.

Lorsque la bûche siffle et chante, si le soir,
Calme, dans le fauteuil je la voyais s’asseoir,
Si, par une nuit bleue et froide de décembre,
Je la trouvais tapie en un coin de ma chambre,
Grave, et venant du fond de son lit éternel
Couver l’enfant grandi de son œil maternel,
Que pourrais-je répondre à cette âme pieuse,
Voyant tomber des pleurs de sa paupière creuse?

Die Schaffnerin voller Geduld die dein Argwohn betraf
Und die unterm dürftigen Rasen nun schlummert den Schlaf
Weißt du es nicht daß wir ihr Blumen schulden?
Schwer müssen all die armen Toten dulden
Und führt Oktober mit dem Blätterhauf
Trostlose Reigen auf den Gräbern auf
Wie sollten sie nicht herzlos schelten können
Die Lebenden die sich den Schlummer gönnen
Wenn sie in ihrer schwarzen Grübelnacht
In der kein Buhle und kein Zuspruch wacht
Den Wurm an ihren alten Knochen fühlen
Und Wasser die den Winterschnee verspülen
Und durch das Säkulum das hingeht flattern
Trotz Freund- und Sippschaft Fetzen an den Gattern.

Käme einst spät wenn die Holzglut sich neigt
Sie die sich still ihren Platz sucht und schweigt
Wenn im blauen Nachtfrost der Winterwende
Ich im Eck meines Zimmers gekauert sie fände
Die ernst ihr ewiges Bette verlassen
Das Kind das heranwuchs im Blick zu umfassen
Was könnt ich der armen Seele erwidern
Wenn ich weinen sie sähe aus hohlen Lidern?

Charles Baudelaire

vertaling Walter Benjamin


Teufelskreis

Der, der hasst, und der, der liebt,
hat einen Gefährten,
scharfe Schläge, süsse Küsse, Hiebe,
Blut fliesst so zwischen den Duellanten –

Doch der, der sich selbst liebt,
lebt vom eigenen Blut, spielt
im Verlangen, gibt sich Verderben hin,
wie eine Kerze, die sich selbst abbrennt.

Doch der, der sich selbst hasst,
lebt vom eigenen Blut, fasst
Schmerz, passt Linderung an für
sich selbst, schlägt Leid und verprasst es.

Der, der sich selbst hasst und sich selbst liebt,
weiss niemals, dass er lebt: zieht
scharfe Schläge, süsse Küsse, schiebt
sie in eine Welt, in der’s kein Echo gibt.

BOŽO VODUŠEK

vertaling Matthias Göritz und Alei Šteger


La luna y la muerte

La luna tiene dientes de marfil.
¡Qué vieja y triste asoma!
Están los cauces secos,
Los campos sin verdores
Y los árboles mustios
Sin nidos y sin hojas.
Doña Muerte, arrugada,
Pasea por sauzales
Con su absurdo cortejo
De ilusiones remotas.
Va vendiendo colores
De cera y de tormenta
Como un hada de cuento
Mala y enredadora.

La luna le ha comprado
Pinturas a la Muerte.
En esta noche turbia
¡Está la luna loca!

Yo mientras tanto pongo
En mi pecho, sombrío
Una feria sin musicas
Con las tiendas de sombra

1919

Federico García Lorca


DE MAAN EN DE DOOD

1919

De maan heeft tanden van ivoor.
Wat komt zij oud en droevig op!
De beddingen zijn droog,
De velden zonder groen
En de bomen verwelkt
Zonder nesten en bladeren.
Vol rimpels komt Vrouwe Dood
Door de wilgenbossen
Met haar absurde gevolg
Van verre illusies.
Ze komt kleuren
Van was en van onweer verkopen
Zoals een boze sprookjesfee
Die onrust zaait.

De maan kocht
Verf van de Dood.
Op deze wazige nacht
Is de maan niet goed snik!

En intussen bouw ik
In mijn sombere borst
Met schaduwtenten
Een kermis op zonder muziek.

Federico García Lorca

vertaling Bart Vonck


Kintsugi

Niet het kwaad.
Niet het leven,
de liefde en de dood
maar de taal waarin
gesproken wordt, de poëzie
die ik versta,
verlichaamt,
maakt bang
maar mondig.

Omdat ik ergens heen moet
met mezelf
neem ik voor lief
dat taal en ik de laatste jaren
te lijfelijk zijn geworden.
Ik niets verlijm.

Ik zie heus wel
dat het echte breken
pas begonnen is.

Lucas Hirsch (1975)

uit: Kintsugi (Arbeiderspers, 2025)


Ankers hemelwaarts

Ik ruil mijn stem voor observaties.
Herwaardeer een lichaam.
Herschik taal.

Het zal stil zijn rond mijn ik.
Zeg niets wat nog huivert,
verstikkend werkt of
angst aanjaagt.

Ik zeg gedag.
Tegen de familielijn en dode vriend zeg ik:
taal klonk jullie in
in verzen.

Alle vormen afgegraven.
Alle ploegsporen gevuld.
Heb ik aan mijn woord voldaan.
Ben ik voldaan, mijn woord.

Ik lag lang genoeg bloot.
Ik werp mijn ankers hemelwaarts.

Lucas Hirsch (1975)

uit: Kintsugi (Arbeiderspers, 2025)


Galilei

De negen sferen waar mijn wereld uit bestaat
de zingende gewelven en de ether,
er is iets gaande in dit heelal, men wil
de aarde uit het centrum rukken.

Het jaar zal dan geen jaar meer zijn, het licht
zal niet meer met zijn schaduw stroken,
ja zelfs mijn hart wordt uit zijn koers gelicht
en ligt versplinterd en zijn as gebroken.

En jij om mij mijn lief als dingen van een ander,
je rug lag als een bergrug mij ten onder,
wordt dit nu dal en bedding en verval?

Ik wil dat dwaas geluk van mij beveiligen
met hulp desnoods van paus en heiligen:
de galg staat klaar, de vuren branden al.

Fernand Handtpoorter (1933-2007)

uit: Te sterven zonder dees (1970)


Lluvia

GRANADA

La lluvia tiene un vago secreto de ternura,
Algo de soñolencia resignada y amable.
Una música humilde se despierta con ella
Que hace vibrar el alma dormida del paisaje.

Es un besar azul que recibe la Tierra,
El mito primitivo que vuelve a realizarse.
El contacto ya frío de cielo y tierra viejos
Con una mansedumbre de atardecer constante.

Es la aurora del fruto. La que nos trae las flores
Y nos unge de espíritu santo de os mares.
La que derrama vida sobre las sementeras
Y en el alma tristeza de lo que no se sabe

La nostalgia terrible de una vide perdida,
El fatal sentimiento de haber nacido tarde,
O la ilusión inquieta de un mañana imposible
Con la inquietud cercana del dolor de la carne.

El amor se despierta en el gris de su ritmo,
Nuestro cielo interior tiene un triunfo de sangre,
Pero nuestro optimismo se convierte en tristeza
Al contemplar las gotas muertas en los cristales.

Y son las gotas: ojos de infinito que miran
Al infinito blanco que les sirvió de madre.

Cada gota de lluvia tiembla en el cristal turbio
Y Ie dejan divinas heridas de diamante.
Son poetas del agua que han vista y que meditan
Lo que la muchedumbre de los ríos no sabe.
¡Oh lluvia silenciosa sin tormentas ni vientos,
Lluvia mansa y serena de esquila y luz suave,
Lluvia buena y pacifica que eres la verdadera,
La que amorosa y triste sobre las cosas caes!

¡Oh lluvia franciscana que llevas a tus gotas
Almas de fuentes claras y humildes manantiales!
Cuando sobre los campos desciendes lentamente
Las rosas de mi pecho con tus sonidos abres.

