De innerlijke architectuur van de ziel (2)

Búscate en Mí – Zoek jezelf in mij
Ziel, zoeken moet je jezelf in Mij,
en Mij moet je zoeken in jezelf.
 
Zo heeft, o ziel, de liefde
jouw beeld in Mij kunnen prenten,
dat geen wijs schilder,
met al zijn meesterschap,
dat beeld zou kunnen maken.
 
Jij werd uit liefde geschapen,
mooi, knap en zo diep
in mijn binnenste getekend,
dat, als jij jezelf verliest, mijn lief,
ziel, jij jezelf moet zoeken in Mij.
 
Ik weet, als jij je ooit zou vinden
getekend in mijn hart
en zo naar het leven uitgebeeld,
dat het je verheugen zou, bij het zien van jezelf,
je zo prachtig getekend te zien.
 
En mocht je soms niet weten
waar je Mij zult vinden,
dwaal dan niet van hier naar ginds,
maar, als je Mij vinden wilt,
moet je Mij in jezelf zoeken.
 
Want jij bent mijn onderdak,
jij bent mijn thuis en verblijf,
en daarom klop ik altijd bij jou aan,
wanneer ik vind in jouw gedachten
de deur gesloten.
 
Buiten jezelf hoef je Mij niet te zoeken,
want om Mij te vinden
zal het genoeg zijn Mij alleen maar te roepen;
Ik zal dan zonder talmen naar jou toegaan
en Mij moet je zoeken in jezelf.

Teresa van Avila

Werkvertaling H. Blommestijn/Titus Brandsma Instituut


De ziel is geen gebouw. Al schrift Teresa van Avila er prachtig over als een burcht, zoals in dit citaat:

I 1. Toen ik vandaag de Heer smeekte in mijn plaats te spreken, omdat ik niet juist wist wat gezegd en ook niet wist hoe te beginnen aan wat me uit gehoorzaamheid gevraagd werd, kwam me voor de geest, wat van bij de aanvang als grondslag voor dit werk zal dienen. Namelijk : onze ziel beschouwen als een burcht, helemaal gemaakt uit slechts één diamant of uit een heel helder kristal. Het omvat veel vertrekken, net zoals er veel woningen zijn in de hemel[1]. Want, wel overwogen, zusters, de ziel van een rechtvaardige is niets anders dan een paradijs, waar Hij, naar zijn woord, behagen in schept[2]. Hoe ons dan de verblijfplaats voorstellen, waar zo’n machtig, wijs en zuiver koning die alle goed in Zich bezit, zijn genoegen vindt? Ik zie niets waarmee de grote schoonheid en de ruime ontvankelijkheid van de ziel zich laat vergelijken. Werkelijk, ons verstand, hoe scherp ook, kan daar nauwelijks bij, evenmin als het in staat is God te kennen. Zelf zegt Hij dat Hij ons schiep naar zijn beeld en gelijkenis[3].
 Nu, als dat zo is, en het is een feit, waarom ons dan vermoeien en de schoonheid van die burcht willen begrijpen? Er is geen reden toe. Tussen haar en God bestaat precies het verschil dat er is tussen de Schepper en het schepsel ; door Hem immers werd ze geschapen. Dat Zijne Majesteit zegt, de ziel naar zijn beeld geschapen te hebben, volstaat dan ook om te beseffen hoe moeilijk wij haar grote waardigheid en schoonheid kunnen vatten.
 2. Het is erg spijtig en beschamend dat we door eigen fout onszelf niet kennen en niet weten wie we zijn. Veronderstel dat iemand aan wie je vraagt wie hij is, zichzelf niet kent en niet weet wie zijn vader, zijn moeder of zijn vaderland zijn. Zou zo iemand niet getuigen van grote onwetendheid, mijn dochters ? Iets dergelijks toch is al te dom. Maar onze domheid is onvergelijkelijk veel groter, zo we niet trachten onszelf te kennen. Zo we ons tot het lichamelijke beperken en, slechts vaag beseffen dat we een ziel bezitten omdat we er iets over hoorden en het geloof het ons zegt. Aan het goede dat die ziel bevat, aan Wie haar bewoont en aan haar grote waarde, denken we maar zelden. Daarom ook doen we zo weinig ons best om haar in schoonheid te bewaren. We geven de voorkeur aan de grove zetting van de diamant of de omwalling van deze burcht. Dat is: aan ons lichaam[4].

