De aanhouder
Er gaat genoeg goed, vraag is: is het goed genoeg.
Vraag is, of dat een vraag is, die er werkelijk toe doet.
Feit is dat ik lach vaak, om wat ik dacht te weten.
Een waarheid nooit bevraagd is een waarheid nooit bewezen.
Ik heb meer gekregen dan waar ik voor heb gebeden.
Heb zelfs mogen leren bouwen met wat me ook kon breken.
Maar angst werkt leven tegen; liefde is groter dan de dood.
Geef de planning aan de Schepper, al ligt alles overhoop.
Licht is altijd sterker, al kent ook zwaarte kracht.
Er is meer duister dan ster maar wat tellen we ’s nachts?
Niet bezeten van bezit; je mag alles van me hebben.
Alleen adem wil ik halen, verder kom ik liever brengen.
Het ergste achter de rug. Het beste voor de boeg.
Ik loop niet weg van gister; ik loop morgen tegemoet.
Derek Otte (1988)
Simone Weil en Etty Hillesum hebben een aantal dingen gemeen. Niet alleen het feit dat ze beiden de eerste jaren van de Tweede Wereldoorlog hebben meegemaakt en hoe het voelde om onder de knoet van een onderdrukker te moeten leven die volk, vaderland (bodem) en leider verheerlijkte alsof die laatste God zelf was op aarde. Timothy P. Jackson schrijft in een artikel met de titel “HEROISM ON AN EMPTY STOMACH”: Weil and Hillesum on Love and Happiness Amid the Holocaust over beide auteurs (ik citeer in een Nederlandse Google-vertaling):
Beide auteurs weigeren te haten of slachtoffer te worden van haat, en hun bijzondere vormen van ‘geluk’ lijken meer op strenge geduld en mededogen dan op persoonlijke bloei of vervulling. “Want Gods dwaasheid is wijzer dan de menselijke wijsheid, en Gods zwakheid is sterker dan de menselijke kracht” (1 Korintiërs 1:25).
(…)
De beste manier om Hillesums prestatie te benadrukken is wellicht door haar weigering van zowel zelfbehoud als haat te contrasteren met de tegenovergestelde sentimenten van Adolf Hitler, de voornaamste bron van de beweging die haar het leven kostte. In Mein Kampf schreef Hitler:
Niemand kan eraan twijfelen dat deze wereld ooit zal worden blootgesteld aan de zwaarste strijd om het voortbestaan van de mensheid. Uiteindelijk zal alleen de drang tot zelfbehoud overwinnen. Daaronder zal de zogenaamde menselijkheid, de uitdrukking van een mengsel van domheid, lafheid en betweterigheid, smelten als sneeuw in de maartzon. De mensheid is groot geworden in de eeuwige strijd, en alleen in de eeuwige vrede vergaat zij [1943, 135]….Toen zag ik voor me een doctrine, bestaande uit egoïsme en haat, die volgens wiskundige wetten tot de overwinning kan leiden, maar daarbij een einde moet maken aan de mensheid [1943, 51].
Hillesum had Mein Kampf voor zover ik weet niet gelezen, maar vergelijk Etty’s woorden met die van “der Führer”:
Ja, het is waar, onze ultieme menselijke waarden worden op de proef gesteld. … Het is me hier [in het door nazi’s bezette Amsterdam] op indringende wijze duidelijk geworden hoe elk atoom haat dat aan de wereld wordt toegevoegd, haar een nog onherbergzamere plek maakt. En ik geloof ook, misschien kinderlijk maar koppig, dat de aarde alleen weer gastvrijer zal worden door de liefde die de Jood Paulus beschreef aan de inwoners van Korinthe in het dertiende hoofdstuk van zijn eerste brief [2002, 590-91]. We moeten bereid zijn om als balsem voor alle wonden te fungeren [2002, 550].
