Sneeuw 26 maart – 13 september 2026
’N KRAAK IN DIE PLEISTER
Om oor God te dink
moet mens dalk vergeet
van die groot waarheidskoepel
of die omvattende wand wat alles omsluit.
Beter om te soek
na die wink
van die klein-klein skeur
in ’n rotsformasie of diep in die brein,
waardeur lig van binne af ánders deurskyn.
Die ligte
wat sonderling en oombliklik verdwyn op water,
of die senuhaartjie in ’n binneoor,
een van die tallose
wat net-net nog lewe in ’n lyk,
bevat dalk ’n bepaalde soort ewigheid
wat groter as die heelal
en bepaald ánders goddelik
en bestaansgewys verwikkel is
as die aardbol,
wánt binne-in sy eie matesis.
Élke flitswêreld het sy grootse katedrale.
Elke dwarrelbries dra sy blare
soos die matte van ’n ou beskawing.
Die singende luik wat oopmaak op onvatbare tesisse
is die pas verbleikte verledetydkeuse.
Om (byvoorbeeld) te kies
vir die wonder
om met minder omring te word:
Dis jou verjaardag, en jou geskenk is
een ding minus, wat die somtotaal
van een meer is.
Jy kan nie wág vir die herfs nie
as die bloeisels uit die knop breek;
en jy sien uit dat niemand kom kuier nie
sodat dae wat onvergeetlik was, onbelangrik kan bly.
Om nie vooruit te gaan nie,
uit liefde daarvoor!
Die deurtjie verbloem
agter die skildery wat nog ongeskilderd is
maak oop op ’n trapstel
wat oploop na ’n praalkamer waarin minder
as niks is, jy moet dit net vind –
wat daar is
net vir joú om die rame op die veelkleurige mis
molekules
(gasruimteskepe)
oop te gooi teen ’n onverwagte skuinshoek
sodat protone en elektrone kan inswerm en plons
en aanklots soos vlermuise, soos waansinnige pluimbalballe
opgeskud uit die ademend deinende, vlooibespikkelde vangnet-
met-sterre buite jou venster.
En dis maar een
van vele heelalle uit die einderlose na binne
en buite werwelende patrone
op God se mou; nee ’n baie klein mougod sélf,
wat aankom uit die wapperende klusters pouoë
van wandelende Paisley
en kolkende wolkestelsels
in die domein van die ongedinkte.
Ek onthou nie meer
hoe ek deur die kier geglip het nie,
deur ’n kraak in die pleister;
of ’n wêreld deur rook gesien het, waarin alles seismies swem
soos van voor ons dit tot vastigheid gedink het –
kriewelklein is die mens
en sy vertolkings
op ’n handpalmgrootte stukkie eindeloosheid;
op ’n weerkaatste ruitjie
skaats hy deur die ruimte.
Ek stap toe deur ’n woud spierwit berke,
tydloos versteen in ’n dooiewinter;
en die enigste monoliet
wat nie groter as die ander was nie
en dus die grootste,
is Niegod genoem;
al vier seisoene was gelyktydig aanwesig:
kaalkeiserskille wat voortdurend
in die naam van die weifelende lig vervang word
en oor ’n hele dooie aarde strek
terwyl die sjibbolet – volstrek die enigste
(dus wat nie lote maak nie)
wat ’n gees tot hierdie namaals kon toelaat –
Takbok! was.
’n Waas muggies dans in die somerskemer op ’n stoep,
’n kolletjiesproei
wat homself in vorme hekel;
daar hang dit oor die rietjiestoel
soos ’n ou man wat opstaan,
en daar oor die koel plaveisel “stap” dit
soos ’n jong ma wat haar babatjie sus.
Dit warrel in die gestalte van Ovidius,
en vervloei tot ’n boom, ’n voëltjie,
of ’n godheid met ’n boodskap.
Die muur met sy ingemesselde rivierklip
loop lui langs die mirt, soos ’n gekolde luiperd.
God, mens, ding:
wolke wat voortbeweeg teen verskillende spoed.
2014, Charl-Pierre Naudé

EEN SCHEUR IN HET PLEISTERWERK
Wie over God wil nadenken
doet er goed aan om de grote
waarheidskoepel te vergeten
of de omringende wand die alles omsluit.
Het is beter te zoeken
naar een spoor
van de allerkleinste scheur
in een rotsformatie of diep in het brein,
waardoorheen licht van binnenuit anders doorschijnt.
De lichten
die zonderling en ogenblikkelijk verdwijnen op water,
of het zenuwhaartje in een binnenoor,
een van de talloze
die net nog leefden in een lijk,
bevat misschien een bepaald soort eeuwigheid
die groter dan het heelal
en bepaald anders goddelijk
en bestaansgewijs implicieter is
dan de aardbol,
want bestaand binnenin zijn eigen mathesis.
Elke flitswereld kent zijn grootse kathedralen.
Elke dwarrelbries draagt zijn bladeren
als de tapijten van een oude beschaving.
Het zingende luik dat opent op onvatbare thesen
is de pas verbleekte verledentijdkeuze.
Om (bijvoorbeeld) te kiezen
voor het wonder
je met minder te omringen:
het is jouw verjaardag, en jouw geschenk is
één ding minus, het totaal
van één meer.
Je ziet uit naar de herfst
wanneer de bloesem uit de knoppen breekt;
en je ziet ernaar uit dat er niemand op bezoek komt
zodat dagen die onvergetelijk waren, onbelangrijk kunnen blijven.
Om niet vooruit te gaan,
uit liefde daarvoor!
Het deurtje verbloemd
achter het nog ongeschilderde schilderij
biedt toegang tot een trappenstelsel
dat omhoog leidt naar een praalkamer waarin minder
is dan niets, je moet het alleen zien te vinden –
wat daar is
alleen voor jou om de ramen op de veelkleurige mest-
moleculen
(gasruimteschepen)
open te gooien tegen een onverwachte schuine hoek
zodat protonen en elektronen naar binnen kunnen zwermen en duiken
en aanklotsen als vleermuizen, als waanzinnige pluimbalballen
opgeschud uit het ademende deinende, met vlooien bespikkelde vangnet-
met-sterren buiten je raam.
En het is slechts een
van vele heelallen uit de einderloze naar binnen
en buiten wervelende patronen
op Gods mouw; nee een hele kleine mouwgod zelf,
die aankomt uit de wapperende clusters pauwenogen
van wandelend paisley
en kolkende wolkenstelsels
in het domein van het ongedachte.
Ik herinner me niet meer
hoe ik door de kier geglipt ben,
door een scheur in het pleisterwerk;
een wereld zag door rook heen, waarin alles seismisch zwom
zoals we dat tevoren tot vastigheid hadden gedacht –
kriebelklein is de mens
en kriebelklein zijn zijn vertolkingen
op een handpalmgroot stukje eindeloosheid;
op een weerkaatsend ruitje
schaatst hij door de ruimte.
Ik liep door een woud met spierwitte berken,
tijdloos versteend in een dooie winter;
en de enige monoliet
die niet groter was dan de andere
en dus de grootste,
werd Nietgod genoemd;
alle vier de seizoenen waren tegelijk aanwezig:
blotekeizerschillen die voortdurend
in de naam van het weifelende licht vervangen werden
en zich over een gehele dode aarde uitstrekten
terwijl het sjibbolet – volstrekt het enige
(dat dus geen scheuten maakt)
dat een geest tot dit namaals kon toelaten –
Hoornhert! was.
Een zwerm mugjes danste in de zomerschemer op een veranda,
een nevel van stippeltjes
die zichzelf in vormen berispte;
daar hing hij boven de rieten stoel
zoals een oude man die opstaat,
en daar over het koele plaveisel “liep” hij
als een jonge moeder die haar baby suste.
Het warrelde tot de gestalte van Ovidius,
en vervloeide tot een boom, een vogeltje,
of een godheid met een boodschap.
De muur met zijn ingemetselde riviersteen
liep lui langs de mirte, als een gestippeld luipaard.
God, mens, ding:
wolken voortbewegend met verschillende snelheden.
Charl-Pierre Naudé
vertaling: 2014, Robert Dorsman
O RISO
Ó riso, olhar de Apolo, pai do dia!
Luz ardente vestindo corpos virgens…
Ó riso, etérea fonte de harmonia!
Ó riso misterioso das origens,
Ó riso sempiterno do deus Pã,
Ó riso delirante das vertigens!
Ó riso, a luz sagrada é tua irmã.
Sempre que uns lábios puros vão sorrir,
Neles, fulgura a estrela da manhã.
Ser alegre é ser luz. Rir é florir.
Cravos na infância, rosas pequeninas.
São sorrisos de amor que estão a abrir.
Áureas chuvas de riso cristalinas.
Desenhando, nos bosques rumorosos,
Anjos de luz, aparições divinas!
Risos de oiro nos vagos céus brumosos,
Risos da aurora, orvalhos matinais.
Risos de flor nos troncos voluptuosos.
Riso das ondas, riso dos cristais.
Flocos de espuma, a rir, em tosca frágua,
Ó riso intenso e frio dos metais!
Riso do sol que doira a nossa mágoa;
Lábios da noite acesos numa estrela,
Lábios de nuvem num sorriso de água…
Riso da morte, ao luar, que se congela;
Riso gravado a fogo, em névoa escura,
Beijo, a sorrir, nuns olhos de donzela.
Riso da branca neve, que fulgura…
Ó místico sorriso da Piedade!
Riso de sombra em trágica figura…
Risos da primavera! Nova idade!
Lírios que sois, nos vales, os primeiros
Enviados da divina claridade.
Riso aquecendo os torvos nevoeiros…
Ó riso madrugante e solitário.
Riso anterior aos mundos passageiros.
Ou nas flores agrestes do Calvário,
Ou nas flores do campo, em tudo vejo
O riso primitivo e originário,
O precursor da aurora e do desejo,
Da esperança e da lágrima dorida…
Nebulosa, no Azul, nuns lábios, beijo!…
Riso eterno de Deus criando a Vida!
Teixeira de Pascoaes | Vida Etérea
GELACH
O gelach, blik van Apollo, vader van de dag!
Brandend licht omhult maagdelijke lichamen…
O gelach, etherische bron van harmonie!
O mysterieus gelach van oorsprong,
O eeuwig gelach van de god Pan,
O uitzinnige lach van duizeligheid!
O gelach, heilig licht is je zus.
Wanneer pure lippen glimlachen,
Schijnt de morgenster erop.
Vreugdevol zijn is licht zijn. Lachen is bloeien.
Anjers in de kindertijd, kleine rozen.
Het zijn glimlachen van liefde die zich openen.
Gouden regens van kristalhelder gelach.
Tekenend, in de ruisende bossen,
Engelen van licht, goddelijke verschijningen!
Gouden gelach in de vage mistige hemel,
Gelach van de dageraad, ochtenddauw.
Bloemenlach op weelderige stammen.
Gelach van de golven, gelach van de kristallen.
Schuimvlokken, lachend, in een ruwe smederij,
O, intense en koude lach van metalen!
Lach van de zon die ons verdriet verguldt;
Lippen van de nacht verlicht in een ster,
Lippen van een wolk in een glimlach van water…
Lach van de dood, in het maanlicht, dat bevriest;
Lach gegraveerd in vuur, in donkere mist,
Een kus, glimlachend, in de ogen van een meisje.
Lach van de witte sneeuw, die glinstert…
O, mystieke glimlach van vroomheid!
Lach van schaduw in een tragische figuur…
Lach van de lente! Nieuw tijdperk!
Lelies die, in de valleien, de eerste
Gezanten van goddelijke helderheid zijn.
Lach dat de donkere mist verwarmt…
O, vroege en eenzame lach.
Lach voor de vergankelijke werelden.
Of het nu in de ruige bloemen van Golgotha is,
of in de wilde bloemen, in alles wat ik zie
Het primitieve en oorspronkelijke gelach,
De voorbode van de dageraad en het verlangen,
Van hoop en pijnlijke tranen… Nevel, in het blauw,
op sommige lippen, een kus!…
Eeuwig gelach van God die het leven schept!
Teixeira de Pascoaes | Etherisch leven
A GLOVE
I lost a glove
and kept the other,
my life on hold
through snow and storm,
one hand cold,
the other warm.
I lost a glove
and while the other
hung on to me
for all I’m worth,
the first roamed free
over the earth.
I lost a glove
and found another,
another sheath,
a shade of leather
that seemed to breathe
a different weather.
I lost a glove
and it found other
flesh to clad,
crimes to commit,
although I had
no hand in it.
I lost a glove
and, sad, the other
at the breach
would try to clap
but couldn’t reach
across that gap.
I lost a glove
then lost the other.
I’d no more forms
that could withhold
the snows, the storms,
the perishing cold.
2015, Justin Quinn
A Cat at the End of the Experiential World
A masochistic cat is more at ease than you
while you sleep, soft paws stepping over your body.
The iron-barred window, a perfect two-way path.
This cat isn’t the cat
I’m talking about now,
nor any imagined, scruffy cat.
It washes its face in a strange fashion.
Its tail shoots up; its shadow falls over the river.
When raining, its hopes mildew in the corner.
However deep your sleep,
your brain will detect the patter of its paws.
Excited, it whaps the newspaper from your hands,
spilling a bottle of milk on the table.
Its eyes glare at you with impatience and animosity.
When you awake, it still hovers near,
weird, cold, moustache spearing the air.
At the end of the experiential world
it cuddles up wearily, like a postman stranded
in magnificent snow.
And so you wait in vain. I believe
this sort of cat treats itself worse than it treats you.
(1986) Song Lin
From: New Cathay –
Een cirkel die zijn ellips herschrijft
gedraagt zich anders. Zijn houtwerk
mag kreunen, zijn wimpers mogen
denken te flirten wat ze willen:
aan zichzelf ontvalt hij nooit.
Nog vandaag zal zijn paard
de sporen voelen, zo scherp
en zo verguld als nooit.
Wat een snelheid; wat een misère.
Zo’n hoofd op hol gebracht door een
traan die zijn oog mist. Vloeibare
sneeuw, even schuimend. En dan al
opgekrast in steenslag.
1983, Hans Faverey
INVERNO
Um pálido fulgor a noite sobressalta…
Dos telhados se eleva, esguia, uma torre alta,
Como um cipreste ao pé de vagas sepulturas.
Na indecisão da luz, ó chuva, tu murmuras…
As ruas vão morrer, além, num negro abismo,
Onde a luz dos lampiões, num triste paroxismo,
Agoniza, chorando a noite em que brilhou…
Principia a nevar. O vento serenou.
Um horroroso frio os membros entorpece…
E no álgido levante, a medo, resplandece
O sol a tiritar, transido, arroxeado.
Por uma névoa espessa e húmida velado…
Foi à luz deste sol que, ao limiar duma porta,
Sobre a neve, encontrei uma criança morta.
No peito as mãos em cruz, os olhos ainda abertos.
Contemplando talvez quiméricos desertos.
Como esses que ela tinha atravessado há pouco…
E eu visionei então um mundo ignóbil, louco.
Um mundo criminoso, injusto, pervertido.
Onde há bocas sem pão e corpos sem vestido.
Onde há lares sem fogo, onde há almas sem luz,
Onde Caifás é juiz e onde é réu Jesus;
Onde os bandidos são felizes e opulentos.
Onde a Bondade sofre os mais duros tormentos!
Um mundo que ao Azul dá a impressão dum grito,
Onde o espírito humano é um réprobo maldito,
Um Messias que sobe um infindo calvário,
Sob um céu sempre mudo e sempre solitário,
Através dum caminho estéril, sempre agreste…
Onde Buda caiu e onde tu bebeste
O copo de cicuta, ó Sócrates divino;
Onde tu foste, Horácio, um vate libertino.
Onde tu, Vítor Hugo, encontraste um presídio
E onde por amor foi desterrado Ovídio!
Eu visionei o mundo assim como ele existe,
Alegre para o mal, para a bondade triste;
Para o crime um altar e cruz para a Verdade…
Um mundo ensanguentado e todo falsidade.
Que o calor do teu fogo, ó Satã, vem florir,
E onde ouço a Luz chorar e vejo a Treva a rir! . . .
Eis o mundo que eu vi, ao deparar na rua
Com essa criança morta, arrefecida e nua.
De fome ela morreu; morreu de frio agreste…
De fome de justiça, António, tu morreste!
E deste mundo ingrato e vil, meu grande irmão,
Dessa criança levaste a alma pela mão.
Tu partiste com ela, e aqui ficámos sós,
Sombrios como o mar revoltado e feroz.
Numa infinita dor onde há surdos bramidos
De rochedos que torna a lava encandecidos,
Junto da boca negra e hiante dos vulcões…
Tormento que nos faz tremer nas convulsões
Dum ódio represado, imenso e poderoso
Que faz do nosso peito um mar tempestuoso,
Um trovejante céu sem astros de esplendor,
Um abismo sem fundo onde soluça a Dor…
Dum ódio enorme, ódio sem fim, ódio infinito.
Que será da revolta o sempiterno grito! . . .
Teixeira de Pascoaes | Para a luz
WINTER
Een bleke gloed schrikt de nacht op…
Van de daken rijst, slank, een hoge toren op,
Als een cipres aan de voet van vage graven.
In de besluiteloosheid van het licht, oh regen, mompel je…
De straten zullen sterven, daarachter, in een zwarte afgrond,
Waar het licht van de lantaarnpalen, in een droevige aanval,
Kwellend, huilend om de nacht waarin het scheen…
Het begint te sneeuwen. De wind is gaan liggen.
Een vreselijke kou verdooft de ledematen…
En in de ijzige zonsopgang schijnt, angstig,
De zon trillend, versteend, paarsachtig.
Gehuld in een dikke, vochtige mist…
Het was in het licht van deze zon dat ik,
op de drempel van een deur,
In de sneeuw, een dood kind vond.
Op zijn borst, handen in een kruis, ogen nog open.
Misschien peinzend over denkbeeldige woestijnen.
Zoals die waar ze net langs was gegaan…
En toen zag ik een verdorven, waanzinnige wereld.
Een criminele, onrechtvaardige, perverse wereld.
Waar monden zonder brood zijn en lichamen zonder kleren.
Waar huizen zonder vuur zijn, waar zielen zonder licht zijn,
Waar Kajafas rechter is en Jezus beklaagde;
Waar bandieten gelukkig en rijk zijn.
Waar het goede de zwaarste kwellingen ondergaat!
Een wereld die de indruk wekt van een schreeuw naar het blauw,
Waar de menselijke geest een vervloekte schurk is,
Een Messias die een eindeloze Calvarieberg beklimt,
Onder een hemel die altijd stil en altijd eenzaam is,
Door een dor, altijd wild pad…
Waar Boeddha viel en waar jij dronk
De beker met gif, o goddelijke Socrates;
Waar jij was, Horatius, een losbandige dichter.
Waar jij, Victor Hugo, een gevangenis vond
En waar Ovidius werd verbannen uit liefde!
Ik zag de wereld zoals die is,
Verheugd om het kwaad, bedroefd om het goede;
Een altaar voor misdaad en een kruis voor de Waarheid…
Een bebloede wereld, vol leugens.
Moge de hitte van uw vuur, o Satan, oplaaien,
en waar ik het Licht hoor huilen en de Duisternis zie lachen! …
Dit is de wereld die ik zag, toen ik op straat
Dat dode kind tegenkwam, koud en naakt.
Ze stierf van de honger; ze stierf van de kou, een ongeluk…
Jij stierf van de honger naar gerechtigheid, Antonius!
En uit deze ondankbare en verdorven wereld, mijn grote broer,
nam jij de ziel van dat kind bij de hand.
Je vertrok met haar, en hier blijven wij alleen achter,
donker als de woeste en ontembare zee.
In een oneindige pijn waar gedempte brullen klinken
Van rotsen die de lava doen gloeien,
Naast de zwarte, gapende mond van vulkanen…
Een kwelling die ons doet sidderen in stuiptrekkingen
Van een onderdrukte, immense en krachtige haat
Die onze borst verandert in een woeste zee,
Een donderende hemel zonder schitterende sterren,
Een bodemloze afgrond waar de pijn snikt…
Van een enorme haat, eindeloze haat, oneindige haat.
Wat zal er van de opstand terechtkomen, van de eeuwige kreet! …
Teixeira de Pascoaes | Voor het Licht
连翘入门
旁边的迎春花
可不止一簇。你不可将我认错。
你不可偏爱棣棠的企图。
你不可误解我的烂熳
微妙于大地的天真。
如果这是呼吁,那么呐喊已被偏听。
你不可再将我的黄与别的金黄
混淆为人生的疏忽。
最要紧的,你不可将我用一对蝴蝶
击败了世界的主人
解释成:现场已被破坏。
INLEIDING TOT DE FORSYTHIA
Aan de zijkant staat wel meer dan één
winterjasmijn. Vergis je niet in mij.
Koester geen voorkeur voor de plannen van de ranonkelstruik.
Begrijp mijn helderheid niet verkeerd,
die is subtieler dan de onschuld van moeder aarde.
Mocht dit een oproep zijn, dan is de kreet al ten dele gehoord.
Verwar mijn geel niet weer met ander goudgeel
tot een verwaarlozing van het leven.
Het belangrijkste is, mijn overwinning met een vlinderpaar
op de baas van de wereld, leg die niet
uit als: de plaats van handeling is vernietigd.
2005 Zang Di
a house a fence a tree a bird
I’ll never travel America
I’ll never ride Brooklyn’s steel rails
follow echoes of Whitman only in mind prairies and
factories steam rising from rivers with Crane’s eyes
I’ll watch the water, its devouring jellyfish flesh
I won’t wander the boulevards of Paris
under statues in bird shit coquettish as snow
I won’t go drowsy into bistros won’t be brothers
with Nicholas the dog I would hardly live in a book
lemonade yellow (here kitty, kitty, into the sack)
or in an attic make love to Zazie
and then
Anna’s tomboy face
won’t appear to me anymore in the foggy evenings
somewhere between the Pickwick Club and Buckingham Palace
(only the girl you would kiss by Spaski Tower
will whisper my name in Trafalgar Square)
farewell, farewell, roads on which Wilhelm apprenticed
fair-haired Kriemhildes on trains from Berlin to Potsdam
farewell crazy Bavarian king
I’ll never see Rome
stretch my arm from the top of Trajan’s column
I will not kneel in St. Peter’s
won’t bequeath my laundry in my last will
in Palermo where
Prince Salina sleeps his eternal sleep
on a sunny terrace
(and you Isonzo won’t shape me like one of your stones)
I won’t turn towards Zaragosa either
to shatter the lies of apocryphal books
my dear barber my beloved student
I won’t send Sancho to Toboso
and I won’t sniff the fungus air of Sagrada
except from dusty fliers
(soledades, soledades in tomes glittering gold
from the Golden Age in books trickling
the mixed blood of bull and matador)
on the banks of Bahluiu I will wait
for Ligheea to surface from the muddy waters smelling of the Mediterranean
(but she’ll never surface maybe a fat
drunk school girl will curse in demotiki)
(may Oedipus’s tomb in Colonnus stay forever unknown)
country of no fatherland
I watch your invisible walls
drawing clumsily on them with chalk
a house a fence a tree a bird
and myself among them
playing with a ring of smoke.
O. Nimigean
From: Adio adio dragi poezii