https://www.sporenvangod.nl/Mystiek/Klassieke-teksten-1/Theresia-van-Avila


De ziel is geen gebouw in de letterlijke zin van het woord. Spreken over de architectuur van de ziel kan je dan ook snel op een dwaalspoor brengen. En voor degenen die van mening zijn dat de ziel helemaal niet bestaat klinkt dit misschien allemaal als vrome fictie. Alleen al het feit dat er al duizenden jaren over iets als de ziel gesproken en geschreven wordt is voor mij aanleiding genoeg om het begrip ziel serieus te nemen en in tweede instantie om te leren van de teksten die over de ziel spreken. Simone Weil spreekt over de architectuur van de ziel maar nergens werkt ze dit begrip in een verhandeling uit. We moeten het doen met schaarse opmerkingen en vragen die ze stelt. En dat zijn voor mij aanzetten om eens goed te lezen en na te denken over de inhoud van deze uitspraken. Ik kan heel goed leven met het onderweg zijn zonder dat er definitieve antwoorden worden gegeven over Wie en wat God is, of we iets van God ervaren in ons leven en of God aanwezig of afwezig is in ons bestaan. In mijn essays (https://levenshorizonten.com/4-essays-over-god/) komt dit onderweg zijn zonder verwachting van definitieve antwoorden voortdurend terug. Ik voel mij goed bij de onzekerheid – de open vragen – de twijfel en zelfs bij het feit dat God als volslagen afwezig wordt ervaren in de meest diepe duisternis die een mens kan overkomen. Want als je verwacht dat God hier bij je is en je uit deze wanhoop zal gaan trekken – weg uit de afgrond – dan heb je in feite al een beeld van God gemaakt en een sterke verwachting van zijn optreden ingevuld. Denk aan het tweede gebod: geen (afgods)beelden maken van God op welke wijze dan ook.
Hetzelfde probleem treedt op bij de toeschrijving van al het goede aan God en het kwade niet (of aan de satan of een andere boze macht die hiervoor verantwoordelijk zou zijn). Allemaal naar mijn gevoel te kort door de bocht. Ik hoef niets te bewijzen, niet op de barricaden geloofswaarheden te verkondigen die dan ook nog eens soms weinig relatie hebben met het dageljks bestaan. Teresa van Avila schrijft in haar talloze geschriften voortdurend over het gebed als een toegang tot God – maar ook die deur is niet zonder problemen want het is geen gewone deur die je even zomaar open kunt zetten. En het gebed is ook en vooral een toegang tot je eigen ziel.
Daarom is het – zo vind ik – zeer interessant om te lezen hoe Simone Weil dit soort thema’s oppakt en wat zij over God en de ziel in haar Cahiers schrijft. Een zoektocht, een worsteling, een onderweg zijn en ook een van standpunt kunnen veranderen als er zich betere inzichten aandienen.
Een kleine verzameling citaten heb ik hier bij elkaar gezet – als uitnodiging ter kennismaking en ter overdenking. De tekst in het Duits volgt telkens op de Nederlandse vertaling (google). Veel inspiratie.

John Hacking

God is machteloos, behalve in de onpartijdige en barmhartige verdeling van het goede. Hij kan niets anders. Maar dat is genoeg.
Hij heeft het monopolie op het goede. Hijzelf is aanwezig in alles wat pure goedheid voortbrengt. Alles wat een goedheid van mindere rang voortbrengt, komt voort uit de dingen waarin Hij aanwezig is. Al het ware goede, ongeacht de aard ervan, vloeit bovennatuurlijk uit Hem.

Gott ist machtlos, außer für die unparteiische und mitleidige Verteilung des Guten. Er kann nichts anderes. Das aber genügt.
Er hat das Monopol auf das Gute. Er selbst ist in allem gegenwärtig, was reines Gutes bewirkt. Alles, was etwas Gutes von niedrigerem Rang bewirkt, geht aus den Dingen hervor, in denen Er gegenwärtig ist. Alles echte Gute, ganz gleich welchen Ranges, strömt auf übernatürliche Weise aus Ihm.

Bd. 4, Heft 14 oktober 1942 Pag. 104-105


Dat God goed is, is een zekerheid. Het is een definitie. Dat God op een of andere manier werkelijkheid is – wat ik niet weet – is ook een zekerheid. Het is geen kwestie van geloof. Maar dat elke gedachte waarmee ik naar het Goede verlang, mij dichter bij het Goede brengt – dát is een object van geloof. Ik kan deze ervaring alleen door geloof hebben. En zelfs na de ervaring is het geen object van vaststelling, maar alleen van geloof.

Net zoals het bezit van het Goede bestaat uit ernaar verlangen, zo betreft dit geloofsartikel – het enige artikel van het ware geloof – de vruchtbaarheid, het vermogen tot zelfgroei, dat elk verlangen naar het Goede bezit.