El canto primitivo que dices al silencio
Y la historia sonora que cuentas al ramaje
Los comenta llorando mi corazón desierto
En un negro y profundo pentagrama sin clave.

Mi alma tiene tristeza dé la lluvia serena,
Tristeza resignada de cosa irrealizáble,
Tengo en el horizonte un lucero encendido
Y el corazón me impide que corra a contemplarle.

¡Oh lluvia silenciosa que los árboles aman
Y eres sobre el piano dulzura emocionante,
Das al alma las mismas nieblas y resonancias
Que pones en el alma dormida del paisaje

Enero de 1919

Federico García Lorca


REGEN

GRANADA

De regen heeft een vaag geheim van tederheid,
Iets van gelaten en lieflijke slaperigheid.
Een nederige muziek wordt met hem wakker
Die de slapende ziel van het landschap laat trillen.

Hij is een blauwe kus die de Aarde ontvangt,
De primitieve mythe die weer werkelijk wordt.
Het al koude raken van oude hemel en aarde
Zachtaardig van onafgebroken avondval.

Hij is de dageraad van de vrucht. Die ons bloemen brengt
En ons zalft met de heilige geest van de zeeën.
Die leven op de akkers vergiet
En in de ziel verdriet om het onbekende.

De vreselijke weemoed van een verloren leven,
Het fatale gevoel te laat geboren te zijn,
Of de onrustige illusie van een onmogelijke toekomst
Met de nabije onrust van de pijn van het vlees.

De liefde ontwaakt in het grijze regenritme,
Onze innerlijke hemel heeft een zege van bloed,
Maar ons optimisme verandert in droefheid
Als we de dode druppels op de ruiten aanschouwen.

En het zijn de druppels: ogen eindeloos die kijken
Naar het eindeloze wit dat hun moeder was.

Iedere regendruppel trilt op de troebele ruit
En laat er goddelijke wonden van diamant op achter.
Het zijn waterdichters die wat de menigte van
De rivieren niet kent, hebben gezien en aanschouwd.

O stille regen zonder stormen of windvlagen,
Gedweeë en serene regen van klokje en zacht licht,
Goede en vreedzame regen, jij bent de ware,
Jij valt verliefd en triest over de dingen!

O franciscaanse regen, naar je druppels voer je
Zielen van heldere fonteinen en nederige bronnen!
Wanneer je traag over de velden neerdaalt
Open je met je klanken de rozen van mijn borst.

Het primitieve lied dat je tot de stilte spreekt
En het klankrijke verhaal dat je aan de takken vertelt
Worden door mijn verlaten hart in tranen besproken
Op een zwarte en diepe notenbalk zonder sleutel.

Mijn ziel bezit de droefheid van serene regen,
Gelaten droefheid van ondoenlijk ding,
Aan de horizon bezit ik een helder brandende ster
En van mijn hart mag ik niet rennen om haar te aanschouwen.

O stilzwijgende regen waarvan de bomen houden,
Op de piano ben je een ontroerende zachtheid,
Je geeft aan de ziel dezelfde nevels en weerklank
Die je in de slapende ziel van het landschap legt!

Januari 1919

Federico García Lorca

vertaling Bart Vonck


An den Leser

Dummheit Verirrung Sündenstand und Borgen
Befängt uns geistig und verzehrt den Leib
Und Reue nähren wir zum Zeitvertreib
Wie Bettler schmausend ihr Geschmeiß versorgen.

So starr die Sünden sind so matt die Bußgewalten;
Sehr reich bezahlt sich unser Eingestehn
Und leicht läßt sich der Kotpfad wieder gehn
Wenn wir uns greinend für gesäubert halten.

Der sanft im Kissen böser Lust geschaukelt
Uns Selige – Satan Trismegistos
Hat bis des Wollens edles Erz zerfloß
Uns Alchimistenkünste vorgegaukelt.

Gehn wir so hat der Teufel uns am Faden.
Begier nach Ekelhaftem nimmt uns mit;
Alltäglich führt uns höllenwärts ein Schritt
Gleichmütige, in pesterfüllte Schwaden.

Wie ein verarmter Wüstling unter Bissen
Die wehe Brust der alten Dirne sucht
Entwenden wir ein Glück – die schale Frucht
Die wir recht gründlich auszupressen wissen.

Mit unserm Bregen mästen wir, umschlungen
Wie Maden, ein Dämonenaufgebot
Und wenn wir Atem holen stürzt der Tod
Unsichtbar strömend dumpf in unsre Lungen.

Wenn Notzucht Gift und Brände bis zur Stunde
Uns allen als der angenehmste Rand
Im Webgrund trister Jahre unbekannt
So ists nur Mangel an Entschluß im Grunde.

Doch unterm Auswurf: Panthern Skorpionen
Schakalen Geiern Hündinnen und Nattern
Die kreischend heulend kletternd hinter Gattern
Im eklen Zwinger unsrer Laster wohnen

Bleibt ein gemeinstes ärgstes zu erwähnen!
Wenn es auch nicht auf Lärm und Mimik hält
Wünscht es den Erdball sich als Trümmerfeld
Und gern verschläng es eine Welt im Gähnen;

Der Spleen! – Er raucht die Pfeife, tränend zählt er
Schafott und Galgen in der Phantasie
Mein Freund, du kennst das diffizile Vieh
Freund – Hypokrit – mein Leser – mein Erwählter!

Charles Baudelaire

vertaling Walter Benjamin


TIERRA Y LUNA

Me quedo con el transparente hombrecillo
que come los huevos de Ia golondrina.
Me quedo con el niño desnudo
que pisotean los borrachos de Brooklyn.
Con las criaturas mudas que pasan bajo los arcos.
Con el arroyo de venas ansioso de abrir sus manecitas.

Tierra tan sólo. Tierra.
Tierra para los manteles estremecidos,
para Ia pupila viciosa de nube,
para las heridas recientes y el húmedo pensamiento.
Tierra para todo lo que huye de Ia Tierra.

No es Ia ceniza en vilo de las cosas quemadas,
ni los muertos que mueven sus lenguas bajo los árboles.
Es Ia Tierra desnuda que bala por el cielo
y deja atrás los grupos ligeros de ballenas.

Es Ia tierra alegrísima, imperturbable nadadora,
la que yo encuentro en el niño y en las criaturas que pasan los
arcos.
Viva tierra de mi pulso y del baile de los helechos
que deja a veces por el aire un duro perfil de Faraón.

Me quedo con la mujer fría
donde se queman los musgos inocentes.
Me quedo con los borrachos de Brooklyn
que pisan al niño desnudo.
Me quedo con los signos desgarrados
de la lenta comida de los osos.

Pero entonces bajó la luna despeñada por las escaleras
poniendo las ciudades de hule celeste y talco sensitivo,
llenando de píes de mármol la llanura sin recodos
y olvidando, bajo las sillas, diminutas carcajadas de algodón.

¡Oh Diana, Diana! Diana vacía.
Convexa resonancia donde la abeja se vuelve loca.
Mi amor es paso, tránsito, larga muerte gustada,
nunca la piel ilesa de tu desnudo huido.

Es Tierra ¡Dios mío! Tierra lo que vengo buscando.
Embozo de horizonte, latido y sepultura.
Es dolor que se acaba y amor que se consume.
Torre de sangre abierta con las manos quemadas.

Pero la luna subía y bajaba las escaleras,
repartiendo lentejas desangradas en los ojos,
dando escobazos de plata a los niños dé los muelles
y borrando mi apariencia, por el término del air.