Het kleine meisje Bee leert op school
een nieuwe taal. Woorden waarvan ze het
bestaan niet kende, die zoveel zachter
klinken dan het dialect van haar geboorteplaats.
‘Viool. Schaduw. Echo.’ Een
vat vol geheimen ontdekt ze. Niet alleen
de naam, maar ook het uiterlijk van de
dingen verandert. ‘Moeder’ wordt een
grote vrouw. De woorden raken aan een
diep verlangen in haarzelf, waarvan ze
misschien al weet dat daar niet veel aan
te doen is. Een dagdromen, een onverklaar-
bare opwinding, een taal die de adem be-
neemt. Sneeuw schittert, een rivier is
stil, een waterval stort neer, bliksem
komt naar beneden. Bee neemt de boekjes
mee naar huis en leest ze, zittend aan
de keukentafel. In dezelfde ruimte spelen
haar broertjes en zusjes. Een zinken teil
staat waar haar moeder de was doet. Geplas.
Het morsen van een dweil. Als Bee de woor-
den hardop uitspreekt krijgt ze een andere
stem. Ze pakt het boek op en loopt ermee
naar buiten. Vreemde sporen laat ze achter
bij de anderen. Dat weet ze.
Het met sneeuw bedekte gras schittert in
de zon. Een ragfijne veer steekt met zijn
punt in de bevroren grond. Bee trekt hem
eruit. De punt breekt af. Met de stompe
kant trekt ze strepen in het wit. De
strepen krijgen als vanzelf een onderling
verband, worden letters. Zo vaak en zo
diep buigt ze naar de grond dat ze er dui-
zelig van wordt. De veer in haar hand lijkt
tot leven te komen, een kleine vogel, de
enige getuige van de zwijgende letters.
Zwijgen. Zo is het zwijgen. Daar ligt
sneeuw op en ijs.
1995, Kreek Daey Ouwens
From: Tegen de kippen en de haan
vague noyée sous le soleil dormant.
Je suis comme une âme délaissée.
Traversant les dûnes sauvages du temps, oû les vendanges de
l’esprit maudit se propulsent contre la course des
ôgres. Je suis comme une âme délurée, tracasse par un souci
stagnant.Ressuscitant la révoke victorieuse de mes
souffrances.
Je suis comme une âme perfide trahie par la vieillesse du
temps perclus. Devant vos yeux majestueux J’éteignais ma
fureur réticente. Le vide de Londres m’engouffrait.
Quand est-ce que le flambeau de grace pétillera sur mes
collines du doute ?
On m’avait dit: soulage-toi !
Mais comment se soulager ?
Oublie les douleurs infligées par le déluge
oublie les souffrances néfastes,
les émotions mélancoliques et taciturnes
devant la condition humaine estompée.
J’ai souffert tant des jours palissants.
Depuis longtemps
j’étais tout seul à semer la confusion
entre le mutisme français
l’éloquence anglaise
et la rhétorique arabe
aussi bien que les tournures émanées par mes écrits
et les structures incontrolables très expurgées.
En chassant l’intrépide de la guèrre du brouillard londonien
qui a déphasé les cieux éternels.
Je me souviens de l’atrocité des mers hasardeuses
oû l\’écûme de ma vie fut noyée au-delà des vagues en colère.
Incarcéré entre deux étoiles vièrges.
Ce fruit interdit aux étrangers
enlisés dans ce monde embourbé.
Pleurs ô nuage occupant mon ciel immense
.
Je suis venu t’offrir mon odyssée
je suis venu te chanter mes rhapsodies.
Comme une proie innocente
j’étais aveuglé par un amour damné.
Qui es-tu jour de solitude enclavée ?
Qui t’a envoyé ?
Toi le sourd muet atteins-tu l’âge de raison
Pour comprendre le rythme du silence.
Quant à moi je me suis habitué à la soif, enchainée
que I’automne lugubre aux feuilles fanées et frémissantes
m’a donné la satiété.
Me voilà immigré contre mon gré
me voilà dissipé dans ce monde imprenable,
mon itinéraire angoissé
comme un chat égaré sous la belle étoile dansante
aux rythmes de l’aube de nulle part.
Gloire immortelle aux penseurs vivants de l’utopie enchaîné
qui aillent mourir sous le baillon de la justice bestiale,
et sous l’oeil trompant des vautours dérapants.
Gloire aux nerfs sanguinés.
Gloire aux lèvres mordantes et sans rancunes.
Gloire aux entrailles enterrées dans l’infini éternel.
Immigrés de toutes les nations lâchez vos rênes mais ne
tournez pas les bribes.
Durant des années je partage avec toi le fruit de ma tristesse
et ma maigre obole.
1994, Ben Younes Majen
From: Cahier d’un immigré
A Migrant’s notebook (part 2)
Washed by waves under a dormant sun.
I am like an unleashed soul,
Crossing the savage dunes of time, where the grape harvests of
The cursed spirit
Propels against the race of the ogres .
I am like a knowing soul
Troubled by a stagnant anxiety
Resuscitating the victorious revolt of my sufferance.
I am like a perfidious soul ,
betrayed by the old age of the impotent time
in front of your mystic gaze,
I extinguished my reticent furore,
Drowned myself in the emptiness of London .
When will the torch of grace shed light
On my mountains of doubt?
Someone said to me : calm yourself !
But how do I calm down ?
Forget the pains inflicted by the delusion?
Forget the ill-fated sufferance?
The taciturn and melancholic emotion
In front of entombed human condition.
I suffered so much in those faded days,
Since long time,
I was alone to sow the seeds of confusion
Between French mutism ( silence )
English eloquence
And Arabic rhetoric
Although the verses emanated from my writing
And the erratic structures were to be ruthlessly censored
In chasing the intrepid battle of the London fog ,
Which has defaced the eternal sky,
I remember the atrocity of the hazardous seas
Where foam of my life was washed away by the angry waves.
Incarcerated between two virgin stars
The forbidden fruit to foreigners
Sank deep into this muddy world.
Rain or snow covering my immense sky.
I came to offer you my odyssey ,
I came to sing you my rhapsody.
As an innocent prey,
I was blinded by a condemned love.
Who are you, day of enslaved solitude?
Who sent you to me?
You, the deaf mute, have you reached the age of reasoning
For understanding the rhythm of the silence?
Whereas to me , I am accustomed to the shackled thirst ,
Where lugubrious autumn of quivering and withered leaves
Rendered me vague satisfaction.
Here I am , an immigrant against my will,
Dissipated in this impregnable citadel,
My anguished itinerary
Like a stray cat under a twinkling star
Dancing to the rhythm of the dawn of a No-Man’s Land.
Immortal glory to the living thinkers of a locked Utopia,
Who are dying under the gag of the bestial justice
And under the deceiving eyes of a glinding vulture.
Glory to the sanguine spirits,
Glory to the mordant lips without rancour,
Glory to the feelings buried in this eternal infinity.
Immigrants of all nations, unleash your reins,
But do not turn back the bridles.
All these years , I shared with you the fruit
Of my sorrow and my humble offering.
Ben Younes Majen
(Morocco, 1946)
EEN NIEUW JAAR II
Dit is hier, denk je, dit is nu.
Het dorre onkruid, de dode bereklauw
langs het asfalt. Begerig naar plaats
lees je de hemel als een landkaart.
Je voelt de uren. Middernacht,
winter? Het is nu, het is hier.
Er was sneeuw gevallen, dakpannen
schemerden grijs door het wit, je kon
mussensnavels op steen horen tikken.
De jongen op het perron, je ziet
de tas bij zijn schoenen, hoe hij
zijn schouders beweegt, geeuwt en eet.
Tot de trein langs beton scheert,
de zuigwind zijn haar streelt. Je denkt
een station in Duitsland, zo laat al
denk je. Het gebeurt in de grijze windingen
die sissen onder je schedel. Alles,
alles: de waterige loop van de sporen,
de leeggebloede stengels, luidende klokken,
vuurwerk, de jongen. Het is niets,
een trillende celwand, explosie, niets.
1998, Anna Enquist
From: De tweede helft
EEN NACHT IN HET PALEIS VAN DE PURPEREN TULP: ADAGIO
bij een nacht in het serail horen altijd maanlicht jaden trappen en parelgordijnen
maar ze zijn allemaal denkbeeldig een bos bloemen tegen het blauw van het behang
beeld je in onder het purperen kleed van de concubine stort een sneeuwhoop in
sneeuw die ongeduldig wacht om te worden bezeten zich met kristal langzaam
omkerend elke minuut op zichzelf terugplooiend in een langzame dans
een bos tulpen in schitterende aftakeling ontdoet zich van eigenliefde
een soort purperen gefluister naar adem snakkend uit te spreken
zich enkel richtend tot hem terwijl hij laag na laag van bloemblaadjes verpulvert
een druppel purperen melk als een concubine ongeduldig wachtend om te worden opgezogen
denkend de hele wereld wordt in een kokendheet bloedvat gegoten
het vuur in het serail heeft altijd het ondeugende van tongen
de bijgeknipte punt likt de leegte van de huid middernachtsgroen
groen als bladeren opgestapeld nabij de enkels van de concubine
door hem aanbeden een uit alle richtingen komend bad
besproeit zijn bloemen de purperen jaden kommetjes van haar tepels zijn gevuld
als vergelding voor een tijd bezinkt de oceaan in het pigment
in een nacht tijd verglijdt een bos tulpen van sopraan naar mezzosopraan
vannacht is tirannieke schoonheid in evenwicht met de poëzie van de vluchtigheid
met het exquise parfum dat de concubine alleen voor hem bewaart mag alleen hij stoeien
purper versplintert langzaam wanneer het zijden licht niet kan stoppen
in het serail is er altijd een glinstering die de fosforescentie van een meeldraad wordt
een naald leidt de begeerte die in elk van de vier seizoenen door het lichaam wordt opgevoerd
een soort uithollend bijwerken het uithollen raakt aan leven en dood van de concubine
het behang is blauw alsof de waanzin van alle wonden en pijn een keer wordt gehecht
een enkele keer wordt het beetspoor van de dag te midden van de bloemschaduwen
eindeloos donker deze nacht wordt eindeloos vers en mals op het lichaam geborduurd
die allereerste keer leek purper op een druppel zich langzaam uitspreidende melk
werd langzaam door het heelal geabsorbeerd oogluikend toegelaten wordt de geilheid van die man wat een geilheid
starend schenkt hij de concubine een volstrekt zwarte grammatica
terwijl de bloemenvaas rond als een woord in de handpalmen rust
Yang Lian
Vertaling: 2009, Jan De Meyer
GEDICHT OVER DE ‘BELY NALIV’
witte appels, de eerste appels van de zomer
met een schil zo teer als een babyhuidje,
knapperig als de witte wintersneeuw.
jullie geur gunt mij geen rust,
zo kwellen de doden ’s nachts
de zielen van hun moordenaars.
witte appels,
zo wordt elke julimaand de aarde
zwaar onder jullie gewicht.
en hier ruikt alleen het vuilnis naar vuilnis…
en hier ruiken alleen tranen naar zout…
terwijl we jullie plukten,
als groene schelpen in de oceaan van de tuin,
leerden wij, pas losgekomen van de moederborst,
in alles met onze tanden
naar de kern te zoeken.
maar zie, onze tanden werden als watten…
witte appels,
in het zwarte water dreigen de vissers,
die zich ooit met jullie voedden, nu te verdrinken.
Valzhyna Mort
Vertaling: 2009, Roel Schuyt
‘bely naliv’: een populair, vroeg appelras in de landen van de voormalige Sovjet-Unie, met een lichtgroene schil en wit vruchtvlees.
Ô Sidi-Yahya sage de tous les sages
prête-moi une belle Houria ivre de passion et une flûte
magique.
Car demain, je partirai vers l’inconnu qui n’attendrai.
Cette terre échappante de toutes les saisons amères.
Je bénis la mer en feu.
Cette mer massacrée et décapitée par les vagues enragées.
Avec leurs chants tristes
elles revivent mon temps enivré écho par écho.
Orphelin depuis l’âge de trois hivers rigoureux.
Je suis né pour goûter la galette de la souffrance monotone.
On m’a apprit à rêver.
Mais mes nuits étaient éphémères
oû les étoiles prémonitoires se broyaient.
Ma voix humide, étouffante quelque fois écorche le vide
frange
qui de temps en temps suscite les incantations évasives
.
Je suis baptisé par les écumes de nuages méditerranéens
et les ombres de saisons vièrges.
On m’a apprit à écrire les mots et les rythmes.
On m’a apprit que la gloire humaine est une voix apprivoisée
par le desir de la prouesse succulente et vénéneuse.
Ma voix cette saliva rupture qui grouille dans la nuit comme
un gouffre de sang, comme une fournaise brûlante sans cesse
dans les brasiers du destin et de la passion.
Je suis né dans un labyrinthe où les larmes et les sueurs se
trébuchaient en deluge transfilant
.
On m’a dit que ma voix ressemble à une source inondée par
l’apocalypse assoiffé.
Certes, je suis né pour libérer ma voix, ma vocation et mon
émoi.
Des vieux sages du village N’gadi pulvérisent des paroles
pétillantes pour chasser l’ennui et le cauchemar perdurant.
J’ai quitté mon village sans mener avec moi leurs
bénédictions.
J’ai laissé avec eux ma toison aux mille trous.
Mon seul compagnon un talisman gravé par les mendiants du
Souk-al-Joutiya.
Je suis devenu dépaysé comme une alouette éclopée.
J’ai parcouru les chemins de l’enfer et de l’avatar.
Une image superstitieuse m’envahis, m’écrase.
Adieu solitude écrasante et sans espoir.
Bonjour la folie des rêves pamoisons.
Dans mon ivresse
j’ai rencontré le bonheur en lambeaux.
Soleil-Vengeur
j’accuse tes rayons écorchants.
Soleil-Dieu exhalte mon endurance âpre.
1994, Ben Younes Majen
From: Cahier d’un immigré
A Migrant’s notebook (part 3)
O Sidi-Yahya , sage of all sages,
Lend me a beautiful Houria, and a magic flute,
Wild with passion,
For tomorrow, I shall leave for the unknown
Where no one await me,
To the land where all bitter seasons vanish.
I bless the sea of flame.
This sea of carnage massacred and decapitated by the ranging
waves,
With their woeful chanting rites,
Revived my memory of that intoxicating time
Echo by echo
Orphaned since the age of three severe winters,
I was born to taste the humble pie of monotonous sufferance.
One taught me to dream,
But my nights were too ephemeral
Where foretelling stars clash with each other.
My moist voice , choking from time to time,
Grazes the empty fringe (of my throat)
Which irritates me to let go my sotto voce (suppressed)curses.
I am baptised by the foams of Mediterannean snow
And the shadows of virgin seasons.
I was taught to write the words and rhythm,
I was taught that the human pride is a voice
Tamed by the desire of succulent and poisonous feat.
My voice with ruptured flow of fluid
Which became agitated in the night
As a gush of blood,
As a relentlessly burning furnace
In the bright fires of destiny and of passion.
I was born in a labyrinth where tears and sweat clash into each
other
In a criss-crossing deluge.
I was told that my voice was like a source
Inundated by the thirsty Apocalypse.
I was born , for certain, to liberate my voice,
My longings, and my emotion.
The elders of the village N’gadi
Gave me enlightening advice
To rid of the boredom and the lingering nightmare.
I left my village without their blessings.
I left them my sac of bric-a-brac full of holes.
My only companion was a talisman with the engravings
Of the beggars of Souk-al Joutia .
I became disoriented like a lame lark.
I pursued all roads to hell and to Avatar.
A foreboding invaded me , crushing my heart
So long, the oppressive loneliness and hopelessness
Good morning, the folly of dizzy dreams.
Ben Younes Majen
Onze Lieve Vrouwe ter sneeuw
Gij deedt het sneeuwen in een zomernacht:
men zocht in Rome waar u nog te eeren
en op een heuvel daalde stil en zacht
de witte mantel van uw engelenwacht
om ons de plek te leeren.
Een kerk verrees: er werd sindsdien gebeden
en waar het sneeuwde, glanst het kaarsenlicht.
De vlammen dansen als de vlokken deden,
de harten liggen open in dien vrede
en alle pijn sneeuwt dicht.
Gij, die als sneeuw zijt, smetteloos en puur,
en alles overdekt met uw genade,
blijf dalen in het nachtelijk lijdensuur
van deze wereld als het sterrenvuur
en hoed ons voor den kwade.
Gabriël Smit (1910-1981)
uit: Maria-lof en andere gedichten
Een gedicht voor Henry Hudson
Mijn vader
lag in de armen van mijn moeder,
mijn broers kwamen de kamer in, vroegen:
‘Storen wij?’
trokken hem overeind,
schudden hem door elkaar, schreeuwden:
‘Wij willen het nu weten! Storen wij?!’ –
maar mijn vader rukte zich los
en verdween in mijn moeder –
filosofen schoten toe, zochten hem tevergeefs,
morrelden aan de poorten van het bestaan,
maakten in arren moede elkaar maar iets wijs
en water viel op de schrale hei en tussen het wilde koren,
glinsterde in de zon, lokte vlinders, wolven,
baande zich een weg langs dennen en berken,
leste de dorst van Indianen, beren en herten,
verbaasde zich over de reusachtige stilte
van de wereld om zich heen,
voerde dood en leven en ongewisheid met zich mee,
struikelde afgronden in,
kolkte van woede en vermande zich weer,
wrong zich door kloven en spleten,
riep naar de kleinste en timideste beken:
‘Ik ben een rivier. Kom met me mee!’
‘Waarheen?’
‘Naar zee!’
‘Naar zee?’
‘Ja, naar zee!’
zag de zee
en zuchtte zoals alleen een rivier kan zuchten
van onsterfelijkheid en melancholie,
vlijde zich in de armen van een baai en sliep –
tot op een dag – schepen zeilden langs
en de rivier ontwaakte, sperde zijn mond wijd open,
riep: ‘Hudson! Jij! Ik heb op je gewacht! Ik wist dat jij zou komen!’
en Henry Hudson zette zijn kijker aan zijn oog
en riep naar zijn matrozen:
‘Hier moeten we zijn!
Hier is het middelpunt van de wereld.’
Ik ging naar het middelpunt van de wereld,
ik wilde Thelonious Monk horen,
John Coltrane in de Village Vanguard,
de eerste noten van ‘My favourite things,’
ik wilde op een maandagavond naar Minton’s Playhouse gaan
en Charlie Parker ‘I got rhythm’ horen spelen in telkens een andere toonaard,
ik wilde de Yankees zien, Casey Stengel uit de dug-out zien komen,
de Moose call voor Moose Skowron horen,
Mickey Mantle een eerste pitch in de bleachers zien slaan –
ik zou nooit tegen ze wedden –
ik wilde Roosevelt Grier, Sam Huff, Dick Modzelewski, Jim Katcavage en Andy Robustelli
onwrikbaar op de goal line in Yankee Stadium zien staan,
de Rocky Mountains van mijn verbeelding,
ik wilde voor een nickel naar Staten Island varen
en op Coney Island een voetlange hotdog van Nathan’s eten,
met chilli, pickles en extra mosterd,
ik wilde het reuzenrad zien en langs de boardwalk lopen
als de vader en moeder van Delmore Schwartz in een onverantwoorde droom ooit eens,
ik wilde dichter worden, meisjes met verwondering naar mij laten kijken,
met hun hand door mijn haar laten gaan,
naast een van hen wakker worden, op een ochtend, voor het eerst,
ik wilde lopen waar Jimmy Walker had gelopen
aan het hoofd van de Politie Parade,
ik wilde hem laten weten, mijn Jimmy, mijn held,
dat ik in december nog altijd van hem zou houden,
al moest ik baggeren door de sneeuw,
ik wilde LaGuardia – o Fiorello, wat houd ik ook van jou! –
de dagelijkse strips voor de radio horen lezen,
ik wilde denken:
hier slenterde Joe Louis, de ‘great brown bomber’, tussen twee gevechten,
en hier Ray Robinson in zijn suikerroze jas, meisjes aan elke arm,
ik wilde naar Jack Dempsey knikken door het raam van zijn restaurant
en langzaam, heel langzaam tot tien tellen, zonder dat hij dat zag,
ik wilde als Walt Whitman een barbaarse kreet over de daken van Brooklyn
laten schallen,
ik wilde mijn ogen dichtknijpen en Lafayette toejuichen in Fulton Street
en de GI’s langs Broadway in ’45,
ik wilde in het middelpunt van de wereld zijn,
dat eerst in de Voorstraat lag, op de hoek van de Asylstraat
in een klein stadje in Nederland,
maar nu van plaats veranderd was en hier lag –
ik was een jongen, droeg nog verkeerde kleren,
bloosde telkens als iemand mij iets vroeg –
ik wilde subways langs zien rijden, ‘whole cars’, ‘whole trains’
van Dondi, Lee, Rammellzee en Blade,
ik wilde weten waar e.e. cummings zijn hoofdletters aan de vuilnisman meegaf,
waar Dutch Schultz met zijn hoofd op een bord zijn laatste adem uitblies
en waar op 15 juni 1904 – de dag voor Bloomsdag – de General Slocum verging
met meer dan duizend kinderen aan boord,
de grootste ramp in de zevenennegentig jaar die volgden,
ik wilde hier zijn, hier blijven, ver weg
en nergens zó dichtbij
en het werd ochtend,
filosofen sliepen hun hermetische slaap,
de zon kwam op
en mijn vader kroop tevoorschijn uit mijn moeder,
werd groot, grijs en almachtig,
strekte zijn armen uit –
mijn broers, mijn miljoenen broers,
krioelden aan zijn voeten –
en hij zei:
‘Nee, jullie storen niet.
Jullie storen nooit,’
en mijn moeder weende.
2009, Toon Tellegen
Noten:
- Thelonious Monk: jazz pianist (toen ik studeerde liet ik me wel eens Theloon noemen, vanwege Monk – ik bewonderde hem meer dan welke jazz musicus ook) 2. John Coltrane, saxofonist, speelde in de Village Vanguard in Greenwich Village. Mijn lievelingsnummer van hem is ‘My favourite things’ 3. Minton’s Playhouse: legendarische jazzclub in Harlem in het eind van de dertiger, begin van de veertiger jaren, de ‘bebop’ ontstond daar – op maandagavond kon iedereen meespelen, die dacht dat hij goed kon spelen. Charlie Parker begon daar – de grootste van allemaal. Soms werd ‘I got rhythm’ in telkens een andere toonaard gespeeld om nieuwkomers op de proef te stellen 4. Casey Stengel: legendarische coach van de New York Yankees in de vijftiger en zestiger jaren, kwam op een karakteristieke manier de dug-out uit om een werper te vervangen 5. Bill Skowron: eerste honkman in die tijd – vanwege de vorm van zijn hoofd was zijn bijnaam ‘the Moose’: ‘Moose Skowron’. Bij de ingang van het stadion werden fluitjes verkocht, die het geluid van een eland maakten. Als hij aan bat kwam blies iedereen daarop, dan loeide de ‘moose call’ door het stadion 6. Mickey Mantle: de grootste slagman van de Yankees in die tijd, die veel homeruns sloeg 7. bleachers: deel van de tribune 8. De Yankees waren jarenlang bijna onverslaanbaar – er was een uitdrukking: ‘Never bet against the Yankees’ 9. Roosevelt G., Jim K., Dick M., Andy R. en Sam H.: ongehoord grote, zware en sterke verdedigers van de New York Giants, het American football team van de stad, toen 10. In de twintiger jaren was er een felle strijd om de prijs voor de subway en de veerpont naar Staten Island op vijf cent te houden – er was zelfs een Five Cent Fare League 11. Nathan’s footlong hotdogs in Coney Island zijn beroemd 12. Er staat een beroemd reuzenrad (Ferris wheel) op Coney Island en er is daar een houten plankier langs het strand 13. Delmore Schwartz schreef ‘In dreams begin responsibilities’, een verhaal waarin in een droom zijn ouders voor het eerst samen over de boardwalk op Coney Island lopen 14. Jimmy Walker: burgemeester van New York in de twintiger jaren, hij hield van show, liep bij parades – zoals de beroemde Police Parade – altijd voorop 15. Ik heb samen met een vriend in 1965/1966 een toneelstuk over Jimmy Walker geschreven: daarom is hij mijn held 16. Hij was behalve burgemeester ook songwriter: zijn beroemdste song is: ‘Will you love me in December as you did in May?’ 17. Fiorello LaGuardia: zeer geliefde burgemeester van New York in de dertiger jaren – toen er een staking van de new yorkse kranten was waren kinderen ontroostbaar: ze misten hun dagelijkse cartoons – LaGuardia heeft die toen elke dag voor de radio voorgelezen, zolang de staking duurde 18. Joe Louis: wereldkampioen boksen, zwaargewicht, in de dertiger, veertiger jaren, zijn bijnaam was: de ‘great brown bomber’ 19. Ray Robinson: wereldkampioen boksen middengewicht in de vijftiger jaren, een ‘mooie’ man: zijn bijnaam was: ‘Sugar Ray’ – ik zag hem een keer in de buurt van Times Square op straat in een roze bontmantel 20. Jack Dempsey, wereldkampioen boksen zwaargewicht in de twintiger jaren, had later een restaurant op Broadway, zat vaak zelf voor het raam daar – hij verloor een beroemd gevecht om de titel tegen Gene Tunney, waarschijnlijk omdat de scheidsrechter te laat en te langzaam tot tot tien telde – die wedstrijd heet nog altijd: ‘the long count’ 21. Walt Whitman woonde in zijn jeugd in Brooklyn, een regel van hem is: ‘I sound my barbaric yawp over the roofs of the world’ 22. Walt Whitman heeft in 1825, op de arm van zijn moeder, in Fulton Street in Brooklyn Lafayette toegejuicht, die Amerika bezocht 23. Het Amerikaanse leger kreeg aan het einde van de oorlog een ticker tape parade langs Broadway 24. De Voorstraat en de Asylstraat zijn twee straten in Den Briel, waar ik de eerste twaalf jaar van mijn leven woonde. Op weg van school naar huis – ’s ochtends en ’s middags – kwam ik langs de hoek tussen die twee straten en dacht ik vaak: nu ben ik in het middelpunt van de wereld, dat is precies hier . . . 25. Dondi etc.: de eerste grote graffiti kunstenaars van New York, die hele wagons en soms hele treinen van de subway volschilderden: dat heette in hun jargon: ‘a whole car’ en ‘a whole train’ 26. e.e. cummings: dichter, gebruikte nooit hoofdletters in zijn gedichten 27. Dutch Schultz, een beroemde gangster in de twintiger en dertiger jaren, werd in 1935 in een restaurant neergeschoten, lag met zijn hoofd voorover op zijn bord: er is daar een beroemde foto van 28. De General Slocum was een grote plezierboot die op 15 juni 1904 in de East River in brand vloog en zonk: er waren 1300 personen aan boord, vooral kinderen, die een dagtrip maakten, er kwamen 1020 mensen om – het was tot 11 september 2001 de grootste ramp die New York trof 29. ‘Bloomsdag’ is de dag waarop Ulysses van James Joyce zich afspeelt: 16 juni 1904 – er is geen boek dat meer indruk op mij heeft gemaakt dan dat boek, dat ik in het voorjaar van 1960 in Amerika las

A SHEET OF PAPER LIT UP BY MEMORY
But still – the poem’s patient independence, and the shallow depths near heaven, a phrase I have from Ekelöf (‘As in the ballad’ published 10 October 1964), perhaps simply to remind myself that the draught from the open kitchen window, and the thin, cold drizzle, snowflakes almost, set the scene for an awkward perspective that evening. The year was 2003. How would it go with us?
And on the grey respatex table, next to a black dice, lay the photograph of father, a picture that had once been stapled to a public document unknown to me. I noted that we did not resemble each other, but when I turned my face towards the twilight I found the way home all the same.
Rune Christiansen
Translation: 2011, David McDuff
A SHORT HISTORY OF POLAR EXPLORATION
The snowlines, moving in, and light failing fast
as aurora borealis throbs there like a walrus heart,
all the land so wide, so all around; so vast as to
haunt. Mythology, the oil flares far away. Lightning
down the pipeline, a shiver down the spine of Alaska.
The Arctic poppy, ambergris, a narwhal tusk, and all
the massive muskoxen delineate the one soft curve
when moving. Further out the pack ice is a camel caravan.
A snooker table built from blocks of ice (we do not
want the men to go insane, have hooked up mirrors
at the cabin doors, to catch what little sun there is,
this for the worst of the scurvies.) At night my dreams
are green, blue, gold: hues I cannot see out there. The bear
is white, the land is too. Nothing to name into existence.
2004, Luke Davies
From: Totem: Totem Poem plus 40 Love Poems
KORTE HISTORIE VAN POLAIRE ONTDEKKINGSREIS
De sneeuwgrens die opschuift, het licht dat snel kwijnt,
terwijl het noorderlicht bonst als een walrushart,
het land zo weids, zo overal, zo uitgestrekt,
spookachtig haast. Mythologie, olie flakkert ver weg. Weerlicht
langs de pijplijn, Alaska’s ruggengraat huivert,
De pool-klaproos, ambergrijs, een narwalslagtand,
al die massieve muskusossen trekken een golflijn
als ze zich roeren. Het ijspak in de verte is een karavaan.
Een snookertafel van ijsblokken (want we willen niet
dat onze mensen doordraaien, dus zijn er spiegels
aan de hutdeuren bevestigd, om ’t kleinste beetje zon te vangen,
tegen de ergste scheurbuik.) ’s Nachts zijn mijn dromen
groen, blauw, goud: kleuren die ik hier niet zie. De beer
is wit, het land ook. Niets om tot leven te roepen.
Luke Davies
Vertaling: 2009, Rob Schouten
A Small Death
My daughter, Úna, wanders
off to play in the forest,
unafraid, her new rag doll
clutched under one arm:
a small fairy queen, trail-
ed by her elderly knight.
At the centre, I find her
beneath black hemlock, red cedar,
halted on a carpet, a compost
of fallen leaves, rusty haws
and snowberries, knobbly chestnuts:
decay’s autumnal weft.
She has found a dead bird
which she holds up in her
other hand; eyes, bright beads,
but the long beak spiky, cold,
twig legs crisped inwards.
Why not fly? she demands
And as I kneel to explain
(taking the retted corpse away)
dead, she repeats, puzzled.
So we bury the scant body
under a mound of damp leaves,
a gnome’s pyre, a short barrow:
Her first funeral ceremony.
Home now, I nudge gently,
past the slapping branches,
the shallow Pacific rain pools
she loves ploutering through
in her diminutive wellingtons.
Beyond the tall woods, lights
of Victoria are flickering on:
yellow flares of sodium
under dark coastal clouds
crossing Vancouver Island;
dream cattle swaying home.
1995, John Montague
ONTKENNENDE ZINNEN VAN EEN ZONNEBLOEMPIT
onvoorstelbaar dat in deze rivier van porselein
ooit het bootje van Du Fu was afgemeerd
ik ken het maanlicht niet zie alleen de helderheid van de verzen
regel voor regel verzwakken tot een persona non grata
tot een symbool alles besprekend en alles mijdend
ik ben geen symbool de zon stervend onder de schil van een zonnebloempit
ook niet ineengestort sneeuwwit vlees van kinderen
is helemaal niet verdwenen de horizon van de dageraad kan niet
die pijn vergeten botten opengesneden door glas lijken glas
te laat met schreeuwen daarom dagelijks bij het eerste licht
aan een aardbeving komt geen eind
verstikking van niet-doden hekken geplant tot het einde van de wereld
boeien een nog onverdraaglijkere stilte daarom ben ik niet bang
voor de jonge politievrouw die mijn naakte lichaam bekijkt
het was gevormd door verbranding niet anders dan het jouwe
geen andere vermorzeling kennen dan de miljoenen vermorzelingen in jezelf
niet in de grond vallen alleen in een rivier die niet kan stromen
geen aandacht voor het goudgeel ingesloten in de steen moet
ingesloten blijven zoals een oude traan van Du Fu
laat dit gedicht niet wegzinken in onverschillige doodse schoonheid
Yang Lian
Vertaling: 2013, Silvia Marijnissen
A TREE AND A SPARROW
Yesterday the dark sea began to come.
I heard it rise, displacing air,
I heard it grow over the canopy.
The rabbits in coops twitched nervously in their sleep.
Their closed eyes glowed in the dark, the shutters
banged and the steps of my forgotten body
glided through the deserted rooms. I am alone.
The silence in my skull has become thick like clay.
It shines into the distant rooms. Everyone has gone.
Sudden deaths and farewells. Slow deaths
and farewells. Farewells like death. Does it make
a difference anyway? And then the long bending over
the buzzing in the receiver. Countless impulses of silence.
The family disperse, go their separate ways, vanish
like music in the room. People disperse,
go their separate ways, vanish like light
when you switch it off. I sleep ever less.
That might be a cure for a longer life.
Sleep is nothing but the imitation of death.
I keep tossing and turning between the sheets. My lungs
are ebbing and flowing like the sea.
But I’m no longer conscious of it. I’m ever lighter
and ever more contracted. I need ever less room.
I displace ever less air. Ever more do I feel that
I’m beginning to resemble a sparrow.
The night wind is constantly bringing yellow dust
into my wakefulness. From it I assemble a woman’s cry,
which I have buried at the bottom of the ocean,
which I have heard between the huts
on the border between life and death.
I didn’t know her language,
yet the flight of her voice told me she is asking for light.
Then I didn’t understand. Now I do.
Even my highest plea is a plea for light.
Solitude is milder in the light.
False is the belief that eyes can rest
in the dark. Only light brings them real rest,
illuminated beds on objects.
Animals are awake and flowers open.
We can exchange messages.
I can give them life. I can rear them
and water them with love that once
I gave to those closest to me. The neighbours
who pass by my house chat with me.
Talking to them I forget about everything.
Talking to myself I remember it all.
The shutters are banging and the sea salt is snowing over the meadows.
The night birds are beginning to speak the language of fish.
The hand onto which the angels of destruction
have burnt a mark is breaking the dusk.
There in the end-room, before sleep, it’ll find
itself pulling the blanket up to her child eyes.
The further I go along the circle of time
the closer I come to my beginning.
The dimensions of my body are also ever more
like those from the beginning. There
in the end-room I might meet
a stranger whose mind quivers and sings.
He will offer his hand, trudge his way across the river
and take me to the other side. Why do I ever drift around?
I’m just imagining it all. The polar night
stretches deep into the day. Although I can hear
the blood filling my veins I cannot find
the way out from wakefulness. If you get up at night,
glide to the kitchen and there meet
the one who grew in your belly,
then you know there is still hope,
then you know that through him you move into the future.
Yet everyone has gone.
Although at times it seems to me that they have left
a trace behind like on postcards
they had written from big cities,
on which the streets remain intertwined
with headlights long after the cars
have all gone. The voices
are coming back to the birds. Soon dawn will break.
My plea will be heard once more.
I will get up and go into the garden.
I will look into the coop to see if the dark sea
has taken a rabbit instead of me.
I always think that I was given so many years
because they had been taken away from others.
I ask myself, isn’t there an average of years
someone is playing around with, someone
who cannot calculate, who has no sense of
harmony and balance. And since, like some people,
I do not know of any other means of avenging the mortal’s hand,
I will, at one point in the future, when the time is ripe,
touch the only tree in the garden on which
the sparrows always sit, and become what I have
always been. A solitary tree.
Its bark will be my skin.
When now and then the people will return,
their children will drowse in my shade.
And if I sleep, I will sleep like a tree.
And if I travel, I will travel like a sparrow
that always stays close to its nest
and never flies south.
Uroš Zupan
Translation: 2000, Ana Jelnikar
めぎつね
野狐の背中に
雪がふると
狐は青いかげになるのだ
吹雪の夜を
山から一直線に
走ってくる その影
凍る村々の垣根をめぐり
みかん色した人々の夢のまわりを廻って
青いかげは いつの間にか
鶏小屋の前に座っている
二月の夜あけ前
とき色にひかる雪あかりの中を
山に帰ってゆく雌狐
狐は みごもっている
1964, Shinjiro Kurahara
From: Iwana
A Vixen
When snow falls
on the back of a wild fox,
it becomes a pale blue shadow.
At night in a blizzard
the shadow comes running straight down
from the mountain,
circling the fences in a frozen village,
moving around the orange dreams of the people.
The blue shadow, before they know it,
sits in front of a chicken coop.
Before dawn in February,
in the gleam of a damask mantle of snow
the vixen returns to the mountain.
It is pregnant.
Translation: 2010, Mariko Kurahara, William I. Elliott, Katsumasa Nishihara
From: Iwana
A Voice
A voice bouncing off boarded-up windows, a quivering voice
within walls like well-driven nails.
A throaty voice, as if of a caged dove
groping through deaf darkness into bunches of hanging fingers.
Through them, through the air heated by snow,
torn apart like fabric, like flesh that has known the scalpel.
How silent it is! Either a hot flash on the cheek
or simply snowflakes melting and rolling down like tears.
That voice! Free, unmaimed by wheels, not pursued,
edgy, floating beneath the damp stone vaults,
remarked only by the lightning glances of parishioners
who will remain in this blue twilight, today or tomorrow.
Anzhelina Polonskaya
ABANDONATA
Above the stove his longjohns hang
where he pegged them on June 10th 1911.
A pin-up of a girl’s naked back
beside his bunk is curling up to his
spilt shelf of charts and logs, the diary’s yard
of ink. Frozen to death, outside,
the remains of a dog, chained in ice.
And here, Ponting’s darkroom, reliquary
of vials and plates splayed like cards.
On the table where Scott raised a final
birthday glass, a visitor has tried a slice
of a hundred-year-old ham. Tins
of boiled mutton, brawn, Tate & Lyle
syrup lie thick and slow as the snow’s
drift, preserving an era’s hour.
And what of the women they left behind,
pausing each night on the stairs
to wind the heart of a clock,
folding and unfolding clothes, reading
and re-reading letters, weighing
each word, like a body?
2008, Samantha Wynne-Rhydderch
After the Ark
It’s not told
how the animals left,
but waiting to disembark
their breath formed a cloud
and fell as light rain.
It gathered in hollows
under their eyes,
the peaceable kingdom
laid down, like memory
in a library of water
and long after landing
they would watch
for the waterspouts
and that mysterious fall
of fish from the air.
2008, Pauline Stainer
Again the Roads are Silent
again the roads are silent, dark peace
again there are bees, honey, silent green fields
willows by the rivers, stones at the bottom of the valleys
hills in the eyes, sleep in the animals
again the children are restless, blood in the whistles
again there is bronze in the bells, an aura in the tongue
travelers greet one another, the plague strengthened the joints
wild deer are in the palm, the snow shines
I see the morning, how I hurry
I see skin in the pious dust
I see shrieks of joy, how we head toward the south
Toledo man, two little hitchhikers
the images are clear, the flowers are timid
dark sealed sky, I hear a scream
the time for love awaits, time of tall statues
silent clear hinds, dreamy linden trees
Tomaž Šalamun
Translation: 2000, Joshua Beckman
AHEM
I saw the best suits of my parents’ generation
destroyed by poor tailoring, synthetic fibres
and hysterical lapels,
dragging their shopping down the high streets
of Albion in Pacamacs with hairdos under
hairnets and headscarves,
Brylcream-headed husbands burning pipe tobacco
in walnut bowls and inhaling through
the clenched teeth of repressed ardour,
who feared the wind rush in the negro streets
of Victoriana blowing the sounds and smells
that threaten the unfamiliar and didn’t
even know Elvis Presley existed yet,
who got drunk on home-made egg-flip at Christmas
and sang the old songs around the piano
while their kids were happy with a tangerine
and dinky toy,
who saved so that one day they might have
a little car and be saluted by the AA man
as they drove by,
who were all the time boiling vegetables to eat with
Spam while listening to the radiogram valves
singing hot with Family Favourites and after sprouts
there was Much Binding in The Marsh until
Billy Cotton cried out WAKEY WAKEY and
Bandstand glowed out in the deathly grey
of cathode rays,
who on Fridays went dancing up the club in sixpence
a week Montague Burton suits and crammed into
eighteen hour girdles and mail order dresses with
their blue hair piled on top, but just too soon to have been teenagers,
who tripped out to Skegness Vimto-fuelled in charabancs
to shine under Billy Butlin’s neon “our true intent is all
for your delight” while being served brown ale by lasses
from Doncaster in grass skirts under plastic palm trees
in The Beachcomber Bar,
who never used the front room but kept it pure and the
antimacassars pressed for visits by doctors or
vicars or teachers for tinned salmon and tinned pears
and tinned milk and polished their front steps
and never ran out of string,
who knew their place and never thought the universities
were for the likes of them but prayed for office jobs
for their children and stood for God Save The Queen
at the Empire and said how wonderful their policemen
were and fought in the war for the likes of me,
who had more words for toilet than the Inuit have for snow
and put their teeth in jars then slept in their vests
under candlewick counterpanes in cold bedrooms
with dreams of winning the pools and bungalows
in Cheshire with inside loos and labour saving devices,
who at dawn trod into brown slippers onto cold brown
linoleum and could only face the day through the
sweet brown haze of a hundred cups of tea and
twenty Capstan full strength.
2005, Martin Figura
Akhmatova in Lambertville
The revelations of ice, exactly:
each leaf carries itself in glass,
each stem is a fuse in a transparent flex,
each blade, for once, truly metallic.
Trees on the hill explode like fireworks
for the minute the sun hits.
Fields hover: bleached sheets in the afternoon,
ghosts as the light goes.
The landscape shivers but holds.
Ice floes cruise the Delaware,
force it under in unnatural silence;
clarification I watch as I watch
the road – nothing but the grind of the plough
as it banks snow, drops salt and grit.
By dark these are just settled hills,
grains embedded in the new fall.
We, too, make little impression
walking back from town at midnight
on bird’s feet – duck’s feet on the ramp
where we inch and scrabble our way to the door,
too numb to mind the slapstick.
How did you cross
those unlit, reinvented streets
with your fear of traffic and your broken shoe?
There are mornings when it drips and cracks.
We pull glass bars from railings,
chip at the car’s shadow.
Lavinia Greenlaw
Akhmatova in Lambertville
De openbaringen van ijs, precies:
elk blad draagt zichzelf in glas,
elke steel is een draad in een doorzichtig snoer,
elke halm nu eens echt van metaal.
Bomen op de heuvel exploderen als vuurwerk
in de minuut dat de zon doeltreft.
Velden zweven, gebleekte lakens in de middag
spoken als het licht heengaat.
Het landschap huivert maar houdt het vol.
IJsschotsen kruisen op de Delaware,
dwingen hem naar beneden in onnatuurlijke stilte;
clarificatie bespeur ik als ik speur
naar de weg – niets dan het geknars van de ploeg
terwijl hij sneeuw schuift, zout en zand strooit.
Tegen donker zijn dit slechts vaste heuvels,
korrels opgenomen in de nieuwe sneeuwval.
Ook wij maken weinig indruk als we
te middernacht teruglopen van de stad
op vogelvoeten – eendenpoten op de helling
die we voetje voor voetje beklimmen op weg naar de deur,
te verkleumd om de slapstick te waarderen.
Hoe stak je die onverlichte
heruitgevonden straten over
met jouw angst voor het verkeer en je gebroken schoen?
Er zijn ochtenden dat het druipt en kraakt.
We trekken glasstaven van relingen,
knippen naar de autoschaduw.
Lavinia Greenlaw
Vertaling: 1997, Jan Eijkelboom
DIT ALLES
Zeg, wanneer we oud worden
en de kraaien komen ons halen
(kraa-kraa, en dan weg
met een vleugelslag de lucht in)
waar is onze liefde dan?
Waar is dan deze mond die iets zegt
over een kapot koffiezetapparaat, roest op de auto, een hart-
filmpje, een vulling die eruit gevallen is, de telefoonrekening
of (romantisch) over de gouden maan
en de wilde lijsterbes in bloei, die alle leugentjes om bestwil
goedpraat, het bedrog, en wat hij niet over zijn lippen krijgt over het kind
dat we nooit kregen, en die met de jouwe
samensmelt in een kus.
Of deze ogen die naar het groene computerscherm staren dag
uit dag in en die naar je kijken wanneer je je tegen de avond uitkleedt: verlegen
doe je het licht uit en staat als een silhouet met rijpe borsten
en heupen tegen het licht dat dun
door het raam sijpelt vanaf de kobaltblauwe IJslandzee.
Of deze handen die schrijven en schrijven, die
de sneeuwscheppen terugzetten en je
over je ledematen wrijven totdat je brandt en me wilt
als een stuwende kracht tegen een dam, en ik
stromend in je openbarst, in je weggehaalde
baarmoeder hier in Reykjavik?
Waar is dit alles wat we liefde noemen
wanneer de kraaien komen?
Want ze halen ons niet samen. Een van ons
ligt eerst daarbuiten op de sneeuwvuile grond
bij zee (geel gras van vorig jaar, verrotte lentesneeuw)
wanneer de zwarte kraaien komen pikken in je mond,
je ogen, handen en geslacht.
Diegene die aan de binnenkant van het raam overblijft, lief,
die ’s ochtends wakker wordt en alles doet
waar we vertrouwd mee zijn. Die Morgunblaðið haalt die
in de brievenbus zit. Die kranen opendraait
en zichzelf in de spiegel ziet: ziet diegene van ons daar meer
dan zijn eigen gezicht? Zal het gezicht van de ander dan
door het gezicht in de spiegel schijnen, zoals verlaten huizen
staan te schijnen aan zee?
Knut Ødegård
Quasi cantata
Afferra la sua luce senza limiti dicembre
quando tu mi apri gli occhi vicino,
neve notturna
splendore strano, sospensione gelata
dei rami
che erano gemiti e ora . . .
Afferra la sua luce senza confini il cielo
se tu chiami dagli archi
del silenzio e nel mio corpo reclami
quel che era cieco ed immobile
e dalle terrazze
del mio dolore ti esponi
apri gli occhi e la luce brucia i suoi margini
e anche quel che sul mio viso
sembrava duro e ora . . .
Afferra la sua luce di meraviglia l’inverno
quando ti avvicini ed è
tutto impossibile, eccetto l’eterno.
2003, Davide Rondoni
From: Avrebbe amato chiunque
Almost sung
It seizes its unlimited light December
when you open your eyes to me nearby,
nocturnal snow
strange sheen, frozen suspension
of branches
that were moans and now . . .
It seizes its boundless light the sky
if you call from the arches
of silence and in my body demand
what was blind and motionless
and from the terraces
of my pain you show yourself
you open your eyes and the light burns its edges
and even that which on my face
seemed hard and now . . .
It seizes its light of wonder the winter
when you come close and
everything is impossible, except the eternal.
Davide Rondoni
Translation: 2003, Gabriele Poole
Among the Barley
I
We met at the tail of a check-out queue,
and when she turned her head she spread
like blood through snowflakes, all melt and fire,
as my ripe tomatoes tumbled to the floor.
And when she bared her chamomile thighs,
her red-toed sunblaze, my body became
barley fields on fire. My frazzled ears roared.
My old house flared to fizz-burned bananas,
red meat frizzle-zings, the attic razed to hell,
and I knelt at the doorway singing High Hosannas.
II
After she’d cut her doorkey and laid out
blueprints of her kitchen cupboards’ insides,
I felt deep-bosomed, big-bellied and wide
as a turnip field, days before harvest.
I bought walking boots and walked through river-
wound groves. I bought allegories of birth
and death, framed them, and drilled them to
her wall. And how they fell. When she entered
a room eyes swivelled and bulged for her,
red crab-apples craving for the earth.
III
For you, I wanted to leaf and take root.
So I stood firm and pulled my lips full gape,
wanting to mouth apples. Uaugghh. I uaugghhed
nothing until it hurt. And then I surrendered.
Orchards of apples began to appear—
pear-shaped, plum-coloured, pineapple-dappled.
My eyes turned seed, my veins fructosed,
and my mouth bloomed stem-twigs for sound
and wounded fruit for sense, gulping forth
a juiced-up speech, or merely talking apples.
IV
I slap a second lick of banana dream gloss
on the back room’s walls while you measure
the cove for hanging your unframed mirror.
Soon we’ll discuss diaries, looking for
windows when we can next DIY together.
The forecast is for spells of lower pressure.
I finger-slick sweat from your pent shoulders
as the sun leaks onto the living room floor
and trickles down our thighs and thrawn limbs—
barley sheaves waiting for the thresher.
V
We walk a line that curves from day
to day, often squiggly, higgledy-piggledy
as if etch-a-sketched by a sugar-rushed
two-year-old so that I find myself
rushing through a maze of malls, esplanades,
restaurants, barley fields, beds, lakeside
pathways, garden patios with sundials—
meeting points that blend and deepen
and brighten and bloom the way a room
looks bigger when you’ve been in it for a while.
VI
We meant to make love on the stairs,
the deskchair, the windowsill, the throw
your sister bought back from Brazil.
Now we zigzag and busy-buzz by
one another like honey bees sniffing
pollen in the autumnal dusk-lit glare.
So let our love be watertight and let
the breeze blow through it. Let us be solid
oak and fluid. Let us be truth, let us be dare,
the swallow’s dive sculpted in rock, and air.
2007, Alan Gillis
From: Hawks and Doves
毋祭文
一團又一團火像冰凍的星簌簌熄滅
沒有什麼,大地上只剩我們未被燃點
死亡不是詩的理由,再生也不是
星星的殘骸落在雪中,刹那十萬年
十萬度高溫的凝凍物,這黑晶
是我們稱之為鳳凰的,你們稱之為獅子
在我們十四億人的虛空上淒唳的水晶
在你們五百萬人的戰意下低哮的水晶
這赤水中賓士的黑冰無從加持
閃電雲層中逃逸的離子靈魂無從挾持
只剩我們了,未被燃點未曾詛咒和圓滿
危石累累曲趾拳拳抱卵如未生
一團又一團星雲無知於你們我們
以彼此愛恨為酒輪迴路上一醉的死者
2012.11.15.
2013, Liu Waitong
EEN ELEGIE DIE NIET TREURT
vuurballen gaan een voor een uit als bevroren sterren
er is niets meer, alleen wij blijven onverbrand achter op aarde
sterven is niet de reden voor poëzie, noch is wedergeboorte
overblijfsels van sterren vallen in de sneeuw, een flits van honderdduizend jaar
gestold bij honderdduizend graden hitte, dit zwart kristal
dat wij feniks noemen en jullie leeuw
kristal dat weent in het vacuüm boven ons volk van 1.4 miljard
kristal dat gromt onder de vijandigheid van jullie volk van vijf miljoen
zwart ijs dat in rood water voortdendert kan niet vastgehouden worden
ionaire ziel die uit donderwolken vlucht kan niet gegrepen worden
alleen wij blijven over, onverbrand, onvervloekt, met perfecte
rotsblokken, gekrulde tenen, vuisten die een ei dragen als ongeboren
sterrenwolken zijn een voor een onwetend van jullie, van ons
de doden, dronken van de wijn, door wederzijdse liefde en haat tijdens de reïncarnatie
15 november 2012
Liu Waitong
Vertaling: 2013, Audrey Heijns
AN EXTRACT FROM THE NOVEL “MUD-HOUSE”
that is how, that is how one should write
so nobody loves me because of that
and then to stay on the left shore
in Budapest where there is not a single bridge
where I shall cry remembering how beautiful I was
all of me carved from your dark body proportionally
like a snow-sprinkled cube of turkish delight
like blocks of stone in stonehenge
all comes to the same visibility parameter by night
so when you make me laugh
I can spread out in stereo
and range from sin to a naked laugh
when I pick it clean of top-soil
what remains to me will be
eczema on my chin produced by the black earpiece of a telephone
because you are. a mole you are an ugly warm snout
and you’d better not look
what happened on the surface:
your scarf rolled up like a snake on a couch
(fresh little mounds in my flower-bed
had already snuffed out all conventionally beautiful plants
including myself
Anka Zagar
Translation: 2003, Sibila Petlevski