Alleen omdat een ziel werkelijk, puur en uitsluitend met een deel van zichzelf naar het Goede verlangt, zal zij op een later moment met een groter deel van zichzelf naar het Goede verlangen – tenzij zij weigert in te stemmen met deze transformatie.
Dit geloven is geloof hebben.
Is er inderdaad, zoals het Evangelie lijkt te suggereren, een verband tussen dit feit en de genezing van bezetenen, het lopen op water en het verplaatsen van bergen? De symbolische connectie is duidelijk. Maar bestaat er ook een letterlijke connectie? Op dit moment vind ik die vraag te complex om te doorgronden.

Dass Gott das Gute ist, ist eine Gewissheit. Es ist eine Definition. Auch dass Gott in einer gewissen Weise -die ich nicht kenne -Wirklichkeit ist, ist eine Gewissheit. Es ist keine Frage des Glaubens. Aber dass jeder der Gedanken, durch die ich nach dem Guten verlange, mich dem Guten näherbringt, das ist ein Gegenstand des Glaubens. Ich kann diese Erfahrung nur durch den Glauben machen. Und auch nach der Erfahrung ist es kein Gegenstand einer Feststellung, sondern nur des Glaubens.
So wie der Besitz des Guten darin besteht, nach diesem zu verlangen, so hat dieser Glaubensartikel -der der einzige Artikel des wahren Glaubens ist -die Fruchtbarkeit, die Fähigkeit zur Selbstvermehrung, welche jedes Verlangen nach dem Guten besitzt, zum Gegenstand.
Allein weil eine Seele mit einem Teil von sich wirklich, rein, ausschließlich nach dem Guten verlangt, wird sie in einem späteren Augenblick mit einem größeren Teil von sich nach dem Guten verlangen -wenn sie sich nicht weigert, dieser Verwandlung zuzustimmen.
Dies zu glauben bedeutet, den Glauben zu haben.
Gibt es tatsächlich, wie das Evangelium anzudeuten scheint, eine Beziehung zwischen dieser Tatsache und der Heilung von Besessenen, dem Gehen auf dem Wasser, dem Versetzen der Berge? Die symbolische Beziehung ist klar. Aber gibt es eine Beziehung im wörtlichen Sinne? Im Augenblick ist mir das Problem zu schwer.

Cahiers Bd.4 Heft 16 Oktober 1942- Aufzeichnungen pag. 158


Niemand ontkomt aan de noodzaak om zich een goed buiten zichzelf voor te stellen, een goed waarop zich de gedachten richten en ook in een opwelling van verlangen, smeekbede en hoop. Bijgevolg is er slechts een keuze tussen de aanbidding van de ware God en afgoderij. Iedere atheïst is een afgodendienaar – tenzij hij de ware God in zijn onpersoonlijke gedaante aanbidt. De meeste vrome mensen zijn afgodendienaars.
Voor ieder creatief brein (dichter, componist, wiskundige, natuurkundige, enz.) is de onbekende bron van inspiratie dat goede waarop een vurig verlangen gericht is. Iedereen weet door voortdurende ervaring dat hij deze inspiratie ontvangt.

Kein Mensch entgeht der Notwendigkeit, sich außerhalb von sich selbst ein Gut vorzustellen, auf das sich das Denken in einer Regung des Verlangens, des Flehens und der Hoffnung richtet. Folgerichtig gibt es nur die Wahl zwischen der Verehrung des wahren Gottes und dem Götzendienst. Jeder Atheist ist Götzenanbeter -außer, er verehrt den wahren Gott unter seiner unpersönlichen Seite. Die meisten Frommen sind Götzenanbeter.
Für jeden schöpferischen Geist (Dichter, Komponist, Mathematiker, Physiker etc.) ist die unbekannte Quelle der Eingebung jenes Gute, auf das sich ein flehendes Verlangen richtet. Jeder Weiß durch beständige Erfahrung, dass er die Eingebung empfängt.

Bd. 4 Heft 16 Oktober 1942 pag. 159


Maar sommige van deze geesten stellen zich deze bron boven de hemel voor, anderen eronder. Niet dat ze het zo tegen zichzelf zeggen; en zelfs als sommigen dat wel doen, komen de woorden die ze tot zichzelf of anderen richten niet altijd overeen met hun gedachten. Maar ongeacht hun taal, en zelfs zonder taal, is de blik van de ziel, in wachten, verlangen en smeekbede, gericht op een plaats die zich boven of beneden de hemel bevindt. Als het zich daarboven bevindt, gaat het om ware genialiteit. Als het zich beneden bevindt, is het een min of meer briljante imitatie van genialiteit, soms zelfs veel briljanter dan genialiteit zelf. De plaats bevindt zich boven of beneden de hemel, afhankelijk van het soort goedheid dat men zich in de inspiratie voorstelt. Als het zich boven bevindt, wordt inspiratie slechts voorgesteld als gehoorzaamheid. Dan verlangt men niet naar inspiratie om mooie dingen te maken; men verlangt ernaar om mooie dingen te maken omdat de werkelijk mooie dingen voortkomen uit inspiratie. Zoek allereerst het koninkrijk en de gerechtigheid van de Hemelse Vader, en ontvang wat gegeven wordt.
… Kunstenaars en wetenschappers zijn dus, ongeacht hun overtuigingen, ofwel religieus ofwel afgodendienaars, afhankelijk van de plaats die het verlangen naar inspiratie in hun ziel inneemt. Op dezelfde manier kan men zeggen dat een schilderij ofwel vroom ofwel afgodisch is, en dit heeft niets te maken met het onderwerp.