Federico García Lorca


AARDE EN MAAN

Ik blijf achter met het transparant mannetje
dat zwaluweieren eet.
Ik blijf achter met het naakte kind
dat de zatlappen van Brooklyn vertrappen.
Met de sprakeloze schepselen die onder de bogen lopen.
Met de beek van aderen die zijn handjes graag wil openen.

Alleen Aarde. Aarde.
Aarde voor het huiverende tafellinnen,
voor de verdorven oogappel van wolk,
voor de verse wonden en de vochtige gedachte.
Aarde voor alles wat de Aarde ontvlucht.

Het is niet de in de lucht zwevende as van verbrande dingen,
noch de doden die onder de bomen hun tongen bewegen.
Het is de naakte Aarde die door de hemel mekkert
en gewichtloze scholen van walvissen achter zich laat.

Het is de allervrolijkste aarde, onverstoorbare zwemster,
die ik terugvind in het kind en in de schepselen die onder de
bogen lopen.
Levende aarde van mijn polsslag en van de dans van de varens
die in de lucht soms een hard Farao-profiel achterlaat.

Ik blijf achter met de kille vrouw
waar onschuldige mossen verbranden.
Ik blijf achter met de zatlappen van Brooklyn
die het naakte kind vertrappen.
Ik blijf achter met de stukgescheurde tekens
van het trage maal van de beren.

Maar toen kwam de maan haastig over de trappen omlaag
en bedolf de steden onder hemels zeildoek en gevoelig talkpoeder,
ze vulde de bochtloze vlakte met marmeren voeten
en ze vergat, onder de stoelen, piepkleine katoenen schaterlachjes.

O Diana, Diana! Lege Diana!
Bolronde weerklank waar de bij gek van wordt.
Mijn liefde is voetstap, doortocht, lange smaak van dood,
nooit de ongedeerde huid van je gevluchte naaktheid.

Het is Aarde, mijn God! Aarde is het wat ik kom zoeken.
Masker van horizon, hartklop en graf.
Het is pijn die afneemt en liefde die verkwijnt.
Toren van bloed met verbrande handen geopend.

Maar de maan liep de trappen op en af,
deelde leeggebloede linzen uit aan de ogen,
gaf zilveren bezemklappen aan de kinderen op de steigers
en wiste mijn aanschijn uit aan de grenslijn van de lucht.

Federico García Lorca

vertaling Bart Vonck


Opdracht
 
Voor het eerst dezen avond, sinds de nacht
Voorgoed Uw ogen heeft gesloten,
Open ik droevig, o dichter, en zacht
Uw boek, met somber blad besloten.
 
En op reis langs Uw wegen, beschermd door Uw macht,
Heb ik van Uw land genoten,
Waar ik helden en goden in levende kracht
Door de macht van Uw woord zag gesproten.
 
Verblind ben ik achter Uw schreden gegaan,
Tot het duister water der dodenrivier;
Als men gaat naar de nacht zonder troost of vertier…
 
Maar voor U zal ter anderen oever staan
De Roem die U trots uit het heilige woud
Door de pijnen toont haar laurier van goud.

Hans Lodeizen


Sisina

Dianen denkt im Prängen schimmervoll
Durchstürmend Wälder spürt in Büschen krachend
Windwärts Gelock und Brust vom Toben toll
Hoffärtig und der besten Herren lachend

Saht ihr Terogen die Schlachten liebt im Groll
Zum Aufruhr den barfüßigen Pöbel fachend
Wang Aug im Feuer während Tod ihr scholl
Rasenden Schwertstiegs Königstreppen dachend

Seht so Sisina doch die sanfte Wilde
Eint mörderischem Mut so süße Milde
Ihr Sinn verstört von Dampf und Trommelschlägen

Tief senkt vor Flehenden das gewöhnte Schwert
Und ihr Herz wüst von Flammen in den Gehegen
Tränenquellen birgt jenem der Tränen wert.

Charles Baudelaire

vertaling Walter Benjamin


MEMENTO

He acostado al cantor
sobre un gran crisantemo
y escribo su epitafio.

Memento.

La Tierra duerme bajo
su mantilla de viento
con mares encrespados
con mares serenos

Memento.

Ahora mismo se hacen,
preguntas los luceros.

Tú sabes la respuesta
que no conocen ellos.

Memento.

Yacerás esta noche
sobre un lírico lecho.
¿Qué niño durmió nunca
en una flor su sueño?

Memento.

Y esta noche enviaré
para velar tu cuerpo
la mariposa enorme
de mi único beso.

¡Memento!

Federico García Lorca


MEMENTO

lk heb de zanger te ruste gelegd
op een grote chrysant
en ik schrijf zijn grafschrift.

Memento.

De Aarde slaapt onder
haar mantilla van wind
met woelige zeeën
en kalme zeeën.

Memento,

Nu stellen de lichtsterren
zich vragen.

Jij kent het antwoord
dat zij niet kennen.

Memento

Deze nacht lig je opgebaard
op een lyrisch bed.
Welk kindje legde nooit zijn droom
op een bloem te rusten?

Memento

En ik stuur deze nacht
de reusachtige vlinder
van mijn enige kus
om bij je lichaam te waken.

Memento

Federico García Lorca

vertaling Bart Vonck


Sonnet

Het hert dat sterft met hagel in zijn lijf,
de honden die met zwerende ogen zwerven,
de kat die wordt gespijkerd op een rijf,
de apen die in warenhuizen sterven,

de ratten en de merels en de mol
en de insekten die niet mogen leven,
het frêle jachtluipaard betaalt zijn tol,
men zal de stier zijn trage doodsteek geven.

De ganzen op de aarde vastgeprikt,
het proefkonijn om ’s mensenwil gestikt
en het verdriet van runderen en schapen,

van paarden in de mijn, van muizen op de maan,
van lijsters die verblind het blinde net in gaan,
van kinderen die men uit puin moet rapen.

Fernand Handtpoorter (1933-2007)


O reiziger, als ooit Uw weg U brengt
Naar gindse oorden waar de roeiboot wacht
Zeg dan Eurydice dat haar gedenkt
Orpheus de zanger in een droeve klacht.
 
Zeg haar dat mijn leven is vergeefs verlengd,
Omdat ik als een stervende versmacht
Zolang de dood mij niet ons weerzien schenkt
In het sombere rijk van het dodengeslacht.
 
En dan, geef haar dan deze rozen,
Geplukt aan de oevers der lage stad
Omdat ook zij droefheid verkozen
 
Boven geluk dat hen toch vergat…
Maar dan, o reiziger, ga zonder rozen
En zwijgend verder op Uw pad.

18 Maart 1945

Hans Lodeizen


Stanzas. In memory of my mother

I.

Speak then. What is it you wanted to say? Was it the way
The barge slid down the city river in sunset’s pursuit,
Two thirds of June passed, the twenty second today
And summer on tiptoes, in an effort to stretch to the light,
How the linden trees breathed through the stifling square
And in July there was thundering, mumbling from every direction?
But that speech needed gravity, needed some weight at its core
And not lightness – that, I’m afraid, was deception.

II.

Can you smell it: how sweet-rotting melon scented the greengrocer’s store
Out of sight in the archway the crashing of empty crates
On a breeze from the outskirts, the handcars’ jostling call
And an archive of leaf-fall covered the pavements’ grey.
Let the Rubik’s Cube fall from your hand, it is not worth the strain
All effortful planning in vain, take the grapes, eat your fill
In the quiet back yard on a bench, see for real, there in the rain
What will come to your mind in the hills and the hollows of hell.

III.