An Invisible Tree
I found footmarks in the snow
When I saw them
I witnessed, for the first time,
a world ruled by
small animals, little birds and beasts of the woods
Take the squirrel, for example –
his clawmarks came down the old elm tree
crossed the footpath
and disappeared into a grove of fir trees
I saw in them
not a moment of hesitation, unease, or smart question marks
Take the fox, too –
his footprints went on and on,
straight, down the path along the valley
on the north side of a village
The hunger I know
would never trace a line that straight
My mind never possessed the nimble, blind, affirmative
rhythms of those footmarks
Take, for example, the single bird –
her footprints cleaner than her voice,
her nail marks more defined than her life
her wings carved against the snowy slope
The fear I know
would never manifest itself in such a simple pattern
My mind never moved to such sensual, heathen, and affirmative
rhythms as her wings
All of a sudden a gigantic sunset reaches the top of Mt. Asama
Some presence
shapes the forest,
pushes open the valley’s mouth,
and rips apart the cold air
I return to a shack
I start a fire in a stove
I am
an invisible tree
an invisible bird
an invisible small animal
I think only of invisible rhythms
Ryuichi Tamura
Translation: 2007, Takako Lento
AN ORDINARY EVENING AT HAMILTON
The garden shifts indoors, the house lets fall
its lamp light, opens
windows in the earth
and the small stars of the grass, the night insects,
needlepoint
a jungle more dense
than any tapestry, where Saturn burns, a snow owl’s nest,
and melons feed
their crystal with hot sugars of the moon. The Pacific
breaks at our table,
each grain
of salt a splinter of its light at midday, deserts
flare on the lizard’s tongue. Familiar rooms
glow, rise through the dark – exotic islands; this house
a strange anatomy
of parts, so many neighbours in a thicket:
hair, eyetooth, thumb.
1998, David Malouf
EEN GEWONE AVOND IN HAMILTON
De tuin verschuift naar binnen, het huis laat
zijn lamplicht vallen, opent vensters
in de aarde
en de kleine sterren van het gras, de nachtinsecten,
borduren
een jungle die dichter is
dan enig tapijt, waar Saturnus brandt, een sneeuwuilennest,
en meloenen hun kristal
voeden met hete suikers van de maan. De Stille Zuidzee
breekt aan onze tafel,
elke korrel
zout een splinter van zijn licht in de middag, woestijnen
flitsen op de hagedissentong. Vertrouwde kamers
gloeien, stijgen door het donker – exotische eilanden; dit huis
een vreemde anatomie
van delen, evenzoveel buren in een bosje:
haar, hoektand, duim.
David Malouf
Vertaling: 1998, Jan Eijkelboom
Anatomie van melancholie
Is de Kilimanjaro hoog genoeg?
Om jezelf in de rug te schieten?
Wanneer je voeten wegzinken in eeuwige sneeuw.
Nu dan?
Je strekt je arm,
je haalt de ijzeren hoektand over.
De draak in je hand spuwt vuur.
Draak: orbitaleur, brenger van veelal
ongewenste voorwerpen in een baan rond de aarde
ware het niet
dat de slaagkans omgekeerd evenredig is
met zwaartekracht. Tegenwind?
Het aantal slachtoffers onderweg.
2002, Jan Lauwereyns
From: Buigzaamheden
Anekdoten, openbaringen
Vlammend langs een vaalblauw zwerk
de engel Gabriël waarschijnlijk
op zoek naar een plaats om neer te dalen
iemand om in te fluisteren. De cineast
Sokoerov, luie visionair:
een jonge, bleke, verstrooid turende lijfwacht
krijgt plotseling zijn Führer in het vizier
die zich gehaast van achter een rotsblok opricht
gepoept heeft waarschijnlijk
nerveus om zich heen kijkend zijn handen
schoonwrijft met sneeuw.
De vrouw die als eerste de engel ontwaarde
joelde als een waanzinnige, verjoeg daardoor
de engel, onbedoeld. De vrouw versteende.
Ze versteende.
Maar niet voor straf.
De verbijstering op het bleke gezicht van de jongen
terwijl zijn Führer zich naar de rest van het gezelschap haast
dat uitgebreid aan het picknicken is verderop, tegen een achtergrond
van besneeuwde bergpieken, nevelslierten, afgronden.
2003, Mustafa Stitou
ANGELS WE ARE NOT
I
Trees stand upright, devoid of airs
Birds roam aimlessly
Clouds, one of their species,
Are afloat without wings
It is certain now that the time of rain’s begun
Horses are deep in their practice run,
With magic awhirl in their eyes
Like vines, the colour of rain has spread
On their drenched backs and streaked down
Unknown even to the rain, the scavenger is sinking
Along with the rain’s debris
There is no better season in which
To weave the body’s history
II
When the snow-body, molten
In the heat of breath,
Met the eye,
Life’s fount opened its lips and flowed
In the evening, when another time called,
The body wore, and wore again, those garlands
Of fire; was gutted
In the morning that greeted and spun you around
In the zones of breath, love itself
Was Death’s scented pollen
In the hard rain that lops your head
And flings it on the ground,
As wheels turning within a wheel,
Life’s eye shrinks to its essence
III
It was in that city deficient
In sperm count, through which
Burdensome nights passed, that I met her
In the groves that beckoned me to understand
The loneliness she had made familiar,
Sounds of falling fruit that birds chewed and spat out
Would stun me, like someone following furtively behind
Lean cats prowling in search of dried fish
And snakes racing now and again across the courtyard
Would drag her house bereft of electricity’s hues
Towards realms of magical fiction
Trimming the lamp’s wick, and casting
On the wall a gigantic shadow of her bare body,
She would tell me shadow tales spiked
With the milk of my forefathers
Only buds that are yet to flower
Wouldn’t have heard or known such tales
IV
She who obsessed over the body
Started a trade for its sale
After scraping clean the body’s slush
From her underclothes, and
Making the body whole,
She carried it, as in a lamp-lit
Procession at the temple festival
Wearing a radiance beyond the oppressive heat,
Everyone followed her
Like wet clothes hung up to dry,
They were worn out by lust’s torments
By and by, they pelted her with stones
Carrying her lamp, she fled down those streets
The city itself caught fire, burned
We now look on piteously
At the tents coated with the body’s ash
Firemen are still at their task
Of rescuing the body
V
As seedlings, several centuries ago,
Breasts sprouted in her body’s black soil
She forgets them sometimes, as they quiver
Among the straining bodies
As the sun goes down, they boom like conches —
Very close to her heart
A thread of rain enters her and unravels; then
Lust’s fangs rise all over her body
If those conches were to open their mouths,
They might speak of her body’s travails
VI
The day destroys the night’s holy processions
In the torment of being pregnant with a word
Untouched yet by anyone’s heart, finger and lip,
Her body yearns. Yearning is what it must do.
In this rainy season of lakes filled
With ashes falling from the sky, it lives
Like a virgin-seed battened with its own fruit
Patterns drawn by a child’s fingers, distinguishing
By touch the eyes, hair
And other organs of a flower,
Have strung her body together,
As the roots of a plant grip the soil tight
In the dimples of fleshy organs sits,
Cowering, her endless hurt
We who together sip our sweet drinks
From different glasses, savour
Our separate memories alone
VII
Standing alone in the woods and writhing
At the touch of the finger that stalks —
That continues still
When I return by the same path,
It lies there limp
Like a noose-rope broken
Flowers of the night
Are awake, like the lidless eyes
Of corpses
In the din of the body sprouting machines all over,
A child’s laughs weakly sputters
In the lash of the season’s rain.
The eye’s flame is dimmed; goes out
We are not angels, after all
Kutti Revathi
Translation: 2002, N. Kalyan Raman
Another Decade, Hudson River
then we turn our backs to the symbols
sit into another river
a dark blue corner of a dark blue room
when hearing is blacker ten years the jetty has leaned whispering against water
in the little park ten years the tender green accordion of trees has played
children charging down the April to April steps
clouds charging down their reflection water now bright now dark
and squirrel’s pulped organs open
a blood-red photo album reality stings even through glass
even a soaked hand couldn’t touch the lined-up days
river a blank textbook hanging from the past window
questioning now only the single remaining page no need to learn vagrancy
weariness tethered to a water bird flying low
the spinning whirlpool exit for all the world’s skyscrapers
flee flee to plastic flowers no need to learn vanishing
Hudson just like a name formed by the sound of the wind
lamplight’s passing glance just like ghost fire hidden in human bodies
switched on just like a notch blown away at will
a rosy notch twilight recorded on the sky
whoever has understood it will live into a poem
unending past events
room in a room filled with water of a decade
corner in a corner painting the dark blue of distance
the way we sit forever turning our backs on the ocean
listening to the waves shatter rubble savagely smashing a decade
telephone lines broken cries for help blindly float through a decade
river the colour of forgetting can’t forget
each day two hands full of crimson steel tumbling straight down
no need to learn burning handful of ash fixed in
tight-shut eyes moon like a scooped-out pip
singing contralto requiem for every river valley
every place that flows away appears each time after dying
banks paved underfoot have been thousands of times removed
a pale fishbone always has another end glowing with phosphorescent light
endurance to slap a lifetime’s final
farewell pushing out tonight again
with the look of a room thrust into the universe
survey how much this sunken ship could further sink
our backs turned to zero drawn as the horizon
how much farther it migrates then crazy blue is blue enough to be black
in a lost accent Hudson pressed against
a bluestone wellhead buried at the gate of an ancient Chinese village
destruction touches its own diameter of one day
one drop gathers snow left for us
with the beauty of survivors and the cruelty of survivors
Lang Lian
Translation: 2009, Brian Holton
From: Lee Valley Poems
Waar men bang voor is
Baden, mijten, jeuk, zuurheid, alarmsystemen, open plekken,
hoogten, van een (geringe) hoogte springen, vaagheid,
lucht, tocht en wind in het algemeen, braken, krankzinnigheid.
Pijn, pleinen, wilde spinazie, straten, naalden, katten en dieren
die op katten lijken, nierziekte, kippen, knoflook, meningen,
het uiten van meningen of het ontvangen van lof, stof, staan.
Lopen, autorijden, met de auto een kruising schuin oversteken,
tolwegen, vergeten, schrammen, omhoogkijken, lucht inslikken,
stikken, Engeland, Engelsen, de Engelse cultuur, bloemen.
Razernij of woedend worden, onbeweeglijkheid van een gewricht,
de maatschappij, overstromingen, alleen of alleenstaand blijven,
oneindigheid, aanrakingen, bijen, mensen met amputaties, amputaties.
Plakkerig eten, spinnen, cijfers, vuur, flauwvallen, onweer, bliksem,
sterren, het heelal, asymmetrie, ataxie, wanorde, rommel, ruïnes,
atoomexplosies, falen, fluiten, goud, noorderlicht, de eigen taal.
Eenzaamheid, zichzelf, het eigen spiegelbeeld, vliegen (in vliegtuigen),
kogels en raketten, bolsjewieken, zwaartekracht, vallen, diepten,
onpeilbaar water, diepe gangen, dicht bij hoge gebouwen staan.
Kikkers, salamanders, boeken, planten, eigen biseksualiteit
of die van anderen, mooie vrouwen, vrouwen, zich emotioneel binden
aan een ander persoon, slijm, spoken of de boeman, padden.
Lichaamsgeuren, lelijkheid, lelijk zijn, kanker, zwermen,
hartaandoeningen, het hart in het algemeen, vlees of het eten van vlees,
belachelijk worden gemaakt, nieuwe geneesmiddelen, kometen.
Nieuwe ideeën, vrolijkheid, sneeuw, aangeraakt worden, moslims,
de islam, de islamitische cultuur, haar, chemicaliën of het werken
met chemicaliën, tijd, klokken, voedsel, kleine of gesloten ruimten.
Stelen, steken en gestoken worden, bedden of naar bed gaan,
begraafplaatsen, seksueel misbruik, het maken van keuzen,
vertraagde, verstopte of moeizame stoelgang, ontlasting in het algemeen.
Eetstokjes, clowns, vorst of ijs, kristal, computers, fietsen,
golven of golfachtige bewegingen, steile (overhangende) rotswanden,
honden, hondsdolheid, prostituees of geslachtsziekten, bloedneuzen.
Pijnlijke bewegingen van de ingewanden, demonen, menigten,
fascisme, bomen, de tandarts, huidletsel of wonden, huidziekten,
diabetes, drinken, dineren of conversaties tijdens het diner, de zon.
Voorwerpen aan de rechterkant van het lichaam, draaikolken,
duizeligheid, dubbelzien, zich in bijzijn van een ander uitkleden, huizen,
huid of vacht van dieren, de straat oversteken, mismaaktheid, school.
Ongelukken, de kerk, Nederland, Nederlanders, de Nederlandse taal,
elektriciteit, vrijheid, braken of braaksel, gordels, borstels, spelden,
een doodzonde begaan, kritiek, de dageraad, daglicht, tieners.
Kennis, paarden, blozen, werken of functioneren, goed nieuws, seks,
seksualiteit, het vrouwelijk geslachtsorgaan, de kleur rood, koorts, kou
of koude objecten, trouwen, samenwonen, lachen, kinnen, immigranten.
Knieën, bruggen oversteken, oud worden, oude mensen, goede smaak,
spreken in het openbaar, overvallers of overvallen worden, genieten,
zonlicht, infecties, bloed, reptielen, maniakken, materialisme.
Griekse termen, complexe wetenschappelijke terminologie, mist,
Duitsland, Duitsers, de Duitse cultuur, heiligen, heilige zaken, theologie,
religie, de hel, het getal 666, preken, priesters, paarden, lange woorden.
Zwervers, bedelaars, shock, angst, homoseksualiteit, vuurwapens,
water, kwikhoudende medicijnen, vloeistoffen, vocht, epilepsie,
ovenhandschoenen, wervelstormen of orkanen, de eeuwigheid.
Slapen, hypnose, de dokter, naar de dokter gaan, vis, ideeën, vergif,
termieten, Japan, Japanners, de Japanse cultuur, servetten,
Joden en de joodse godsdienst, blokfluiten, het vrouwelijke in zichzelf.
Verslagen worden, spot, leegte of lege ruimten, personen aankijken,
stelen, kamers, vermoeidheid, groenten, kosmische verschijnselen,
honden, vooroverbuigen of bukken, ruitenwissers, de dood.
Lepra, de kleur wit, meren, touw, gerechtelijke vervolging,
analysen, syfilis, otters, lang moeten wachten, koken, straf,
machines, een erectie verliezen, de kleur zwart, bijen, meningitis.
Menstruatie, vastgebonden zijn, metaal, veranderingen, meteorieten,
alcohol, poëzie, microben, bacteriën, vuil, sponzen, rimpels,
herinneringen, motten of nachtvlinders, muizen, paddenstoelen.
Duisternis, de nacht, mieren, mythes, verhalen, namen, valse verklaringen,
glas, wolken, ziekenhuizen, thuiskomen, naaktheid, nummers,
grote groepen, voertuigen, het cijfer 8, kaakchirurgie, wijnen, regen.
De huiselijke omgeving, geuren, terroristen, ogen, dromen, natte dromen,
slangen, aangeklampt worden, voorgeschreven geneesmiddelen, kijken,
vogels, bezit, schaaldieren, de hemel, alles, de paus, papier, perversie.
Verzuimen van plicht, verantwoordelijkheid, parasieten, maagden,
jonge meisjes, vrijdag de dertiende, urine, plassen in de (ingebeelde)
aanwezigheid van anderen, erfelijkheid of erfelijke ziekten, luizen, poppen.
Ingebeelde misdaden of zondigen in het openbaar, kinderen, kale en kalende
mannen, kaal worden, armoede, eten, slikken, opgegeten worden, een penis
(vooral in erecte toestand), het woord penis, medicijnen innemen.
Daglicht, zonneschijn, zoenen of gezoend worden, verliefdheid,
filosofie, fobieën, de telefoon, de eigen stem of stemmen in het algemeen,
licht of schittering, denken, tuberculose, grafstenen, rolgordijnen.
Rijkdom, regen, stikken, baarden, polio, politici, bestraffing,
de kleur paars, alcohol, rectale aandoeningen, de endeldarm,
voortgang, stotteren, pokken, China, Chinezen, de Chinese cultuur.
Met veren gekieteld worden, marionetten, vuur, röntgenstraling,
geslagen worden met een stok, rimpels, Halloween, satan,
gitaren, schurft, schaduwen, Rusland, Russen, de Russische taal.
Aangestaard worden, blind worden, haaien, lichtflitsen, de maan,
in staat van ontbinding verkerende wezens, roltrappen, schuifdeuren,
het lezen of uitspreken van lange woorden, linkshandigheid.
Treinen, treinsporen, treinreizen, conducteurs, bibliotheken, creditcards,
schoonouders, beoordeeld worden, afhankelijkheid, kunstenaars,
sperma, wespen, opstaan, lopen, symboliek, symmetrie, tafelkleden.
Voorspelbaarheid, een ander mishagen, irriteren of in verlegenheid brengen
door het eigen voorkomen, gelaatsuitdrukkingen, levend begraven worden,
besmettelijkheid, stieren, technologie, een (mismaakt) kind baren.
Tetanus, Duitsers, Duitsland, de Duitse cultuur, zitten, de zee, sterven
en zaken die aan sterven doen denken, theaters, hitte of warmte,
plastische chirurgie, blijvend letsel, beven, agressie, het getal 13.
Injecties, tirannen, ziektekiemen, zich aankleden, verkrachting,
geiten, Walen, heksen, hekserij, de kleur geel, het woord geel,
droogte, bossen, scheermessen, jaloezie, God, goden, lintwormen.
2013, Maria Barnas
From: Jaja de oerknal
Anticipation, aimless, hopeless
No emptiness yet in sight
perhaps something’s happening
just on the edge of becoming
when will it where
empty time
is worth bearing in the air
some strange tension over all
worth emptily fitting the puzzle together
watch the boat in the shell
with time it slips away like mind from meaning
the rise of the Chinese wall is empty
a century in the spring bloom is blameless
like courage emptily to the right of the wall and to the left
etc. as at the start I walk
along the wall straight then twisting
emptily
emptiness in the air is hinting at snow
December 1998
Sanjin Sorel
Translation: 2006, Kim Burton
Anti-dotum
Gewonnen roem
bij ’t zingen van een lied
is maar een bloem
die ge even ziet;
is maar een pluim,
een gouden schub
die ge zo tussen duim
en vinger drukt.
Is maar een flits,
is maar een knal.
Daar is de sneeuw
en dekt het al.
1955, Richard Minne
FLATWONING 75
De hele flat werd, als die dikke vrouw
haar auto startte, wakker. Nu heeft zij
zelfmoord gepleegd. De sneeuw lag oud en grauw
achter het lege venster, wijd en zijd.
Ik liep de woning in, de schemering.
De staande lamp werd door zichzelf verlicht –
een licht dat bij het hoofdeinde verging,
los van de flat, die saai was ingericht.
En voor het eerst bekeek ik haar gelaat
aandachtiger, omdat ik dan misschien
meer dan nabuurschapsdroesem ons verraadt,
meer ook dan ons de dood vertoont, zou zien,
juist bij een zelfmoordenaar. Maar er sprak
slechts hoon uit, woordeloos. Een stoeltje stond
van achter doorgezakt voor het gemak
tegen een muur – wat ik wel sprekend vond.
Katia Kapovich
Vertaling: 2010, Hans Boland
It was the snow fell out of a gap in time –
As indiscreet as the crunch of feet on frozen grass.
It was the ghost of a child running across our path,
Crying sideways in the unexpected snow
As if a mother was following, as if the hour cared.
The dogs follow us, snorting with the freeze,
Their disturbance of snow like a conversation
That falls into place after so many years.
Here is a plate of ice where our image is frozen,
And, here, the powdered icing-sugar falls
Upon the cold grass. It is a sheet and a forest,
This childhood we wintered through,
Saving what we could, logs and kindling
Of happiness, across the tundra, the tundra
Of an icy town. Each time they came for us
We were out in the snow, never letting loose
The cries out of paradise, nor letting on
How we could see the break in the snow.
Let the dogs be our witnesses, let the snout
Now rooting in the joy of snow
Be the one companion of our past. Let snow
Fall on us with all of its clean compassion;
Snow that never hopes for a dialogue but settles
Upon what it witnesses, cooling rage to crystal.
2010, Thomas McCarthy
ALSOF HET UUR
Het was de sneeuw uit een gat in de tijd gevallen –
Indiscreet als het knersen van voetstappen op bevroren gras.
Het was de geest van een kind dat over ons pad liep,
Zijdelings huilend in de onverwachte sneeuw
Alsof er een moeder volgde, alsof het uur bezorgd was.
De honden volgen ons, snuivend in de vrieskou,
En de sneeuw verstorend als een gesprek
Dat na al die jaren op z’n plaats valt.
Hier is een ijsplak waarin ons beeld is bevroren,
En hier, hier valt de fijnste poedersuiker
Op het koude gras. Het is een laken en een bos,
Deze doorwinterde kindertijd waarin we
Zoveel mogelijk opspaarden, stammen en spaanders van
Geluk, dwars door de toendra, de toendra
Van een ijzige stad. Telkens als ze ons kwamen halen
Waren we buiten in de sneeuw, zonder ooit onze kreten
Uit het paradijs los te laten, of te verklappen
Hoe we het eind van de sneeuwbui voorzagen.
Laat de honden voor ons getuigen, laat de snuit
Die nu wortelt in het plezier van sneeuw
De enige kameraad zijn van ons verleden. Laat er sneeuw
Op ons vallen met die smetteloze compassie;
Sneeuw die nooit hoopt op een dialoog maar neerdaalt
Op de dingen waarvan hij getuigt, en woede tot kristal bekoelt.
Thomas McCarthy