Aber einige dieser Geister stellen sich diese Quelle über dem Himmel vor, die anderen darunter. Nicht dass sie die Sache sich selbst gegenüber so ausdrückten; und selbst wenn manche es tun, entsprechen die Worte, die sie an sich oder andere richten- nicht immer ihrem Denken. Doch wie auch ihre Sprache ist, und selbst ohne Sprache, wird der Blick der Seele in Warten, Verlangen und Flehen auf einen Ort gerichtet, der entweder über dem Himmel oder unter ihm ist. Ist er darüber, handelt es sich um wahres Genie. Ist er darunter, handelt es sich um mehr oder weniger glanzvolle Nachahmung von Genie, manchmal sogar sehr viel glanzvoller als das Genie selbst. Der Ort ist über oder unter dem Himmel, je nach der Art des Guten, das man sich in der Eingebung vorstellt. Ist es darüber, dann wird die Eingebung nur als Gehorsam vorgestellt. Dann verlangt man nicht nach der Eingebung, um schöne Dinge herzustellen, man verlangt danach, schöne Dinge herzustellen, weil die wirklich schönen Dinge aus der Eingebung hervorgehen. Als erstes das Reich und die Gerechtigkeit des himmlischen Vaters suchen, und empfangen, was einem gegeben wird.
Deshalb sind Künstler und Wissenschaftler entweder religiös oder Götzenanbeter, und zwar ganz unabhängig von den Meinungen, die sie vertreten, je nach dem Platz, welchen das Verlangen nach der Eingebung in ihrer Seele einnimmt. Im gleichen Sinn kann man sagen, dass ein Gemälde fromm oder Götzenanbetung ist, und das hat nichts mit dem Gegenstand zu tun.

Bd. 4 Heft 16 Oktober 1942 pag. 159-160


Weten dat God het goede is – of eenvoudiger gezegd, weten dat het absolute Goede het goede is, geloven dat het verlangen naar het Goede in de ziel zelf toeneemt als de ziel haar toestemming niet onthoudt – deze twee eenvoudige dingen zijn voldoende. Niets anders is nodig.
Men hoeft zichzelf alleen maar voortdurend in de gaten te houden om te voorkomen dat men de innerlijke groei van het Goede tegenhoudt – om zichzelf onvoorwaardelijk hiervan (het tegenhouden) te weerhouden, wat er ook gebeurt.
Deze zekerheid, dit geloof, deze zelfbeheersing – dat is alles wat men nodig heeft voor volmaaktheid.
Het is oneindig eenvoudig.
Maar in deze eenvoud schuilt de grootste moeilijkheid. Ons vleselijk denken heeft behoefte aan afwisseling. Wie zou een uur lang een vriend kunnen. verdragen als die vriend onophoudelijk zegt: God, God, God…?
Afwisseling is verschil, en alles wat anders is dan het Goede is kwaad.
Het vleselijke deel van de ziel, dat behoefte heeft aan diversiteit, moet zich bezighouden met de dingen hier op aarde. Het onbewogen deel van de ziel moet, door al deze veelheid aan dingen heen, streven naar de onbewogen plaats waar God woont.
Op een holle, roterende bol bewegen alle punten, absoluut alle, behalve twee. De verbindingen tussen deze twee punten roteren, en toch blijft er een onbeweeglijke relatie tussen hen bestaan.