Etty reageerde op de nazi-bezetting zoals Jezus reageerde op de Romeinse bezetting: met een onverschilligheid die zich niet laat vernederen en zo indirect de tirannie op haar plaats zet, niet als een fanaticus die zich gewelddadig verzet, maar door zelfopoffering en liefde. Voor haar, in tegenstelling tot Hitler, is zelfbehoud niet het hoogste doel en haat geen onmisbaar middel. Door die waarheid na te leven, weigerde ze Hitler de uiteindelijke overwinning te gunnen.(einde citaat)
Simone Weil schrijft over de oorsprong van de haat:
“De inbeelding werkt er voortdurend aan om alle spleten op te vullen, waardoor de genade zou kunnen binnendringen. Iedere leegte, die niet aanvaard is, brengt haat voort, bitterheid en wrok. Het kwade, dat men toewenst aan wat men haat, en wat men zich voorstelt, herstelt het evenwicht.”(pag. 90)
Een evenwicht moet worden hersteld; een leegte opgevuld ontstaan uit
een onvervuld verlangen, teleurstellingen, geknakt idealisme dat omslaat in cynisme, ervaren situaties waarin men voor het eigen gevoel onrechtvaardig en slecht behandeld werd en waar men zich niet bij kan neerleggen, de ervaring van slachtoffer zijn van (hogere) machten die het op jou gemunt hebben, en de wil om wraak te nemen, om de nadelige eigen situatie om te zetten in een voordelige situatie voor je zelf (vooral in de eigen beleving), door het aanwijzen van de daders, die tot zondebok worden gemaakt, niet alleen van jouw persoonlijke ellende maar van een heel volk, een hele natie, etc. etc. zie hier in een notendop een deel van het mechanisme van de haat en de voedingsbronnen ervan. Geweld roept tegengeweld op, haat roept haat op, verzet roept tegenverzet op, onderdrukking tegenonderdrukking. Slachtoffers worden daders en daders worden weer slachtoffer. Het lijkt te ontaarden in een kringloop die geen einde kent.
Simone Weil heeft hier vaak over nagedacht, ze schrijft en ik volg een van de eerste Nederlandse vertalingen van haar werk:
De aanraking van het zwaard bezoedelt op dezelfde wijze, of men het aanpakt aan de zijde van de greep, of aan die van de punt. De koude aanraking van het metaal zal bij degene, die liefheeft, de liefde niet wegnemen, maar hem slechts het gevoel schenken van God verlaten te zijn. De bovennatuurlijke liefde heeft geen enkel contact met het geweld, maar zij beschermt dan ook niet tegen de koude van die kracht, de koude van het ijzer. De wapenrusting is, juist als het zwaard, van metaal gemaakt. Wie met een zuivere liefde liefheeft, ondergaat een verkilling van de ziel door de moord, of hij er de dader of het slachtoffer van is. Ditzelfde geldt voor alles, wat betrekking heeft op het geweld, zelfs als het niet zover als de dood gaat. Wie naar een liefde verlangt, die de ziel tegen verwondingen beschermt, moet iets anders dan God liefhebben.
De liefde streeft naar steeds verder. Maar er bestaat een grens. Wanneer die grens overschreden is, verandert de liefde in haat. Om deze omkering te vermijden, moet de liefde ànders worden.
Slechts van die menselijke wezens erkent men ten volle het bestaan, die men liefheeft. Het geloof aan het bestaan van andere menselijke wezens als zodanig, heet liefde.
Niets dwingt de geest om aan het bestaan van wat dan ook te geloven. (Subjectivisme, absoluut idealisme, solipsisme, scepticisme : zelfs de Upanishads, de Taoisten en Plato gebruiken alle dit philosophische standpunt om tot de hoogste graad van zuivering te komen). Daarom is het enige contactorgaan met het bestaan: de aanvaarding, de liefde. Daarom ook zijn schoonheid en werkelijkheid identiek. En daarom ook zijn vreugde en gevoel van de werkelijkheid identiek.