AS SOLDIERS MARCH, ALFONSO COVERS THE BOY’S FACE WITH A NEWSPAPER
Fourteen people, most of us strangers,
watch Sonya kneel by Petya
shot in the middle of the street.
She picks up his spectacles shining like two coins, balances them on his nose.
Observe this moment
—how it convulses—
Snow falls and the dogs run into the streets like medics.
Fourteen of us watch:
Sonya kisses his forehead—her shout a hole
torn in the sky, it shimmers the park benches, porchlights.
We see in Sonya’s open mouth
the nakedness
of a whole nation.
She stretches out
beside the little snowman napping in the middle of the street.
As picking up its belly the country runs.
2019, Ilya Kaminsky
TERWIJL SOLDATEN MARCHEREN, BEDEKT ALFONSO HET GEZICHT VAN DE JONGEN MET EEN KRANT
Veertien mensen, de meesten van ons vreemden,
zien Sonya bij Petya knielen
die midden op straat is neergeschoten.
Ze raapt zijn bril op die schittert als twee munten, balanceert hem op zijn neus.
Aanschouw dit moment
–hoe het stuiptrekt –
Sneeuw valt en de honden rennen als dokters door de straten.
Veertien van ons kijken toe:
Sonya kust zijn voorhoofd – haar schreeuw
een opengereten gat in de lucht die de parkbankjes, portieklichten doet glinsteren.
We zien in Sonya’s open mond
de naaktheid
van een hele natie.
Ze gaat languit liggen
naast de kleine soezende sneeuwman midden op straat.
Dikbuikig maakt het land zich uit de voeten.
Ilya Kaminsky
Vertaling: 2022, Alfred Schaffer
Ask the Moon
1
Wakeful past 3 a.m.
near the frontiers of Nothing
it’s easy, so easy
to imagine (like William Blake)
an archaic angel standing askew
in a cone of light
not of this world;
easy at this cheating hour
to believe an angel cometh
to touch babies’ skulls,
their fontanelles,
deleting the long memory
of generations—
the genesis of déjà vu;
easy to conceive angel-light
bright as that sudden
ordinary window
I saw at midnight
across the road
before the drawing of a blind.
2
Once another presence
also nocturnal, oneiric,
secretive, in disguise,
waiting behind
an opening Seder door.
‘No,’ says the child, ‘Gone.’
Framed in that black oblong
nobody.
(A shadow flees
when a light is shone.)
Was childhood real?
Did a stallion attempt
to mount a mare
painted by Apelles, as they said?
Did Greek workmen really believe
that the statue to be exiled
would sob when carried to
Lord Elgin’s ship? As they said.
The deceived don’t know they’re deceived.
When prying Apion, with eerie conch,
summoned Homer’s spirit
to ask where he was born
whose bloody head,
for one moment only,
seemed to appear above the parapet?
Ask the moon.
The mystery named
is not the mystery caged.
Even a night-scene
may be an illusion, a fake,
like an afternoon harbour
viewed through sunglasses
the light forged over
a moon-tormented sea.
3
I was visited once, once only, elsewhere,
near a lake, near an oak,
near a weeping willow tree and thorn,
one summertime, out of time, in England,
during the cosmic love-making hour
when day and night shyly intermingle,
when day entranced does not know
what or when and night, ecstatic,
is not itself entirely
till the late coming of the stars.
But now it’s 4 a.m. already
and like a snow-flake’s touch
shiver-cold and quiet.
Did someone cry out?
I heard someone cry out.
No-one cried out.
I woke up dreaming I
was wide-awake.
2014, Dannie Abse
At The Bar-Code Ranch
I lie in a converted garage, sun coming up
and the chuck-chuck of unfamiliar birds
from Lake Mizell.
The lamp grows ineffectual
under a skylight; the great world
washes in, humid, composed of small numbered parts.
Sometime after nine, the classical music station stops
for the landing of a space shuttle
a sonic boom
shakes the bungalow
and Vladomir Horowitz
is abruptly terminated.
Yesterday, at New Smyrna, north of Canaveral:
knotted shoreline
looking out from a timbered interior
on the Atlantic;
driving inland on Local 40,
a two-lane, the Beach Boys on air,
to Winter Park, inches above the water table.
Today, flying north, from Florida’s eighty degrees
to Washington’s forty-something
a river far below
in South Carolina.
Salt-pork and black-eyed beans
“soul food” – and cheap – in D.C’s low
where U.S. presidents
fall like leaves . . .
Consume and Die!
Wednesday
under the pines
looking out over the waters of Potomac
a torn Bush-Quayle poster in the grass
the morning after the election,
and down on Canal St
a bag of crushed Busch beer cans
reminds me that poetry exists.
Up at 3040 R St N.W.
where the leaf vacuum cleaners roam,
three cards from New York!
The sun descends
through Mt Pinatubo clouds,
its weird rays on Georgetown,
glass to the south,
Arlington’s tower blocks
Confederate and Republican (still).
Meanwhile there is art to look at (Hirschorn Museum):
the hand, thrust forward,
of Ernst Barlach’s
streamlined (and sentimental)
“Begging Woman”
in which someone has placed a dime
– all it takes
to stitch up expressionism.
I liked better
the pieces by Balla
‘Boccioni’s Fist’
and the nice little things
by Henri Laurens
their mild
three-dimensional cubism.
A postcard from Sarah
features a moose, lettered CANADA,
though it’s from Australia
and the New York letters
(a room to stay in in Brooklyn!
drinks with some people.
The world, its streets, places, people
(a title
from Edwin Denby?
No, that was
‘Dancers, Buildings, and People in the Street’.
Maybe it was Larry Eigner?
I’ve no way of checking.
The Dewars and Gordon’s Gin bottles
sitting on a shelf in this basement
are huge, flagons almost, so very American:
The World and its Drinks
(the comment August made
in England, up in the Peak District,
confronted with folk rituals:
“Where’s
the bar?”
a ritual enough.
Auden’s clock ticked towards martini time.
My friends in their various places
bear with me
stretched out in a bedroom
which a door, cunningly concealed, separates
from the condo laundromat.
Our yuppie neighbours upstairs
drop dumbells – I think – on the floorboards.
In this suburb, they say,
the Clinton/Gore voters are basement dwellers
like us,
light off to the south
through the claret ash
brighter as we tilt
away from the sun and the leaves fall
– that line about the world and its streets,
was it William Bronk?
the catalogue of American poets
not yet on autoshred
though who’ll be laureate
in the new administration?
(Ed Dorn once suggested
Robert Bly for Hubert Humphrey
as if poetry
were a parody of presidential style
(and now
somebody has put together an anthology
of “poems for men” . . .
(in Australia
we did that long ago: it was called
‘Poems of Spirit and Action’
– John Forbes
had it at school, still prefers it
to the ones with close-ups of flower stamens
opposite poems by William Carlos Williams.
It was raining in the capital
and radio heartbreak was on,
Respighi
“laugh or cry music”
as Terry McGrath
would have it.
I have ruined our landlord’s floor with oven cleaner
(photo: close-up: a container of oven cleaner)
Tonight I eat with the lawyers
on Capitol Hill
while the President packs his clothes.
Actually, the Respighi
is developing more into laughter mode,
its overblown pictorialism.
What’s this bit?
A conga chain of
ex-presidents in bathrobes
enter a steaming sauna
flanked by unsmiling CIA types.
Cut to close-up of incumbent
(played by Frankie Howerd).
T-shirted in this basement
(photo: T-shirt)
I feel no need to go out. It’s 46 degrees.
But I do (go out)
across mean streets to the Law Center
and thence, a restaurant,
where a loud tool of the employers
down one end of the table
seems suddenly like a kid
arguing over a football.
Autumn so vivid
the stars and stripes washed out
against the yellow.
I cross Dumbarton Bridge
toward Dupont Circle,
Rock Creek Parkway below
only weeks from icing up,
black branches over the creek.
At Dupont, leave exposed film,
walk down Massachusetts and K
to the Greyhound terminal
and further, to Union Station
taking in the character some guy said
this city lacks.
K St past Thomas Circle grows funky,
urban wreckage round the bus terminal.
Subway to Farragut North, and on
up Connecticut to pick up photos
(photo: photos)
In the afternoon, sweep leaves
off the back porch (a screen door
slams!).
The sky darkens,
branches, parts of buildings
picked out by light.
The photographs, taken months back
seem ancient:
Manchester late summer,
Dentdale, Durham,
faces of
Jonathan, Tom, Roy,
Joyce, Tony and Ric
(Hadrian’s Wall, its hill forts built to
prefabricated plans,
gates opening onto nowhere;
moss on the rocks at Godrevy;
outcrops on the gritstone edge, Winster . . .
One summer displaced since
by the tail of another.
When things go wrong
the Ginsberg line (in Philip Whalen)
about “severance pay”
i.e. “there wasn’t much
severance pay in that”
seems to apply
in instalments, to life here
in this capital
where everything has its hidden cost
(Rosemary’s clothes
dry-cleaned and dismembered;
upstairs
a pre-adolescent party:
10 year olds
with their own fax machines
and probably more than a notion of litigation.
At 4 a.m. there is peace to read
about the Wobbly strikes in Paterson N.J.
but later the yuppies stomp above our heads again
so that I feel like shouting
“stop drinking coffee”
Hal Roach is dead
– the man who put
Laurel and Hardy together, incredibly still alive
till just now.
He lived to see movies become boring.
And my father
dressed for Shakespeare, circa 1920,
on the cover of my first book;
the backdrop: dry grass,
weathered grey trunks up the hill;
an impossible country I try to picture segments of
in detail
lose them soon enough.
There is no plot
unlike Coronation Street
“better than real life and only
ninety minutes a week” (Jonathan Williams)
The morning cold and clear
after rumoured flurries.
I remember some 19th century painting
of Washington under snow (by Eastman Johnson?)
sentimental in ‘de ole plantation’ mode
– cold air that makes the head to hurt
though the sky is bright over Oak Hill Cemetery,
the beggars more assertive on the lips of escalators.
Fifty-one auto license plates spell out
the preamble to the constitution of the United States
at the Smithsonian,
and Frank O’Hara looks out
from a Larry Rivers painting, very present
here amid the art he loved
a memorial to him
by Grace Hartigan
“Grace to be born
and live as variously as possible . . .”
– words which could be attributed
to (the Rev.) Howard Finster
his fountains issuing from faucets,
a river of blood just that
though the source
may be a cut finger
and plenty more “just folks”
whom circumstance and vision worked through
so that they figured how art could be done
(as I write now on Rosemary’s sleeping shoulder
arranging a table to jot in haste though not to disturb)
– something happens
that you walk away from
as you walk away from your own history
my father: the cover of a book
my mother: a gold ring
enigmatic, unsequenced
for plot or rhetoric,
more interesting
when decontextualized than as ‘psychology’
(the t.v. character last night
who went to analysis because
her mother and father hadn’t given her a hard time).
Anything can be fixed here (even poetry)
though nobody wants to do it anymore
(fix things that is, not write poetry,
everybody wants to do that).
We work our way (walk away) through breakfast cereals
(freedom of choice!)
and I like the ad
where a guy in surgical outfit
on an emergency ward set, says
“I’m not really a doctor, but . . .”
(days after the election
the new president appears in a soap opera
as a plot device.
I pour myself a gin,
listen to Earl Bostic – Coltrane’s mentor –
thinking I have patched the drafty cracks
so that Washington’s night will be kept out of this condo
and wondering how to duplicate
the American ‘r’ and ‘a’
so that cab drivers will get our address right
and my name will be spelled correctly
by petty officials.
Earl Bostic and Bill Doggett:
sounds that would ‘invoke’ (if I were Robert Duncan)
instead ‘remind’ me of Ken Bolton,
now probably waking up in Adelaide,
even this moment cleaning his teeth,
a thought balloon above his head
(‘thot balloon’ Duncan would say,
the figure of Ken rising through the poem
like the Corn God . . .
As in ‘One Night in Washington’,
the record where Charlie Parker
played the wrong tune over an unaccustomed backup
and they had to figure out what he was doing
– the pianist slightly haywire, feeling for tempo and key
as Parker doubles up, oblivious,
knowing where he’s going
so ‘The Poem’
leaves behind
any notion of what its Arnoldian simile
is about
– just one manner of
jumpin in the Capital
(better than jogging in the capital
though less characteristic I guess –
and waves to its friends on another shore,
dancers, buildings and drinks in the street.
Down on Rock Creek’s tributary
a maze of branches, leaves, undergrowth;
advanced puzzle in which I make out
the figure of a young woman sketching,
and further, a man, stripped to the waist,
washing shirts in the rivulet.
Halfway up the slope to Safeways
a concrete divan, shaped for Mme Recamier;
the human figures, characters escaped from paintings
like the ones in the background of ‘Dejuner sur l’herbe’
which seem to occupy a different dimension
– even these rustic details of L’Enfant’s city
suggest French analogues
though up the hill
Washington Cathedral – twentieth century gothic
with elevators and climate control
suggests a big nothing
at least that
only a nation of fundamentalists and show-biz types
could put a gothic cathedral on a hill top.
I move about through these environs
grasping colour and light
as the capital slides into winter,
warm air chilling after three,
darkness by five
ham hocks over gas
simmering
a gold ring
the cover of a book
It’s time for drinks and music
(no photos)
‘Autumn in New York’ or
‘Moonlight in Vermont’?
‘Dumbarton Oaks’!
– where Igor Stravinsky stayed,
only a block away,
gardens laid out
for pleasure, all seasons.
Veterans’ Day:
Glover Park
a leaf impasto underfoot for miles;
the grey tree trunks producing an effect of haze.
From The Palisades an old railroad bridge, boarded up,
cuts over Canal Street to the towpath,
pairs of mallards on the waterway.
A man (veteran?)
with bedroll and sixpack
asks if I’m a local.
Sorry, you’re 12,000 miles off.
Return from the drizzle to a call from Vermont
for Rosemary.
Take a message
or try to
– our landlord
collects pens that don’t work
and places them all in jars near the telephone.
(according to John Tranter it was Martin Johnston who said
‘If you want to communicate, use the telephone’,
but Martin probably got the line from John Forbes
– and he was quoting Frank O’Hara at the time.
I’m a spook on the bus through Shaw,
wreckage still from 1968,
gentility bordering the ghetto
with window boxes and fresh paint
up on Le Droit Park.
In Howard University’s
African collection, a small gold chameleon
illustrates the limits of personal power,
‘changing its colour to suit what it sees,
not what is hidden in the box’;
an Akan ceremonial vessel
shows Picasso even stole his doves from Ghana.
But Africa has come back
I think, to reclaim its own images
as Romaire Bearden, his art
at the American Museum.
Africa! Lorca
and Vachel Lindsay loved you
but you go further,
a chameleon
in the box,
not my personification of a continent.
I walk back on Columbia, a break in the drizzle,
to the border at 14th St
where signs become Spanish.
Turbulences cross the map,
snow falls in the panhandle of Texas.
This morning Classical 104FM
advertises a book (illustrated)
of poems by Robert Frost
that
“makes profound truths
really accessible
in a language
everybody can understand”
Out on the street
Latinos with air compressors on their backs
blow the dead leaves away.
1996, Laurie Duggan
From: Memorials
DIE SONNE
Eccl. 11, 7′. Es ist das Licht süß, und den Augen lieblich, die Sonne zu sehen
Sir. 43, 2. Sie ist ein Wunderwerk des Höchsten
Lebensquelle, Brunn der Strahlen,
Sonne, göttlichs Schattenbild,
Die zu tausend, tausend Malen
Unsre Welt mit Glanz erfüllt!
Wie die allerstärksten Augen
Nicht dein Licht zu dulden taugen,
So verblendet auch dein Blitz
Und dein Wesen unsern Witz.
Helles Weltmeer aller Freuden!
Fürst des Lichts, Monarch der Zeit!
Glanz, vor dem die Schatten scheiden!
Gülden Uhr der Ewigkeit!
Mittelpunkt der Himmelskreise!
Nahrung, Leben, Kraft und Speise
Aller Körper, die die Welt
In dem weiten Schoß erhält!
Wenn wir alle Ding ergründen,
Wenn wir alle Welt besehn,
Ist von allem nichts zu finden,
Das so herrlich und so schön.
Alle Schönheit dieser Erden
Muß dir zugeschrieben werden;
Was da schmeichelt dem Gesicht,
Zeugt und zeigt dein güldnes Licht.
Alles wird von dir gezieret,
Und dich ziert dein eigner Schein;
Was das Auge Lieblichs spüret,
Stammet bloß von dir allein.
Soviel Körper, die da glänzen
Hier und in den fernen Grenzen,
Leihn und borgen allzumal
Ihren Strahl von deinem Strahl.
Meine Sinne, die ich hefte,
Lichtmonarch, auf deine Pracht,
Fühlen immer neue Kräfte
In Betrachtung deiner Macht;
Und mich treibt ein Trieb der Seelen,
Auszubreiten, zu erzählen,
Und in dir des Schöpfers Ehr
Stets zu preisen mehr und mehr.
Wenn dein noch entferntes Glänzen
Durch den finstern Abgrund dringt
Und der Strahlen äußre Grenzen
(Draus die Dämmerung entspringt)
Sich mit Luft und Dunkel gatten,
Dann versilberst du die Schatten,
Dann erheitert deine Pracht
Das stockfinstre Schwarz der Nacht.
Drauf erzeugt dein Glanz und bildet
Farben, Morgenröt und Tau,
Malt, bepurpurt und vergüldet
Das gemischte Silbergrau,
Und der Himmel scheint ein Schleier,
Der aus Rosen, Gold und Feuer
(Von der Luft Saphir bezirkt)
Wunderbarlich schön gewirkt.
Wenn du drauf dich selber zeigest
Und den diamantnen Thron
Der durchsichtgen Luft besteigest,
Bist du selbst dein eigne Kron,
Wovor Aug und Herz sich beugen;
Ja, dein majestätisch Schweigen
Prägt uns, bei so heiterm Schein,
Anmut, Lust und Ehrfurcht ein.
Unsers Himmels schönste Stelle!
Großer Mittelpunkt des Lichts!
Farbenvater! Freudenquelle!
Geist und Seele des Gesichts!
Billig sollte keiner leben,
Der in dir nicht Gott erheben
Und des Schöpfers Macht und Ehr
Stets zu rühmen schuldig wär.
Der erhabnen Berge Spitzen
Ziert dein früher Morgenstrahl,
Und dein unaufhörlichs Blitzen
Füllt des Mittags Gruft und Tal.
Du beseligest die Felder,
Du umarmest unsre Wälder,
Deiner warmen Strahlen Glut
Übergüldet Meer und Flut.
Wenn dein Glanz die Flut vergüldet
Und ins glatte Wasser strahlt,
Dein vergöttert Wesen bildet
Und mit güldnen Pinseln malt,
Scheint es, ob die Flut der Erden
Selbst zum Himmel wolle werden,
Und das sanft bewegte Meer
Schimmert wie der Sterne Heer.
Ursprung der Belebungskräfte!
Ausfluß aller Geistigkeit!
Brunnquell aller Zeugungssäfte!
Feind von aller Dunkelheit!
Deine Macht weiß uns zu geben
Wesen, Wärme, Licht und Leben,
Kraft, die, was sie zeugt, erhält!
Himmelsauge, Herz der Welt!
Wenn du uns den Tag verlängerst,
Spürt man, wie du Berg und Tal
Durch dein männlichs Feuer schwängerst;
Ja, man sieht durch deinen Strahl
Den gewölbten Bauch der Erden
Voll Verwundrung trächtig werden,
Der, wenn sich das Jahr verjüngt,
Lauter Wunderkinder bringt.
Unser Herze schwimmt in Lüsten,
Wenn sich Floren Schatz uns zeigt,
Die aus hunderttausend Brüsten
Die gefärbten Kinder säugt.
Wenn die Felder blumig werden,
Deucht mich, daß ich auf der Erden
Und in dem smaragdnen Klee
Den gestirnten Himmel seh.
Wie bezaubert das Gemüte,
Wie ergetzet das Gesicht
Die so wunderschöne Blüte,
Die aus rauhen Rinden bricht!
Was die schlanken Bäume zieret
Und die Lüfte balsamieret,
Opfert seinen Wunderkranz,
Güldne Sonne, deinem Glanz.
Jedes Gräschen unsrer Felder,
Alle Stauden und Gesträuch’
Alle Blätter unsrer Wälder,
Alle Büsche, jeder Zweig,
Samen, Blüt und Frucht der Ähren,
Womit Mensch und Vieh sich nähren,
Gold und Silber, Holz und Stein
Stammen bloß von dir allein.
Wer kann fassen und begreifen,
Was für Wunder deine Glut
Durch der Früchte nützlichs Reifen
In dem Sommer an uns tut?
Du schaffst auf besondre Weise
Allen Kreaturen Speise,
Es verzuckert deine Kraft
Aller Pflanzen herben Saft.
Daß sich Tier und Menschen nähren,
Zeugst du ihnen Kraut und Gras,
Korn, die Frucht der gelben Ähren,
Wein, der süßen Reben Nass;
Ja, viel tausend, tausend Früchte
Ziehn aus deinem warmen Lichte
Ihres Saftes Süßigkeit,
Die uns nähret und erfreut.
Welche dann, wenn du die Tage,
Da der Sommer von uns weicht,
Wiegest auf der güldnen Waage,
Uns der Herbst mit Haufen reicht,
Da die schwangren Bäum und Reben
Uns die süßen Früchte geben,
Deren Kraft uns tränkt und nährt,
Wenn der Frost die Welt verheert.
Ja, weil die Verändrung Freude
Und der Wechsel Lust gebiert,
Wird im ganzen Weltgebäude
Täglich diese Lust verspürt.
Wenn des Jahrs verschiedne Zeiten
Uns verschiedne Pracht bereiten,
Scheinet jedes Tages Schein
Auch ein kleines Jahr zu sein.
Wie die Kraft des lauen Lenzen
Die erfrorne Welt verjüngt,,
Wenn sie dein entferntes Glänzen
Voller Anmut wiederbringt,
So zerteilt der heitre Morgen
Alle Dünste schwarzer Sorgen,
Wenn nach dunkler, kalter Nacht
Die halbtote Welt erwacht.
Schmücket die bereiften Felder
Des beblümten Frühlings Hand,
Färbet die geschwärzten Wälder
Deiner Flammen güldner Brand,
So sieht man den Morgen malen
Mit dem Pinsel deiner Strahlen
(Wenn sein Licht die Schatten trennt)
Erde, Flut und Firmament.
Scheidet drauf die Pracht des Lenzen
Und der frühe Morgen weicht,
Merkt man, daß des Mittags Glänzen
Sich dem schwülen Sommer gleicht.
Wie man diesen wohl wird können
Unsers Jahres Mittag nennen,
Mag mit Recht des Mittags Schein
Unsers Tages Sommer sein.
Bringt der Sommer Korn und Früchte,
Womit sich die Welt ernährt,
Werden allerlei Gerichte
Von dem Mittag uns beschert.
Beide zeugen, wie dein Blitzen
Könne den Geschöpfen nützen;
Beide zeigen deine Macht
In vollkommnem Schmuck und Pracht.
Kann man dort den Herbst erkennen,
Wenn man kältre Lüfte fühlt,
So wird auch des Mittags Brennen
Durch den Abend abgekühlt.
Wenn dein Strahl sich von uns lenket
Und dein Glanz sich abwärts senket,
Wird des Jahres Herbst geschickt
Und der Abend hier erblickt.
Kommt der Herbst mit seinen Schätzen,
Hat der Landmann Speis und Rast.
Kommt der Abend: welch Ergetzen!
Nach der schweren Tageslast
Legt der Mensch die müden Glieder
Freudenvoll zur Ruhe nieder,
Wenn er, womit er sich nährt,
Hat zur Abendkost verzehrt.
Wenn dein Strahl nun ganz entwichen,
Weicht zugleich der Erden Pracht,
Und es kommt herangeschlichen
Dort der Winter, hier die Nacht.
Jener schwärzt durch Dunst und Düfte!
Die vom Frost verdickten Lüfte,
Diese kleidet Luft und Land
In ein schwarzes Traurgewand.
Hüllt der Frost den Kreis der Erden
In ein Kleid, das silberweiss,
Wenn recht als begraben werden
Feld und Land in Schnee und Eis,
Sucht der Mond mit blassen Strahlen
Auch die Schatten weiß zu malen,
Und sein kühler Silberschein
Scheint dem Winter gleich zu sein.
Alles wird mit Lust erfüllet,
Wenn sich zeigt dein güldner Schein;
Aber wenn du weichst, so hüllet
Sich die Welt in Trauer ein.
Allem dräuet das Verderben,
Alles scheint alsdann zu sterben,
Alles schließet Aug und Mund;
Es erstarrt der Erden Rund.
Dann, wann sich dein Strahl entfernet,
Stirbet die gefrorne Welt,
Draus man augenscheinlich lernet,
Daß nur er die Welt erhält.
Wann Luft, Erd und Flut gefrieren,
Müssen wir mit Zittern spüren,
Es sei unsers Lebens Saft
Deiner Strahlen Wunderkraft.
Selbst des Winters frostigs Stürmen,
Schneegestöber, Reif und Eis,
Welche Berg’ auf Berge türmen,
Die erhöhen deinen Preis.
Soviel Flocken, soviel Zungen,
Wodurch gleichsam wird gesungen:
Alles auf der Welt erbleicht,
Wenn die güldne Sonne weicht.
Allen Körpern, die wir kennen,
Flößt dein Licht das Leben ein;
Die sind nicht von dir zu trennen.
Wenn sich nun dein Wunderschein
Von den Kreaturen scheidet,
Sieht man, wie der Körper leidet,
Weil aus deinem Wunderlicht
Wärme, Glanz und Lindrung bricht.
Daß nicht nur in den Gedanken
Solche Wunderwerk’ entstehn,
Können wir bei allen Kranken
Und in allen Schmerzen sehn.
In den Wunden kann mans spüren,
Wenn wir deinen Strahl verlieren,
Daß bei deinem fernen Schein
Alle Schmerzen größer sein.
Ob nun gleich so Mensch- als Tieren
Die Natur ein Mittel reicht
Und, den Mut nicht zu verlieren,
Durch den Schlaf ein Pflaster streicht,
Wodurch dieses Leidens Plagen
Etwa leichter zu ertragen,
Wird doch deine Größ und Stand
In des Mittels Größ erkannt.
Welch ein Abgrund voller Schrecken,
Welche düstre Kerkerkluft
Würde sich bei uns entdecken,
Welche grause Todesgruft?
Würde nicht dies Rund der Erden
Augenblicks zur Hölle werden,
Wenn der holden Sonnen Schein
Stets uns sollt entrissen sein?
Schwärzer als des Abgrunds Rachen
Wär die Welt ohn deinen Strahl,
Ein entsetzlichs Nest der Drachen,
Ein verwildert Mördertal,
Nichts als ewge Wüsteneien,
Wo nur Eulen würden schreien,
Wo Gespenster Bürger sind,
Blinder Larven Labyrinth.
Aber daß mit tausend Schätzen
Die so wunderschöne Welt
Alle Sinne kann ergetzen
Und unendlich wohlgefällt,
Daß sie aller Augen Wonne,
Macht dein Götterglanz, o Sonne;
Deine Schönheit prägt allein
Aller Welt die Schönheit ein.
Alle Kräft’ in unsrer Seelen
Ziehn sich in sich selbst zurück,
Um das Aug zum Sitz zu wählen
Und durch dessen klaren Blick
Sich an deinem Strahl zu nähren.
Ja, es fließen Freudenzähren,
Wobei doch die Seele lacht,
In Betrachtung deiner Pracht.
Welch ein majestätisch Prangen,
Welch ein heitrer Wunderglanz
Hält dein strahlend Rund umfangen!
Welch ein güldner Siegeskranz
Hat dir, unser Licht und Leben,
Dein durchläuchtigs Haupt umgeben!
Dein vom Schimmer reicher Schein
Prägt uns Lieb und Ehrfurcht ein.
Wann zumal dein herrlichs Prangen
Nach verschwundnem Regen strahlt
Und, da Duft und Sturm vergangen,
Die noch nasse Welt bemalt:
Was Bezaubernders auf Erden
Kann nicht ausgesonnen werden;
Dann vergleicht sich Wald und Feld
Jener neu-versprochnen Welt.
Denn durch solch entzückend Wetter
Scheint der Erden grüne Pracht,
Gras und Pflanzen, Kraut und Blätter,
Recht wie Silber und Smaragd,
Drauf die Tropfen, die vergüldet,
Nicht wie Perlen nur gebildet,
Sondern gar an Farb und Schein
Kleinen Sternchen ähnlich sein.
Deren Blitz und funkelnd Glänzen
Durch das Aug ins Herze dringt,
Wodurch denn aus seinen Grenzen
Sich der Geist zum Schöpfer schwingt.
Dann rührt ein erstaunt Gemüte
Gottes Wunder, Gottes Güte,
Und, erquickt durch solche Pracht,
Rühmt es den, der sie gemacht.
Wenn mein forschend Herz bedenket,
Wie die Sonne diese Welt
Nicht allein erleuchtet, lenket,
Schmückt, erwärmet und erhält,
Sondern noch viel andre zieret,
Dreht, belebt, bestrahlt, regieret,
Prägt ihr wundervoller Schein
Folgend Bild den Sinnen ein:
Erstlich sinken die Gedanken
In den hohlen Raum der Luft,
Drin sie schwindeln, stutzen, wanken
In Betrachtung dieser Gruft.
Denn wie tief ein Geist gedrungen,
Fühlt er sich dennoch verschlungen
Durch die tiefe Dunkelheit
Dieser Unermeßlichkeit..
Sichet man des Meeres Breite,
Muß man nicht erstaunt gestehn,
Daß die ungeheure Weite
Fast entsetzlich anzusehn?
Dennoch schwimmt, samt dem Gefäße,
Dieses Weltmeers Tief und Größe
In der Sonnen Meer von Glut,
Wie ein Tropf im Weltmeer ruht.
Ozean so vieler Erden,
Himmlisch Lichts- und Lebensmeer,
Reich, darin vereinigt werden
Dieser großen Körper Heer,
Zeiget nicht dein weit Gefilde
Die Unendlichkeit im Bilde,
Wenn ich ein unendlichs Blau
In des Himmels Höhen schau?
Dies durchsichtge Blau der Lüfte
Färbt sich durch dein Wunderlicht,
Welches selbst der tiefsten Grüfte
Unergründlichs Dunkle bricht.
Wenn sich deine Strahlen gatten
Mit dem grenzenlosen Schatten,
Sieht man die Unendlichkeit
Gleichsam durch ein blaues Kleid.
Dieser ungeheuren Gründe
(Die doch in sich selber leer)
Grund- und grenzenlose Schlünde
Schlagen, wie ein wallend Meer,
Über aller Geister Flammen,
Als ein’m Fünkchen, schnell zusammen,
Daß der Witz, als wie ersäuft,
Von dem Raum fast nichts begreift.
Dieser von den festen Sternen
Bloß allein umschränkte Kreis,
Den die Menschheit nicht zu lernen
Und nicht auszusinnen weiß,
Die von solcher Läng und Breite
Unermeßlich hohe Weite,
Der fast keine Größe gleich,
Ist der Sonnen Königreich.
Dies beherrschet und erfüllet
Ihr durchläuchtger Wunderstrahl,
Der beständig aus ihr quillet
Ohne Maß und ohne Zahl.
Auf, mein Herz, zu überlegen,
Auf, bewundernd zu erwägen,
Welch ein unumgrenzt Revier
Dieser Strahlenfürst regier!
Der Begriff von seiner Kronen
Schränkt, mit ewig hellem Schein,
Hunderttausend Millionen
Millionen Meilen ein,
Die er wärmt, erfüllt, durchstrahlet,
Sie belebt, beweget, malet.
Welche Tiefe, welch ein Reich,
Welche Größ ist dieser gleich?
Kommt, ihr irdischen Monarchen,
Die man fast wie Götter ehrt,
Die man nur von Größe schnarchen’
Und von Hoheit prahlen hört:
Welch von euren Königreichen
Kann sich diesem Reiche gleichen?
Wahrlich! Eurer aller Land
Ist hier kaum ein Körnchen Sand.
Selbst der ganze Kreis der Erden
Kann fast als ein bloßes Nichts,
Ja, wie nichts gerechnet werden
Bei dem Reiche dieses Lichts.
Der Planeten Heer verschwindet,
Weil sich keine Gleichheit findet;
In dem ungeheuren Raum
Spürt und rechnet man sie kaum.
Und in diesem weiten Kreise,
Der fast keine Grenzen kennt,
Herrscht sie nicht nur strahlenweise,
Sondern füllt ihn ungetrennt.
Unzerteilet, fest und dichte
Ist das Rund von diesem Lichte.
Nun erwägt einst’ diesen Schein,
Wie sein Licht so groß muß sein!
Wenn sie ihre Strahlen schösse
Bloß allein auf unsre Welt,
So erwägt die Läng und Größe!
Da sie nun auch seitwärts fällt
Und der Schein, der aus ihr quillet,
Alle Himmelsteile füllet,
So erstaunet Geist und Kiel,
Weil hier weder Maß noch Ziel.
Wenn man, was wir hievon lesen,
Und, was glaublich ist, erwägt,
Welch ein majestätisch Wesen
Gott der Sonne beigelegt,
Was für Macht er drin gesenket,
Ruft mein Herz, das dies bedenket:
Welch ein König! Welcher Thron!
Welch ein Reich und welche Kron!
Welch ein prächtiges Gefilde
Stellt sie den Gedanken für,
Wenn man auch nur als im Bilde
Der Planeten Glanz und Zier
Mit Aufmerksamkeit betrachtet,
Auf der Körper Größe achtet
Und dann auf das Wesen denkt,
Das sie schmückt, regiert und lenkt.
Sollt’ ein Mensch, im Geist erhoben,
Von der Erd entfernet stehn
Und der Sonnen Reich dort oben
Mit verklärten Augen sehn,
Welche Pracht aus allen Dingen
Würd ihm in die Seele dringen,
Säh er der Planeten Heer
Schwimmen wie im großen Meer!
Ihre Größe, ihre Menge,
Deren man schon sechzehn kennt,
Ihre Schönheit, ihre Gängel,
Wovon sich nicht einer trennt,
Sondern ordentlich bald steigen,
Bald sich wieder abwärts neigen:
Welch ein Schauspiel, welch ein Schein
Würde dies der Seele sein!
Welch ein unbeschreiblichs Prangen,
Welch ein unbegreiflichs Licht
Würd Herz, Aug und Geist befangen!
Welche Seel erstaunte nicht,
Dieser großen Kreaturen
Glanz, Bewegung und Figuren,
Die sich wunderwürdig drehn
Und verändern, anzusehn!
Würd Saturnus in der Nähe
Samt dem lichten Kreis erblickt,
Wenn man Jupiter so sähe
Mit vier Monden ausgeschmückt,
Wenn man die Gestalt, die Größe
Dieser Himmelskörper mäße:
Welch Erstaunen, welche Lust
Wirkten sie in unsrer Brust!
Wer den Himmel übersiehet
Und, soweit sein Auge reicht,
Diesen Raum in Zirkel ziehet,
Hat was, das der Größe gleicht,
Die wir am Saturnus fünden,
Wenn wir nahe bei ihm stünden.
Schätzt hieraus der Sonnen Staat,
Da sie solche Bürger hat!
Die (wird ihre Größ betrachtet)
Alle Sinnen übergehn,
Doch sind sie demungeachtet
In der Herrschaft kaum zu sehn.
Wenn ich bei der Sonnen Reiche
Ihrer aller Heer vergleiche,
Wird die weite Größe klein
Und scheint kaum ein Punkt zu sein.
Edle Quelle güldner Klarheit,
Deine Größe, Kraft und Pracht
Zeigen uns die große Wahrheit,
Daß der Gott, der dich gemacht,
Unbeschreiblich schöner, größer,
Unaussprechlich heitrer, besser,
Unbegreiflich herrlicher,
Höher und gewaltiger.
Hegt der Schatten soviel Strahlen,
Hats Geschöpf so großen Schein,
So muß ja zu tausend Malen
Leib und Schöpfer besser sein.
Aber dieses zu ergründen,
Fühl ich den Verstand verschwinden;
In Betrachtung dieses Lichts
Wird die Seele selbst zu nichts.
Gott, ruft die entzückte Seele,
Gott, Brunn aller Herrlichkeit,
Meines Wesens Andachtsöle
Brennet vor Zufriedenheit.
Ich verspür, wie meine Sinnen
Vor Vergnügen fast zerrinnen;
Meines Geistes rege Kraft
Schmilzt vor Lust und Leidenschaft.
Da wir nun die Wunderwerke
Einer Sonne nur betracht’t,
Auf denn, Seele, schau und merke
Bei recht hell gestirnter Nacht
An des Himmels tiefer Ferne
Soviel Sonnen als wie Sterne,
Wovon wir noch gern gestehn,
Daß wir nur die mindsten sehn.
Wären wir so hoch erhoben,
Als die höchsten Sterne stehn,
Würden wir aufs neue droben
Ebensolche Himmel sehn,
Ebensolche tiefe Ferne,
Ebensoviel andre Sterne:
Ja, dasselbe träfe man,
Wär man auch bei denen, an.
Ohne Grenzen, Grund und Schranken
Ist der Raum durch Gottes Hand
Uber aller Welt Gedanken
Unbegreiflich ausgespannt.
Dieser unumschränkten Weiten,
Ewiger Unendlichkeiten
Wundervolles Abgrundstal
Füllen Sterne sonder Zahl.
Nicht nur droben sind die Grüfte
Dieses Raumes grenzenlos,
Seitwärts streckt sich auch der Lüfte
Unergründlich hohler Schoß.
Selbst die Gegenfüßler sehen
Ebensoviel Sterne stehen;
Also wo man hin sich lenkt,
Ist der Himmel unumschränkt.
Wenn ein Geist die irdschen Glieder
Einst verließe, schnell entwich’
Und auf feurigem Gefieder
Durch des Himmels Abgrund strich’,
Dort die herrlichen Figuren
Der gestirnten Kreaturen
Und auf einmal in der Näh
Millionen Sonnen säh:
Wie würd ihm bei solcher Weite,
Wie würd ihm bei solchem Schein,
Solcher Lichter Größ und Breite,
Glut und Glanz zumute sein?
Würd er nicht in Lieb entbrennen?
Würd er sonst was denken können,
Als: O Gott, es rühme Dich
Alles, alles ewiglich!
Barthold Hinrich Brockes 1680-1747
BIJ DE INGANG
In de droom
bij de ingang van je graf
hield je me tegen
met dezelfde woorden die ik zelf
in een droom had uitgesproken
waar ik dood voor je was
zodat ik niet meer kan dromen
Verroest en aan schreeuwende scharnieren
sloegen alle hekken die ik ooit
had gezien, gehoord of beschreven
een voor een
dicht onder de grijze hemel.
Toen was alles wat er bestond
in mijn bewustzijn, aarde.
wat moet ik zegen over die wereld
waar jouw as in een urn staat
behalve dit?
Op iedere reis reis jij vooruit.
Op de perrons zie ik je sporen in de verse sneeuw.
Als de trein begint te rijden
spring jij uit de achterste wagon
om vóór mij op het volgende station te zijn.
Buiten de kleine stadjes
met hun slaperige straatlantaarns:
stadions stralend als hoofdsteden.
Je brillenglazen glimmen onder de projectoren.
Waar zou je anders moeten zoeken naar de ring
die die nacht toen de stroom ophield
onder het bed rolde en weg was?
“Van hetzelfde.”
waren mijn laatste woorden aan jou
door de telefoon
toen je zei dat je me miste.
Van hetzelfde, Eeuwigheid!
Je bent weg.
Drie woorden. En geen één
daarvan
bestaat nu in enig
ander verband.
Henrik Nordbrandt
Vertaling: 2009, Annelies van Hees

AAN DE TAFEL BIJ HET RAAM
‘Om te huilen en te roken is het hier ge-wel-dig!’
zei ik tegen de barman, want aan de tafel bij het raam
had ik al vaak ’s avonds laat gezucht
bij de gedachte dat je ver, ver weg bent, mijn liefste,
en dat ik je nooit meer terug zal zien.
En de ander, ‘een gezicht geolied als een ijzeren hangslot’,
hijgde en ademde in zijn glas zodat het besloeg:
‘Meneer, het is ons een eer dat u bij ons huilt,
een eer dat u bij ons rookt! En opdat we samen huilen,
geef ik mij om uwentwille een paar oorvegen!
Om uwentwille geef ik er mij nog één!
Hoe dan ook wordt er in de Roemeense cultuur te veel gehuild,
want, met uw verlof, we zijn een volk van huilebalken!’
En hij liet zachtjes zijn oude cherubijnenkop zakken tussen de glazen –
maan tussen besneeuwde heuvels.
En de kroeg zat stampvol: drie, vier kerels aan een tafel,
als dassen over de asbakken gebogen.
(Van pijn vertrokken gezichten,
zwijgzaam als in een droom.)
Toen werd het middernacht, toen werd het na middernacht,
en hun bochels begonnen op hun rug te beven, ja gingen op en neer
alsof ze elk een kalkoen onder hun kleren hadden,
de klauwen in hun ribben gehaakt. En de barman liep tussen de tafels en zong:
‘Hoe kan ik jou ik jou ik jou vergeten,
je kussen zijn zo zoet!’
Toen staken de kalkoenen hun kop onder de kragen uit, als slangen,
als vlaggen met rode kwastjes bij elk oor, afzichtelijke vlaggen, gebekte vlaggen,
en als bedelaars gingen de jammerklachten van de ene tafel naar de andere:
‘Gloe-gloe-gloe, Maria, waarom heb je mij verlaten?
Gloe-gloe-gloe, Maria, waarom heb je mij bedrogen?
Gloe-gloe-gloe, Maria, voor jou zat ik in de bak!
Gloe-gloe-gloe, Maria, wat moet ík met vijf kinderen?’
En elke tafel
was als een huis
met drie, vier rokende schoorstenen
en we dronken met onze ellebogen op het dak.
En onder het plafond, krakend,
spint de ventilator onze longen tot een grauw kluwen.
Tranen en as in de asbakken, zwart water.
En zoals ik daar zat met mijn gezicht naar de muur
begon ik te lachen.
En ik wees met mijn vinger omhoog en ik zei:
‘De werken zijn gestaakt! Alle werken zijn gestaakt!’
En ik liep de straat op en ik keek naar de hemel –
en de hemel zag eruit als een bouwplaats die ijlings was verlaten bij de komst van de winter.
Ion Mureşan
Vertaling: 2011, Jan H. Mysjkin