Wissen, dass Gott das Gute ist -oder einfacher, wissen, dass das absolute Gute das Gute ist, glauben, dass das Verlangen nach dem Guten sich in der Seele selbst vermehrt, wenn die Seele nicht ihre Zustimmung dazu verweigert -diese beiden einfachen Dinge genügen. Nichts sonst ist notwendig.
Nur muss man sich ständig überwachen, um sich daran zu hindern, die Zustimmung zum inneren Wachstum des Guten zu verweigern -sich bedingungslos daran hindern, was auch geschehen mag.
Diese Sicherheit, dieser Glaube, diese Überwachung -das ist alles, was man zur Vollkommenheit braucht.
Es ist unendlich einfach.
Aber in dieser Einfachheit liegt die größte Schwierigkeit. Unser fleischliches Denken braucht Vielfalt. Wer würde ein Gespräch von einer Stunde mit einem Freund ertragen, wenn dieser Freund unaufhörlich sagen würde: Gott, Gott, Gott. ..
Die Vielfalt ist der Unterschied, und alles, was vom Guten unterschieden ist, ist böse.
Der fleischliche Teil der Seele, der vielfältige Dinge braucht, muss sich mit den Dingen hier unten befassen. Der unbewegte Teil der Seele muss, durch diese vielfältigen Dinge hindurch, den unbewegten Ort anpeilen, wo Gott sitzt.
Auf einer hohlen, sich drehenden Kugel bewegen sich alle, absolut alle Punkte, außer zweien. Die Zwischenglieder zwischen diesen beiden Punkten drehen sich, und trotzdem gibt es zwischen ihnen eine bewegungslose Beziehung.

Bd. 4 Heft 16 Oktober 1942 pag. 160


God is de ene pool, en de andere het onbewogen punt van de ziel, dat wil zeggen, Gods aanwezigheid in de ziel.
Omdat we in een leugen leven, bevindt wat ik ‘ik’ noem zich niet in het centrum van mijn ziel. Daarom bevindt alles wat direct betrekking heeft op het centrum van mijn ziel zich buiten wat ik ‘ik’ noem.
Daarom ervaren allen die door inspiratie worden geraakt, wat voor soort inspiratie het ook moge zijn – zelfs iets zo alledaags als de uitvinding van een machine – de inspiratie als een fenomeen buiten zichzelf.
Men zou de zaak ook zo kunnen benaderen: Hoe kan er meer goeds uit mij voortkomen dan er in mij is? Als ik vooruitgang boek in goedheid, moet er wel iets goeds van buitenaf invloed op mij hebben.
Als het verlangen naar het goede het bezit van het goede is, dan is het verlangen naar het goede de bron van het goede, dat wil zeggen, de bron van het verlangen naar het goede.

Gott soll ein Pol sein, und der andere der unbewegte Punkt der Seele, das heißt also Gottes Gegenwart in der Seele.
Da wir in der Lüge sind, ist das, was ich »Ich« nenne, nicht im Mittelpunkt meiner Seele. Deshalb ist alles, was unmittelbar den Mittelpunkt meiner Seele betrifft, außerhalb von dem, was ich »Ich« nenne.
Deshalb verspuren alle von der Eingebung Berührten, um welche Eingebung es sich auch handeln mag- und sei sie von ganz profaner Art, wie die Erfindung einer Maschine -, die Eingebung als eine Erscheinung außerhalb von ihnen selbst. .
Man konnte die Überlegung auch so anstellen. Wie kann mehr Gutes aus mir kommen, als es in mir gibt? Wenn ich im Guten voranschreite, muss ein Gutes von außen mich beeinflussen.
Wenn das Verlangen nach dem Guten Besitz des Guten ist, ist das Verlangen nach dem Guten Erzeuger des Guten, das heißt Erzeuger von Verlangen nach Gutem.

Bd. 4 Heft 16 Oktober 1942 pag. 161


Buiten mij bestaat een Goed dat hoger is dan ik en dat mij, telkens wanneer ik ernaar verlang, in het voordeel van het Goede beïnvloedt.
Omdat er geen limiet aan dit proces mogelijk is, is dit Goed buiten mij oneindig; het is God. Zelfs hier is geen geloof, maar zekerheid. Het is onmogelijk om aan het Goede te denken zonder aan dit alles te denken, en het is onmogelijk om niet het Goede te denken. Omdat er geen limiet aan dit proces is, moet de ziel uiteindelijk ophouden te bestaan ​​door volkomen assimilatie met God.
In elk stadium van transformatie kan de ziel verdere transformatie weigeren. Ze kan dan een bepaalde tijd in haar huidige staat blijven. Maar slechts voor een bepaalde tijd. Dan valt ze terug. Stap voor stap, net zoals ze was opgestegen. En als het zuivere verlangen naar het Goede niet volledig is uitgedoofd, als er tenminste een korreltje van overblijft, kan ze zich herpakken en opnieuw opstijgen. Ze zal hoger opstijgen dan de eerste keer. Maar als ze hoger komt en daar opnieuw weigert, begint het allemaal weer opnieuw.