De behoefte om schepper te zijn van wat men bemint, is een behoefte tot nabootsing van God. Maar het is neiging tot de valse godheid. Behalve dan, als men zijn toevlucht neemt tot het voorbeeld, dat men heeft gezien aan de andere kant van de hemel…(pag. 152-154)
Liefde biedt geen bescherming tegen haat. Liefde voorkomt geen lijden dat anderen jou toebrengen. Liefde die teveel verwacht van de ander kan worden teleurgesteld. Liefde die uitgaat van het feit dat de mens in wezen goed is, is bijzonder naïef. Goed en kwaad zijn bij mensen gemengd aanwezig. Wat overheerst? Wat laat je overheersen? Hoe sterk ben je zelf om het goede te laten overheersen boven het kwade als je onrecht is aangedaan? Kun je de roep om wraak weerstaan en durf je te beseffen dat wraak het gedane niet ongedaan maakt, het verlies niet opheft? Alleen van de mensen houden die je dierbaar zijn is geen liefde volgens Weil. Dat is maar een halve, een gebrekkige liefde. Geloof aan het bestaan van alle mensen, zij hebben evengoed recht op onze liefde, onze aandacht, onze betrokkenheid en onbevooroordeelde toewijding. Niks tegenstelling tussen zij en wij, alsof wij een beter soort zouden zijn. Zo zegt Weil ook:
Lafheid is het, om bij mensen, die men liefheeft, een andere troost te zoeken (of te verlangen, hun die te geven) dan die, welke kunstwerken ons schenken. Deze helpen ons door het blote feit, dat zij bestaan. Beminnen en bemind worden, die beiden maken dit bestaan wederzijds concreter en sterker bewust aan de geest. Dit bestaan echter moet bewust dààrzijn als de bron van de gedachten, niét als hun object. Als het gewenst is, begrepen te worden, dan moet dat terwille van de ander zijn, om voor de ander te bestaan, en niet voor zich.
Alles wat veil en middelmatig in ons is, komt in opstand tegen de zuiverheid en heeft de behoefte, die zuiverheid te bezoedelen, om het eigen leven te redden.
Bezoedelen is gelijk aan wijzigen, aanraken. Het schone is wat men niet eens kan willen veranderen. Macht over iets verwerven is: het bezoedelen. Bezitten is bevlekken.
Zuiver liefhebben is afstand toelaten, en die afstand, tussen zichzelf en wat men bemint, aanbidden.
De verbeelding is steeds vastgebonden aan een verlangen, dat wil zeggen, aan een waarde. Slechts het verlangen zonder object kent geen verbeelding.
(pag. 155-156)
Zo zitten wij soms gevangen in ons verlangen dat erop gericht is om vervuld te worden, alsof er ooit een grens is aan onze drang naar zelfontplooiing: namelijk doel bereikt! Maar die grens wordt nooit bereikt, wij komen nooit aan, hoe hard we ook trachten, hoe zeer wij ook onze best doen om ons zelf-te-ont-plooien. Kijk naar de plant: eerst een aarzelende groei, dan een groeispurt als de omstandigheden gunstig zijn. Dan het ontluiken van de bloemen, het vormen van zaad en de afsterving is reeds begonnen. Het zaad draagt de belofte voor een nieuwe toekomst. Maar ook die is ongewis. Als mens kun je nog zo hard eraan proberen te werken om jezelf te ontplooien maar als je vergeet dat dát niet ten koste van je medemens mag gaan, dat dát niet alleen gericht op jezelf mag zijn, geen egocentrisme, geen verkapt egoïsme, geen narcisme, dan kom je er op een bijzonder harde wijze achter hoe het verval van je lichaam en je geest en de naderende dood een einde maken aan alle illusies. De dood als zeer bittere laatste ‘vriend’ die voor altijd bij je zal blijven…En daarvoor – die periode van streven en werken aan jezelf – een eenzaam bestaan, vol leegte, die je krampachtig probeert op te vullen. Zie hier de bronnen van het geweld, het verlangen naar macht, de omgang met je medemens die enkel object, enkel middel is tot een doel: zelfverheerlijking. Simone Weil maakt zich geen illusies, zij heeft gezien en ervaren hoe tijdens de Spaanse burgeroorlog gehandeld en gedacht werd. Zij heeft het zinloze doden gezien, de valse hoop, de mislukte revoluties…Zij schrijft:
Wij zitten vastgeklonken aan het tegenwoordige. De toekomst scheppen wij in onze verbeelding. Op voorwaarde dat wij het verleden niet herscheppen, is het zuiver. (pag. 304)
Tegenstellingen: Heden bestaat tegelijk de dorst naar en de walging voor het totalitarisme, en bijna ieder houdt van een totalitarisme en haat een ander totalitarisme.
Is er altijd identiteit tussen wat wij beminnen en wat wij haten? Voelen wij altijd de behoefte om te beminnen, wat wij haten, onder een andere vorm en omgekeerd?