Autogestión de las cosquillas
Se ve sabroso el fruto
de tu vientre
hecho jugo
naranja dulce
cascada
mango sin cáscara
pétalos
gajo a gajo
me toronjo
me hago ajo y miel
gárgara de miel en tu limón
cítrica & cítrico
salvas
salivas
salvias
sola tu lengua es bastante
salón de agua fresca
sala de juegos orales
soles húmedos
del tamaño y color
de tu carne
oro
plátano
nos oro al devorarnos
al colmillo
al encajar el diente
al dentarnos
oro
acaricio
el humedal en tu nombre
y en tu nombre me humedezco
papaya en la lengua
papaya en labio
en cada una de sus lenguas proféticas dentro de todos
tus labios
laberinta
Me Adano en la manzana de tu ano
en todo su paraíso
estoy erecto
Estoy fractal
me escurro
nos
hago una limpia
estamos río
frutal
entre tanta cosa bendita
goteándose
haciéndose iglesia
templos que son océanos
pezones que son un siglo derramándose a segundos
guanábana
guágüis
guaguancó
gerundio del verbo rumba
Mi nahual es la saliva
en tu valsa
nahual vals orilla a orilla
en las horas de mi pubis
barca nos embarca el floripondio
la nuez el cacao
briago de tu altar
Ante tu altura
coco abierto
piel
durazno de piel
flor de pieles
flor
víbora emplumada agua en el aire
en tu ombligo la uva se exprime mientras me miras
mordiendo esta tuna sin espinas
depilada toda
con la marca de tu tanga
enamorado el tamarindo tengo
capulín tercer ojo que lamo
apretado al centro
de tu cintura
leche
azúcar licuado
vainilla licua
fresas licuado de fresas
con mi chocolate
derretido en tu culo
en tu cumbre hecho lumbre
en tu cumbre echas lumbre
me echas tu leche
me lechuzas en mi noche
me anocheces
para no andar
a solas bebiendo
la sal
del agua
de los mares
me mareo de tus olas
en tiempo durazno futuro
me miro
me cielo
me mirlo
te piño
te piñono
te emponzoño esa piña sabrosa
te muerdo salivando tu vientre
salivo tus sábanas
todas tus sabanas tus sabores
saben a selva
a tropical sabiduría
en el mojado barro de mi jarro
en el moreno y duro cerro
con que te atragantas
en el venoso valle que lames
en la nieve naciéndome del monte
kiwi
las semillas santifican tu paladar
las tragas todas
manjares
conociendo tu garganta previamente avemente
nos hierbabueno
nos en los buenos días el latido
la menta albahaco sudando fresco
dilatadas hondas & hondos afrutamos
n u e s t r o g e m i r s a n t o
Santo el parámetro de tu pucha
cuando huele desde lejos
Santa la lubricación cachonda que se te muestra
al mancharte las nalgas sobre la ropa
Santo el pito que tomas entre tus huellas
para hacerlo ancho
para hacerlo andar
para hacerlo crecer ahuehuete en que
te calmas
te cuelgas
te columpias
te hamacas
Santa chamaca caliente
nalguéame
Santo chamaco
Santo pezón derecho lames
y el aura aurea de mi culo
Santa Satanaza
Santificamos estes frutales cuerpes de donde
emana el agua.
2018, Karloz Alt
Autogestation of tickling
How tasty it looks
the fruit of your belly
freshly squeezed
seedless orange
waterfall
peeled mango
petals
slice after slice
i’m grapefruiting
i’m garlic and honey
a gargle of honey in your lime
citric & citrine
salve
saliva
salvia
your tongue is enough on it’s own
chamber of fresh water
oral jungle gym
humid suns
the size and colour
of your flesh
gold
plantain
us i say a golden prayer as we devour ourselves
at the point of canine teeth
at the point the tooth sinks in
at the point of teething
i say a golden prayer
i stroke
the wet earth in your name
and in your name i grow wet
papaya on the tongue
papaya on the lip
on each and every one of the prophetic tongues within all
of your lips
labyrinth kid
i Adam in the apple of your anus
in all of its eden
i am erect
i’m fractal
i wring myself out
i perform a purifying ritual
for us
we’re being river
fruit tree
in the midst of so much blessed stuff
splashing
making church of itself
oceanic temples
nipples that are a century spilling over in seconds
guanábana (to eat)
guágüis (to suck)
guaguancó (to dance)
gerund of the verb rumba
The spirit that guides me is the saliva
in your gondola
the spirit that guides me congas shore to shore
in the hours of my pubic bone
dinghy swings us away with a flourish
the kernal the cacao
intoxicated on your altar
before your gloriousness
coconut open
skin
peach of skin
flower of skins
flower
feathered serpent water in the air
in your navel a grape implodes while you watch me
masticating this cactus without spines
totally shaved
my tamarind’s enamored
with the imprint of your thong tho tho tho thong
wild cherry third eye that i lick
taut at the crux
of your waist
milk
sugar milkshake
vanilla liquid
strawberries strawberry shake
with my chocolate
melting in your ass
on your boulder i’m asmoulder
on your boulder you’re asmoulder
douse me in your milk
you owl to me in my night
you make my nightfall
so as not to wander
drinking alone
the salt
of the water
of the seas
i’m seasick in your waves
in future peach times
i see me
i sky me
i blackbird me
i pin you
i pine-nut you
i poison you this delicious pineapple
i bite you mouth-watering your belly
i salivate on your sheets
all your savannas your flavours
a savour of jungle
of tropical wisdom
in the damp mud of my cup
in the hard brown mound
on which you splutter
in the venomous valley that you lick
in the snow ascending the peak
kiwi
the seeds sanctify your palate
each mouthful
a morsel
intimately familiar with your throat afloat
i sassafras us
a salutation in the pulse
basiling the peppermint sweating freshness
dilated deep & deep we’re fruiting
o u r h o l y m o a n
Holy the parameter of your pussy
when people can smell it for miles
Holy the hot lubrication that gives you away
creaming your ass under your clothes
Holy the rod you take between the hollows of your feet
to make it broad
to make it go
to make it grow ancient tree from which
you rock
you swing
you dangle
you hammock
hot Holy kiddo
butt-cheek me
Holy kiddo
Holy right nipple you lick
and the aureate area of my ass
Divine demoness
we sanctify these fruiting bodies where
water is given forth
Karloz Alt
Translation: 2019, Megan Marsh, Karloz Atl
AUTOPILOT
LADIES AND GENTLEMEN THIS IS YOUR CAPTAIN
WELCOME ON BOARD THIS IS MY VOICE MY SELF
I AM THE VOICEBOX I AM THE PILOT THE AUTO
PILOT I AM THE MACHINE. WELCOME WELL COME
Troja liegt hinter uns: ein trümmerhaufen
bilderberg ein totenacker in einer ältren
sprachschicht babylonisches zitat ein ein
gestürzter satzbau sinngestapel von Babel
liegt hinter uns ein weiterer zerstörungs
horizont sie sehen: Trojas FALLING TOWERS
den echtzeitzielanflug den einschlag sich
in der endlosschleife KEEP YOUR SEATBELTS
FASTENED sehen & hören halten sie sich an
die daten schalten sie die elektronischen
geräte aus & verlassen sie sich verlassen
sie: sich & halten sie sich fest den rand
sich an die anweisungen: halten sie still
wir nähern uns einem ereignishorizont dem
achten kreis der hölle wir treten ein wir
sind im ernstfall: DENKEN WIR, DESCARTES?
und was? entlegene gegenden vergangenheit
en & verlassenschaften totes material das
spricht wie: sich die erde wölbt das meer
dem himmel zu verschwimmen flüsse glänzen
vereist verschneit versteinert felsströme
ein wolkenloses nichts im fluge zeit ewig
keit in der stimme Echos stimmen aus laut
sprechern in kopfhörern wortfetzen gewebe
reste undatierter texturtext was sagt uns
was wir sagen was sagen was sagt sie Francesca da Rimini: per l’aer perso l’aer ma ligno die dunkle luft die uns trägt durch
die wir fliegen die wir sind wind im wind
im weiten zweiten höllenkreis zu zweit zu
weit an jenem tage lasen wir PER ME SI VA
NELLA CITTA DOLENTE lasen nicht weiter es
gab keinen grund nur bilder: feuer & luft
die welt als vorstellung und einen willen
oder zwei. Verwirrte stimmen sprachen ein
paar dunkle pixel weit von jedem schrei &
fielen hand in hand es war zu sehn. weißt
du noch? nein. THE PERSON YOU HAVE CALLED
IS NOT AVAILABLE: PLEASE HOLD THE LINE im
knistern kratzen rauschen alter aufnahmen
silbrig das graun in einer handvoll staub
den braun- und grautönen lichtbilder fast
verblasst vorbei für immer fast sprachlos
fast verloren nur diese reste von stimmen
der verblichenen stimme lebhaft auf einem
anrufbeantworter das licht verstummt YOUR
CAPTAIN IS SPEAKING: THANK YOU FOR FLYING
LIMBO AIR unerwidertes zwischen den toten
buchstaben ein du mot à mot a motion eine
emotion reste von gesten gestern geistern
des untotes flüstern stille & es sprechen
die dinge sie sagen kaum verständlich ich
THROUGH ME THE WAY INTO THE SUFFERING CITY
THROUGH ME THE WAY TO THE ETERNAL PAIN TH
ROUGH ME THE WAY THAT RUNS AMONG THE LOST
……..AND NOW WE ARE READY FOR TAKE-OFF
Barbara Köhler
AUTOPILOOT
LADIES AND GENTLEMEN THIS IS YOUR CAPTAIN
WELCOME ON BOARD THIS IS MY VOICE MY SELF
I AM THE VOICEBOX I AM THE PILOT THE AUTO
PILOT I AM THE MACHINE. WELCOME WELL COME
Troja ligt achter ons: zo’n puinberg hoop
beelden een dodenakker in een oudere taal
laag Babylonisch citaat een gevallen zins
bouw zinnengestapel van Babel ligt achter
ons weer een verwoestingshorizon je ziet:
Troja’s FALLING TOWERS in reële tijd doel
witvlucht de inslag zich in een eindeloze
vliegbocht & KEEP YOUR SEATBELTS FASTENED
zien & horen houdt u zich aan de gegevens
schakelt u de elektronische apparaten uit
& verlaat u zich verlaat u: zich en houdt
u zich vast aan de rand aan aanwijzingen:
houdt u stil we naderen een gebeurtenisho
rizon de achtste cirkel van de hel treden
binnen we zijn in noodtoestand: DENKEN WE
DESCARTES? en wat? afgelegen streken ver-
ledens & verlatenheden dood materiaal dat
spreekt als: zich de aarde welft & de zee
om voor de hemel te vervloeien & rivieren
glanzen verijsd versneeuwd versteend rots
stromen een wolkenloos niets in de vlucht
tijd eeuwigheid in de stem Echo’s stemmen
via luidsprekers in koptelefoons woordwir
war weefsel resten ongedateerde texturen-
tekst wat zegt ons wat we zeggen wat zegt
Francesca da Rimini per l’aer perso l’aer
maligno o de donkere lucht die ons draagt
waardoor we vliegen en we zijn wind in de
wind in de wijde hellekring getweeën & te
ver die dag lazen wij: PER ME SI VA NELLA
CITTA DOLENTE lazen niet voort geen grond
wel beelden: vuur & lucht wereld als voor
stelling en een wil of twee. In de war de
stemmen spraken een paar pixels veraf van
elke schreeuw & vielen hand in hand t was
te zien. weet je nog? nee. THE PERSON YOU
HAVE CALLED IS NOT AVAILABLE: PLEASE HOLD
THE LINE in het kraken krassen ruisen van
oude opnames zilver het afgrijzen in stof
n handvol de tinten bruin & grauw beelden
verbleekt voor bij voor altijd sprakeloos
haast verloren enkel maar deze resten van
stemmen van de bleek geworden stem levend
op t antwoordapparaat t licht verstomd zo
YOUR CAPTAIN IS SPEAKING: & THANK YOU FOR
FLYING LIMBO AIR onweersproken onder dode
letters een du mot à mot a motion emoties
resten van gestes gister geesten van dood
loos gefluister stilte & de dingen zeggen
onverstaanbaar haast spreken de dingen ik
THROUGH ME THE WAY INTO THE SUFFERING CITY
THROUGH ME THE WAY TO THE ETERNAL PAIN TH
ROUGH ME THE WAY THAT RUNS AMONG THE LOST
……..AND NOW WE ARE READY FOR TAKE-OFF
Barbara Köhler

Herbst in Nánjīng
dies ist die südlichere hauptstadt, die hauptstadt, die keine mehr ist. ihr regierungspalast ist nicht europäisch. ihr regierungspalast ist so europäisch wie eine kolonialvilla. ihr regierungspalast kann für 40¥ besichtigt werden, und dann bleibt man den ganzen tag. die regierung blieb bis zum winter 1937. als sie ging, wurden die stadttore versperrt. in den nächsten sechs wochen tötete die japanische armee 400.000 zivilisten. in den nächsten vier wochen vergewaltigte die japanische armee 20.000 frauen. die stadtmauer steht noch, sie kann für 20¥ besichtigt werden, und dann bleibt man den ganzen tag. es ist die einzige komplett erhaltene stadtmauer in china. ich habe das nicht gewusst.
im wūlóngtǎn-park klebt die hitze. alles könnte sehr neu oder sehr alt sein, der unterschied will sich nicht einstellen. ich schreibe briefe an t., der neben mir im schatten liegt. ich schreibe briefe an c., der sie in einer europäischen kleinstadt liest, das heißt: ich schreibe briefe in die vergangenheit. die vergangenheit, sagt l., ist dort, wo nicht alles zeitgleich geschieht; wo die gegenwart keine auf 350km/h beschleunigte gleichzeitigkeit ist.
und genau das ist das problem, sagt b., und greift nach ihrem bier: wir haben keine zeit zum nachdenken. meine studentinnen brauchen 30 jahre, um zu merken, was sie eigentlich wollen, und dann haben sie schon das gemacht, was alle anderen tun. was wir dringend brauchen, sagt b., ist individualismus. sie meint damit etwas anderes als ich.
x. sagt, der individualismus wird kommen, es dauert nur noch ein
bisschen.
h. sagt, er muss in letzter zeit ständig an die 70er denken, es fühlt sich an, als kämen die 70er zurück, und ich frage mich, was würde ich alles nicht für selbstverständlich halten, wenn ich die generation meiner eltern wäre, oder die generation davor, wofür würde ich mehr kämpfen, wovor hätte ich mehr angst. in den 70ern gab es keine presse, nur regierungszeitungen, sagt h. vor drei monaten hat er seinen job als chefredakteur aufgegeben und eine werbe- agentur gegründet.
dies ist nicht die stadt der schwalben. es ist die stadt, die man vergessen hat. vergessen: wàngjì, wörtlich: vergessen, sich etwas zu merken. natürlich, man kann das auch anders sagen. dies ist kein gedicht über den zu kurz gedachten zusammenhang von sprache und denken. dies ist im besten fall: ein loch im papier, das groß genug ist, um durchzuwollen. groß genug, um die fische dahinter schwimmen zu sehen. die pokémon.
臧棣:像雪山一
样 升 起 丛 书
zāng dì: aufsteigen, wie es die schneeberge tun (2011)
also alles sammeln, weil alles gesehen werden soll: die ingwerscheiben und die muskatbrühe, die 20x20cm großen gehwegplatten, je ein kreis, vier schwünge und sechzehn quadrate am rand – ein auge mit sehr viel schlaf in den ecken. den nudelstand und den pfannkuchenstand, den mann vom mobilen schlüsseldienst, der am straßenrand seine zeitung liest, einen wasserschlauch im garten der universität. die fetten, schlafenden campus-katzen, radios, lautsprecherdurchsagen, ein auto-alarm, der sich in den platanen verfängt, rote bänder in den ästen und fahrräder, lastenräder, zìxíngchē. liùshí niándài de zìxíngchē, sagt x., fahrräder wie aus den 60ern: wo immer sie hinfahren, fahren sie durch staubiges nachmittagslicht.
孙文波:六十年代的自行车
sūn wénbō: fahrräder in den 60ern (2002)
nostalgie also, sagt l.: eine hitze, in der sich alles verschläft, schwer wird und an wichtigkeit verliert. die straßen gehen an hügeln entlang, an etwas vertraut mediterranem. in nánjīng denke ich
zuerst an italien und dann an etwas, das ich nicht mehr vergleichen
muss, um es gern zu haben.
dies ist nicht die stadt der schwalben. dies ist die stadt, in der ich dich liebe. ihre wände weißgewaschen wie eine akte, die tore rund wie ein langsam platter werdender ball. noch kann man durchgehen. durch eine vergangenheit, die eine von vielen, die ein ohrwurm der gegenwart, die genau so ist, wie sie sein soll, rènao nämlich. rènao ist ein wort für die form von gemütlichkeit, die sich einstellt, wenn in einer großen gruppe von menschen alle durcheinander reden und dabei eine lautstärke erzeugen, in der man oben und unten vergisst – eine müdigkeit, in der alles weich wird, entkrampft und an wichtigkeit verliert.
li-young lee: the city in which i love you (1990)
于坚:0档案
yú jiān: akte 0 (2002)
in nánjīng sehe ich eine armut, die wie müdigkeit aussieht, eine armut, die alles verkauft, dessen sie habhaft werden kann, dinge, von denen ich keine ahnung hatte, dass man sie verkaufen kann, eine armut, die riesige plastiksäcke mit sich herumträgt, eine armut aus rotweißblauweißrotweißblau gestreiften, wasserabweisenden, zusammengetackerten allzweckplanen, eine armut, die als sichtschutz vor einem baugerüst hängt.
in nánjīng sehe ich platanen, wo immer ich hinkomme, die meisten davon wurden gepflanzt, bevor die regierung ging. nánjīng ist eine stadt aus platanen, eine stadt aus parks und seen, deren große glücksgeschichte noch nicht geschrieben ist. in nánjīng gibt es ein beständiges sägen, das keines ist, ein schubsen heiserer zirper vom ast. wenn ich vorbeikomme, dimmen die grillen kurz ihre lautstärke. als ob sie ihnen peinlich sei.
in nánjīng lese ich einen essay von lǐ chénjiǎn, dem dekan des yuánpéi-kollegs, den alle gelesen haben, weil er fast einen tag lang online war, bevor die zensurbehörde die klickzahlen bemerkte.
李沉简:挺直脊梁拒做犬儒(北大一二〇纪念)
lǐ chénjiǎn: zynismus und rückgrat. 120 jahre universität běijīng (2018)
zynismus, schreibt lǐ chénjiǎn, bildet die basis unserer gesellschaft, und das hat einen einfachen grund. wenn du alle entfernst, die ihre meinung sagen, dann bleiben diejenigen übrig, die keine haben. zhūjūn, jù zuò quǎnrú, schreibt lǐ chénjiǎn: sehr geehrte damen und herren, widerstehen sie der versuchung, zynikerinnen zu sein.
also: alles sammeln, weil alles genannt werden soll. eine entscheidung, es nicht gut sein zu lassen; sich nicht zu gewöhnen, nicht der einfachheit halber und nicht an diese erbärmliche angst. eine entscheidung, die in der gegenwart um die gegenwart; die jede trauer verweigert; die im wūlóngtǎn-park auf der kleinen insel hinter einem getränke-automaten – coca cola: kěkǒu kělè – hinter mülltrennung und weidenzweigen und mittagspause, hinter kräutereistee in dosen und take-away in plastiktüten, hinter einer entscheidung, hinter die sie nicht zurückgeht: say it too fast and it sounds like a platitude: exactly the kind of reductive, crushing generality i want to try to avoid.
eileen j. cheng: literary remains. death, trauma, and lǔ xùn’s refusal to mourn (2013)
kate briggs: this little art (2018)
dieses land ist kompliziert, sagt b. schwer zu sagen, ob das gut oder schlecht ist, es ist auf jeden fall interessant. keine ahnung, was in zwei jahren sein wird; ich kann mich kaum noch erinnern, wie es vor zwei jahren war.
also alles sammeln, weil alles anders sein wird: sonnenschirme, tomaten mit zuckerguss, die kneipenmeile hinter dem campus, den xuánwǔ-see, wenn man von der stadtmauer herunterschaut, die regattastrecke der ruderboote – winzige nadeln zwischen den inseln, dicken blumenkohlköpfen im see. y. sagt, nach der schule sei sie hierhergekommen, wenn sie allein sein wollte. y. sagt, ich soll mehr trinken, duō hē diǎn, und das sagen alle. gekochtes wasser: kāishuǐ: geöffnetes wasser.
y. sagt, alle warten darauf, dass die immobilienblase platzt; y. sagt,
sie weiß noch nicht, ob sie dann wieder nach berlin geht. als y. zum ersten mal nach berlin ging, dauerte es zwei monate, bis die mauer fiel. 1989, das war ein furchtbares jahr für china, sagt y., ich bin danach lange nicht mehr zurückgekommen. während ich sie ins herz schließe, frage ich mich, was ich eigentlich von ihr hören will.
y. arbeitet für den staat. y. hasst xí jìnpíng, weil xí jìnpíng intellektuelle hasst. das hat er mit máo gemeinsam, sagt y., diese kleinbürgerliche verachtung der aufklärung. y. sagt, sie hat keine lust mehr auf auswärtige kulturpolitik, die nur aus kalligraphie- kursen besteht; y. sagt, china ist komplizierter als das. ja, sage ich, und darum ist es ja so interessant. y. lächelt müde.
und unter uns liegt der see, liegt die ruhe einer stadt, die man vergessen hat, auf chinesisch: die ruhe einer stadt, an die man vergessen hat, sich zu erinnern; die ruhe einer seit den 50er jahren irgendwie übersehenen stadt; die ruhe einer stadt mit 8 millionen einwohnern.
in nánjīng, in einem herbst, der ein sommer ist, den wir mit gesprächen gestopft haben wie ein jiǎozi, so gierig gefüllt, dass es beim kochen platzen wird, in einem herbst, der ein anfängerfehler, der schöner als objektiv möglich und ein sommer ist, lege ich das lexikon des modernen chinesisch neben t.’s kaffeetasse auf einen tisch auf einem balkon an dem trocknende handtücher hängen, fußnoten zu fußnoten, ausleger an den brücken von sprachen, die sich von uns lossagen, uns versprechen.
dabei sind sich deutsch und chinesisch so ähnlich, sagt y., beide behaupten ihre worte, ungeschickte übersetzungen, wo die anderen sprachen sich auf eleganz einigen, einigen deutsch und chinesisch sich auf wörtlichkeit. kindersprachen, in denen alles heißt, was es ist, in denen es nicht television, sondern fernsehen heißt, diànshì, elektronisches sehen. sprachen mit geringer
fremdworttoleranz; grobschlächtige sprachen, die sich der welt mit zärtlichkeit nähern, mit der zärtlichkeit, mit der man einen fisch zerlegt.
und das ist kein zusammenhang, sagt x., keine anthropologische konstante, keine traditionslinie, das ist ein loch im papier, das groß genug ist, eine dieser zufälligen, strukturellen ähnlichkeiten, was logikerinnen als wunder bezeichnen, all diese irgendwie wahlverwandten monster, die hektisch von ihren inseln in der geschichte winken und aufmerksamkeit wollen.
david der-wei wang: the monster that is history (2004)
also alles sammeln, weil alles in die sprache gehört: tee-eier, yóutiáo, die zensierten zeitungen am kiosk neben der metro-station gǔlóu, die niemand liest, die kritischen reportagen im nánfāng zhōumò und auf cáixìn, die alle lesen, das goldfischbecken und die elstern, die vor den tempeln stehen, ihre schwebenden schmuckflossen, das königinnenblau unterm flügelspiegel, am hals. vögel welcher farbe sind das, die ihr eigenes vergessen fortfliegen?
西川:夜鸟
xī chuān: nachtvögel (ca. 1992)
in nánjīng sehe ich einen eisvogel, den einzigen eisvogel, den ich je gesehen habe, am rand eines zubetonierten kanals in xiānlín an der vorletzten haltestelle der metro nr 2 nach jīngtiān lù.
in nánjīng sind die platanen bis etwa einen meter über dem boden mit weißer und die mauern in der altstadt mit pastellgelber farbe gestrichen, in nánjīng sind die klimaanlagen von hǎi’ěr, in nánjīng halten die stromkabel den himmel zusammen.
in nánjīng lerne ich den unterschied zwischen pragmatik und pragmatismus. der unterschied liegt in einer entscheidung, und er liegt im preis, den man zahlt: pragmatiker wollen ihn so klein wie möglich, pragmatisten kalkulieren ihn so hoch wie es geht. nicht aus lust an den schmerzen, nicht aus heldinnentum, nicht aus
hoffnung – hoffnung, schreibt lǔ xùn, ist die gleiche illusion wie verzweiflung – sondern aus einer entscheidung, einer verbindlichkeit, einer verweigerung. aus der weigerung, zynisch zu werden, der weigerung, sich zu gewöhnen, es gut sein zu lassen, aus dem unvermögen, es gut sein zu lassen, aus der hoffnungslosen ernsthaftigkeit, mit der man sich einem spiel verschreibt, verspricht.
魯迅:鲁迅自选集
lǔ xùn: vorwort zu den selbstgewählten werken (1933)
nein, ich interessiere mich wirklich nicht für hoffnung, sagt l., ich
interessiere mich für handlungsräume.
deniz utlu: i’m not interested in hope, i’m interested in agency (2018)
ich schreibe, weil die leute es hassen, sagt lǔ xùn. die welt ist voll von leuten, denen es schlecht geht, und genauso gibt es diejenigen, die sich für nichts anderes interessieren, als ihre persönliche komfortzone zu sichern. die aber sollte man nicht so einfach haben können, und darum müssen wir ihnen von zeit zu zeit etwas hassenswertes vorsetzen, das sie in ihrer bequemen welt stört.
魯迅:墳
lǔ xùn: gräber (1927)
suǒyǐ yào jué mù, nǐ jiù gǎnkuài dòng shǒu ba, sagt b.: wenn du
gräber ausheben willst, na, dann leg mal los.
verschick deine liebe zum valentinstag, sagt das plakat hinter dem kiosk im wūlóngtǎn-park, schick sie per schnellkurier. tóngchéng fēisòng, nur 5¥, lieferung in der gleichen stadt, nur 6 stunden. valentinstag, qīxì, der siebte tag im siebten monat, ist in nánjīng im herbst, der ein sommer ist.
西川:月亮
xī chuān: der mond ( ca. 1995)
qiūfēng qiūyǔ / chóu shā rén, sagt qiū jǐn, chinas erste feministin, die anarchistin mit dem herbst im nachnamen und dem schwert vom spiegelsee im künstlernamen, am 13. juli 1907, dem abend vor ihrer hinrichtung: herbstregen, herbstwind / diese erbärmliche angst. qiūfēng qiūyǔ / chóu shā rén, sagen millionen chinesische
秋瑾:秋风秋雨
qiū jǐn: herbstwind, herbstregen (1907)
schulkinder, die ihre gedichte auswendig lernen.
früher oder später, sagt h., werden wir alle eine kugel in den kopf kriegen. das ist unabwendbar, und darum müssen wir sicherstellen, dass wir sie von unseren gegnern kriegen, und nicht von uns selbst.
jure detela via tibor hrs pandur: manifest ilegale (ca. 1975)
cǐkè, shéi méiyǒu fángwū jí bùbì ànjiē dàikuǎn, sagt h.: wer jetzt kein haus hat, muss keinen kredit abzahlen. und sowieso, sagt h., habe ich nie verstanden, warum irgendwer für den staat arbeitet, es gibt doch mittlerweile so viele möglichkeiten, in china geld zu verdienen. h. bezahlt mein mittagessen und lacht. man soll vorsichtig sein, erinnere ich mich, wenn geliebte menschen einem etwas zu großes schenken: es wird ein abschiedsgeschenk sein.
韩博:自由二
hán bó: freiheit nr. 2 (2017)
marina cvetaeva: erzählung von sonečka (1938)
2019, Lea Schneider
Herfst in Nánjīn
dit is de hoofdstad in het zuiden, de hoofdstad die dat niet meer is. het presidentiële paleis daar is niet europees. het presidentiële paleis daar is zo europees als een koloniale villa. het regeringspaleis daar kan voor 40¥ bezichtigd worden, en dan blijf je de hele dag. de regering bleef tot de winter van 1937. toen ze wegging, werden de stadspoorten afgesloten. in de zes weken daarna doodde het japanse leger 400.000 burgers. in de vier weken erna verkrachtte het japanse leger 20.000 vrouwen. de stadsmuur staat er nog, hij kan voor 20¥ bezichtigd worden, en dan blijf je de hele dag. het is de enige compleet bewaarde stadsmuur in china. ik wist dat niet.
in het wūlóngtǎn-park plakt de hitte. alles kan evengoed heel nieuw als heel oud zijn, het verschil dringt zich niet op. ik schrijf brieven aan t., die naast me in de schaduw ligt. ik schrijf brieven aan c., die ze in een europees stadje leest, dat wil zeggen: ik schrijf brieven naar het verleden. het verleden, zegt l., is daar waar niet alles gelijktijdig gebeurt; waar het heden geen gelijktijdigheid is die met een snelheid van 350 km/u voortraast.
en dat is nou net het probleem, zegt b., en pakt haar glas bier: we hebben geen tijd om na te denken. mijn studenten hebben 30 jaar nodig om door te krijgen wat ze eigenlijk willen, en dan hebben ze al gedaan wat alle anderen doen. wat we dringend nodig hebben, zegt b., is individualisme. ze bedoelt er iets anders mee dan ik.
x. zegt dat het individualisme komen zal, maar dat dat nog eventjes duurt.
h. zegt dat hij de laatste tijd steeds aan de jaren 70 moet denken, het lijkt erop dat de jaren 70 terugkomen, en ik vraag me af wat ik niet allemaal vanzelfsprekend zou vinden als ik tot de generatie van mijn ouders behoorde, of tot de generatie daarvoor, waar zou ik harder voor vechten, waar zou ik banger voor zijn. in de jaren 70 was er geen pers, alleen regeringskranten, zegt h., die drie maanden geleden zijn baan als hoofdredacteur heeft opgezegd en een reclamebureau is gestart.
dit is niet de stad van de zwaluwen. het is de stad die vergeten werd. vergeten: wàngjì, letterlijk: vergeten om je iets in te prenten. natuurlijk kun je dat ook anders zeggen. dit is geen gedicht over de niet geheel doorziene samenhang van taal en denken. in het beste geval is het: een gat in het papier dat groot genoeg is om er doorheen te willen. groot genoeg om de vissen erachter te zien zwemmen. de pokémon.
臧棣:像雪山一
样升起丛书
zāng dì: opstijgen zoals sneeuwbergen doen (2011)
dus alles verzamelen omdat alles gezien moet worden: de plakken gember en de muskaatbouillon, de 20×20 cm grote stoeptegels, telkens een kring, vier krullen en zestien vierkanten aan de rand – een oog met heel veel slaap in de hoeken. de noedelkraam en de pannenkoekenkraam, de man van de mobiele sleuteldienst die aan de kant van de weg een krant leest, een waterslang in de tuin van de universiteit. de vette, slapende campuskatten, radio’s, aankondigingen via luidsprekers, een autoalarm dat blijft steken in de platanen, rode linten in de takken en fietsen, bakfietsen, zìxíngchē. liùshí niándài de zìxíngchē, zegt x., fietsen zoals in de jaren 60: waar ze ook naartoe rijden, ze rijden door stoffig middaglicht.
孙文波:六十年 代的自行车
sūn wénbō: fietsen in de jaren zestig (2002)
nostalgie dus, zegt l.: een hitte waarin alles en iedereen zogezegd wegdut, zwaar wordt en aan belang verliest. de wegen gaan over heuvels, langs iets vertrouwd mediterraans. in nánjīng denk ik eerst aan italië en dan aan iets wat ik niet meer hoef te vergelijken om het plezierig te vinden.
dit is niet de stad van de zwaluwen. dit is de stad waarin ik van je hou. de muren ervan wit gekalkt als een akte, de poorten rond als een langzaam platter wordende bal. je kunt er nog doorheen lopen. door een verleden, een van de vele, een oorwurm van het heden, precies zoals ze moet zijn, rènao namelijk. rènao is een woord voor de vorm van gezelligheid die ontstaat als in een grote groep mensen iedereen door elkaar heen praat en een volume bereikt wordt waardoor je boven en onder vergeet – een vermoeidheid waarin alles week wordt, alle verkramptheid en belang verliest.
li-young lee: the city in which i love you (1990)
于坚:0档案
yú jiān: akte 0 (2002)
in nánjīng zie ik armoe die eruit ziet als vermoeidheid, een armoe die alles verkoopt waar ze de hand op kan leggen, dingen waarvan ik niet wist dat ze je kon verkopen, een armoe die reusachtige plastic zakken met zich meezeult, een armoe uit roodwitblauwwitroodwitblauw gestreepte, waterafstotende, aan elkaar geklonken zeilen voor alle gelegenheden, armoe die als bescherming tegen inkijk voor een bouwsteiger hangt.
in nánjīng zie ik platanen waar ik ook heen ga, de meeste bomen waren al geplant voordat de regering vertrok. nánjīng is een stad van platanen, een stad van parken en meren, en haar grote geluksgeschiedenis is nog niet geschreven. in nánjīng wordt er voortdurend gezaagd, maar het is geen zagen, de hese tsjirpers duwen hun gekras van de takken. als ik langsloop dimmen de krekels even hun volume. alsof ze het pijnlijk vinden.
in nánjīng lees ik een essay van lǐ chénjiǎn, de decaan van het yuánpéi-college, dat iedereen gelezen heeft omdat het bijna een dag lang online stond voordat de censuur het aantal clicks in de gaten had. cynisme, schrijft lǐ chénjiǎn, vormt de basis van onze maatschappij, en daar is een eenvoudige reden voor. als je alle mensen verwijdert die hun mening geven, dan blijven diegenen over die er geen hebben. zhūjūn, jù zuò quǎnrú, schrijft lǐ chénjiǎn: geachte dames en heren, weerstaat de verleiding om cynisch te zijn.
李沉简:挺直脊
梁拒做犬儒(北
大一二〇纪念)
lǐ chénjiǎn: cynisme en ruggengraat. 120 jaar universiteit běijīng (2018)
dus: alles verzamelen omdat alles moet worden genoemd. een beslissing om het niet goed te laten zijn; er niet aan wennen, niet omwille van het gemak, en niet aan die afschuwelijke angst. een beslissing, in het heden omwille van het heden; die elk verdriet verbiedt; die in het wūlóngtǎn-park op het eilandje achter een frisdrankautomaat – coca cola: kěkǒu kělè – achter afvalscheiding en wilgentakken en middagpauze, achter kruidenijsthee in blikjes en take-way in plastic tasjes, achter een beslissing waar ze achter blijft staan: say it too fast and it sounds like a platitude: exactly the kind of reductive, crushing generality i want to try to avoid.
eileen j. cheng: literary remains, death, trauma, and lǔ xùn’s refusal to mourn (2013)
kate briggs: this little art (2018)
dit land is gecompliceerd, zegt b., moeilijk te zeggen of dat goed of slecht is, het is in ieder geval interessant. geen idee hoe het over twee jaar zal zijn; ik kan me haast niet herinneren hoe het twee jaar geleden was.
dus alles verzamelen omdat alles anders zal zijn: parasols, tomaten met suikerglazuur, de kroegenstraat achter de campus, het xuánwǔ-meer als je vanaf de stadsmuur naar beneden kijkt, het regattaparcours van de roeiboten – minieme naalden tussen de eilanden, die dikke koppen bloemkool in het meer. y. zegt dat ze na school hier naartoe ging als ze alleen wilde zijn. y. zegt dat ik meer moet drinken, duō hē diǎn, en dat zeggen ze allemaal. gekookt water: kāishuǐ: geopend water.
y. zegt dat iedereen erop zit te wachten dat de vastgoedbubbel uit elkaar spat; y. zegt dat ze nog niet weet of ze dan weer naar berlijn gaat. toen y. voor het eerst naar berlijn ging, duurde het twee maanden voor de muur viel. 1989, dat was een vreselijk jaar voor china, zegt y., ik ben daarna lang niet meer terug geweest. als ik haar aan het hart sluit, vraag ik me af wat ik eigenlijk van haar horen wil. y. werkt voor de staat. y. haat xí jìnpíng omdat xí jìnpíng intellectuelen haat. dat heeft hij dus met máo gemeen, zegt y., dat kleinburgerlijke verachten van de verlichting. y. zegt dat ze geen zin meer heeft in buitenlandse cultuurpolitiek die alleen maar bestaat uit kalligrafeercursussen; y. zegt dat china gecompliceerder is dan dat. ja, zeg ik, en daarom is het ook zo interessant. y. glimlacht vermoeid.
en onder ons ligt het meer, ligt de rust van een stad die ze vergeten hebben, in het chinees: de rust van een stad die ze vergeten zijn zich te herinneren; de rust van een sinds de jaren 50 op de een of andere manier vergeten stad; de rust van een stad met 8 miljoen inwoners.
in nánjīng, in een herfst die een zomer is die we met gesprekken hebben volgestopt als een jiǎozi, zo geestdriftig gevuld dat-ie bij het koken uit elkaar zal klappen, in een herfst die een beginnersfout, die mooier dan objectief mogelijk en een zomer is, leg ik het lexicon van het moderne chinees naast t.’s kopje koffie op een tafel op een balkon waaraan handdoeken hangen te drogen, voetnoten bij voetnoten, aanlegsteigers aan de bruggen van talen die zich van ons losmaken, ons beloven.
en dat terwijl duits en chinees zo op elkaar lijken, zegt y., allebei houden ze vast aan hun woorden, onhandige vertalingen, terwijl andere talen mikken op elegantie, mikken duits en chinees op woordelijkheid. kindertalen waarin alles betekent wat het is, je het niet hebt over televisie, maar over fernsehen, ver kijken, diànshì, elektronisch kijken. talen met een geringe tolerantie voor vreemde woorden; plompe talen die de wereld met zorg benaderen, met de zorg waarmee je een vis fileert.
en dat is geen samenhang, zegt x., geen antropologische constante, geen traditionele lijn, dat is een gat in het papier dat groot genoeg is, een van die toevallige structurele overeenkomsten, iets dat logici als wonder aanduiden, al die op de een of andere manier zielsverwante monsters die vanaf hun eilanden in de geschiedenis fanatiek aan het zwaaien zijn en aandacht willen.
david der-wei wang: the monster that is history (2004)
alles dus verzamelen omdat alles bij de taal hoort: thee-eieren, yóutiáo, de gecensureerde kranten aan de kiosk naast het metrostation gulóu die niemand leest, de kritische reportages in de nánfāng zhōumò en op cáixìn die iedereen leest, het bassin voor de goudvissen en de eksters die voor de tempels staan, hun zwevende siervinnen, het koninginnenblauw onder hun vleugelspiegel, aan hun nek. vogels van welke kleur zijn het die hun eigen vergeten wegvliegen?
西川:夜鸟
xī chuān: nachtvogels (ca. 1992)
in nánjīng zie ik een ijsvogel, de enige ijsvogel die ik ooit gezien heb, aan de rand van een dichtgebetonneerd kanaal in xiānlín bij de voorlaatste halte van metro nr. 2 naar jīngtiān lù.
in nánjīng zijn de platanen tot ongeveer een meter boven de grond wit en de muren in de oude stad pastelgeel geverfd, in nánjīng zijn de airco’s van hǎi’ěr, in nánjīng houden de stroomkabels de hemel bij elkaar.
in nánjīng leer ik het verschil tussen pragmatiek en pragmatisme. het verschil zit ’m in een beslissing en in de prijs die je betaalt: pragmatici willen hem zo klein mogelijk, pragmatisten calculeren hem zo hoog als het gaat. niet uit plezier om de pijn, niet uit heldendom, niet uit hoop – hoop, schrijft lǔ xùn, is dezelfde illusie als wanhoop – maar uit een beslissing, een verplichting, een weigering. uit de weigering cynisch te worden, de weigering om te wennen, het goed te laten zijn, uit de hopeloze ernst waarmee je je overlevert aan een spel, je dat spel ook gunt.
魯迅:鲁迅自选 集
lǔ xùn: voorwoord bij een keuze uit eigen werk (1933)
nee, ik interesseer me echt niet voor hoop, zegt l., ik interesseer me voor ruimte tot handelen
deniz utlu: i’m not interested in hope, i’m interested in agency (2018)
ik schrijf omdat de mensen het haten, zegt lǔ xùn. de wereld is vol met mensen met wie het slecht gaat, en er zijn er ook die op niets anders uit zijn dan zich te verzekeren van hun eigen comfortzone. maar dat zou niet zo eenvoudig mogen zijn, en daarom moeten we hun van tijd tot tijd iets voorzetten dat het waard is gehaat te worden en hen in hun comfortabele wereld stoort.
魯迅:墳
lǔ xùn: graven (1927)
suǒyǐ yào jué mù, nǐ jiù gǎnkuài dòng shǒu ba, zegt b.: als je graven wilt lichten, nou, begin dan maar.
西川:月亮
xī chuān: de maan (ca. 1995)
verstuur je liefde op valentijnsdag, zegt het affiche achter de kiosk in het wūlóngtǎn-park, verstuur ’m met spoed. tóngchéng fēisòng, slechts 5¥, levering in dezelfde stad, slechts 6 uur. valentijnsdag, qīxì, de zevende dag in de zevende maand, valt in de herfst die een zomer is.
qiūfēng qiūyǔ / chóu shā rén, zegt qiū jǐn, china’s eerste feminist, de anarchist met de herfst in haar achternaam en het zwaard van het spiegelmeer in haar kunstenaarsnaam, op 13 juli 1907, de avond voor haar executie: herfstregen, herfstwind / die afschuwelijke angst. qiūfēng qiūyǔ / chóu shā rén, zeggen miljoenen chinese schoolkinderen die haar gedichten van buiten leren.
秋瑾:秋风秋雨
qiū jǐn: herfstwind, herfstregen (1907)
vroeg of laat, zegt h., zullen we allemaal een kogel door onze kop krijgen. dat is onafwendbaar en daarom moeten we ervoor zorgen dat we ze van onze tegenstanders krijgen, en niet van ons zelf.
jure detela via tibor hrs pandur: manifest ilegale (ca. 1975)
cǐkè, shéi méiyǒu fángwū jí bùbì ànjiē dàikuǎn, zegt h.: wie nu geen huis heeft, hoeft geen krediet af te betalen. en sowieso, zegt h., heb ik nooit begrepen waarom je voor de staat zou werken, er zijn intussen toch mogelijkheden te over in china om geld te verdienen. h. betaalt mijn middageten en lacht. je moet voorzichtig zijn, herinner ik me, als dierbaren je iets te groots schenken: het zal een afscheidsgeschenk zijn.
韩博:自由二
hán bó: vrijheid nr. 2 (2017)
marina tsvetajeva: verhaal over sonetsjka (1938)
Lea Schneider
Vertaling: 2019, Ton Naaijkens
Bad Sheep
Midnight’s merely blue,
but me, me, me, I’m
through
and through
sloe, cracked soot-
on-a-boot,
nicotine spat, licorice whip.
You can scratch, scratch, scratch
but I stay underskin true
to ebony, ink, crowberry, pitch;
hoist me up by my hooves
and shake till I’m shook, I’m still
chock full of coke, fuliginous
murk.
O there’s swart in my soul,
coal by the bag,
cinders and slag,
scoriac grit, so please
come, comb
through my fleece with hands pallid
as snow and watch
how they grow tarry, raven,
stygian, ashed—
or, if you wish, clean me with bleach
I won’t
flinch, just char
down to a core of caliginous
marrow,
pure carbon, atramentous,
utterly piceous,
shadowed, and starless,
each clumpity clump
and eclipse of my heart raptly
re-burnishing
a woolgather dark.
2012
Hailey Leithauser
ANFANG DES WINTERS
mit dem herannahenden Alter verglichen
Im Winter, wenn ich mit Vergnügen
Den noch nicht dick gefallnen Schnee
Nur dünn auf flachen Äckern liegen,
Sie decken und nicht decken seh,
Indem der Furchen Tiefen nur
Vom Schaum der Luft die weiße Spur
Uns in geraden Strichen zeigen,
Und daß wir die erhabnen Höhn,
Als ob sie aus den Tiefen steigen,
In einem braunen Schmuck noch sehn;
So kommt der ganze Acker mir
In einer sprenklig-grauen Zier,
Als wie bei uns ein sprenkligt Haar
Bei noch nicht vollem Alter für.
Man wird nur einzeln hier und dar
Ein glänzend Silberhaar gewahr,
Das noch die braunen unterdrücken.
Ob sie nun gleich die Scheitel schmücken,
Ist doch in der noch seltnen Pracht
(Wie hier des Winters kalte Nacht)
Das nahe Alter zu erblicken.
Doch schrecket beides mein Gesicht,
Da ich auf meines Scheitels Höhe
Auch schon dergleichen Schimmer sehe,
Mich, durch die Furcht vors Künftge, nicht.
Ich seh, gottlob!, auch hier die Spur
Der weisen Ordnung der Natur
Und denke, wenn die Felder weiß
Und unser Haupt-Schmuck völlig greis,
Daß wir dem Lenzen näher kommen,
Hier einem, der veränderlich,
Dort aber einem, welcher sich
Nicht ändert, der uns nie entnommen.
Ich seh indes, solang ich kann,
Des frühen Winters sanftes Prangen,
Das sich nur eben angefangen,
Als einen holden Vorwurf an:
Vergnüge mich nicht nur allein
An seinem silbergleichen Schein,
Ich denk auch, daß sein gleiches Bild,
So mir bereits mein Haupt erfüllt,
Mir, wenn ich nur vernünftig lebe,
Mehr Anmut noch als Schrecken gebe.
Da ich dort Gottes Ordnung sehe
Im frohen Wechsel unsrer Zeit;
So seh ich hier der Ewigkeit
Beglückten Frühling in der Nähe,
Den unsers Schöpfers Liebe fest
Nach meiner kurzen Tage Rest
Voll Zuversicht mich hoffen läßt.
Mich kränkt dabei kein Zweifel mehr,.
Da Gottes Ordnung feste stehet:
Denn hier sowohl als dorten gehet
Der Winter vor dem Frühling her.
Barthold Hinrich Brockes 1680-1747
BAHADOUR
The sun stamps his shadow on the wall
and he’s left one wheel of his bicycle
spinning. It is dusk, there are a few minutes
before he must pedal his wares through
the streets again. But now, nothing
is more important than this kite working
its way into the wobbly winter sky.
For the time he can live at the summit
of his head without a ticket, he is following
the kite through pastures of snow where
his father calls into the mountains for him,
where his mother weeps his farewell into
the carriages of a five-day train. You can
see so many boys out on the rooftops this
time of day, surrendering diamonds to
the thin blue air, putting their arms up, neither
in answer nor apprehension, but because
the days tenders them a coupon of release.
He does not think about the failing light,
nor of how his legs must mint so many steel
suns from a bicycle’s wheels each day,
nor of how his life must drop like a token
into its appropriate slot; not even
of constructing whatever angles would break
the deal that transacted away his childhood –
nor of taking some fairness back to Nepal,
but only of how he can find purchase
with whatever minutes of dusk are left
to raise a diamond, to claim some share
of hope, some acre of sky within a hard-fisted
budget; and of how happy he is, yielding,
his arms up, equivalent now only to himself,
a last spoke in the denominations of light.
2004, Judith Beveridge
BECAUSE OUR WAITERS ARE HOPELESS ROMANTICS
the plates are broken after just one meal:
plates that mimic lily pads or horseshoe crabs,
swifts’ wings,
golden koi, whirlpools, blowholes in rictus:
all smashed against the table’s edge —
. . . also our chef eschews pepper & salt
for violets & vespers
& squid ink & honey from wasps
rare lichen grown in local snow
authentic silt dark from the Nile or Tigris.
Surely you know that poultry, if cooked right,
will cure most common psychic ills?
It’s something to do with the feathers.
≈
. . . but you’re hungry. Come in. Sit. Taste.
There’s breast of swan for shame.
Try a quail tart for rage,
macaw on poached orchids for boredom.
And we serve so many other things.
There’s really nothing you can’t order:
goat’s feet, orange groves, prophets & smoke
convent orphans playing violins
flavors of memory, winter & wax, angles of sun, extravagant claims . . .
Don’t worry, there’s plenty —
it’s a mysterious feast you attend, but it offers
an affable scent of the cauldron, the light of abundance poured
over every table & marvelous barstool
Come in —
≈
Now you’re getting the gist:
at each table’s head that growing pile of shards
is not waste but homage to the potter.
The world’s a dish to relish, to finish:
this conch afloat in broth
a frilly and vertical eye
though portent & probably tainted, is solace
like these towers of loquats & glittering scales
or our bright pans’ brash mortal clanging.
Blink back the sun and look inside.
Our tiny lights don’t at all resemble stars.
Come in, come sup. You’ll never feel full.
2009, Amy Beeder
BEFORE THE DAWN
I am like a pond in the forest at this very moment Full, embracing the earth Dense loneliness, like murmuring trees, conceal me From sky, sun, moon, elements. Thoughts are birds and animals That come to drink me. I seize this loneliness, adamantine and white like snow, and say, Talk to me … talk to me Before the rays of the immeasurable one touch me Before dawn enters the silent valley
Kanaka Ha. Ma.
HET WITRUSSISCH I
Zelfs onze moeders wisten niet hoe we ter wereld kwamen
hoe wij zelf hun benen uiteen duwden en naar buiten kropen
zoals je na een bombardement uit de ruïnes kruipt
we wisten niet wie van ons een jongen was en wie een meisje
en aten aarde alsof we brood aten
maar onze toekomst was als een turnster op de dunne
draad van de horizon, en wat deed zij daar
niet allemaal
de teef.
we groeiden op in een land waar
met krijt de deuren werden gemerkt
en ’s nachts twee of drie auto’s voor kwamen rijden
en ons meenamen – maar
in die auto’s zaten geen mannen
met machinegeweren
en geen vrouw met een zeis
nee – zo kwam de liefde naar ons toe
om ons mee te nemen.
alleen in de openbare toiletten beleefden we de vrijheid
en voor een paar roebels vroeg niemand ons wat we er deden
’s zomers vochten we met de hitte, ’s winters met de kou
maar toen ze ontdekten dat wij zelf onze taal waren
en ze onze tongen uitrukten begonnen we te praten met onze ogen
en toen ze ons de ogen uitstaken praatten we met onze handen
toen ze onze handen afhakten begrepen we elkaar met onze tenen
toen ze ons in de benen schoten, knikten we van ‘ja’
en we schudden van ‘nee’… en toen ze onze hoofden levend
opvraten, kropen we in de schoot van onze slapende moeders
alsof dat een schuilkelder was
om opnieuw te worden geboren.
maar ginds, aan de einder, sprong de turnster van onze toekomst
door de brandende hoepel
van de zon.
Valzhyna Mort
Vertaling: 2009, Roel Schuyt