And go now, where you were going. But your nights here, in rain
Especially in rain, the steady bare branch of the upas tree
Learnt to death like the alphabet, feels for the window pane –
G for glass, touching the frame, the words you heard at her knee
And although I learnt little at school, I see as if it were now
Through the flask’s throat and falling from above to beneath
With an unforgettable shivering, the fine sand heaping below.
The simplest device, but such an opening for grief.

IV.

You’re done for, you deceiver, you cheat, with the tottering
Tripod, your cunning replete, beat your rage on the floor like a staff
That a stream might come forth, ghostly, transparent and blossoming
With the odour of ozone under the municipal office tin roof.
The soft furnishings sting you with static – then resound,
Speak again, as if under duress, without manifesto or school
If these terrible times, this place the Lord has renounced
Can fill with such love, the straggler, the spent force that is you.
 
V.

Aged forty seven and widowed, Aizenstadt, shuffling, feels
His way round the kitchen to the empty medicine chest
Is there anything to raise a smile or a glass to here?
Not even the comical long johns, in mourning and flapping half mast.
This place, where a good time means down in the yard by the crates
Drinking with the men who have seen a good thing or two,
Making toasts to Esenin and Chenier as if they were once mates
And another wage packet spent like the last one on booze.  

VI.

After death I will leave my beloved city and there, without,
I will lift my throat to the heavens, my horns tipped back to the earth,
And marked by my sorrow I will give forth from my trumpeting mouth
To sound through the autumn wastes, the truths for which speech had no
words.
How the barge was drawn down the river by sunset’s last fingering ray
How, on my left wrist, time’s steel cooled and hissed

How the magic door was unlocked with an ordinary key
Speak. Such misfortune leaves us little else.

Sergey Gandlevsky

Translated from Russian by  Sasha Dugdale


[Gott mit uns!, glauben sie immer…]

Gott mit uns!, glauben sie immer,
wenn sie einander umhacken wie Holzfäller,
mit einem einzigen blutigen Säbelhieb,
auf die Fresse fallend im Schnee.

Glauben noch, dass ER mit ihnen sei,
wenn man sie in die Viehwaggons treibt
mit gezückten Kalaschnikows oder Macheten
(schwarze Nacht schwüle Baracke fette Läuse)

Beschwören IHn auf dem Weg zur Schlachtbank,
aufheulend im Hass, dass GOtt doch
bloss ihnen gehöre
und ihrer verdammten Gaunerbande

ER schon ganz fertig und abgekämpft
auf diesen Schlachtfeldern in allen Herzen,
auf denen SEine Liebe nur zu
Martern und Demütigung dient

ER hat nicht genug Arme, nicht genug Augen,
der Allmächtige, Allsehende, um
wenigstens diesmal SEinen Sohn anständig,
nicht als Gehenkten, als armseliges Arschloch,
sterben zu lassen

Ich schreibe dies eher unanständige Pamphlet
voll Binsenweisheiten trotzdem
ohne echte Wehmut:
Sowieso ist ER doch allen verhasst,
sowieso erkennt IHN keiner mehr,
den letzten Soldaten in der Finsternis.

Elena Fanajlova

Aus dem Russischen übertragen von  Brigitte Oleschinski


maternoster

in jouw tuin lopen drie ganzen die alledrie wannes heten. van elk heb je een vleugel geknipt. ze zijn nog steeds verbolgen. the body keeps the score. als er een sterft, koop jij er een bij. ik meet mijn armen. ze zijn even lang. hoe komt het dan dat ik niet vliegen kan? jongen en meisje zijn nog geen absolute grootheden en de dood ligt nog ongemoeid in het gras te slapen als je mij vraagt lees je soms? ik weet nog niet dat lezen bidden is, dat woorden schuiven zoals de hoedenmaker en de maartse haas. als hun kopje leeg is, schuiven ze een zitje op. soms wou ik dat het altijd theetijd is, dat wij meeschuiven met de zon, mijn jeugd verstrengeld met jouw avond maar wij zijn zee, wij wissen wat wij eerder zeiden en herinneringen laten zich niet stapelen. ze maken zichzelf opnieuw zoals japanse tempels. vóór de mot in het hout komt wordt elke balk vervangen. wannes is wannes is wannes. ze happen naar je rokken, je hebt weer hun eieren gestolen. ze kwaken a capella, driestemmig onder de notelaar. als ik ook hun andere vleugel knip, kunnen ze dan weer vliegen?

paternoster

vader verkoopt zijn ganzen en toont de plek waar hij verstrooid wil worden achterin de tuin, links van het hek, onder een boom. begerig verzamel ik zijn woorden, rijg ze als parels aan elkaar. het . is . Ver . schrik . ke . lijk zegt hij. vannacht droomde hij van de ruiters van de dood. van de apocalyps bedoel je, papa. nee, dat is een ander sterrenbeeld. de doorsnede van categorieën wordt groter, dagen dijen uit, botsen als lege hulzen tegen elkaar. lezen wordt bladeren en bladeren struikelen, vallen. op jouw nachtkastje ligt een boek over de aard van ruimte en tijd. zwarte gaten groeien in je hoofd, je vindt geen mouw meer om een been in te stoppen en tussen sterren rekt tijd zich uit. je moet alles met een snoer bij elkaar houden, je moet alles omdat je pa . pa . lli . a . tief. bah, zo’n flauw woord, dan liever de paarden van de apocalyps. hun draf zit al in je benen. je mag de trap niet meer op als god niet dobbelt, laat hem dan tenminste ha . ha . haperen.

Tania Verhelst (1974)

uit: In de naam van de vader, de moeder en een rondtollende steen (De Zeef, 2026)


MEMENTO

Cuando yo me muera,
enterradme con mi guitarra
bajo la arena.

Cuando yo me rnuera,
entre los naranjos
v Ia hierbabuena.

Cuando yo me muera,
enterradme, si gueréis
en una veleta.

¡Cuando yo me muera!

Federico García Lorca


MEMENTO

Wanneer ik sterf
begraaf me dan met mijn gitaar
onder het zand.

Wanneer ik sterf
tussen sinaasappelbomen
en munt.

Wanneer ik sterf
begraaf me dan, alstublieft,
op een windwijzer.

Wanneer ik sterf

Federico García Lorca

vertaling Bart Vonck


Eenzaam als boeven in hun cel
Zijn wij; het leven is een smerig spel
Dat wij in de lente verloren.
O, zijn wij enkel geboren
Om dit lange uur te rekken
Hopeloos levend op het lekke
Schip dat de kringen
Passeert en alle dingen
Weet, zwijgt onder de nacht
En in ’t gladde licht glimlacht
Maar bij iedere dageraad
Is het alsof het zwaarder gaat
Het schip is als een oude man
Die ieder uur weer minder kan
Zwaarder het hoofd buigt onder zorgen
En niet meer dromen kan van morgen
Schip en lading zijn teloor…
’s nachts kruist een meteoor
Haastig en telt de sterrebeelden
En sluit zich weer in de hemel o 
Het schip gaat door het witte sop
En knikt in de golven; het hoorde
De wijsheid en toen boorde
Het zich dieper in de zee
Het weer is goed, alles werkt mee.
Zo zijn wij menschen wij leren drinken
Van de dood zoals schepen die zinken,
Eenzaam in de nacht die weet.
Als in een cel niet al te breed
Wonen wij de boeven opgesloten
Wij varen als op heel wrakke boten
Maar zolang er leven is is er hoop
Er is toch nog wel iets te koop.

27 Februari 1949

Hans Lodeizen


’t Broekie van Jantje

Er was eens ’n haveloos ventje,
Die vroeg an z’n moeder ’n broek.
Maar moeder verdiende geen centje,
En vader was wekenlang zoek.
Ach, moedertje, geef me geen standje;
Er zit in m’n broekie ’n scheur!
De jongens op school roepen: ‘Jantje,
Jouw billen die zien we d’r deur!’