De voortdurende illusie van de Revolutie bestaat in het geloof, dat als de macht in handen gegeven wordt van de slachtoffers, die onschuldig zijn aan de gepleegde gewelddaden, deze door hen op rechtvaardige wijze gehanteerd zal worden. Maar met uitzondering van de zielen, Die dicht genoeg genaderd zijn tot de heiligheid, worden slachtoffers evenzeer als hun beulen door macht bezoedeld. Het kwaad, dat zich aan de greep van het zwaard bevindt, wordt naar de punt ervan overgedragen. Wanneer dan de slachtoffers op het schild geheven worden en dronken zijn door die verandering, stichten zij evenveel of nog meer kwaad, en vallen weldra zelf ook.
Het socialisme plaatst het goede bij de overwonnenen, het racisme bij de overwinnaars. Maar de vleugels van het socialisme bedienen zich van hen, die ofschoon van lage afkomst, van nature en uit roeping overwinnaars zijn, en zo eindigt het met dezelfde ethiek. (pag. 305-306)
Als je nu zou denken dat Hillesum en Weil beiden wel erg zweverig bezig zijn door de liefde zo frontaal tegenover de haat te plaatsen – als enige uitweg – als enige manier om de haat tegemoet te treden dan kan ik ook verwijzen naar een hedendaagse filosoof Achille Mbembe, die een studie gemaakt heeft naar de huidige politiek van vijandschap. Vijandschap tussen staten en vijandschap tussen politici ook binnen een staatsbestel. Mwembe stelt dat wij allemaal bewoners zijn van een aarde en dat we het met elkaar moeten uithouden. De manier waarop we de laatste eeuwen met elkaar zijn omgegaan – specifiek in de wijze waarop het Westen de wereld heeft gekolonialiseerd – uitmondend uiteindelijk in twee wereldoorlogen en daarna talloze kleinere oorlogen en conflicten – met de haat als inspiratiebron – kan geen uitkomst bieden voor de toekomst van de mensheid op deze aarde. Haat is niet de oplossing, oorlog is niet het model om een gemeenschappelijke aarde te bewonen en leefbaar te houden. Maar de huidige situatie waarin politici gretig gebruik maken van de haat als middel om macht te verkrijgen en te behouden stemt niet positief. Mbembe schrijft (uit het Duits vertaald met Google):
De vraag waarmee we gisteren werden geconfronteerd, is in veel opzichten precies dezelfde vraag die we ons vandaag opnieuw moeten stellen: Is het ooit mogelijk geweest, is het überhaupt mogelijk, en zal het ooit mogelijk zijn om de ander op een andere manier te ontmoeten dan als een object dat er gewoon is, recht voor me? Is er iets dat ons met anderen verbindt, zodat we samen kunnen zeggen dat we bestaan? Welke vormen zou deze zorg kunnen aannemen? Is een ander soort wereldpolitiek mogelijk, een die niet noodzakelijkerwijs gebaseerd is op verschil of andersheid, maar op een zeker idee van het menselijke en het gedeelde? Zijn we niet gedoemd om aan elkaar blootgesteld te worden, soms zelfs in dezelfde ruimte?
Vanwege deze structurele nabijheid is er geen ‘buiten’, geen ‘elders’, geen ‘dichtbij’ dat men zou kunnen contrasteren met een ‘binnen’, een ‘hier’ of een ‘ver’. Men kan van zijn eigen huis geen veilige plek meer maken door chaos en dood uit te besteden aan verre anderen. Vroeg of laat oogst men thuis wat men ver weg heeft gezaaid. Veiligheid kan alleen gebaseerd zijn op wederkerigheid. Dit vereist een opvatting van democratie die verder reikt dan het naast elkaar bestaan van individuen en verder dan een simplistische ideologie van integratie. Bovendien zal de democratie van de toekomst gebouwd zijn op een duidelijk onderscheid tussen het ‘universele’ en het ‘communale’. Het universele impliceert inclusie in iets of in een reeds bestaande entiteit. Het gemeenschappelijke veronderstelt een relatie van gemeenschappelijk behoren tot of delen van– het idee van een wereld die immers de enige is die we hebben en die, wil ze voortbestaan, gedeeld moet worden door al haar gebruikers, alle soorten. Om dit delen mogelijk te maken en om deze mondiale democratie, de democratie van alle soorten, vorm te geven, is de eis tot rechtvaardigheid en herstel onmisbaar.