BERLIJN – ANSBACHER STRASSE
Dit is de sleutel in je hand, dit is de vleugeldeur
van de entree, de brede trapopgang
die zijn pluchen loper voor je uitlegt en je naar statige
verdiepingen omhoogvoert
geen roede ligt er scheef, het duister
kruipt uit de lambrizering op en in de kille aderen
van het marmer stremt, vermoeid, het bloed
de lichte scheuren dateren van die keren
dat de luchters vervaarlijk zwaaiden en zich leegschudden
boven tafelkleden en parket, toen het alarm
afging en het laatste kristal versplinterde –
kom, sluit de deur achter je, denk om indringers
en najaarsblad, snuif de verschaalde, bijna vervlogen
geuren van zijde en serge, van dat ene, alles
zo vaak verpestende parfum op, van varkensleren
of goedkope kartonnen koffers en hoor
hoe de sneeuw van toen, dooiend, andermaal
van een kraag van sabelbont druipt
en hoe op de slechts spaarzaam verlichte overlopen
het gekrulspelde wantrouwen en zulke ochtendjasklamme
ongepoederde opvliegers, roddels
en al of niet bedekte toespelingen konden gedijen –
buitenom vergrijpen de tengels van de bosandoorn zich
aan lofwerk, loggia’s en balkons, omstrengelen
tot wurgens toe de jaren
hier was het toch?
2004, Hans Tentije
Biscuits with apple sauce
i stay with mara at the window.
a beautiful winter’s day
it snows as we eat biscuits with apple sauce
not saying a thing.
each with the whole winter morning before us.
sometimes we stop eating and
press our noses to the glass
we stay that way without saying a thing
breath warms my face slowly
and slowly-slowly mara’s breath
spreads warmth throughout the park
Dan Coman
BETRACHTUNG EINER SONDERBAR SCHONEN
WINTERLANDSCHAFT
Wie jüngst ein tiefer Schnee gefallen
Und gleich ein Regen drauf, bald aber wiederüm
Ein schneller Frost entstand, erstarrt’ vor dessen Grimm
Der Schnee, der eben schmolz. Da schien nun wie kristallen
Der Bäume glatte Schar,
Die fast im Augenblick als wie beharnischt war.
Es wurden wunderschnell so groß als kleine Sprossen
Von einem halb bereits erstarrten Naß beflossen
Und ringsum eingefaßt und eingeschlossen.
Sie waren ganz mit klarem Eis bedecket;
Das allerkleinste Zweiglein stecket
In einer eiskristallnen Stangen,
Die siebenmal so dick als wie es selbst. Daher
Die Äste denn, dieweil das Eis so schwer,
Gebogen all herunterhangen,
Wodurch der Bäume Heer
Den Palmen an Figur, an Glanz den Leuchterkronen
Von reinem Bergkristall, die hell poliert sind, glich.
Die ganze Landschaft sah daher verwunderlich,
Hell, prächtig, herrlich aus, zumal
Wie bei dem Untergang der niedre Sonnenstrahl
In, durch und an die klare Glätte fiel.
Es ist fast auf der Welt kein schöner Augenziel.
Der Glanz, den König’ oder Kaiser
An Kostbarkeiten zeigen können,
Sind nichts bei diesem Glanz zu rechnen, nicht zu nennen.
Ein Wald von Bergkristall voll diamantner Reiser
Sind überall zur Schau gestellt.
Ein dresdnisch grün Gewölb war jetzt die ganze Welt,
Weil nichts als spielende Brillanten,
Als schütternde, geschliffne Diamanten,
Soweit man sah, zu sehn.
Ich mußte hier jedoch der Menschen Meinung lachen,
Die so viel Prahlerei von Edelsteinen machen.
Wie leicht kann, dacht ich, die Natur
Juwelen überall bereiten!
Die Härte fehlet ja dem Eise nur,
So hat es alle Kostbarkeiten,
Pracht, Schimmer, Wasser, Feur und Schein
Und alle rare Seltenheiten,
Die im so hochgeschätzten Demant sein.
Man stell sich einen Saal, voll Leuchter an der Wand
Von oben ganz herab, von allerhand
Bald rund-, bald eckigten Korallen,
Von klaren Bergkristallen,
(In deren rein geschliffnen Spitzen
Viel tausend helle Kerzen blitzen)
Einst in Gedanken vor, so wird der bunte Schein
Doch schwach bei diesem Glänzen sein,
Das auf der Erd jetzt allgemein,
Da alle Bäume, alle Hügel
Wie Leuchterkronen, helle Spiegel,
Die selbst der Sonnen Wunderstrahl
An allen Orten trifft, bemalt, durchdringet, schmücket,
Im ungemeßnen Erdensaal
In einem hellen Glanz und Schein
Erstaunlich anzusehen sein.
Es wird mein Auge fast entzücket,
Da ich zur selben Zeit im Garten die Allee
Auf gleiche Weise
Durch den so schnell geschmolznen Schnee
In einem hell bestrahlten Eise
Nicht schimmern, feurig funkeln seh.
Sie war nicht anders anzuschauen
Als wie ein Weg, den man im Bergwerk aus Juwelen
Und Diamanten ausgehauen.
Wenn man durch fließenden geschmolzenen Kristall
Die Bäume ganz gezogen hätte,
So könnten sie in einer hellern Glätte,
Als wie sie damals überall,
Unmöglich funkeln, blitzen, glänzen.
Mein Leser, glaube nicht, daß mein Erzählen
Zu weit sei ausgedehnt. Es ist wahrhaftig wahr.
Und bin ich nicht geschickt,
Daß es durch meinen Kiel hoch, prächtig, ähnlich, klar
Und schön genug wird ausgedrückt,
Doch hab ich auch den Frost so gar ausnehmend schön
Nur bloß ein einzigs Mal gesehn.
Jedoch muß ich dabei gestehn:
Daß alle Schönheit doch ein Etwas, welches wild
Und rauh und fürchterlich, zugleich uns zeigte.
Denn da ein jeder Baum sich ganz herabwärts beugte,
War Weg und Steg versperrt. Hierüber fiel mir ein:
Wie muß doch dem zumute sein,
Der jetzt durch Wälder reisen muß?
Ich stellte mir
Davon viel Gräßliches und sehr Gefährlichs für.
Doch hast du bald darauf, gelehrter Clodius,
Den eben über mein Verhoffen
Dies Ungemach getroffen,
Es mir weit schrecklicher, als ich mir vorgestellt.
Kurz: wirklich war zu dieser Zeit die Welt
Mit Schönheit und Gefahr, mit Lust und Last erfüllt.
Sie war ein lieblich Schreckenbild.
Entsetzlich angenehm, erschrecklich schön
(Man sage, was man will) war alles anzusehn.
Des Eises schöner Glanz, das durch die schwere Last
So manchen Ast
So sehr beschwert’ und abwärts beugte,
Ja viele gar zerbrach, zerknickte,
Und manchen ganzen Baum so gar zur Erden drückte,
War mir nicht nur ein Beispiel mancher Schönen,
Die oft durch eigner Schönheit Pracht
Zu Unglück kömmt, und wird zu Fall gebracht;
Es ließ zugleich dies lieblich rauhe Wesen
Vom Zustand unsrer Welt mir eine Lehre lesen:
Wie in so schönem Frost sich Pein und Schein vereinet
Und unser Aug erschrecket und erfrischt,
So ist mit Gutem auch das Böse stets vermischt.
Daher, was jener sagt, die Wahrheit, wie es scheinet:
„Im Himmel”, spricht er, ,ist vollkommne Seligkeit,
Und in der Hölle nichts als Qual,
Auf Erden bindet sich hingegen Lust und Leid
Fast allemal”
Vergeht nun gleich des Winters schöner Schimmer
Viel eh noch als die Unbequemlichkeit,
So währt doch auch der scharfe Frost nicht immer.
Es jagt ihn samt dem kalten Nord
Zu rechter Zeit der frohe Frühling fort.
Darum verzweifle nicht, wenn rauhe Winde wehn,
Doch sei auch nicht zu stolz, wenn alles still und schön!
Vielmehr gedenk, sowohl im Sturm, als in der Stille:
Es muß so sein, es ist des Schöpfers Wille.
Laß dich den Glanz zum Trost, den Frost zur Demut bringen,
Und denke: wunderbar ist Gott in allen Dingen.
Barthold Hinrich Brockes 1680-1747

SANG
Tu es belle. Et je suis fou.
Corps de pierre. Corps solaire. Corps solitaire. Lactescence estivale. Echancrure sauvage. Tu es ma chair d’ivoire. Astre noir. Mon obscène territoire. Tu m’emmures sous le dôme des lamentations. Ma succulence permise. Ma maîtresse. Ma connivence sensuelle. Ma lunaire tyrannique. Princesse endiablée. Lacis de sueur. Idole enrobée de soie. Et d’épines.
Œuvre de feu et de sang. Les aréoles de tes lèvres épousent et entaillent ma peau. Assèche-moi. Je suis désert. Flagelle-moi. Je suis esclave. Inféode-moi. Je suis ta propriété. Ton bibelot. Je plisse ta nuque. J’éploie ton ventre. Dunes célestes. Ta chevelure est une liasse de flammes. Tes yeux un ouragan de sable. J’éventre ta langue engorgée et me désaltère. Elle est hostie pour ma bouche infidèle. Elle est calice pour ma bouche hérétique.
Je renonce au devoir. A la raison. Je suis dévot aux lieux de la débauche. Je suis mendiant au seuil de ta taverne. Je m’abreuve aux sources hallucinées. Opium et vin. Je renifle tes arômes opiacés. Je mords tes ébréchures alcoolisées.
Je suis celui revêtu de guenilles qui lave et baise tes pieds. Je veux boire. Encore boire. Encore boire. Et me dissoudre sous les osmoses de l’ivresse.
Je suis amant de l’amour. Celui revêtu de laine. Celui revêtu de crasse et de boue.
Celui qui se prosterne sur ton corps. Lieu de vénération. Lieu de prière.
Celui qui à l’aurore de ton voile récite les silences de tes yeux. Celui qui glane des nattes de sang sur ton mausolée.
Et tu es mon livre sanctifié. Mon poème.
Et je suis poète fou qui quémande le sens de ton verbe. Et je suis poète fou qui vole la parole.
Poète fou qui dérobe ses obéissances. Poète fou qui professe une parole transmuée.
Parole incantatoire pour te célébrer et te créer. Parole au-delà de la parole pour t’aimer.
Et tu es ma féconde indélicate. Celle qui me purge de mes lassitudes. Celle qui reflue mes fautes et mes rancœurs. Celle qui coalise extase et douleur
Et ton nectar infeste mes rêves les plus nonchalants. Ton nectar infeste mes repentirs nocturnes.
Tu es festin que je romps et qui me corrompt.
Et je déguste ta gorge blanche. Je hume tes senteurs épicées. Je soutire tes sèves tuméfiées.
Et tu es ma vanité. Ma lascive. Ma vierge indécente.
Tu sillonnes les mers vengeresses et les rues fétides. Tu sillonnes ma carcasse avide et mes plaisirs terrifiés. Tandis que ma salive adultère encore tes lèvres. Tandis que les liqueurs dédiées à la jouissance suturent encore ta peau fissurée.
Tu es femme et la nuit carnassière froisse les tombeaux. Tu es femme et le ciel exsude des flocons de pierre.
Tu es femme et l’océan se désertifie et la terre se décalcifie. Tu es femme et les bêtes frémissent les signes de l’apocalypse.
Et tu es belle. Ma gazelle opaline. Eau qui pleut entre mes cils. Soupirs qui veloutent mes songes. Safran qui pave mes cicatrices.
Et tu es belle. Ma douce. Ma moelleuse. Ton visage une aube lumineuse. Nébuleuse bleue. Collier de poussière d’étoiles. Collier de promesses infinies.
Et tu es belle. Mon trésor caché. Coulis de diamants. Tresses de perles. Canevas de rubis. Je suis l’orfèvre de tes enchantements. De tes paresses.
Et tu es belle. Femme-île. Ile-femme. Je résilie les ailleurs et m’assermente insulaire. Je suis phare dressé sur ton nombril. J’éclaire les cantiques de tes luxuriances.
Et je veux encore longtemps ramper tel un animal sur ton linceul. Et le rapiécer avec mon sang. Et m’endormir mêlé – à mon refuge – à ton corps livide.
Et je noircis mes yeux avec les cendres de ma lune noire. Et je renie les théâtres convulsés et frivoles de l’éphémère. Et ma chair soumise et aveuglée se livre aux obsessions et aux intolérances de ton culte.
Et je suis corps-instrument. Corps-tabla. Corps-ravane.
Et tu me cadences dans les tranchées de tes lèvres. Et tu m’excises sur ton crucifix.
Et tu es miroir.
Et tu infléchis la migration des astres. Et tu enneiges les soleils.
Tu es miroir. Et tu décolores les incarnats vénéneux du mal.
Tu es miroir. Et dans tes abîmes je déracine mon moi afin d’être toi.
Tu es miroir. Et je te fracasse.
Et tes scissures tranchent mes veines. Et mon sang longtemps après ma mort moissonnera ton souffle sur les esplanades de la folie.
Et je suis poussière qui cerne niche incandescente.
Coeur du monde.
Et je décapite les têtes de ceux – mécréants et fidèles – qui à tes pieds se vautrent mais qui ne savent déterrer les alchimies de l’amour.
Et je vagabonde dans ma barque fragile avec les âmes proscrites et maladives.
Et je donne à manger à l’estropié. Je chante les infamies avec le lépreux. Et mon corps est abri pour le chien galeux. Et mon corps est armure pour le clochard. Et mon corps est puits pour les larmes de la femme déchue.
Et en leur demeure qui est ma demeure je converse avec les fous.
Et nos lèvres ensanglantées dansent paroles inspirées qui récitent les versets de l’amour.
Et tu es belle. Ma fée noire. Ma blessure noire. Et je veux exténuer prunelles noires qui creusent des verbes dans ma peau. Et cisailler rêve d’ébène. Ecorcer ce rêve d’ébène.
Extraire son essence et démêler tes extravagances.
Et je psalmodie ton nom quand le néant m’engloutit. Et j’invoque ton nom quand la guerre vomit des cadavres d’enfants.
Et j’implore ton nom quand mes larmes s’effacent et que je ne veux et ne peux plus pleurer.
Et je suis en attente.
Du suc noir qui innerve tes courbes. Du suc noir qui encre ta chevelure.
Et je suis en attente.
Du suc noir qui peuple ta peau. Du suc noir qui enfle ta rage.
Qu’il m’entaille et qu’il m’empale. Qu’il m’abandonne en pâture à la foule bouffonne et cruelle.
Car je ne suis rien.
Et je veux mourir.
Et je guette luminescences qui annoncent mon sacrifice.
Affûtez vos sabres mes amis.
Car je ne reconnais ni la mort ni la vie.
Car mourir c’est renaître en toi. C’est être toi.
Et tu es belle. La plus belle.
Et je voyage hors des enclaves du temps.
Je suis amant de tous tes lieux. Là où tu as été et là ou tu seras.
Je suis père et je t’ai imaginée. Je suis mère et je t’ai façonnée. Je suis ton premier sourire et ta première gorgée de lait.
Je suis les terres que tu as foulées. Et les ciels que tu as désertés. Je suis tes mains dépliées à l’heure de la prière. Et tes mains nouées à l’heure de la douleur.
Je suis les houles que tu as caressées. Et les tourmentes que tu as apaisées.
Je suis les lettres qui cisèlent ton prénom. Et le livre sacré qui recèle nos conjugaisons.
Je suis les mains qui berceront ton dernier souffle. Et les mains qui t’endormiront dans ton tombeau.
Et je t’aime.
Et un seul atome de ton amour me rassasie. Et me resplendit.
Un seul atome de ton amour ampute mes laideurs. Et expurge mes pourritures.
Un seul atome de ton amour suffit à ce que je m’oublie.
Et je ne pense qu’à toi.
Un seul atome de ton amour me béatifie. Et je suis l’élu.
Et je t’aime.
Et tu es en toutes choses.
Tu es soleil qui débride les gangues de l’obscur. Soleil qui écarlate les indolences des océans.
Tu es les larmes qui inaugurent les coutures de l’aube.
Larmes qui fêtent la sécession des crépuscules. Larmes qui fauchent les cavalcades des lunes.
Et tu es en toutes choses.
Tu es les âmes violentées. Et les monstres qui nous assaillent.
Et les haches qui embaument nos prunelles.
Tu es les fugaces de l’amour au coucher de nos haines irrémédiables.
Tu es reliquat de neige et rafales de feu qui tamisent mes nuits.
Et je t’aime
Et je suis solitaire prostré dans le désert.
Et je jeûne.
Et je lapide les spectres des ailleurs.
Et je jeûne.
Mon corps encerclé une plaie. Une crevasse.
Une dépouille et un habitacle pour tes éblouissements.
Toi.
Et tu es belle.
Et je vois entrelacés dans tes yeux ambrés et dans ton corps diaphane le paradis et l’enfer.
Et je ne désire ni la grâce ni les damnations mais ton amour.
Ton amour seul.
Et je t’aime.
Je bannis mon coeur afin d’être ton coeur.
Je m’arrache à moi-même afin de vivre en toi.
Accorde-moi l’extinction.
2004, Umar Timol
BLOED
Je bent mooi. En ik ben gek.
Stenen lichaam. Zonnen lichaam. Eenzelvig lichaam. Zomers melkwezen. Wilde baai. Je bent mijn ivoren vlees. Zwarte ster. Mijn schaamteloze zone. Je metselt me in onder de klaagkoepel. Mijn gegunde sappigheid. Mijn minnares. Mijn stilzwijgende zinnelijkheid. Mijn tirannieke maanwezen. Razende prinses. Doolhof van zweet. Met zijde bekleed idool. En met doornen.
Opus van vuur en bloed. De areola’s van je lippen omvatten en kloven mijn huid. Leg me droog. Ik ben woestijn. Gesel me. Ik ben slaaf. Lijf me in. Ik ben je eigendom. Je snuisterij. Ik vouw je nek. Ik ontvouw je buik. Hemelse duinen. Je haar is een vlammenbundel. Je ogen een zandstorm. Ik rijt je gezwollen tong open en les mijn dorst. Ze is hostie voor mijn ontrouwe mond. Ze is kelk voor mijn ketterse mond.
Ik verzaak de plicht. De rede. Ik vereer de plaatsen van ontucht. Ik schooi op de drempel van je herberg. Ik laaf me aan je begoochelende bronnen. Opium en wijn. Ik snuif je opiumgeur op. Ik bijt in je alcohol geworden brokjes.
Ik ben die in lompen gehuld je voeten wast en kust. Ik wil drinken. Nog meer drinken. En nog meer drinken. En oplossen en opgaan in de bedwelming.
Ik ben minnaar van de liefde. Met dons bekleed. Met vuil en slijk bekleed.
Ik ben die in het stof knielt voor je lichaam. Oord van verering. Oord van gebed.
Ik ben die in de ochtend van je sluier de stilte van je ogen reciteert. Die vlechten van bloed bijeenraapt op je praalgraf.
En jij bent mijn geheiligde boek. Mijn gedicht.
En ik ben de dichtergek die bedelt om de zin van wat je zegt. En ik ben de dichtergek die het woord steelt.
Dichtergek die zijn volgzaamheid ontvreemdt. Dichtergek die een veranderd woord verkondigt.
Bezwerend woord om je te vieren en te scheppen. Woord voorbij het woord om je te beminnen.
En je bent mijn brutale vruchtbare. Die me ontdoet van mijn vermoeidheid. Die mijn fouten en wrok terugdrijft. Die een verbond tussen extase en pijn sluit.
En je nectar hecht zich aan mijn meest zorgeloze dromen. Je nectar hecht zich aan mijn nachtelijke spijt.
Je bent een festijn dat ik stopzet en dat me besmet.
En ik proef je blanke keel. Ik snuif je kruidige geuren op. Ik tap je gezwollen sappen af.
En je bent mijn ijdelheid. Mijn wulpsheid. Mijn onzedige maagd.
Je doorkruist wrekende zeeën en stinkende straten. Je doorkruist mijn gulzige geraamte en bange lusten. Terwijl mijn speeksel je lippen nog vervalst. Terwijl de lichaamssappen van het genot je gebarsten huid nog hechten.
Je bent vrouw en de roofzuchtige nacht vertrapt de graven. Je bent vrouw en de hemel zweet stenen vlokken uit.
Je bent vrouw en de oceaan verwoestijnt en de aarde ontkalkt. Je bent vrouw en de dieren rillen apocalyptische tekenen.
En je bent mooi. Mijn melkglazen gazelle. Water dat stroomt tussen mijn wimpers. Zuchten die mijn gedachten zachter maken. Saffraan die mijn littekens betegelt.
En je bent mooi. Mijn liefje. Mijn zachtje. Je gezicht een heldere ochtend. Blauwe nevel. Snoer van sterrenstof. Snoer van oneindige belofte.
En je bent mooi. Mijn verborgen schat. Vloeibare diamant. Paarlenvlecht. Robijnencanvas. Ik ben de goudsmid van je verrukking. Van je traagheid.
En je bent mooi. Eilandvrouw. Vrouweneiland. Ik ontbind mijn andere streken en beëdig me als eilandbewoner. Ik ben een vuurtoren op je navel. Ik verlicht de gezangen van je weelderigheid.
En ik wil nog jarenlang kruipen als een dier op je lijkwade. En die verstellen met mijn bloed. En inslapen verenigd met mijn toevlucht – met je lijkbleke lichaam.
En ik maak mijn ogen zwart met de as van mijn zwarte maan. En ik zweer de verwrongen en wufte maskerade van het vluchtige af. En mijn gedweeë en verblinde vlees geeft zich over aan de obsessies en uitspattingen van je eredienst.
En ik ben instrumentenlichaam. Tablalichaam .Ravanelichaam .
En je ritmeert me in de draaikolk van je lippen. En je besnijdt me op je kruis.
En je bent spiegel.
En je buigt de sterrentrek om. En je sneeuwt de zonnen vast.
Je bent spiegel. En je zuigt het giftige karmozijn van het kwade weg.
Je bent spiegel. En binnen in je ontwortel ik mijn ik om jou te worden.
Je bent spiegel. En ik versplinter je.
En je barstjes snijden mijn aders. En mijn bloed zal lang na mijn dood jouw kracht oogsten op de vlaktes van de waanzin.
En ik ben stof dat danst rond een gloeiende nis.
Hart van de wereld.
En ik onthoofd degenen die zich – ongelovig en trouw – wentelen aan je voeten maar de alchemie van de liefde niet op kunnen delven.
En ik drijf rond in mijn wankele bootje met de verbannen en zieke zielen.
En ik geef de kreupele te eten. Ik zing de schanddaden met de melaatse. En mijn lichaam is schuilplaats voor de schurftige hond. En mijn lichaam is pantser voor de dakloze. En mijn lichaam is put voor de tranen van de gevallen vrouw.
En in hun onderkomen dat mijn onderkomen is praat ik met de gekken.
En onze bebloede lippen dansen bezielde woorden die de verzen van de liefde voordragen.
En je bent mooi. Mijn zwarte fee. Mijn zwarte wonde. En ik wil de zwarte pupillen afzwakken die taal in mijn huid graven. En een ebbenhouten droom snoeien. Die ebbenhouten droom afpellen.
De essentie ervan losrukken en je dwaasheden ontwarren.
En ik dreun je naam op als het niets me opslokt. En ik roep je naam aan als de oorlog kinderlijkjes uitbraakt.
En ik smeek je naam als mijn tranen opdrogen en ik niet langer huilen wil niet langer huilen kan.
En ik ben wachtende.
Op het donkere vocht dat je rondingen insnijdt Op het donkere vocht dat je haren inkt.
En ik ben wachtende.
Op het donkere vocht dat je huid bevolkt. Op het donkere vocht dat je begeerte opbolt.
Laat het me inkerven en spietsen. Laat het me als prooi achterlaten voor de clowneske en wrede massa.
Want ik ben niets.
En ik wil sterven.
En ik wacht op lichtstralen die mijn offer aankondigen.
Slijp uw sabels vrienden.
Want ik ken dood noch leven.
Want sterven is in jou herboren worden. Is jou zijn.
En je bent mooi. De mooiste.
En ik reis buiten de perken van de tijd.
Ik ben de minnaar van al je plekken. Waar je was en waar je zult zijn.
Ik ben vader en ik heb je verzonnen. Ik ben moeder en ik heb je geboetseerd. Ik ben je eerste lachje en je eerste slokje melk.
Ik ben de grond die je hebt betreden. En de hemel die je hebt verlaten. Ik ben je gevouwen handen in het uur van het gebed. En je gewrongen handen in de pijn.
Ik ben de golven die je hebt gestreeld. En de storm die je hebt bedaard.
Ik ben de letters die je voornaam graveren. En het heilige boek dat onze verenigingen in zich bergt.
Ik ben de handen die je laatste adem zullen wiegen. En de handen die je zullen doen inslapen in je graf.
En ik bemin je.
En een enkel atoom van je liefde verzadigt me. En doet me stralen.
Een enkel atoom van je liefde amputeert mijn lelijkheid. en zuivert mijn verdorvenheid.
Een enkel atoom van je liefde volstaat opdat ik mezelf vergeet.
En ik denk alleen aan jou.
Een enkel atoom van je liefde maakt me zalig. En ik ben de uitverkorene.
En ik bemin je.
En je bent in alle dingen.
Je bent de zon die de gangen van het duister openlegt. Zon die de lusteloosheid van de oceanen scharlaken kleurt.
Je bent de tranen die de naden van de ochtend onthullen.
Tranen die de afscheiding van de schemer vieren. Tranen die de stoet van de manen wegmaaien.
En je bent in alle dingen.
Je bent de verkrachte zielen. En de monsters die ons bestormen.
En de bijlen die onze oogappels balsemen.
Je bent de vluchtigheden van de liefde als onze onherstelbare haat neer gaat liggen.
Je bent de laatste sneeuw en vlagen van vuur die mijn nachten zeven.
En ik bemin je.
En ik ben een uitgeputte kluizenaar in de woestijn.
En ik vast.
En ik stenig de spoken van andere streken.
En ik vast.
Mijn omsingelde lichaam een wonde. Een kloof.
Een stoffelijk overschot en een verblijf voor je schittering.
Jou.
En je bent mooi.
En ik zie in je amberen ogen en in je doorschijnende lichaam hemel en hel verstrengeld.
En ik wil geen gratie noch verdoemenis maar jouw liefde.
Alleen je liefde.
En ik bemin je.
Ik verban mijn eigen hart om jouw hart te worden.
Ik ruk me los uit mezelf om in jou te leven.
Gun me dat ik uitsterf.
Umar Timol
Vertaling: 2012, Hilde Keteleer
Blue
My name is blue. You’ll find me
in Van Gogh’s starry night
or asleep in snowy shadows.
I wrapped you up once, after a bath,
me and stripes of white
– we dried your hair.
In the park you threw me bouncing
to a friend
but barking black and brown
leapt up and bit me in half!
Your father sails over me
to Far Away and back.
As he pulls ropes from my heart
he pictures you and your mam,
so small and waving little squares of white.
Silver and I are neatly folded
round a gift for your birthday.
I am the ink that spells your dad’s name
and L O V E
I am your Dad’s eyes
and the jumper sleeve he wipes them with
when I’ve swallowed
the harbour from sight.
I am the Kingfisher’s pride,
the boat’s wide sail.
I am a coat undone and flapping
as seeing you at the front gate
your dad drops his bag and comes running.
2015, Mandy Coe