De moeder werd ziek van de zorgen,
Lag stil en bedrukt in een hoek.
Geen mens die haar centen wou borgen
En Jantje vroeg toch om z’n broek.
Toen heeft ze haar rok uitgetrokken,
De enigste die ze bezat.
En ze maakte van stukken en brokken
Een broek voor haar enigste schat.

Nou konden ze Jantje niet plagen,
Nou waren zijn billen niet bloot.
Maar voor hij zijn broekie kon dragen,
Ging moeder van narigheid dood.
Ze stierf van ’t sjouwen en ’t slaven,
Vervloekt en verwenst door haar man.
Toen Jantje haar mee ging begraven,
Toen had-ie zijn broekie pas an.

J.H. Speenhoff (1869-1945)  


http://www.pierre-emmanuel.net


Cahiers du Rhône, 15 mars 1942

Ô clameur escarpée des morts tu es si noire
comment sortir de ce tombeau comment fouler
le temps ? et respirer le jour ancien
maintenant que glacier sombre tu retentis
de l’implacable division de la lumière
ô vie ?

Comprendre avec Son corps Il ne peut pas
ni vous gravir ô monts d’absence immémoriale
ni lutter contre la pesanteur farouche. Ni connaître
le sang. Ni faire un pas dans la détresse innée.
Ô douleur ô mutisme ô cri éblouissant
ô déchirée par la vision, matière
nue !

          Le Poëte et son Christ, « Christ au tombeau ».

PIERRE EMMANUEL


O diep geraas van de doden, je bent zo zwart
hoe kun je uit dit graf tevoorschijn komen, hoe kun je
de tijd betreden? en de oeroude dag inademen
nu jij, donkere gletsjer, weergalmt
met de onverbiddelijke scheiding van licht
O leven?

Met Zijn lichaam begrijpend, kan Hij niet
noch jou beklimmen, o bergen van onheugelijke afwezigheid,
noch vechten tegen de felle zwaartekracht. Noch bloed kennen. Noch een stap zetten in aangeboren nood.

O pijn, o stomheid, o verblindende kreet,
o verscheurd door visioen, naakte materie!

vertaling Google translate


Die Wanduhr

O Wanduhr! finstres Numen du und ungerührtes
Dein Finger weist auf uns und sagt: »Erinnre dich!
Nicht lange und dein Herz erkennt mit jedem Stich
Der Schmerzen sich als Ziel und jeden Pfeil verspürt es;

Und dann verziehet Lust – ein Rauch am Himmelsrand
(Die Sylphe flüchtet so ins Dunkel der Kulisse)
Jedwedem schmälert Zeit mit einem jeden Bisse
Den Bruchteil vom Genuß den Gott ihm zugestand.

Es zischt dreitausendundsechshundertmal von droben:
Erinnre dich! die Stunde. – Eh du’s meinst
Zirpt Gegenwart wie ein Insekt: Ich bin das Einst
Und hab mit eklem Rüssel Blut aus dir gehoben.

Remember! denk’s! zuviel! esto memor!
(Denn mein metallner Mund ertönt in allen Zungen.)
Wie Stollen, Erdenwurm, in die du eingedrungen
Sind die Minuten. Hol das Gold daraus hervor!

Erinnre dich daß Zeit im Spiel auf Vorteil sinnet.
Sie macht (und ohne Trug), so gilt es, jeden Stich!
Es sinkt der Tag; die Nacht wächst an; erinnre dich!
Den Abgrund dürstet stets; die Wasseruhr verrinnet.

Bald schlägt die Stunde wo das Glück, dein hoher Gast
Wo Tugend, dein Gemahl, des Bett du niemals teiltest
Wo Reue (das Asyl das du zuletzt ereiltest)
Dir zuruft: Greiser Fant! nun stirb! es ist verpaßt!«

Charles Baudelaire

vertaling Walter Benjamin


wat wil je dat ik voor je doe, mijn kleintje
moet ik je helpen met het potje onder je gat
of wil je leven
 
waarom moeten we zo plotseling vertrekken
heb je zo’n haast om dood te gaan
laten we toch eerst wat leven
ik jouw lichaam jij het mijne
de lente is dit jaar toch al zo laat

19.4.1950

Hans Lodeizen


Die Stimme

An meine Wiege stieß der Saal mit Bücherbrettern
Das finstere Babylon wo Märe Epopoe
Und Weistum, Latiums Staub und Hellas Schutt in Lettern
Vereint. Ich maß damals ein Folio in der Höh.
Zwei Stimmen redeten mich an. Von einer leisen
Sehr sichern kams: »Ein süßer Kuchen ist die Welt;
Ich könnte (und dann ist dein Glück enorm zu preisen)
Tun, daß Begehrlichkeit von gleichem Maß dich schwellt.«
Die andre aber: »Folg o folg mir in die Lande
Des Traums, des Unerhörten, ja der Unnatur!«
Und diese sang so wie der Seewind überm Strande
Ein irrendes Phantom, wer weiß woher es fuhr;
Wohl schmeichelt es dem Ohr, doch Zittern machts im Grunde.
Dir rief ich zu: »Ja süße Stimme!« So beschwor
Ich was an mir ihr nennen möget meine Wunde
Und meinen bösen Stern. Denn hinter dem Dekor
Der Existenz, zutiefst im unermessnen Grabe
Zeigt mir das fremdeste der Weltsysteme sich;
Nun zieh ich Opfer meiner eignen Sehergabe
Ein Schlangenknäuel mit und fühle Stich auf Stich.
Und es geschah seitdem daß so wie die Propheten
Weltmeer und Wüste innig ich geliebt
Und muß zur Feier trüb zum Lachen trauernd treten
Und daß der herbste Wein für mich noch Süße gibt;
Daß oft als Lüge mir erscheinen will das Neue
Und daß ich strauchle, weilt mein Blick am Firmament.
Doch tröstend sagt die Stimme: »Halt dem Wahn die Treue
Hast du doch Träume wie der Kluge sie nicht kennt!«

Charles Baudelaire

vertaling Walter Benjamin


ei lieve hoeveel dierbaren
stierven er niet in het zand
der aarde zij schilderden
het landschap purper en
waren artiesten van de dood
 
ei lieve hoevelen zijn gestorven

10 September 1949

Hans Lodeizen  


Les poètes sont les murs nus de la maison
crépis de cris, de sel, de lèvres, de nuages
fondés sur l’infini des larmes et jetés
à l’infini du ciel errant. La seule lune
réchauffe l’or cendreux et sonne, cor perdu
dans la mélancolie du sombre sang et l’Ombre.
Quand ce pays sans nom que dieu dans le futur
se tourne vers ses morts en implorant l’aurore
ses pierres calcinées par la ténèbre sont
des cœurs, ses marbres bleus des mers, ses eaux des palmes
et ses essaims de sang se suspendent aux arbres.
Mais où ton ocre Ô bouche amère retentit
on verra trouer l’œil vague des apparences
une vierge colonne adossée à la mer.
                                                     
« Naissance du verbe »

PIERRE EMMANUEL


De dichters zijn de kale muren van het huis
bepleisterd met kreten, zout, lippen, wolken
gegrondvest op de oneindigheid van tranen en geworpen
in de oneindigheid van de zwervende hemel. De enige maan
verwarmt het asgrijze goud en klinkt, een verloren hoorn
in de melancholie van donker bloed en schaduw.

Wanneer dit naamloze land dat God in de toekomst
zich tot zijn doden wendt, smekend om de dageraad,
zijn stenen, verkoold door de duisternis,
harten, zijn blauwe marmeren zeeën, zijn wateren palmbladeren,
en zijn zwermen bloed hangend aan de bomen.