Außerhalb von mir gibt es ein Gutes, das hoher steht als ich und das mich jedesmal zugunsten des Guten beeinflusst, wenn ich nach dem Guten verlange.
Weil für diesen Vorgang keine Grenze möglich ist, ist dies es Gute außerhalb von mir unendlich; es ist Gott. Sogar hier gibt es keinen Glauben, sondern Gewissheit. Es ist unmöglich, das Gute zu denken, ohne alles das zu denken, und es ist unmöglich, das Gute nicht zu denken. Weil es für diesen Vorgang keine Grenze gibt, muss die Seele schließlich durch vollkommene Angleichung an Gott aufhören zu sein.
Auf jeder beliebigen Stufe der Verwandlung kann die Seele eine weitere Verwandlung verweigern. Sie bleibt dann vielleicht für eine bestimmte Zeit in dem Zustand, in dem sie sich befindet. Aber nur für eine gewisse Zeit. Dann fällt sie zurück. Schritt für Schritt, wie sie auch aufgestiegen ist. Und wenn das reine Verlangen nach dem Guten nicht gänzlich ausgelöscht ist, wenn davon wenigstens ein Körnchen bleibt, kann sie sich sammeln und von neuem aufsteigen. Sie wird höher steigen als das erste Mal. Doch wenn sie höher gekommen ist und sich dort von neuem weigert, fängt alles von vorne an.

Bd. 4 Heft 16 Oktober 1942 pag. 161


Een ziel kan met dit heen en weer gaan elke hoogte bereiken; maar dat is erbarmelijk. Is er een punt dat men vanuit deze wereld kan bereiken vanwaar geen afdaling meer mogelijk is?
Ik weet het niet. Ik zou het graag willen geloven.
Wat zou men sterker kunnen verlangen dan het vermogen te verliezen om onderscheid te maken tussen goed en kwaad, een vermogen dat ons door de zondeval is gegeven?
De ziel heeft slechts de keuze om in het niets te vervallen door toenemend goed of door toenemend kwaad. Goed en kwaad hebben het niets als grens. Maar het is geen kwestie van onverschilligheid of men het niets bereikt door goed of door kwaad. Integendeel, het is het enige dat ertoe doet, en al het andere is irrelevant. En waarom is het belangrijk?
Om niets. Het is belangrijk op zichzelf. Dat alleen al is onvoorwaardelijk belangrijk.
En op een nog hoger niveau doet absoluut niets anders ertoe. Want als ik in de diepten van het kwaad val, betekent dat niets slechts voor het goede.

Eine Seele kann mit diesem Hin und Her bis auf jede beliebige Höhe kommen; aber das ist erbärmlich.
Gibt es einen Punkt, den man von dieser Welt aus erreichen kann und von dem aus kein Abstieg mehr möglich ist?
Ich weiß es nicht.
Ich würde es gerne glauben.
Wonach sollte man stärker verlangen als danach, die Fähigkeit zu verlieren, zwischen Gut und Böse zu unterscheiden, die uns vom Sündenfall gegeben worden ist?
Die Seele hat nur die Wahl, entweder durch das wachsende Gute oder durch das wachsende Böse ins Nichts zu gehen. Das Gute und das Böse haben das Nichts zur Grenze. Aber es ist nicht gleichgültig, ob man durch das Gute oder durch das Böse ins Nichts gelangt. Im Gegenteil, es ist das einzig Wichtige, und alles andere ist gleichgültig. Und warum ist es wichtig?
Wegen nichts. Es ist in sich selbst wichtig. Nur das allein ist bedingungslos wichtig.
Und auf einer noch höheren Ebene ist absolut nichts mehr wichtig. Denn wenn ich in die Tiefe des Bösen falle, bedeutet das für das Gute nichts Böses.

Bd. 4 Heft 16 Oktober 1942 pag.162


Omdat we in een leugen leven, hebben we de illusie dat geluk onvoorwaardelijk belangrijk is. Als iemand zucht: “Ik wil rijk zijn!”, zou een vriend kunnen antwoorden: “Waarom? Was je toen gelukkiger?” Maar als iemand zegt: “Ik wil gelukkig zijn,” zal niemand vragen: “Waarom?”
Vertel me de redenen waarom je gelukkig wilt zijn. Iemand lijdt en verlangt naar verlichting. Vertel me waarom je verlichting wilt.
Dwaze vragen. Wie durft ze te stellen?
Men moet ze zichzelf stellen en allereerst verantwoording afleggen voor zichzelf: men heeft geen rationele reden om gelukkig te willen zijn, want geluk is niet iets wat men onvoorwaardelijk en zonder rationele reden zou moeten wensen; alleen het goede zou op die manier begeerd moeten worden. Dit is de basis van Plato’s gedachtegoed.