Blue flower second version
for Georg Trakl
Autumn can last a lifetime.
There can never be enough blue and black.
Wandering has a passion of its own.
A suffering without direction.
There is only one month.
There is only one large death.
The country opens onto its unploughed fields.
A short lyric is one who passes.
Made of earth and coarse poetry.
No longer ears and eyes.
No longer indignance and inclination.
What sort of desire is unreasonable?
What sort of living?
Landscapes occur as if they were limits.
Repentance seeps from the body in breath.
Winds have speech with shadows.
Paths break into the infinity along their sides.
Autumn again after the last Autumn. Beyond, a man’s back.
He is always walking away.
He turns many times to glimpse his executions.
Empty.
The world is empty of him.
Only time is filled to the brim with his unending selves.
Everywhere they vanish like fallen snow.
MTC Cronin
Blue Hills 1
. . . . dragon shape clouds over the national capital
Malcolm Fraser’s feet stick out the end of the bed
thick forest around Brindabella
eel-shaped reservoir & visible snow-caps
then white cloud
NOTHING NEXT 400 MILES
continuous cricket pad
warm bread roll
apricot jam in foil rip-top package
black coffee
– avoid weird milk substance
in thimble-shaped container
hostesses in casual uniforms
disappear into bombalaska
a huge Mark Rothko painting
whitens &
turns into dumb Olitski
then it clears outside Melbourne
1985, Laurie Duggan
Sonett
Durch mein Leben zittert ohne Klage,
ohne Seufzer ein tiefdunkles Weh.
Meiner Träume reiner Blütenschnee
Ist die Weihe meiner stillsten Tage.
Öfter aber kreuzt die große Frage
Meinen Pfad. Ich werde klein und geh
Kalt vorüber wie an einem See,
dessen Flut ich nicht zu messen wage.
Und dann sinkt ein Leid auf mich, so trübe
Wie das Grau glanzarmer Sommernächte,
die ein Stern durchflimmert dann und wann -:
Meine Hände tasten dann nach Liebe,
weil ich gerne Laute beten möchte,
die mein heißer Mund nicht finden kann…
(Franz Xaver Kappus)
Rainer Maria Rilke
BUMERÁN
Yo que hice el largo salto en el Transiberiano,
que conocí los vientos de Kabul,
la gruesa nieve de Petersburgo,
que bebí la salada leche de yegua en la cual se hechizó
Gengis Khan.
Yo que toqué a una puerta en Milos y en Isquia,
que he visto a los murciélagos proteger
the library of Coimbra
y ascendí las pirámides de Tikal hasta las nubes.
Yo que me arrastré por el Sahara hasta el atardecer,
que en Delfos hablé con el oráculo
y soñé víboras en la esbelta Sarajevo
mientras en la calle Tome Masarika
se desnudaba mi sombra.
Yo que en Delhi vi los muertos sacudirse el polvo,
que he mirado a los ojos a las divinidades de Nara
y respiré cenizas en el Ganges.
Yo que contrarié a las divinidades chinas
en subversivos papiros que de tiempo inmemorial
circularon en la Ciudad Prohibida,
que acaricié a una virgen del siglo XII
mientras mordía mustias hojas de otoño.
Yo que acumulé mi timidez en el trono de un rey,
que hice el misterioso vuelo hasta el paraíso
de unos abrazos
lo que de verdad recuerdo es el barrio en que nací.
Henry Luque
BOOMERANG
I who have gone on the long Trans-Siberian trek,
I who have known the winds of Kabul,
the thick snow of Petersburg,
who have drunk the mare’s milk that bewitched Genghis Khan.
I who knocked on doors in Milos and Ischia,
I who have seen bats protecting
the library in Coimbra
and have climbed the Tikal pyramids right up to the clouds.
I who crawled along the Sahara after sunset,
who talked with the oracle in Delphi
and dreamt of vipers in the slender Sarajevo,
while on Tome Masaryka Street
my shadow denuded itself.
I who in Delhi saw the dead shake off the dust,
I who saw in the eyes the divinities of Nara
and breathed ashes in the Ganges.
I who opposed the Chinese divinities
in subversive scrolls which since time inmemorial
have circulated in the Forbidden City,
I who caressed a virgin from the twelfth century
while biting on withered autumn leaves.
I who cradled my shyness in the throne of a king,
who made a mysterious flight to the paradise
of some embraces,
what I truly remember is the neighbourhood I was born in.
Henry Luque
Translation: 2007, Nicolás Suescún
Raad
Neem nooit een dichter, m’n dochter.
Zo een met een dichterskop,
zo eentje met lange haren,
zo een op een zolderkamer,
zo een wordt er ook met de jaren
niet monogamer op …
Wat jij in hem liefhebt, dochter,
staat al in zijn bundeltje Donkere sneeuw.
Daarin staat al het verhevene.
De rest krijg je ’s morgens bij zevenen
thuis. Als een meeuw.
Neem liever de kruidenier, dochter.
Want alle tederheid die bij hem
uitstijgt boven de kersenjam
en boven de kleine zakjes blauw,
dochter, is altijd voor jou.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
BOY AMONGST SPARROWS
I
He recalls Tony’s hay benchknife that carved halfmoons
and a white-beamed sun over wintry boughs
on a hurley Sunday his cousin Michael did not come.
They were the days of family and grain farms,
of oats tall in the stem lodged by a rogue shower
the end of August when the first gale blew,
when crows and pigeons glided down in flocks.
We children were dispersed to scatter them.
Each midland house with its own tilled ripe cornfields,
grain scattered freely in yards of rhode island red and sparrow,
grain fed to pigs and calves and ground in a barn where the new
electric grinder spread a fine white flour dust even out the door.
Contesting the troughs with turkeys, ducks and geese
untameable, domestic, close and yet distant, the birds
held assemblage over him, as a child in the yard, up in the great elm.
Sparrows battling with wyandottes for the evening victuals.
Their cheeky skulls are long fallen into nettles, mosses of the dyke,
covered in the ground like fathers, mothers,
freckled cousins let loose in the back meadow
where sparrows of the air rose up for them in flocks.
Sparrows no strangers then in blue changeable skies.
II
. . . and the young calf dying.
I do not recall what malady left him prostrate kicking,
made him bawl so. It happened all the time.
Half a century before, children fell down in swathes
from diphtheria. Staring at us, through us, we cradled
his head with an armful of fresh straw.
Whether fattened animal or old man,
Westmeath was a county where death
. . . called like the postman.
III
And after supper, they’d bury you
sorrowing one to the other for you never bothered sheep.
All the late sunlit afternoon you lay, my brothers’ collie
by the garden hedge, but out on the south-facing riverfield,
your white teeth bared in little ivories for your tongue,
glossy bluebottles tinkling one open almond eye.
(Late August or so for sweet pippins with magpies
up in the old tall apple trees ripened red and unseen
the orchard side of the hedge with the bitter crab,
your bushy tail rigid, your thin legs, too).
Corn was on the noisy mind of reaper and binder.
Gold barley bearded me like an older brother.
And I who loved to raise up my two arms
cross them round your ruff neck, rub your slender nose
that tapered,
touch the black-tipped ears that looked forward
hurried past you in the hot sun. Bluebottles lit all over me,
magpies in the apples cackled for your other eye
and I was so afraid in my heart of the dead.
IV
No bawling as the nose ring gripped. Orgy of kicking of a sudden went numb. The
sawing of horns started in dusk, and my mother thought mist was mist falling or midges
grasped vainly in the bloody fist (hot water to wash she left on a shed window sill for
fear the beast lunged). Sawing through horns sounded poor, like sawing a hempen sack,
or sacks together as the bullock peed. Crows cawed eternally towards Lynch’s and the
pine plantation. Water splashed as she lashed milky water on sliced flesh. Head runny
with blood to be dry before morning, and the flies, the bullock unchained staggered off
shaking his hornless skull all down the long garden. Then the next bullock, and the next,
eyeing us through torn galvanized. Outside, below the elm tree, thin bracelets of hair
adorned horns piled in a heap at the gate post into the long garden. In the kitchen as men
sat down to a meal, a faint odour of blood on overcoats hung in the porch.
V
Always on the dusty summer roads
after mealtimes when the men had left
they’d call at the kitchen door. Males in flight,
they knew the short-cuts parish to parish,
said little. Sometimes word travelled (de-frocked
and priest, another lost his farm in poker).
Sussed out the sheds for a doss
as they sat at table for a bite of bread.
Once sawed a whole panloaf for one
till our eyes met over first names.
Something wrapped for them,
a little pep then in their step,
their stained windy greatcoats filling out like Suibhne’s wings
they hit the road to put down some other house miles away
where they might expect the same
no questions asked.
VI
. . . that whirr-whirr-whirr of wing
. . . that high-pitched honking in the sky
passing over, mostly sideways wild geese
like a correct tick on a copy at school
from the north west south south-east
across November trees gone bare.
In their long necks a virility of ice-ridden times,
a promise of snow for us in their grown-up plaints.
Their wings like the arms of ballet dancers grown dancers’ wings in the now musicless
heavens, but we heard them on their skies to the green sloblands, no nuisance to cattle or sheep-intense acres to peck and peck long intervals within ease of flight and the sea. At
school, history caned our arms and legs in short pants with dates old finger-gnarled Mammy
Burke said were important and she breathless in her chair by the fire.
Neighbour met neighbour stopped on the road,
their legs crooked over the bars of bikes
looking up too late to the empty heavens.
As kids, we wished them like foreign cousins back
till they were specks lost on the sun’s horizon.
Look at them, look at them, we cried
VII
You, high up, stretching to each fruited twig
a rising October moon east of our damson tree
a nip, then, in the freshening east wind from Murtagh’s
you, shirt-sleeved, up the branches after the tartiest
your fingers nimble as talons
closing on the velvet harvest
gathering the last of the damsons
the indigo sky at your back.
Balanced on a hook
from a trusty bough
the galvanized pail filled,
or nearly so, with tangy fruit
goodly-sized and wild;
you reached out to whet your tongue,
Tony, spit out the stone.
A pale and placid midland moon
rose higher with a blackbird cry.
With ease of limb
you lay horizontal on the boughs you loved
on branches you could depend on
to gather your knees round
lowered a full bucket
to a boy in corduroy.
2006, John Ennis

BOYS CHOIR
In memory of Ernst Juenger
There are boys who befriend snakes.
They are fearless and they sing.
Their white shirts, like snow
fly above a fresh grave.
Beneath the black velvet of their pants
their knees burn, torn in marches
on the marble cliffs. Their voices
are thin, but even thinner is their pure breath.
Their perfect pitch resounds like thunder
from lop-eared ears to tender ribs.
…There is no falsity in my feelings
for You, my Lord, for You.
O this love, cold and clear,
this steel honor:
like crystal, salty and icy
and crystal.
There are lips that close the seam
on the sleepy wound;
and blood that drips from the sole
becomes dew.
This is the love that befriends snakes
and beats without pity;
and will kill if Your image
winks from the crystal
and points towards the bloodied path
between reapings
where snow lies on dead ships
and sailors sleep.
Natalka Bilotserkivets
Translation: 2002, N. Bilotserkivets
BRIGHT BLUE SELF-PORTRAIT
I thank the spiders’ webs and the circus dancers who stain our eyes with
Rapid movements and authorize our handcuffs to make no distinction
Between night and day or love and hate.
No one will know the sum of our arduous daily separations from bed to
Work. These pillars actually belong to you since I have not counted them
Or know any more than you do where they are or in what country they
Still exist. We can put all our concerns into a loaf of bread and French
Kisses, go to movies and watch the splashing milk on the screen imitate
the forest in the moonlight. Why all the fuss about the patrons becoming
Feathers, discharging their ideas of nobility on the evening news? There
Are no lights in the theater just soft snow from the balcony that is the
Little red schoolhouse where all this began.
Actually it was because of you I did not attend as often as I should have.
I was too embarrassed to face you across the clay modeling tables since I
Always felt like the clay in your hands was a cartoon version of my teen
Years, dear slippery-fish ladies of the sleepy west.
Don’t forget, my early life will be yours, too,
With its self-descriptions of poetic justice,
The tiny creatures we write about can describe themselves in the moss
We leave behind.
2015, Frank Lima
British Columbia Field Notes
1
Japanese brides drink red wine in the rose garden;
patches of snow (all the way from here to Hokkaido).
2
The inhabitants of this continent eat potatoes for breakfast
their coffee is German (or Polish) not Italian;
they mix the sweet with the savoury.
The houses could be in Wolverhampton
the apartments, Irkutsk;
from Beacon Hill the horizon is American.
Seabirds (sooty gulls? Pacific gulls?)
appear outsize on the entablatures.
Techno resonates from a distant car.
Attached to the old meridian,
a siren carries me back to Brisbane.
When I wake I don’t know where I am.
3
From an old photograph, the movement of redwoods,
heads and faces imposed upon stages of totem;
deities vomited up outside the weatherboards.
4
Circa 1890
jail sentences imposed for potlatch because
the government thought it wrong
that the people should receive, gratis, sewing machines;
an assumption that existence, no longer considered
‘primitive’
should obey
the laws of economics
(all other kinds of transaction,
politics, art
subsumed or erased
as extravagant or
unnecessary entities.
Item: a silver mask
partly burnt
on entry
into the Christian life.
Smallpox 1862,
again, in Vancouver, 1888-90.
In the period of measured history
the events are too familiar:
logging, the fur trade, mineral extraction;
on the flat calm of Georgia Strait
chained timbers float,
the beach shored up with dead wood.
Advent 1843 or thereabouts.
5
In the hall beneath the smoke hole
shadows give life to shapes
discovered in redwood trunks
(beaks and other protuberances added on),
figures produced from figures,
from the womb or from the mouth,
as naming regenerates the dead
(and the sur-name, imposed,
breaks this continuity for another:
the purpose of statistics and control,
a hunt for ‘the family’
as normative ethnology.
6
The Provincial Legislature appears
“like the Brighton Pavilion
backed by the Himalayas”: a Brighton
gargantuan and colourless;
high Victoriana
larger than the governance halls of whole nations.
The Empress Hotel – 1908
built on reclaimed land
(back at this smaller establishment
a light well, grimy astroturf at its base,
rear of a nearby hotel
its regular windows,
a low sky over placid water of James Bay
(invisible from here).
7
Though the air chills
the thick green is summer,
a late light on the horizon,
across the esplanade
moored bulk carriers
the wooded park at UBC.
Cirrus clouds grid
at cross-purpose, around the point
in the wind of English Bay,
the colours of buildings luminous
against the clouds, the shadowed mountains;
two yellow cones of sulphur
across Burrard Inlet, a space
beneath the bridge (the Lion Gate)
denoted Indian Reserve #5.
8
Emily Carr’s cowled or hooded trees,
her grids of darkness and light
(the provincial dilemma: is the work overvalued
regionally? nationally? because she’s ‘ours’?)
those vertical totems, the trees themselves
and what shadows they make available;
under the cool white dome of the Vancouver gallery
these charcoals imitate the sky, cirrus and crossbar,
as I catch the trolley back to West End.
9
Apartments date mainly from the 1950s,
an erasure of wooden housing from the city to Stanley Park.
Burrard Inlet is still a working harbour
(containers, sulphur and woodchips)
logs chained, floating downstream
the odd escapee beached and weathered
fit for sunbathers to shelter, leeward from ocean wind
or rest a bicycle against.
10
The disposition of things.
Neighbourhoods of a strange city
escape from the map;
a district without ________ [name the missing convenience].
These tall glass buildings
in front of snow patches,
mountains at the end of every street.
11
Hotel ceilings creak,
beams visible through plaster,
voices audible;
an extractor groans.
From the bus stop you can look down, either direction
to Burrard Inlet or English Bay.
12
Go to where the trees cross the numbers
to spend money near Arbutus and 4th,
Kitsilano; the houses protected
by security firms, back onto the water
as the city towers appear, whitened
in a bleaching wind, against the mountains and clouds;
to Green College, UBC – Arts & Crafts in an English garden,
bagels over the Georgia Strait
(below, on Third Beach: rocks
woodchips, nudists and Italian fishermen.
13
Bill Reid’s
glacial curvature of bird shapes
fits the materials
to the landscape
and the body
(fine delineations
of a bracelet).
Old people tell each other what’s happening
as they read museum labels, dramatising the educative;
a Haida man
spends all day in a dark room
explaining.
14
Victoria below, then, south, the Olympics,
Washington State’s snow ridges.
Cartoon birds on a washed-out screen.
Diagonally back, two Canadian businessmen
(retired) register anecdotes and statistics
all the way to Honolulu.
2006, Laurie Duggan

BOEKARESTSE BANDEN: ROEMEENSE LICHAMEN
Vanuit een politiek standpunt is dit geluk: zonder begin vatten we allemaal samen vlam op een plek in een grote lowbudgetfilm net goed om te herkauwen in een vorm om alles op ons te nemen, behalve onze aanwezigheid Bedelaars met D&G-petjes zwaaien en glimlachen chagrijnig terwijl ze ons verzekeren dat het leven de moeite waard is om te worden geleefd en verslonden Spotgoedkope hoeden zingen op officiële gebouwen: Leg een knoop in je ademhaling, dit is een olfactorische stad De herinnering eraan is niets meer dan een doolhof van geuren en het is allemaal eetbaar Dit is geschiedenis gevouwen in kleren die de mensen blijven dragen en het grootste deel van de tijd is dit de streek waar kleren de mensen afdragen Iedereen in menselijke vorm Wie dan ook heeft andere namen voor bekende plekjes maar hier plakt elk plekje een bijzonder aroma aan elke voorbijganger En het is altijd iets van elders Mannequins met doorzichtige plastic ogen volgen het schouwspel naarmate ze de volgende mode dicteren: We hebben die droomsnit vorig jaar uitgeprobeerd De mensen zijn zo ouderwets! zeggen ze Ze benadrukken dat ze allemaal zullen sterven Maar dit de duurste plek om te sterven dus als je eet, zul je honger hebben als je drinkt, zul je dorst hebben Dat is ons beleid Telkens als je iets verlangt zullen we een beambte aanstellen die zich om je zal bekommeren als in foto’s, als in films wij zijn de ware Roemenen wij slikken nooit, we gebruiken nooit onze tanden volg gewoon de pijlen Ze zijn nooit juist maar vergissen is op zijn minst menselijk en neigt ernaar opwaarts een religieuze betekenis te krijgen Kijk: de hele hemel is een officieuze vlag met rare symbolen die onuitspreekbare woorden uitvinden Alles wat je ooit wist over het communisme doet hier pijn wij spelen ermee Soms heeft het een financieel snoetje en praat het grappig, vanwege Dracula’s tanden (ongetwijfeld): elke tand, een huizenhoge traan met duizend glazen borsten die krek in het midden van die cinematografische mond oprijzen gevoed met verontschuldigingen zoals een Afrikaanse moeder met Amerikaanse schoenen en inheemse geloofsovertuigingen Net als iedereen in Eurazië lachen we tot de sneeuw in vlammen uitbarst en tot ver in de zomer danst en dan opnieuw het spijt ons en we doen het weer
Răzvan Ţupa
ZEESTER
ik laat mijn zeester* achter in de Stille Oceaan
ik laat mijn koekoek achter in Tibet
ik laat mijn luiaard achter in het Amazone-regenwoud
ik kook ik geef colleges en zo word ik oud
ik bind mijn vingers aan een naaldboom op de toendra
ik begraaf mijn ogen in de sneeuwhopen van de Noordpool
ik laat mijn hart in de diepten van de Stille Oceaan
zo eet slaap drink en lach ik zelfs
daardoor blaast vanuit Sumeru** een koude wind
vanonder een ijsschol die een jaar lang niet smelt duiken koude tranen op
daardoor duikt er koorts op vanuit de Sahara
in dat verre oord vol cactussen die hun lippen
niet aaneen krijgen door de naalden in hun tong
is mijn open mond vanbinnen heet als lava
zoek mij dus niet constant op mijn zeester gestoorde zeester
men zegt dat jij werd gemaakt van een portie rijst
men zegt dat jij zo groot wordt als een huis als een bergtop
kom hier niet terug al worden mijn nachtelijke koude tranen
vol verlangen naar jou een greppel onder het bed
die greppel is geen plek waar jij kunt leven
als jij mij telkens opzoekt steek ik een ster in mijn haren
en spat in mijn lijf de hele nacht van de wereld uiteen
als heldere ochtend na de storm wordt het een zorgeloze nieuwe dag
en sta ik op straat in schoeisel van twee dode rioolratten
dan komen uit alle windrichtingen mijn vlinders aangevlogen
waarom is mijn lichaam zo klein en waarom zijn dan mijn armen
mijn hoofd mijn benen mijn ledematen zo ver van mij vandaan
door alle winden van de wereld achtervolgd lijk ik in dit lichaam
wel schipbreuk te hebben geleden mijn armen en benen
schieten in alle richtingen weg mijn geest verwijdert zich
onder constant zuurstoftekort gaan mijn voetstappen over de toendra
de tijd al te goed in de gaten te houden is mijn ziekte maar
nu moet ik op het juiste moment eropuit
iemand staart mij een tijdje aan vliegt dan ver van mij vandaan
mijn voeten komen niet in mijn blikveld
mijn voeten verwijderen zich pas voor pas gaan er
als wolven naar die berg in de verte vandoor
Kim Hyesoon
Vertaling: 2010, Lucas Hüsgen
Burn
For the earth, what’s a body
but an excuse to cover
and hide leaves, snows
and forgetting beneath a veil?
Cease to be.
At dawn the birds cry
over every dying thing,
over ugliness and beauty.
At dawn they cry and dance.
O, heart, why do you kneel?
As if begging for alms.
You’ll be burned, your ash scattered,
no one will remember you.
And my heart responds:
“A burn from your shoulder remains
on my shoulder.”
An alien heart, the sun growing cold.
Anzhelina Polonskaya
Burnished day, conch of the voice…
“BURNISHED DAY,
CONCH OF THE VOICE…”
Burnished day, conch of the voice that fashioned me
Naked, to step through my perpetual Sundays
Between the shores’ cries of welcome,
Let your wind, known for the first time, blow freely
Unfold a lawn of tenderness
Where the sun can roll his head
Can enflame the poppies with his kiss
Poppies nourished by men so fine
That the sole mark on their bare chests
Is the blood of defiance that annuls sorrow
And attains the remembrance of liberty.
I spoke of love, of the rose’s health, of the ray
That by itself goes straight to the heart,
Of Greece that steps so surely on the sea
Greece that carries me always
Among naked snow-crowned mountains.
I give my hand to justice
Diaphanous fountain, sublimest spring,
My sky is deep and changeless
All I love is incessantly reborn
All I love is always at its beginning.
Odysseus Elytis
VLINDER – NABOKOV
deze kleinste betoverendste Lolita’s
hebben een naaldachtige schreeuw in hun mond
lucht microscoop staart van ver naar diep verborgen glinsterende tijgertanden
je wordt dikker je accent nog steeds langzaam als sneeuwvlokken
je houdt de straatlamp dat vreemde vangnet omhoog
gaat naar een afspraakje met een voorbeeldboek
een microscopische passie stort zich op schetsen van vleugels
altijd gebogen en gebroken achtergelaten in een leegverhuisde kamer
naast iedere dichter een luchtig fladderende Tamara
als door dagdroomoom afgeveegd poeder
een vlinder is soms nog moeilijker te begrijpen dan rampspoed
jouw vreugdekreet en stijl zijn niet onschuldig
omslaan de in de lucht opgesloten kogel die de vader doodde
wordt uitgebroed tot een kleurrijk leerboek de sneeuw blijft vallen
de doden draaien rond de stamper van de jeugd
en de ogen op de foto staren naar het langste moment
vliegen naar het einde van de hemel is niet genoeg
je moet boekpagina’s leren zijn de menselijke huid afleggen
pas dan herken je de verfijnde oerknal van een ei
het verleden is een madeliefje dat jou stevig omhelst
Tamara draagt altijd struiken een tikje donker zacht de vleugels slaand
de metamorfose die je koestert is elegant overlappend
houdt de wereld op met zijn mond hoog vastgemaakt met een naald
een tijger brult onverschillig voor de doofstomheid van de herinnering
Yang Lian
Vertaling: 2013, Silvia Marijnissen
INVITATION
The houses are as big as they’re big
And me, the poorest of poor creatures
I have grasped distance for the first time
Twas like something you could see or feel
Up in the old eaves with the birds
I sit facing the wind and the rain
Tracing circle within circle
And into each one I write your name
The day has finished with its long song
Onto the snowy branches darkness has tipped
Ah there is no bearing loneliness at this hour
The seaweed gone mad in the sea, the fish in the stream
So come, now
Gülten Akın
CALL TO ARMS
The highway rollover wore him
like a loose jacket, a wind-snapped flag,
like a rodeo bull wears a cowboy,
sanded him down until his arms
were dusted off, re-written
in fibreglass and hooked script.
We were frightened by his make-believe hands,
smooth upholstery knuckles, unflinching
beach ball smell crossed
with baked bicycle tires.
We were frightened of the fishing trip
and the lightning that welded
him to the boat.
We were frightened of those shoulders
retrofitted into clothes hangers
for broken handshakes and bear hugs,
dialled phones and signatures
packed away into boxes
for accountants or the poor.
We practiced our own substitutions,
acting out ghost stories, declaring allegiance
to phantom limbs
while playing high-kick soccer,
awarding exaggerated penalties
for handballs,
offenders chicken-winged
and forced to pirate copies
of hoof-and-mouth disease
for overseas quarantined manicurists.
We wore hand-me-down turtlenecks
and packed scavenged finger-food
for the sergeant-at-arms.
In the sawtoothed canines,
masticating above us in climax beech leaf canopies,
we saw vestigial forests
of terminal arm hair, small sod
melanin huts, knob-and-kettle country
in the vascular ridgelines.
We took flu shots to change our appearance
on the inside, planted memories
of synthetic identities, dusted for fingerprints
in unauthorized hands.
Climbing through polite conversation,
we wore nosebleeds to conceal our altitude,
fake moustaches to hide harelips we’d affected
for counterfeit phonemes, and slipped
into pairs of scissors,
hiding in roughhouses built by play-facing dogs
and the first-draft carbon crystals
of burnt-out engine blocks.
We raised branches from sticks
and trained them into tepees and log houses
for bonfires,
schooled them
in the relative humilities for dry rot.
We placed orange peels
over our eyes and groped
for light sockets,
donned dandelion manes
and crawled through switchblade grasses
with sextants certifying the sky
for seeds.
Having had our wrists slapped,
we grew polycarbonate cups
out of sight in the carpal tunnels
and drank under water tables
at night, where we’d beat snowstorms
to death with flashlights
and proclaim republics
on the accumulated evidence of road salt
and body-counted shadow puppets.
We wore intestinal flora
as a countermeasure against
the invisible hand of decompositional self-interest.
We hung out with stray dogs
who did all of our terrifying for us.
The one with three legs limped along
like a pitchfork, its tines tuned
to the hiss of escaped air
from pierced plastic balls.
Back and forth its head swung,
ripping apart a cloud
or a man’s shirt.
2013, Adam Dickinson

OPROEP TOT ARMENZORG
Een snelwegkoprol droeg hem
als een los jasje, een door de wind gegrepen vlag,
zoals een rodeostier een cowboy draagt,
schuurde hem tot zijn armen
afgesleten waren, herschreven
in glasvezel en linke code.
We waren bang van zijn nephanden,
glad beklede knokkels, onversaagde
strandballucht gekruist
met gebakken fietsbanden.
We waren bang voor het vistochtje
en de bliksem die hem
aan de boot vast laste.
We waren bang voor die schouders,
nu toegerust als kleerhangers
voor mislukt handenschudden en omhelzen,
ingetoetste telefoons en handtekeningen
in dozen weggestopt
voor accountants of de armen.
We oefenden onze eigen vervanging,
speelden spookverhalen na, verklaarden onze trouw
aan fantoomlichaamsdelen
terwijl we hoge balletjes speelden,
buitensporige penalty’s gaven
voor hands,
waarbij overtreders met elleboogstoten
werden gedwongen piraatversies te maken
van mond-en-klauwzeer
voor manicuristen in overzeese quarantaine.
We droegen afleggertjes van koltruien
en pakten bijeengeaasd voedsel uit het vuistje
voor de armenverzorger.
In de zaagtandhonden
die boven ons kauwden in de climaxbeukenloofbaldakijnen,
zagen we oerbossen
van terminale armharen, melaninehutten
uit kleine zoden, grondmorenen
tussen de vaatachtige hoogtelijnen.
We namen een griepprik om ons uiterlijk te veranderen
aan de binnenkant, plantten herinneringen
van synthetische identiteiten in, bepoederden ongeautoriseerde
handen op zoek naar vingerafdrukken.
Terwijl we door een beleefd gesprek klauterden
droegen we bloedneuzen om onze hoogte te verhullen,
valse snorren om de hazenlippen te bedekken die we hadden aangenomen
om fonemen te vervalsen, en trokken een schaar aan,
verscholen ons in opkrotten gebouwd door spelbekkende honden
en de eerste koolstofkristalontwerpen
van uitgebrande energieblokken.
We kweekten takken uit stokken
en leiden ze op tot tipi’s en blokhutten
voor vreugdevuren,
we onderwezen ze
in de verschillende nederigheidsgraden van houtrot.
We legden sinaasappelschillen
op onze ogen en tasten rond
naar stopcontacten,
tooiden ons met paardenbloemmanen
en kropen door vingergras
met sextanten die de hemel afspeurden
naar zaden.
Na een tik op de vingers
kweekten we polycarbonaatkopjes
buiten zicht van de carpale tunnels
en dronken ’s nachts onder de grondwaterspiegels
waar we sneeuwstormen doodsloegen
met onze zaklantarens
en republieken uitriepen
op het verzamelde bewijs van strooizout
en het dodental van schaduwpoppen.
We droegen darmflora
als tegenmaatregel tegen
de onzichtbare hand van ontbindend eigenbelang.
We verkeerden met zwerfhonden
die al het afschrikken voor ons opknapten.
De ene met drie poten hinkte mee
als een hooivork, waarvan de tanden zijn gestemd
op het sissen van de ontsnappende lucht
uit doorstoken plastic ballen.
Zijn kop slingerde heen en weer
en verscheurde een wolk
of het hemd van een man.
Adam Dickinson
Vertaling: 2014, Han van der Vegt
Die Reise
III
Erstaunliche die fahren welche Mären
Erlest ihr in der Augen tiefem See
Reicht Schätze uns Gedächtnis zu gewähren
Blendenden Stein aus Sternen Luft und Schnee
Wir wollen sonder Dampf und Segel ziehen
Laßt nur erfragen die zur Kammer kamen
Auf unser Herz wie weißes Tuch gediehen
Erinnerung in der Horizonte Rahmen
Was saht ihr sagt?
VIII
Tod alter Steurer löse das Tau bereit
Dies Land ist Gram o Tod die Anker lichtet
Sind schwarz wie Tinte Meer und die Wolken breit
Besser das Herz kennst du das im Hellen schlichtet
Du schenke uns dein Gift das wohl uns stärke
Wir wollen so sehr brennt im Hirn dies Feuer
Zum Schlund hinab ob Höll ob Himmels Werke
Zum Unbekannten tauchend Neuem neuer.
Charles Baudelaire
vertaling Walter Benjamin
EEN FEESTJE VOOR WAT OVER IS
Beste vriend
kom dichterbij
om te zien wat van mijn droeve jeugd over is
wie van ons het kind is en wie de oude man die ik zal zijn
Jij
beschermde jezelf
steeds met welsprekendheid om de voort kruipende sneeuw
over je bedeesde stem en de resten van je kleine dromen te vertragen
om de onrust van het kind te houden, te blijven wie je was, vol verlangen
naar wat niet zal gebeuren. Om ’s morgens de ogen te openen en te ontdekken
dat je net uit een prachtige nachtmerrie ontwaakte
en dat je bent zoals je was, hollend achter de vrolijke wind
Ik zei tegen de sneeuw, oef, wat een flauwe vergelijking
het was iets anders dan sneeuw
woestijn bijvoorbeeld
jij alleen
was daar
Jij verstopte de resten van je vrolijkheid in de laden van de beeldspraak
het was niet eenvoudig voor je de neergang van je bruine kleur te zien
maar het was moeilijker de resten van je kindertijd bijeen te rapen
om mij te zien vanaf het balkon van je onrust
Jij was
de martelaar. Jij viel opdat
jouw schreeuwende stilte zou doorgaan
Jij was
de held. Jij verwelkomde
de dood om held te zijn
Vaak
ontmoetten wij
elkaar in de hal van ons oude huis bij het familiealbum
naast de boeken die wij samen lazen, in doorwaakte nachten
Vaak
verscheen je op het praatbalkon
om mij te storen in mijn wens over iets anders te schrijven
dan over jouw verdriet, over een zuivere horizon
en niet over jouw stof, over water
en niet over jouw woestijn
jij
Dan strompel ik liever ver weg
Het zou beter voor je zijn
als je anders was
dan ik ben geworden
Het zou beter voor mij zijn
als ik
anders was
dan jij
Ik ben niet jij
is mijn schaduw jouw schaduw, jouw stem de mijne?
Wie gaf jou volmacht
om mij van een horizon die niet van jou is
naar een land te brengen
dat niet van mij is?
Jij
oude man
die ik zal zijn
Jij
vertrouwt
de dood niet al te veel
en daarom leg je, als hij op jouw schouders springt
je stropdas en je pak ellende neer
Je verzint een beetje wijsheid
en veel sluwheid
Jij
vertrouwt
de nacht niet. Als die invalt
steek je de resten van je morgens aan
Was
het nodig
om al deze oorlogen te voeren
om stof buit te maken
dat je deze dood verzint
om de glorie van het leven te ontdekken
dat je naar de hemel gaat
door de hellepoort
Pas op
voor de val die ik voor jou zet
Ik zal jou een lichaam van stof nalaten, met weinig dromen en veel verdriet
Jouw huis zal verlaten zijn, op jouw deur zal onkruid groeien
uit de zijkanten zullen nevels komen buiten jouw handbereik
Ik zal
achter je baar lopen
Op je grafsteen zal ik je laatste daden schrijven
“Hier rust Hassan de zoon van Mohamed de zoon van Ahmed
laatstelijk overleden
hij werd dood gevonden
met naast zich
een stropdas en een pak ellende”.
Hassan El Ouazzani
Vertaling: 2010, Kees Nijland en Asad Jaber
Center of the world
The meek inherit nothing.
God in his tattered coat
this morning, a quiet tongue
in my ear, begging for alms,
cold hands reaching up my skirt.
Little lamb, paupered flock,
bless my black tea with tears.
I have shorn your golden
fleece, worn vast spools
of white lace, glittering jacquard,
gilded fig leaves, jeweled dust
on my skin. Cornsilk hair
in my hems. I have milked
the stout beast of what you call America;
and wear your men across my chest
like furs. Stick-pin fox and snow-
blue chinchilla: They too came
to nibble at my door,
the soft pink tangles I trap
them in. Dear watchers in the shadows,
dear thick-thighed fiends. At ease,
please. Tell the hounds who undress
me with their eyes – I have nothing
to hide. I will spread myself
wide. Here, a flash of muscle. Here,
some blood in the hunt. Now the center
of the world: my incandescent cunt.
All hail the dark blooms of amaryllis
and the wild pink Damascus,
my sweet Aphrodite unfolding
in the kink. All hail hot jasmine
in the night; thick syrup
in your mouth, forked dagger
on my tongue. Legions at my heel.
Here at the world’s red mecca,
kneel. Here Eden, here Bethlehem,
here in the cradle of Thebes,
a towering sphinx roams the garden,
her wet dawn devouring.
Safiya Sinclair
Middelpunt van de wereld
De zachtmoedigen beërven niets.
God in zijn haveloze jas
vanochtend, een stille tong
in mijn oor, om een aalmoes bedelend,
koude handen die onder mijn rok grijpen.
Lammetje, verpauperde kudde,
zegen mijn zwarte thee met tranen.
Ik heb je gouden vlies geschoren,
immense spoelen wit kant gedragen,
glinsterend jacquardweefsel, vergulde
vijgenbladeren, stof van juwelen
op mijn huid. Maisvezelharen
in mijn zomen. Ik heb het kloeke beest
gemolken van wat jullie Amerika noemen;
en draag jullie mannen op mijn borst
als bont. Dasspeldvos en sneeuw-
blauwe chinchilla: Ook zij kwamen
knabbelen aan mijn deur,
de zachtroze klitten waarin ik ze
verstrik. Lieve wachters in de schaduwen,
lieve dikdijïge duvels. Op de plaats
rust, alsjeblieft. Zeg de bloedhonden die
me met hun ogen uitkleden – dat ik niets
te verbergen heb. Ik zal mezelf wijd
uitspreiden. Hier, een spierflits. Hier,
wat bloed, onbeschut. Nu het middelpunt
van de wereld: mijn fonkelende kut.
Heil de donkere amaryllisbloesems
en de wilde roze Damascus,
mijn zoete Afrodite zich ontvouwend
in de knik. Heil de warme jasmijn
in de avond; dikke stroop
in je mond, gevorkte dolk
op mijn tong. Legioenen op mijn hielen.
Hier, aan het rode mekka van de wereld,
kniel. Hier Eden, hier Bethlehem,
hier in de wieg van Thebe, dwaalt
een hoog uittorenende sfinx door de hof,
haar natte gloren verslindend.
Safiya Sinclair