Maar waar jouw oker, o bittere mond, weerklinkt,
zal men doorboord zien door het vage oog van verschijningen
een maagdelijke kolom die tegen de zee leunt.

Pierre Emmanuel

vertaling Google translate


Lelu! Lelu! Het lied van de vreemdeling
 
Altijd sneller dan te voet
op het begane pad u te ontmoeten.
Hetgeen ik ook gedurig doe.
 
Lelu! Lelu!
 
Nu dan het hart verslijt
zonder de smeersels van de eeuwige
begroeting, raken de wegen weg
en vinden wij – elkaar verloren –
gans niet meer de warmte
van de omhelzing die het doet.
 
Lelu! Lelu!
 
En vragen wij ’t gevoel
hoe te gedijen
tussen degene die gij zijt
en ik mezelf. Wij die elkaar
als schaduwen bevroeden.

Lelu! Lelu!
Lelu! Lelu!

Zijn wij de eerstelingen
van de ware stoet? Zijn wij
de enkeling die liefde volgt,
maar op de voet! En zijn wij
met de wil die niet gedoogt
dat tijden van de harten luiden hoe
elk d’ander, wij elkaar ontschoten?
Wij in de eenzaamheid
en deelzaam zijnde
in de scheiding van de vreemdeling?
 
Lelu! Lelu! mama,
Lelu! Lelu!
 
Ach, kon ik u met heel mijn zijn
begroeten! Gij die mijn waarheid
van de aanwezigheid des doods
ontdoet: o vreemdeling
om wie het lied des levens
klinkt uit vredeswil! Uw stilte
is de verste scheiding tussen mensen.
Er is geen noot die mij ’t verdriet bezingt.

Edgar Cairo

Uit: VERVREEMDING, 1981


ik heb geslapen
op de rug van de nacht
ik heb geleefd in een uur
ik heb gevochten
 
zij kennen van de nacht
allen het gesmede uur
 
als ik de wil in opzet heb
gaat het licht beginnen.
 
de wind heb ik overal gevonden
Juli heb ik overal gezocht
als de nacht nog tweemaal langsging…
 
daar dreven de zwanen
fantastisch en gelukkig
 
het meer dat kwettert
 
ik heb onmiskenbare vrede tegen
de gletscher van mijn ziel in milde
zonneschijn laten klimmen op
ladders van gouden vreugde en
nu dans ik als een mug in avondrood
 
dit is het stilste lied
van de nacht een vliet
rijdend onder de bomen
een vlucht zonder heenkomen
dit is een lied
 
het is niet de vrede die van liefde
komt waarnaar ik heb gezocht
ik was rijk genoeg en wat mij griefde
heb ik van de wereld gekocht
 
ik ben verliefd op het leven
en op mijn kennis van de dood

Hans Lodeizen


Melati-knoppen. Gedichten in proza.

Raden Mas Noto Soeroto.

N.M.
 
Ik wilde u met bloemen vereeren;
ik weet dat ze u lief zijn.
Zoo zocht ik naar bloemen, veelkleurig en geurig,
in den tuin van mijn eigen gedachten,
om daarvan een tuiltje te maken,
dat zich zal weerspiegelen in ’n glimlach van uw gemoed.
Vergeefs zocht ik echter;
geen enkele bloem vond ik daar,
in den tuin van mijn eigen gedachten.
 
Daar kwam een vroom gezang tot mijne ooren aangewiekt
en drong tot diep in mijne ziel.
Ik spoedde me naar mijn deur en zag
een vromen zanger langs mijn lage woning langzaam gaan.
Zijn schreden richtten zich naar gindschen tempel van licht
en in zijn armen droeg hij ’n vracht van de heerlijkste bloemen,
die mijn huis met ’n zoeten geur vervulden.
 
De bloempjes, die den armen des zangers waren ontslipt,
die had ik opgeraapt
en bond ze saâm tot een schuchter tuiltje.
Dit leg ik voor u neer, opdat ik moog’ genieten
van úwe vreugde om bloemen uit dichter-levenshof.

r.a.k.
 
Den avond voordat ik vertrok naar vreemde landen, zuster,
heb ik in een hoekje van ons kleinen tuin een melati-struik geplant.
‘Ja, zorg er goed voor,’ zoo sprak ik, ‘dit zij u mijn gedachtenis.
Als deze bloemen bloeien, wèl zal ’t mij dan gaan.’
 
Jaren daarna schreeft ge me dat ’t struikje vol zat
van kleine, witte knoppen.
Zoo hebt ge dan goed het teere plantje gekweekt,
met zorgvolle handen.
’s Morgens plukt ge de bloemen af om kwistig
ze op ’t bed van moeder te strooien.
 
Zuster, mogen even heerlijk bloeien de melati’s
in mijn eigen hart.
Ze wachten nog op de frischheid
van zulk koele, zachte handen.
Ze wachten op de warme stralen
van koesterende zonne-oogen.
 
Als ik teruggekeerd zal zijn van vreemde landen,
zullen we van de melati’s uit ons eigen tuin slingers rijgen
met kantil-bloemen als franjes aan de einden.
Ook zullen wij van bloemen netten weven.
 
Wie zal echter om den haarwrong
het net van bloemen dragen,
als een slinger van melati’s
mijn kris-knop siert?

 
De gastvrijheid, moeder, waarmee gij uw gasten ontvangt,
die ken ik al sinds ik een knop was
aan dezen ontzachelijken boom van het leven.
Toen de prendjak in uw tuin van verlangens
mijn komst aankondigde, hebt gij toen niet in uw hart
uwe schatten van teedere liefde,
gelijk deze blankgele mat in ons huis,
uitgespreid ter ontvangst van de gasten?
Toen het gejuich uwer oogen door uw tranen heen trilde,
moeder, hebt gij me niet in uw armen begroet
als de gasten met uw glimlach en vriendelijke woorden?
Toen mij dorstte en hongerde en mijn kreten
door ’t harte u sneden,
hebt gij me niet van uw eigen harte-bloed gegeven,
gelijk den gasten van uw eigen disch?
De gastvrijheid, moeder, waarmee gij uw gasten ontvangt,
ken ik reeds van ’t oogenblik, dat voor ’t eerst
in dit onmetelijke huis ik te gast ben gekomen

r.a.s.
 
Waarom ik jou mijn troetelzuster noem?
 
Zonder te weten heb ik moeder je komst reeds voorspeld
in de zachtheid van mijn spelen als kind.
Als moeder elken ochtend het morgenrood
met klimmende vreugde begroette 
als elken avond zij het zilverlicht des hemels
op zich deed afstralen,
nam ik geen deel aan het luidruchtige spel
van mijn speelgenooten.
Ik plantte bloemen op de heuveltjes van zand
en maakte suikergoed van klei in vele vormen.
‘Gewis,’ sprak moeder, ‘je spelen voorspellen me vast
dat het een zusje zal zijn.’
 
Waarom ik jou mijn troetelzusje noem?
Zonder te weten heb ik moeder voorspeld
de verhooring van haar bede in mijn fluisterend verlangen.
Toen nog God jou verborgen hield
voor moeder in haar schoot,
zoo liet me moeder stil naar je luisteren
met mijn hoofd zacht tegen je aangedrukt.
Vol spanning boog zij zich over mijn luisterende oogen.
Toen ik fluisterend ‘een zusje’ zei,
glimlachte moeder, als had zij
een heerlijke geheimenis ontdekt.
‘Gewis,’ sprak ze, ‘je oogen! ze zeggen me vast,
dat het een zusje zal zijn.’