Da wir in der Lüge sind, haben wir die Illusion, das Glück sei das, was bedingungslos wichtig ist. Wenn einer den Seufzer ausstößt: »Ich möchte reich sein! «, kann sein Freund ihm antworten: »Warum? Warst du dann glücklicher? «, aber wenn einer sagt: »Ich möchte glücklich sein«, wird niemand antworten: »Warum? «
Sag mir die Gründe, warum du glücklich sein willst. Einer leidet und möchte Linderung. Sag mir, aus welchem Grund du Linderung möchtest.
Alberne Fragen. Wer würde sie zu stellen wagen?
Man muss sie sich selber stellen und sich Rechenschaft ablegen, zunächst darüber, dass man keinen vernünftigen Grund hat zu wünschen, glücklich zu sein, denn das Glück ist nichts, was man ohne vernünftigen Grund, bedingungslos wünschen soll; denn nur das Gute soll man auf diese Weise wünschen. Das ist die Grundlage von Platons Denken.

Bd. 4 Heft 16 Oktober 1942 pag.162-163


Deze manier van denken is zo fundamenteel in tegenspraak met de natuur dat ze alleen kan ontstaan ​​in een ziel die volledig verteerd is door het vuur van de Heilige Geest, zoals ongetwijfeld het geval was met de zielen van de Pythagoreanen. Dit werd niet begrepen, zelfs niet erkend, in Plato’s werken.
Het geluk dat verheerlijkt wordt onder de namen eeuwige zaligheid, eeuwig leven, paradijs, enzovoort, moet op dezelfde manier beoordeeld worden. Elk soort geluk moet op deze manier beoordeeld worden. Elke vorm van voldoening.
Johannes zegt niet: we zullen gelukkig zijn omdat we God zullen zien; maar: we zullen als God zijn omdat we Hem zullen zien zoals Hij is.
We zullen pure goedheid zijn. We zullen ophouden te bestaan. Maar in dit niets, dat zich op de grens van de goedheid bevindt, zullen we reëler zijn dan op enig moment van ons aardse leven. Terwijl het niets dat zich op de grens van het kwaad bevindt, zonder realiteit is.
Werkelijkheid en bestaan ​​zijn twee verschillende dingen.
Ook dit is een essentiële gedachte bij Plato. Ook dit wordt nauwelijks begrepen. (Justin, Augustinus, enz. zeiden dat Plato van Mozes leerde dat God het Zijn is. Maar van wie leerde hij dat God Goedheid is en dat Goedheid boven Zijn staat? Niet van Mozes.)

Dieses Denken widerspricht der Natur so sehr, dass es nur in einer Seele entstehen kann, die vollständig vom Feuer des Heiligen Geistes aufgezehrt ist, wie es bei den Seelen der Pythagoreer sicher der Fall war.
Das hat man in Platons Werken nicht verstanden, nicht einmal gesehen.
Das Glück, das unter dem Namen ewige Glückseligkeit, ewiges Leben, Paradies etc. verherrlicht wurde, muss auf dieselbe Weise beurteilt werden. Jede Art von Glück ist so zu beurteilen. Jede Art von Befriedigung.
Johannes sagt nicht: wir werden glücklich sein, denn wir werden Gott sehen; sondern: wir werden Gott gleichen, denn wir werden Ihn sehen, so wie Er ist.
Wir werden reines Gutes sein. Wir werden nicht mehr Dasein. Aber in diesem Nichts, das an der Grenze des Guten ist, werden wir wirklicher sein als in jedem beliebigen Augenblick unseres irdischen Lebens. Wahrend das Nichts, das an der Grenze des Bösen liegt, ohne Wirklichkeit ist.
Wirklichkeit und Dasein sind zweierlei.
Auch das ist ein wesentlicher Gedanke bei Platon. Ebenfalls kaum begriffen. (Justin, Augustinus etc. sagten, Platon habe von Moses gelernt, dass Gott das Sein ist. Aber von wem hat er gelernt, dass Gott das Gute ist und dass das Gute über dem Sein ist? Nicht von Moses.)

Bd. 4 Heft 16 Oktober 1942 pag.163


Telkens wanneer er gedachten in je opkomen zoals: “Ik moet gelukkig zijn,” “Ik moet eten,” “Ik moet van deze pijn verlost worden,” “Ik moet het warmer hebben,” “Ik moet aan dit gevaar ontsnappen,” “Ik moet iets horen van een geliefde,” en alle andere gedachten van het type “Ik moet…”, antwoord jezelf dan telkens kalm: “Ik zie de noodzaak er niet van in.” Zeker wanneer de gedachte van het type “Ik moet, tenslotte…” is.
Jezelf zo’n antwoord geven is gemakkelijk, maar er net zo volledig van overtuigd zijn als Talleyrand was toen hij met de bedelaar sprak, is minder gemakkelijk. Waarom zou ik, uit liefde voor God, mezelf niet net zo weinig mogen liefhebben als Talleyrand, uit hardvochtigheid, de bedelaar liefhad? Zou liefde voor God minder sterk moeten zijn dan egoïsme in verhouding tot het vermogen om te voelen?