Wanneer we deze verreikende veranderingen voor ogen hebben, moeten we ons ervan bewust zijn dat ze een diepgaande impact hebben op de relatie tussen democratie, herinnering en het idee van een toekomst die de hele mensheid zou kunnen delen. En wanneer we spreken over “de hele mensheid”, moet het ook duidelijk zijn dat ze in haar huidige fragmentatie lijkt op een dodenmasker – iets, een overblijfsel, alles behalve een vorm, een gezicht en een duidelijk herkenbaar lichaam, in dit tijdperk van wemelen, woekeren en het enten van alles op bijna alles. Er ontbreekt inderdaad iets. Maar was dit “iets”, half aas, half grafbeeld, ooit werkelijk voor onze ogen aanwezig, behalve dan in de vorm van een zorgvuldig aangekleed skelet – op zijn best een elementaire, oeroude en ongeremde strijd tegen verval tot stof? Dit is allesbehalve een tijdperk van de rede, en het is niet zeker of dat in de nabije toekomst ooit nog zal terugkeren. Naast het verlangen naar mysteries en de heropleving van de kruisvaardersgeest, is het eerder een tijdperk van paranoïde neigingen, hysterisch geweld en procedures voor de vernietiging van allen die door de democratie tot vijanden van de staat worden verklaard.(pag. 77-79)
Mbembe is niet optimistisch. Hij heeft teveel politiek gezien en bestudeerd in de afgelopen historische periode vanaf de 16e eeuw en vooral in het heden, waarin de medemens tot vijand werd gedegradeerd om er zelf beter van te worden. Politieke partijen die haat prediken – rechts-extremisten die geweld als middel zien om de macht te grijpen en die zich baseren op racisme en intolerantie ten aanzien van anders denkenden – die uiteindelijk iedereen willen afslachten die het niet met hen eens zijn – nazisme 2.0 (of 3.0 met AI) in een modern jasje – maar in werking precies dezelfde misdaad, dat alles eindigt met de dood als laatste fase in een proces dat we nauwelijks nog beschaving kunnen noemen.
Geloof in een sterke man die orde op zaken gaat stellen (welke orde – welke zaken?) is een waanidee. Corruptie is de uitkomst, onmetelijke zelfverrijking, machtsmisbruik, onderdrukking, tomeloos geweld tegen allen die deze nieuwe ‘god’ niet aanbidden…Adolf Hitler, Benito Mussolini, Joseph Stalin, Mao Zedong, om er maar een paar te noemen: het waren allemaal kleine miezerige mannetjes die hoog van de toren bliezen, seksueel gefrustreerd waren, in hun jeugd niet kregen waar ze dachten recht op te hebben, en die ook door toeval en geluk, maar vooral door manipulatie en onderdrukking (terreur), en door bondgenoten en later door aanbidders en andere (religieuze fanatische) idioten geholpen werden om hun grootheidswaan uit te leven en hun ideeën uit te voeren ten koste van honderden miljoenen gedode medemensen. Ze branden in de hel – hun vuur zal nooit gedoofd worden, als je de profeet Jesaja mag geloven…
Liefde sterk als de dood, zegt het Hooglied. Liefde een kracht even sterk – is er een andere weg geconfronteerd met de haat van een medemens?
John Hacking
9 juli 2026

bronnen:
”HEROISM ON AN EMPTY STOMACH”: Weil and Hillesum on Love and Happiness Amid the Holocaust
Timothy P. Jackson
The Journal of Religious Ethics
Vol. 40, No. 1 (March 2012), pp. 72-98
bron: https://www.jstor.org/stable/41348821?seq=1
Simone Weil, Zwaartekracht en genade, Tielt 1954 (Lannoo)
oorspronkelijke titel: La Pesanteur et la grace 1947 – uit het Frans vertaald door Louis Thijssen – uitgekozen en geclassificeerd uit de nagelaten werken uit de periode voor mei 1942 door Gustave Thibon
Simone Weil: Parijs 1909- Londen 1943
Mbembe, Achille, Politik der Feindschaft. Aus dem Französischen von Michael Bischoff, Berlin 2025, (Suhrkamp)