 
Als de zomer in ’t land komt met zuchten en geruchten
en ’t zingen der leeuwerik hoog in de luchten trilt;
als ik in het gras in de schaduw der boomen te droomen lig,
dan komt me een stil en een heimelijk verlangen in ’t hart geslopen.
 
 
 
In een hoekje van dit mijn herinneringsleven,
daar schemert het beeld van een jeugd-tafereel.
Als ons huis en ons hof me de zorgen van moeder onttrokken,
zoo nam ik vaak deel aan het spel van de herdersknapen.
In de schaduw der suizende tjamara’s
spelen en stoeien de herdersknapen met ’t vee,
en zij keuvelen over de schoonheid der lieve natuur.
Ach, zij kennen geen rijkdom, zij kennen geen eer.
 
Van weten en kennen zijn mijn open oogen nu blind
voor de bloemen en kleuren,
die ik toen met de herdersknapen zag.
Maar de herinnering aan mijn speelmakkers, de herdersknapen,
doet weer gloren het morgenrood van vrede en vreugd
aan den donkeren hemel van mijn hart.

 
Wat zit de moeder toch zoo lang in stille aandacht
naar haar kind te kijken?
Een glimlach speelt steeds weer en weer
om hare lippen zacht;
ontdekt zij steeds dan nieuwe heimelijkheden 

In kindjes oogen ziet zij ’t beeld van haar jonge bruids-gedroom,
zooals een welig tierende tak der tjampaka,
over ’t spiegelvlak des stillen vijvers hangend,
 zichzelven uitgroeien ziet
tot de welriekend-reine krop der tjampaka-bloem.
In kindjes mond herkent zij weer de bloemknop,
die, terwijl de bijen de opening verbeidden
van haar hart met honigschat,
der jonkvrouw beloofde den haarwrong te tooien
in den gulden zonneschijn van haar bruiloftsdag.
In de rose tint van kindjes armen
ziet zij weer den rosen gloed des ochtendhemels,
toen liefde’s dageraad haar sluimerend meisjeshart
ontwaken deed.

r.m.k.
 
Grootmoeder is ter ruste gegaan, mijn kind;
ze heeft zich begeven naar ’t wijde en wondere woonoord,
waar iedereen ééns zal heengaan,
vermoeid van het wereldsch gewoel.
’t Was haar tijd om te rusten, want zie! ook de boom,
die der jonge en teere gadoong-rank tot steun diende,
begint te verdrogen;
zijn blaren zijn geel geworden.
Nu zijn taak is volbracht,
nu menige gadoong-knop is ontloken tot bloem,
 zal de wind zijn verdorde geblâart van de takken verstrooien
in de stilte des avonds.
 
Grootmoeder is ter ruste gegaan, ze is vermoeid
van zingen en spelen.
Voor mij zong haar zang, tot de snaren van mijn ziel zijn gestemd
naar het zingen der vogels en ’t suizen des winds.
Tot u sprak haar spel, tot ge zèlf uit uw boog
kondet afschieten een pijl,
en gelijk onze dalang de wajang-figuren hanteeren
en zelfs hun verscheiden gedaanten herkennen.
O, hoorde ik weder haar zang in uw stem
en zag ik haar spel in uw daad,
wanneer uw leven zijn middag bereikt!
 
Grootmoeder is ter ruste gegaan, mijn kind,
en haar zang is gezongen, haar spel is gespeeld.


 
Wat slaapt ge rustig in mijn armen, kind,
zooals de dauwdrup rust in ’t donzig bed van ’n rozenblaadje!
Wat drukt je mondje zacht, mijn kind,
zoo éven tegen me aan!
Zult ge later ook zoo zacht de schoone fee-prinses
uit ’t land van je droomen kussen?
 
Als je met je kleine knuistjes naar mijn vingers gretig grijpt,
 
mijn kleutertje, klem ze vast zoo stevig als je kunt.
 
Zoo moet je toch je armen sterken: de strijd, die je wacht,
zal wellicht, even hevig als zwaar, onophoudelijk zijn.
Als je met je kleine voetjes tegen moeders armen schopt,
mijn jongetje, spartel maar zoo heftig als je kunt.
Zoo moet je toch je beenen sterken: de weg, dien je volgt,
zal wellicht even moeilijk als lang en met steenen bezaaid zijn.
Als je giert en lacht, lawaait en kraait op moeders schoot,
mijn mannetje, zet je stemmetje uit zoo goed je kunt.
Zoo móet je toch later je stem steeds verheffen
voor àl wat de Rechtvaardigheid eischt!?

 
Uit den kus der morgenstralen op de blauwende zee van mijn hart
werd mijn liefde geboren.
In een zonnig oogenpaar, daar heeft ze haar woning gekozen.
Haar levend lief gelaat is het licht van mijn wereld,
en haar zang is de kracht van mijn leven.
Heerlijk, honig-zoet klinken mij hare woorden.
En ik zou haar willen omhelzen en kussen haar oogen,
maar ik durf niet.
Ik ben bang, dat zij voor mijn uitgespreide armen
zal verdwijnen als een wolk door den stormwind.
Ik ben bang, dat mijn gretige hand, die de hare grijpen wil,
haar zal doen vervloeien als de schitterende dauw
door de aanraking mijns vingers.
Ik ben bang te ontwaken uit dezen schoonen zieledroom.
 
Eens was ’t als hield ik in den slaap
een juweel in mijn hand.
Toen ik ontwaakte voelde ik nog mijn vingers
op elkander geklemd;
maar ik durfde niet mijn oogen te openen,
uit vrees te zien mijn ledige hand.

 
O, mijn volk, mogen uw zonen zich over de aarde verspreiden.
Overal waar menschen hun woningen hebben,
mogen zij haar bouwstoffen zoeken,
zoo naarstig als de bijen van bloem tot bloem
en van veld tot veld den honig verzamelen
den ganschen dag.
Op het groote en heerlijke feest van den bouw van uw huis
zullen zij met volle handen terugkeeren
en hun gave aan uw voeten nederleggen.
Al zal dan niet ieders gave even groot zijn,
zoo zal de enkele steen van den zwakste
u even welgevallig wezen als de vele van den sterkste.
 
Een moeder weegt niet de geschenken van haar kinderen.
Het geringste blijk van kinderliefde zal het moedergeluk
in haar hart doen stijgen;
haar eenige toeleg is dit te doen overvloeien van liefde.

 
Wanneer hebt ge ’t luisteren naar gamelan-tonen geleerd,
of naar ’t ruischen des winds door de zwiepende tjamara’s?
‘Als moeder met zingen me lachen en dansen en waggelen deed,
of geneurie me wiegelde in slaap, toen hebben mijn ooren geleerd
de zangen der wereld te hooren.’
 
Waar hebt ge geleerd, zittend in ’t gras
en de geuren der bloemen genietend,
naar het zonne gestraal in den morgen te kijken?
‘Als moeder me in beide haar armen nam,
ademde ik gretig den geur van haar bloeiende leden in,
en zag ik het lachende licht van haar oogen;
dáár hebben mijn oogen geleerd het licht van de wereld
en haar vreugde te zien.’
 
Hoe dus den armen te geven, de dorstigen te laven?
‘Als koude en dorst me genadeloos kwelden,
dan warmde me moeder mijn voetjes met koesterende handen
en drukte me teer aan haar borst;
het was zóó, dat ik leerde
den armen te geven, de dorstigen te laven.’
 
Wie heeft u geleerd het hoofd te buigen
voor den allerhoogsten wil?
‘Als ik haar leed had aangedaan, strafte moeder me;
dan zag ik trillen haar oogleden
en paarlen langs haar wangen glijden;
en mijn hart weende.
Moeder heeft me geleerd mijn hoofd te buigen
voor den allerhoogsten wil.’