Jedesmal, wenn in der Seele Gedanken aufsteigen wie zum Beispiel: »ich muss glücklich werden«, »ich muss essen«, »ich muss van diesem Schmerz erlöst werden«, »ich muss es wärmer haben«, »ich muss dieser Gefahr entgehen«, »ich muss Nachricht haben von einem bestimmten geliebten Menschen«, und alle anderen Gedanken von der Art dies es »ich muss …«, jedesmal ungerührt sich selber antworten: »ich sehe die Notwendigkeit nicht«. Noch mehr, wenn der Gedanke von der Art des »ich muss doch schließlich …« ist.
Sich eine solche Antwort zu geben, ist einfach, aber so vollkommen überzeugt davon zu sein wie Talleyrand, als er mit dem Bettler sprach, ist weniger einfach. Warum sollte es mir nicht gelingen, aus Liebe zu Gott mich so wenig zu lieben, wie Talleyrand aus Hartherzigkeit den Bettler liebte? Sollte die Liebe zu Gott gegenüber der Empfindungsfähigkeit weniger stark sein als der Egoismus?

Bd. 4 Heft 16 Oktober 1942 pag.163-164


Lof voor God en mededogen voor de schepselen. Daarin schuilt geen tegenspraak, aangezien God bij de schepping afstand heeft gedaan van zijn scheppingskracht. Men moet Gods afstand van scheppingskracht accepteren en blij zijn dat men zijn eigen schepsel is, een secundaire oorzaak met het recht om in deze wereld te handelen. Deze ongelukkige man ligt op straat, halfdood van de honger. God heeft medelijden met hem, maar kan hem geen brood sturen. Maar ik, die hier ben, ben gelukkig geen God; ik kan hem een ​​stuk brood geven. Dat is mijn enige superioriteit boven God. “Ik had honger, en u gaf mij te eten.” God kan om brood smeken voor de ongelukkigen, maar hij kan het hun niet geven.

Lob für Gott und Mitleid für die Geschöpfe. Darin liegt kein Gegensatz, da Gott, indem er geschaffen hat, abgedankt hat. Man muss der schöpferischen Abdankung Gottes zustimmen und glücklich sein, dass man selbst ein Geschöpf ist, eine Zweit-Ursache, die das Recht hat, in dieser Welt zu handeln. Dieser Unglückliche liegt auf der Straße, halbtot vor Hunger. Gott hat Erbarmen mit ihm, kann ihm aber kein Brot schicken. Ich aber, der ich da bin, bin glücklicherweise nicht Gott; ich kann ihm ein Stück Brot geben. Das ist meine einzige Überlegenheit gegenüber Gott. »Ich hatte Hunger, und ihr habt mir zu essen gegeben. « Gott kann Brot für die Unglücklichen erbitten, aber geben kann er es ihnen nicht.

Bd. 4 Heft 16 Oktober 1942 pag.165


In het Romeinse Rijk waren de mensen zo wanhopig, ontworteld en gebroken door verveling en uitputting dat slechts één gedachte hen kon bezielen: het naderende einde van de wereld. Deze gedachte, deze verwachting, moet het hele rijk hebben doordrongen, aangewakkerd door diverse profetieën. Maar het lijkt erop dat alleen de christenen tastbaar bewijs hadden. Na de verwoesting van Jeruzalem leek deze zekerheid nog groter. Het was ongetwijfeld deze boodschap van het einde van de wereld die hen tegelijkertijd hun succes en hun reputatie als misdadigers bezorgde.

Im römischen Reich waren die Menschen so verzweifelt, entwurzelt, von Langeweile und Überdruss erdrückt, dass nur noch ein einziger Gedanke sie anrühren konnte: das unmittelbar bevorstehende Ende der Welt. Dieser Gedanke, diese Erwartung muss quer durch das ganze Reich bestanden haben, von verschiedenen Prophezeiungen ermutigt. Aber es scheint, dass nur die Christen einen greifbaren Beweis hatten. Nach der Zerstörung von Jerusalem schien die Gewissheit noch grösser zu sein. Sicher war es diese Botschaft vom Ende der Welt, was ihnen gleichzeitig ihren Erfolg und ihren Ruf als Verbrecher einbrachte.

Bd. 4 Heft 16 Oktober 1942 pag.165

Weil, Simone, Cahiers. Aufzeichnungen. Herausgegeben und übersetzt von Elisabeth Edl und Wolfgang Matz, München Wien (Carl Hanser verlag) (4 Bd.)


Dank je wel voor je reactie - Thanks a lot for reacting