 
Als het witte doodskleed der natuur de zachte maanstralen
weerkaatst in duizend lichte tinten,
kraaien de misleide hanen in verscheidenheid van toonaarden.
Dat klinkt in mijn hart als één weemoedsgeluid
in de stilte van den nacht.
Weer zie ik aan uw diep-blauwen hemel, o mijn land,
de wolkjes als kinderzieltjes zoo wit,
achter elkander glijden langs de bleeke maneschijf.
Ik hoor het geschrei van een kind en een moeder snikken.
Heel in de verte treurt een droevig lied.
De hanen kraaien; diep is de rust der vermoeide aarde.
Eén weemoed, o mijn vaderland, is soms uw natuur
in de stilte van den nacht.
 
In het voorjaar bloeien hier meidoorn en anemonen.
Als zij zich den ganschen dag hebben gekoesterd
in het licht der voorjaarszon;
als zij zich daarna hebben verkwikt
in de frissche druppels van den meiregen,
dan plegen zij ’s nachts kwistig de lucht te vervullen
met zoete aromen.
En bij den zachten adem van den lente-nachtwind,
bij het wit van al die bloemen, verbeeld ik me,
dat moeder me weer in haar armen wiegt,
langs de schaduw der bloeiende kemoenings,
in het zilverig-blauw van een maanlichtnacht.
 
Op een duintop gezeten in zwoelen zomernacht,
pleeg ik te luisteren naar ’t zingen der zee.
Dan hoor ik dezelfde muziek van de zee,
die uw zuidelijke stranden omspoelt, o mijn land!
Daar zat ik menigen nacht in de stralen van maan en van sterren
met vrienden te luisteren naar ’t gezang,
dat uw grootheid bezingt.
En ik weet, dat uw grootheid zal komen,
want dat hoor ik in ’t zingen der zee.

3 Dec. 1913.

Raden Mas Noto Soeroto


Die Reise

III
Erstaunliche die fahren welche Mären
Erlest ihr in der Augen tiefem See
Reicht Schätze uns Gedächtnis zu gewähren
Blendenden Stein aus Sternen Luft und Schnee

Wir wollen sonder Dampf und Segel ziehen
Laßt nur erfragen die zur Kammer kamen
Auf unser Herz wie weißes Tuch gediehen
Erinnerung in der Horizonte Rahmen
Was saht ihr sagt?

VIII
Tod alter Steurer löse das Tau bereit
Dies Land ist Gram o Tod die Anker lichtet
Sind schwarz wie Tinte Meer und die Wolken breit
Besser das Herz kennst du das im Hellen schlichtet

Du schenke uns dein Gift das wohl uns stärke
Wir wollen so sehr brennt im Hirn dies Feuer
Zum Schlund hinab ob Höll ob Himmels Werke
Zum Unbekannten tauchend Neuem neuer.

Charles Baudelaire

vertaling Walter Benjamin


Later
 
Later gaan we naast elkaar
wand’len op de Overtoom,
drinken zoete melk met room,
strijken door ons grijze haar.
 
Zie je ons daar samen lopen?
Naast elkaar – zo diep bedaard.
Jij, een lieve, oude taart.
Ik, nog kras – dat is te hopen…
 
Maar al worden we ook wrakken,
al dat vréselijke snoeven
zal tenminste niet meer hoeven.
Gaar of muf – we zijn gebakken.
 
En we zeggen: ‘Kijk, de tram.’
Of: ‘Hoor jij die vogel zingen?’
Al die nutteloze dingen,
want het hoeft niet meer ad rem.
 
En het hoeft niet meer zo rap,
want we moeten nergens heen
Och, we wonen toch alleen
in zo’n rothuis met een trap.

Ik beloof je, dat ik dan
het attent zijn aan zal leren.
En ik zal ook vaak proberen,
of je nog wel lachen kan,
 
lachen als een oude dame,
die haar zegje heeft gezegd,
die, als ze wordt afgelegd,
zich voor niemand hoeft te schamen.
 
Wel, wel, wel zo zal dat gaan.
En we sterven, heel bedaard,
op een donderdag in maart.
Tegelijk – daar hecht ik aan.
 
En als onze aardse last
met de wereld gaat vergroeien,
zal uit jou een bloempje bloeien.
Een viooltje – dat staat vast.

Simon Carmiggelt


Broken Glass

On one side of the mirror, me, myself, in doubt.
On the other, the man I mostly want to be.
See us clear as we turn and turn about.

                        ***

I hold out my hand to the rain,
as if that ‘simple act’
were something I might do again and again.

                        ***

These are the saddest snaps I’ve ever seen.
My father in khaki. My father in khaki. My father
in khaki. Yes. My mother in bombasine.

                        ***

Pi-dogs. A lemon sky. A Judas kiss.
A moment in some shebeen. The view you get
from behind the gun. I dreamed all this.

                        ***

A room hanging in silence. A sunstruck window.
Doors to left and right.
A sense of decorum tells you which way to go.

                        ***

She kicked off her shoes. She unzipped and dropped her dress,
then stalled on a vacant look.
Next night the same, and the night after that, more or less.

                        ***

Why not grub up a smidgen of turf from his grave?
Cultivate it. Trim it as you might
toenails or hair. Soon you’ll know how to grieve.

                        ***

A teardrop mask. White gloves. Crowds in the street.
She is running a fever; she’s ill.
All the more reason, she thinks, to be indiscreet.

                        ***

The ocean at night, where something tremendous leaps.
Did I say ‘sleeps’?
Who knows what the darkness discovers?

                        ***

A word unsaid, a withdrawal, a second guess
right at the wrong time…
The dry clack-clack of the abacus.

                        ***

After all that, milady’s final choice:
‘Not bloodstone – moonstone.’ And then:
‘They say my true instrument is voice.’

                        ***

Waking, again, in tears for the moment lost
to the moment of waking;
all day long you walk with that same ghost.

                       ***

The footfall of the uninvited guest.
The EntriCam.
Teeth and hair and pixillated lust.

                       ***

The colour green, as if no other colour would do.
She was going through snow for sure,
so a long time back. So it might have been brown or blue.

                       ***

A stipple of spit on the tiling. A snatch
of song. Machinery cranking up.
Rain-clouds as far as . . . Catnap. Mix and match.

                       ***

Cock-crow. Clean linen. A sea-mist.
Tulips one side of a limestone wall.
Given time, I could complete this list.

                       ***

A man steps off a tall building. Your task?
To remember the slinky undertone
of shoe-leather on brick; not much to ask.

                       ***

This word from the edge of sleep: abandonment.
Oh, very clear since you ask.
And clearer still what it meant.

                       ***

She could touch you now, if she wanted. She could find
the little rub of blue where she touched you last,
not a bruise, exactly; not quite. She could do it blind.

2007, David Harsent


Die barmherzigen Schwestern

Wollust und Tod das sind zwei Mädchen fein
Mit Küssen schwellend reicher Säfte mächtig
Den keuschen Schoß in Lumpen hüllen ein
Der ward in ewgen Wehen niemals trächtig

Dem Dichter feind dem Haus im Traurigsein
Günstling der Höllen armem Höfling schmächtig
Grab und Bordell zeigt ihm im Buchenhain
Ein Bett drin wühlte nie Gewissen nächtig

Und Sarg und Lager geil bei Fluch und Schwarm
Uns reichen wechselnd wie barmherzge Schwestern
Gräßlicher Süße und Genüsse Lästern

Wann scharrt mich Wollust ein dein pestiger Arm
O Tod wann du in gleicher Reize Gürten
Zypressen schwarz pfropfst über faule Myrten?

Charles Baudelaire

vertaling Walter Benjamin