Des chaînes de livres à la mer
Tour à tour à tour
je suis deux fois je suis j’ai
et j’ai la nuit seule.
C’est aussi avec
pourquoi là-bas soudain tu
hier depuis toujours.
L’univers se couche
dans les yeux de tous. La mer
appelle l’enfant.
Pourquoi le dernier
c’est que contre c’est de front
parfois par le fond.
Toujours seule seul
roses rose rose rose
violet blanches blanc.
On vit mourant vit
pour un son un fond plus qu’un
double souffrant souffle.
Le temps pas à pas
par hasard en souvenir
grille qui attend.
Des monts des montagnes
descendants descendus rendent
des rochers de roc.
Tente lance couche
appelle l’autre de l’autre
au bord des deux vers.
Déjà la mer c’est
autrefois le monde c’est
passé le passé.
Au loin l’horizon
dort le jour pourquoi toujours
là-bas recommence.
Colonne bandeau
détache flotter déroule
courant dérangé.
Des papillons blancs,
tu les vois de sous ton livre,
volant sur la neige.
Michelle Grangaud
CHAINS OF BOOKS INTO THE SEA
Turn and turn about
I am twice I am I have
and have night alone.
It is also with
where there suddenly you
yesterday for aye.
The universe lies
in the eyes of all. The sea
is calling the child.
Why did the last one
it’s that against it’s head on
sometimes it does sink.
Always lonely lone
roses rosy rosy rose
violet white white.
You live dying live
for a sound a root more than one
double suffer blow.
Time gradually
by chance and in memory
the gate is waiting.
From mounts and mountains
descendants descend and yield
rockeries of rock.
Tent lance and couch
call other of the other
at edge of both lines.
Already the sea is
formerly the world that’s
past that’s the past.
There the horizon
sleeps in daytime why always
there begins again.
Column and bandage
unfasten fly and unroll
a current deranged.
The white butterflies,
see them from under your book,
flying on the snow.
Michelle Grangaud
Translation: 1998, Anne Talvaz
chaldäischer katalog
nachtwacht, kometin!, alter schnee!
zur nachtmitte, sommers, gezische.
lichtspeichelfährten, bollen eines
blauaufscheinendn bollids! wi-am-
schnürchn vorüberknickernde leucht-
spuren: seltener anblick, so eine
milchstraße, screen ächter tiefnwir-
kung. hinpfeilen; ein vorüberhechtn,
und, weites zurücklassn, streifiges
stehnbleibn, um zu verschwindn. wie-
der einer oder eine, schon verschwun-
dn. grad so hirschnsprung von hier,
gepfeif, “wie von nüstern”. also, daß
son pünktchn, geschwänztes, rüber-
pfauchndes pünktchn., der eine weile
(zeitnüster) stehenbleibt; und wieder
einer. kleiner. total besser als . . . ,
sagtn di altn nich: kolossal? der hoch-
getürmte weiße striem. ein fädnziehen.
durchzischter schnee. ohrlose wir,
weißäugig unter der decke.
Thomas Kling
Capítulo I
No fuimos descendientes de reyes ni licenciados
y mi abuelo recogía la nieve
amontonada en las calles de Hamburgo.
Lo único que trajimos fue coraje, el buche
y los sueños en las maletas.
Aferrados al mástil del buque
taconeado de niños enfermos
de vivir con la peste y el hambre,
de mujeres que parían en la cubierta
y otros que dormitaban en los pasillos
o de a tres en los camarotes.
La maldición de errar por los mares había terminado.
- • •
Tu trabajo es despejar los caminos,
inventarlos a machete y prender fuego a las campiñas.
No te conozco, indio, no te comprendo.
Vendido, rumorean los tuyos, apatronado,
¿y tú sólo guardas silencio?
Mientras fabricas la batea para salar nuestra carne
y junto al padre unes tu fuerza,
yo te observo y me pregunto:
¿quién te dejó esa cicatriz en la frente?
2009, Gloria Dunkler
Chapter I
We descended from neither kings nor lawyers
and my grandfather shoveled
snow on the streets of Hamburg.
The thing we brought was courage, hunger
and dreams in our trunks.
Clinging to the mast of the liner
clattering with children sick
from living in pestilence and privation,
with women giving birth on deck
and others who slept in the corridors
or three to a bed in the cabin.
The curse of wandering the seas had ended.
- • •
Your job is to clear the paths,
to make them with your machete and light fire to the open country.
I don’t know you, indian, I don’t get you.
Sell-out, your people whisper about you, sharecropper,
And you just keep quiet?
While you build the pan to salt our flesh
and put your strength behind the patriarch,
I watch you and ask
Who left that scar on your forehead?
Gloria Dunkler
Translation: 2015, Edgar García
CEREZAS & GRANIZO
Todo sucedió en la primera semana de marzo
cuando por fin cayeron las cerezas.
Y no cayeron por maduras, por redondas, por rotundas,
cayeron por culpa del granizo y su inexplicable cólera.
Después de la tormenta, sobre la compacta blancura del parque,
empezaron a brotar, aquí y allá,
mínimas manchas de color púrpura,
como si fuera el vestido nupcial de una novia apuñalada.
Fue tanta la prohibición de febrero y la excesiva codicia
entre las altas ramas las que provocaron esa avalancha de niños
a quienes no les importó cortarse los labios con esa nieve de vidrio
con tal de poder reventar su piel entre los dientes.
Cuando pasados los años alguien les pregunte
por el definitivo sabor que los devuelve a la infancia,
no dudarán en decir que el sabor de las cerezas,
el sabor a venganza que tenían esas cerezas heladas,
y enseguida añadirán que todo sucedió un lejano marzo,
en su primera semana, después de una tormenta,
cuando el granizo del parque se fue tiñendo de rojo,
como después su vaho, como las puntas de sus dedos,
como también su memoria, desangrándose, ahora al recordarlo.
2008, Ramón Cote Baraibar

CHERRIES AND HAIL
Everything happened in the first week of March
when at last the cherries fell.
And they did not fall because they were ripe, round, rotund,
but because of the hail and its inexplicable ire.
After the storm, on the compact whiteness of the park
minimal spots of purple colour
began to sprout, here and there,
like the wedding dress of a stabbed bride.
The tough February prohibition and the excessive greed
among the high branches were the cause of the avalanche of children
who did not mind cutting their lips with the glass snow
so long as they could burst the peel between their teeth.
When, many years from now, someone asks them
about the definitive flavour that brings back their childhood
they will not hesitate to say the flavour of those cherries,
the flavour of vengeance those frozen cherries had,
and they will immediately add that everything happened
in the first week of March long ago, after a storm,
when the hail of the park was slowly stained with red,
and afterwards their breath, and the tips of their fingers,
and also their memory, bleeding, recalling all of that.
Ramón Cote Baraibar
Translation: 2008, Nicolás Suescún
Chicco
i wake up every morning before five
and like this, unwashed without tobacco
like this, in the dark and cold
i get out of bed on all fours
feeling for it.
before five he’s no more than a glass bead
when I touch him whoosh
leaping to some other part of the room.
i pick him up quickly, using only two fingers
roll him only on the carpet
lest he make noise and
wake the girls.
so it’s this way at five on all fours with this sun
this sun in the room rolled for hours on end
until like a snowball it grows quite large
until it begins to brighten begins to warm
though it’s only after growing so large
brighter and warmer
it’s only then that the sweat pours out
the chicco sun sweating likes a grown man
and at eight when the girls wake up
they must open the window
needing nearly an hour to air out the room.
Dan Coman
INFANCIA
Esos recuerdos con olor de helecho
son el idilio de la edad primera.
(Gregorio Gutiérrez González)
Con el recuerdo vago de las cosas
Que embellecen el tiempo y la distancia
Retornan a las almas cariñosas
Cual bandada de blancas mariposas,
Los plácidos recuerdos de la infancia.
¡Caperucita, Barba Azul, pequeños
Liliputienses; Gulliver gigante
Que flotáis en las brumas de los sueños,
Aquí tended las alas
Que yo con alegría
Llamaré para haceros compañía
Al ratoncito Pérez y a Urdimalas!
¡Edad feliz! Seguir con vivos ojos
Donde la idea brilla,
De la maestra la cansada mano,
Sobre los grandes caracteres rojos
De la rota cartilla,
Donde el esbozo de un bosquejo vago,
Frutos de instantes de infantil despecho,
Las separadas letras juntas puso
Bajo la sombra de impasible techo.
En alas de la brisa
Del luminoso Agosto, blanca, inquieta
A la región de las errantes nubes
Hacer que se levante la cometa
En húmeda mañana;
Con el vestido nuevo hecho jirones,
En las ramas gomosas del cerezo
El nido sorprender de copetones;
Escuchar de la abuela
Las sencillas historias peregrinas;
Perseguir las errantes golondrinas,
Abandonar la escuela
Y organizar horrísona batalla
En donde hacen las piedras de metralla
Y el ajado pañuelo de bandera;
Componer el pesebre
De los silos del monte levantados;
Tras el largo paseo bullicioso
Traer la grama leve,
Los corales, el musgo codiciado.
Y en extraños paisajes peregrinos
Y perspectivas nunca imaginadas,
Hacer de áureas arenas los caminos
Y de talco brillante las cascadas.
Los reyes colocar en la colina
Y colgada del techo
La estrella que sus pasos encamina,
Y en el portal el Niño Dios riente
Sobre el mullido lecho
De musgo gris y verdecino helecho.
¡Alma blanca, mejillas sonrosadas,
Cutis de níveo armiño,
Cabellera de oro,
Ojos vivos de plácidas miradas,
Cuán bello hacéis al inocente niño!…
Infancia, valle ameno,
De calma y de frescura bendecida
Donde es süave el rayo
Del sol que abrasa el resto de la vida.
¡Cómo es de santa tu inocencia pura,
Cómo tus breves dichas transitorias,
Cómo es de dulce en horas de amargura
Dirigir al pasado la mirada
Y evocar tus memorias!
José Asunción Silva
CHILDHOOD
These recollections with the scent of ferns
Are the idyll of early years
(Gregorio Gutierrez González)
Accompanying the hazy memories
Time so generously glorifies,
Returning to a welcoming heart
And flocking like white butterflies,
Come fantasies of happy childhood days.
Blue Beard, Little Red Ridinghood,
Lilliputians and the giant Gulliver,
All of you, floating in the mist of dreams,
Spread your wings, fly,
So I, the happy journeyer
Through storybooks, may summon you
To join with other, beloved characters.
O blessed youth! Eyes aglimmer
With dawning discovery
Follow the weary teacher’s hand
Across the big red figures
In the tattered primer,
Where traces of vague recognition,
Rewarding periods of youthful despondency,
Beneath indifferent shadows
Begin forming letters into words
On a dewy, white,
Luminous, restless August morning,
Helping a blazing sun rise
On wings of the breeze
Toward skies dotted with drifting clouds;
Listening to a grandmother’s
Exemplary fairy tales;
Skipping school
To organize a clamorous battle
In which rocks rattle like bullets
And a rumpled kerchief becomes a flag.
Constructing a manger scene
Of materials gathered from the woods,
Then, after the long, rowdy outing
Arranging the grasses,
Coral twigs, and treasured mosses,
And on strange and alien landscapes,
Perspectives never seen or dreamed,
Creating roads of golden sand
And waterfalls of gleaming tinsel.
Positioning the Wise Men on the hill
And overhead
The star that led them from afar;
In the crib, the laughing Baby Jesus
In his bed of
Softest mosses and leafy ferns.
Pristine soul, blush-pink cheeks,
Skin like ermine on the snow,
Flaxen curls,
Sparkling yet peaceful eyes, how fair
In memory the innocent babe!
Childhood, hallowed valley
Of blessed calm and coolness,
Where rays that will later blast our days
So softly shine,
How saintly your pure innocence,
How fleeting your brief happiness,
How sweet in hours of bitterness
To turn back to the past
And call upon those memories!
José Asunción Silva
Translation: 2003, Margaret Sayers Peden

Chin
I’ve come to exist as Chin
in this life.
So I wanted to know about Chin.
More than this
while I wondered what we are
I ended up wondering what Chin is.
While I was searching for what we are
I ended up searching for what Chin is.
Now
with what we have wondered
people have talked.
“The home owner pretends to be a guest.”
I reply
Chin are hospitable
but not all Chin can be hospitable.
Chin are honest
but not all Chin can be honest.
Chin live in the hills
but not all Chin can live in the hills.
Chin are faithful
but not all Chin can be faithful.
Chin are trusting
but not all Chin are simple.
Most Chin are hill people
but not all Chin reject city culture.
Here
if what I am saying is not complete
you can respond by adding to it.
I am Chin
but those who are less Chin than me
understand, know and calculate more about Chin.
Real Chin must be honest
must have faithfulness
must live in the hills
like that.
I can’t live like that.
I’m Chin, not mixed with water
but I can’t live like that.
It doesn’t matter if I can’t live in the hills
but it does matter if I can’t live as they say.
I go because I can’t live like that
I don’t know where I’ll be
I don’t know where I’m going
I could arrive anywhere…
I’ve been to an author
who believed that speaking international languages
is an art.
He said
walk all along the mountain range
listen to the music of wild flowers
sleep with the whispering of leaves
that’s what Chin is.
I can’t live like that
so I go and I could arrive anywhere.
I’ve been to a poet
who believed that if you can combine consonants and vowels
you are a poet.
Get warmth from the mist and snow of the hills
drink rice wine
play the drum, the cow horn, sing and dance
that’s what Chin is.
I can’t live like that
So I go and I could arrive anywhere.
I’ve been to a bureaucrat
who wore thick glasses and had grey hair
he said
real Chin carry a basket with a machete
go to the field, cultivate and weed it
then take guns and go hunting
celebrate after getting prey.
I can’t live like that
So I go and I could arrive anywhere.
I’ve been to a traveler
whose home was his legs
who believed he should build rice stores in every village he went.
Always keep an eye on the hills
aren’t the hornbills Chin?
Aren’t the copsia that brightly flower amongst mist and snow Chin?
I can’t live like that
so I go and I could arrive anywhere.
I’ve been to a history teacher
who thought those who valued ancient trash
were clever.
Mountains hide the meaning of Chin
in the heart-shaped Lake Rih.
The beauty of Chin
is hidden under the tradition of facial tattoos.
The God of white people
has decomposed the bones of Chin ancestors.
The truth
lies deep inside.
I can’t live like that
so I go and I could arrive anywhere.
I have been to researchers
who were curious and playful
and carried the sign of research in their hands.
Excavate the memorial stones at the village entrance
or on the entry wall of the house
knock on the animal skulls
translate what they say harmoniously
for example Khonumthung is the mountain of the goddess
aren’t they strong and modern Chin?
I can’t live like that
I keep going and I could arrive anywhere.
Chin are from heaven
so we must sing
to heaven.
No, No.
Chin are siblings of wild animals
born together
so we must make offerings to the forest spirit and mountain spirit.
No, No.
Chin are from a burrow
so there is Chindwin.
No, No.
Chin are moon light, rice wine and the fire festival,
ancients becoming modern with whisperings and song.
No, No.
Real Chin
never sing sentimental songs.
The call for war and proclamations are their songs
faithfulness and honesty is their culture
they are natives of unity and peace.
No, No.
Chin are never united
and don’t have peace.
Assam, Manipur
Mizoram, Chin Hills
the Asho plains, the Sittakaung region
What pestle follows the spilt rice?
Ka Sa Ya doesn’t know what they’ve done and achieved.
One-in-Chin Salai Mai.
Common literature and language
is a terminal illness kept alive with antibiotics.
It’s said that you cook to make rice
but nobody started the fire.
No, No.
As far as you stretch your legs, you’ll reach a point of arrival
you/I don’t want to arrive in the centre of four corners
because to be away from the place we don’t want to arrive
we end up being away from where we want to arrive.
Is it like waiting for sunshine from the shadows?
Or is it like waiting for sunshine facing the heat?
The cattle herders who drink beer and wear jeans
shout: “Our culture is rice wine.”
A Falam girl that said she wore wild flowers instead of Burma padauk
now has a wilted orchid in her hair.
The pink kopsia that once bloomed in Yangon
now flowers in Singapore.
Domestic chicken who would lay their bones in Mizoram
now have neither bones nor relatives.
Elders who wait for overseas calls
frequently answer calls from the Middle East.
Young Chin who became refugees
end up swimming in the sea with bare hands and drinking salty water.
All think this is globalisation.
America is
not our Canaan.
A signature from Condoleezza Rice
is not our visa for the door of heaven.
Some matters are sensitive
and might need moralization.
For instance – every Chin can drink alcohol.
The Chin hills are bald like Mt. Ubrina.
Postmodernism has no centre or remainder
from thinking to deep analysis and scrutiny
pondering over and over
traditional life based on one turn of oun and one turn of phwa
with simple honesty
amongst them stupidity
makes history
one piece here, one piece there
let’s count every single piece
and eat them.
One piece counts for one.
Bo Cuan Bik, Bo Cung Pak
defied the Union Jack
that reckless Chin.
Vom Thu Maung
pressed oil from a lone sesame seed
these reckless Chin picked a star in front of us.
In the midst of hazy snow
there were reckless Chin like
- Pu Hlur Hmung
- Pu Kio Mang
- Pu Thawng Za Khup
who packed uncertain promises for us
with conviction
because of these reckless Chin
February became the
freshest fossil.
There were also reckless Chin
who extended the longevity
of ancient Chin recklessness.
Senior General Hrang Thio
with faithfulness, bravery and responsibility
a historic duty for the motherland
amidst that where there is no between
one leg and one life
this reckless Chin sacrificed.
Like heavy rain
among torrential bullets
Thai Sawn collected the Hero of Aung San.
He was the most reckless ‘martyr’ in this land.
Aung Min would have been over if he’d spoken out
for Aung Min not to be over
Aung Min stirred the ‘Cabinet’
Thakin Aung Min was reckless like that.
Not wanting to mix with others
Salai Tin Maung Oo, who became a paper kite
stepped forward in public—
it’s asked if his bones decomposed.
If hill people are
for hill people
he who created a sea
or
he who wanted to mix all Chin
Salai Ram Lian Hmung
goaded us/ “Mai Mai Mangtha”
that great reckless Chin.
Was Salai Sun Ceu
who died gathering firewood
a reckless Chin?
He gave birth to Mi Nge and abandoned Mi Nge
how confused we are
left desiring Mi Nge.
Yes
One piece counts for one.
Among Chin
are diverse groups and dissimilar languages
that we have to count.
Zozam, Moe Yin The Ya
they’re Chin cartoonists.
They draw cartoons
to amuse the cattle herders
who aren’t attached to home and don’t lick salt.
Based on what I know
he who eats Moe Moe (Innya) Cakes
is Tui Mui villager, Tual Khan Mang,
a Chin who writes.
Salai Thuah Aung who is in America
Thawn Kham holding the power of love
guitarist Khin Maung Thant
are Chin musicians.
In this way, there are diverse Chin
If you answer ‘Chin’ when questioned on your nationality
we have to ask again, what Chin are you?
For me if someone asks “what nationality are you?”
“Chin” is my answer
If they ask again what Chin I am…
a chin carried by Soe Myat Thu Zar
making fun like that.
Mouths dry to say
one knows what one knows
in this smooth talking era
to say one doesn’t know though one knows
to arrive where arrived
and to arrive where not yet arrived
in our age
there are many questions to answer
the more questions there are, the more fresh and alive.
When the broken mortar becomes a flowerpot for god
it is peace
but some want to make mortars from flowerpots
for the sake of peace.
The meaning of a happy life
like in a storybook
oh . . .Chin hills
when I look at you
I remember the words that my grandfather said before he died
Chin is gin
a little bit hot and spicy
but is it really good medicine?
Please don’t mind when I ask questions like these
I’m speaking straight
I say what I have to say
I’m also an honest Chin
who can’t answer all the questions asked.
Mya Kabyar
CHRISTMAS EVE
Tonight the Black Country is tinselled by sleet
falling on the little towns lit up in the darkness
like constellations – the Pigeon, the Collier –
and upon the shooting stars of boy racers
who comet through the streets in white Novas.
It’s blowing in drifts from the pit banks,
over the brown ribbon of the cut, over Beacon Hill,
through the laploved chimneys of the factories.
Sleet is tumbling into the lap of the plastercast Mary
by the manger at St Jude’s, her face gorgeous and naive
as the last Bilston carnival queen.
In the low-rise flats opposite the cemetery,
Mrs Showell is turning on her fibre-optic tree
and unfolding her ticket for the rollover lottery
though we ay never ‘ad a bit o luck in ower lives
and upstairs in the box-rooms of a thousand semis
hearts are stuttering and minds unravelling
like unfinished knitting.
And the sleet fattens and softens to snow,
blanking the crowded rows of terraces
and their tiny hankies of garden, white now, surrendering
their birdfeeders and sandpits, the shed Mick built
last Autumn when the factory clammed up.
And the work’s gone again
and the old boys are up at dawn to clock on nowhere
except walk their dogs and sigh
at the cars streaming to call centres and supermarkets
because there ay nuthin in it that’s mon’s werk,
really bab, there ay . . .
But it’s coming down now, really coming
over the stands at the Molinuex, over Billy Wright
kicking his dreams into the ring road
and in the dark behind the mechanics
the O’Feeney’s boy props his BMX against the lock-ups
and unzips to piss a flower into the snow
well gi me strength Lord, to turn the other cheek
for we’m the only ones half way decent round ere
and the tower blocks are advent calendars,
every curtain pulled to reveal a snow-blurred face.
And it’s Christmas soon, abide it or not,
for now the pubs are illuminated pink and gold
The Crooked House, Ma Pardoes, The Struggling Mon
and snow is filling women’s hair like blossom
and someone is drunk already and throwing a punch
and someone is jamming a key in a changed lock
shouting fer christ’s sake, Myra, yo’ll freeze me to jeth
and a hundred new bikes are being wrapped in sheets
and small pyjamas warmed on fireguards
and children are saying one more minute, just one, Mom
and the old girls are watching someone die on a soap
and feeling every snow they’ve ever seen set in their bones.
It’s snowing on us all
and I think of you, Eloise, down there in your terrace,
feeding your baby or touching his hand to the snow
and although we can’t ever go back or be what we were
I can tell you, honestly, I’d give up everything I’ve worked for
or thought I wanted in this life,
to be with you tonight.
2015, Liz Berry
TEMPO CIRCULAR
Na sombra das folhas de nossos passos
sob um manto de nuvens o dia escureceu; o Outono
gerou e apagou novas e efémeras
constelações, e à janela, olhando os cumes nevados ao
longe envoltos no orvalho de um doce sofrimento,
nossos olhos envelheceram; as nossas lembranças e aqueles
que amámos teceram palavras esquecidas; e a vida,
seguindo e caindo sem fim, pareceu apagar-se
como espuma numa recordação fugaz, um bloco de gelo,
transparente, esculpindo e transformando os aspectos do tempo ou
que os gansos agarravam com as asas as frágeis
penas do seu ser, as faziam estilhaçar.
Mas era justamente por os anos passados pesarem
sobre nós, voltarem, ou desaparerem, que as terras e os
vales se sentia que suspiravam, que marcavam grãos de areia
no rosto, como outrora em Connemara; que se sentia que a natureza
estava prestes a transformar-se, que a nossa sombra estava
prestes a desaparecer; que a neve caía, ia caindo, a neve dos teixos
deixando passar a neve; e que o Inverno chegava com
as suas raízes escoradas pela água, e que a ronda do ano
dava outra volta fortuita na charneca, outra volta
na Primavera e no Verão; outro sopro do seu espírito, como um
gerânio que as pétalas desenham num curso incessante, invisível, e caíssem
na cratera da inocência, dos que vivem, dos que morrem.
2020, Rui Cóias
CIRCULAR TIME
In the leafed shadows of our footsteps
under a mantle of cloud, the day darkened; Autumn
crafted and wiped out new and ephemeral
constellations, and by the window, reaching out to distant
snow dusted peaks robed in sweet suffering dew,
our eyes grew old; our memories and those
we loved weaved a forgotten word; and life,
ever returning, and ever falling, seemed to vanish
like foam or a brief remembrance, an ice block,
transparent, shaping and changing the faces of time, or
like a shattering of fragile wings, were the geese
to try and grab it in full flight.
But it was precisely because the passing of the years
weighing on us was coming back or disappearing, that the lands and
the valleys were heard sighing, were allowed to leave the grains of sand
on their face, like long ago in Connemara; nature
seemed to be about to transform, our shadow was
about to disappear; the snow was falling, kept falling, the yew snow
letting the snow through; and Winter arrived with
its roots dipped in water, and the turn of the year
went yet fortuitously round the heath,
through Spring, and Summer; another breath of its spirit like
a geranium whose petals drew an incessant, invisible path, and fell
into the crater of innocence of those who live, of those who die.
Rui Cóias
Translation: 2020, Ana Hudson

STADSMUSEUM
wij volgen onwennig een glazen parcours
wij buigen ons over een stadsplattegrond
we brengen er plekken in thuis, die ons
’s nachts als daglicht voor ogen staan
daar is het, tussen het postkantoor en het
gehavende parkje, daar stond die wilg
die moest omgehakt worden, daar is
de speeltuin, het zwembad, verlangen
bevangt ons, en huiver, zoals wij hier nu
in ons tijdelijk schoeisel van plastic
de donkere kanten van de straten aftasten,
een huis aan de spoorweg waarin wij
niet ziek zijn geworden maar ouder,
het zweven gestopt is, het zoeken
naar een verband, en daar op de hoek,
voor de boekhandelaar, daar wachtten
wij vaak op de tram, en in dat wachten
het sneeuwen begon, over alles en ons
2013, Miriam Van hee
CLEAR BRIGHTNESS
The house and yard dressed in a skin of ash.
It was raining embers, the night air thronged
with giddy petals that swirled
on the updraft, flared
to incandescence before curling into papery
ash, as we fled around midnight, my son
bewildered in my arms, his sister bright-eyed,
exclaiming, It’s snowing, Christmas just weeks away.
We sweep the aftermath like penitents, the air
acrid, shriven, ashen, as it was on the day
of Qing Ming, Clear Brightness, in another life,
when families filed to the tombs with broom,
rice wine, boiled whole chicken and fruits, and stacks
of paper money, gold and silver currency
valid only in afterlife. The dead were fed,
their abodes swept, and the filial queue
of joss offered. Then the money was given
in fanned reams to the flames, transferred
to replenish the ancestors’ underworld credit.
Once Grandma brought us to the cemetery,
dragging us in tow with armfuls of offerings,
filing up and down the crowded ranks
for the right address. I don’t remember whose grave
it was we were tending, or Grandma telling us
to pray. Only a blurred oval photo of a man
on the worn headstone, and the hundreds of fires
around us, the air swimming
with ash-drifts, the sun eclipsed in the smoke
but its heat made more palpable by the pall
that hung over the day. I imagined the ancestors
catching the burned money like willow catkins, turning
them into real millions that they could send back
to us to bail my father out of bankruptcy.
Now grave news from the living I have left;
the cemeteries are dug up, razed, the dead
expelled, their bones unhoused, ashed
and relocated to columbaria to make
room for progress. No more tomb-sweeping
and picnicking with the dead.
No such unrest for Grandma and Dad
who went straight into the fire.
Anyway they turned Catholic
and have no use for paper money
or earthly feasts.
Here the bush is charred, the trees
splintered, pulverised like Dad’s bones
after the fire. The ash taste clings
to the house, even after hosing and sweeping.
It seeps into my dreams, into the new life
I have made, and on my sleep it is still raining
ash, flakes falling like memory, on my dead settling
like a snowdrift of forgetting.
2012, Kim Cheng Boey
VAN DE ETIQUETTE
Voor de ruit verdrongen zich tallozen in volgorde van afgang. Toch moest dood vogeltjes zoveelste moeder eerst even melden, de schouders naar achteren werpend, dat rancune geen pas gaf. Ze hadden gezegd dat de velden vol wonderbaarlijk wit lagen. Fatsoen behelsde geen ander omkijken dan dat van de montere blik waaraan geen monnikskapspier te pas kwam. ‘Dat ligt vast en dat weet je maar al te goed.’ Dood vogeltje zag zoute bergen van steen die het al had laten gaan. Anders uitgedrukt, rancune was niet chic, leidde tot ongerichte plasmastroming; men diende geen zenuwknoop bloot. Men moest überhaupt nooit zijn tanden laten zien maar de veren opsteken en die slechts in goedertieren gezelschap laten hangen. O Sint-Apollonia, in hets handen bliezen dood vogeltjes kiezen bleekzucht, de terechtwijzingen in (wie ongevraagd zijn diepste zielenroerselen openlegt wordt een poseur). Maar wacht even, dacht het, wie nooit ongelijk bekent zal evenmin zijn excuses aanbieden: hoogst bereikbaar is het perforeerbare neem me niet kwalijk. Het was in een winkel in tweedehands computers, om om te smelten tot vegaburgers. Dood vogeltje jongleerde alweer met de kruipolie, terwijl het doorgewinterde berichten kreeg uit hets vullingen. Door wilde het, door.
Voor een goed stabiliteitspact moest dood vogeltje honnepon zijn, opschietend met een sluimerende politieke verkoudheid. Zeer koud is het dat het verbrandt en hetzelf tot grote blijdschap stemt. Winnaars hebben geen pijn, hun iets anders toewensen is laag, de bloem narcis. Of intelligibel ongewenst en dat dan niet opbiechten. Inslikken? Het is niet slim om te zeggen dat je slim bent. Het is wel dom om te zeggen dat je dom bent.
Voor het af was. Als een ouwel om een toegevouwen brief spannen de netten om hets buikje dat anders niet te bruinen is. Van de agaten zon, zeker gevangen door de onberispelijke steppen, mocht de straling niet worden onderschat. Het zou tevens infaam zijn, berispt dood vogeltje hetzelf tot het nut van het algemeen en voor de veiligheid excommuniceert het het. Maar het vloeit waar het niet gaan kan en is dat een mirakel? ‘Als je ogen iets onaangenaams zien sla je gauw je handen ervoor of doe je ze dicht. Maar sla jij je handen maar eens voor je gedachten, doe jij je gedachten maar eens dicht,’ schreef Charlotte Mutsaers. Hoe zou het eigenlijk zijn indien dood vogeltje met dezelfde maatstaven bejegend werd als die waarmee het hets autres bejegent? Was het de bok met de orthopedische schoenen? Het beluistert muziek. Claxons en ongelukken vallen steevast ritmisch perfect. Ook wil dood vogeltje een tartaartje bakken om een boterham door de jus te kunnen halen. En eindelijk mocht het er bij prijsaanpassing uit. Poppen werden gerold, velden aangerand door gras – dat kon bijten.
2006, Marc Kregting

corydon & alexis, redux
and yet we think that song outlasts us all: wrecked devotion
the wept face of desire, a kind of savage caring that reseeds itself and grows in clusters
oh, you who are young, consider how quickly the body deranges itself
how time, the cruel banker, forecloses us to snowdrifts white as god’s own ribs
what else but to linger in the slight shade of those sapling branches
yearning for that vernal beau. for don’t birds covet the seeds of the honey locust
and doesn’t the ewe have a nose for wet filaree and slender oats foraged in the meadow
kit foxes crave the blacktailed hare: how this longing grabs me by the nape
guess I figured to be done with desire, if I could write it out
dispense with any evidence, the way one burns a pile of twigs and brush
what was his name? I’d ask myself, that guy with the sideburns and charming smile
the one I hoped that, as from a sip of hemlock, I’d expire with him on my tongue
silly poet, silly man: thought I could master nature like a misguided preacher
as if banishing love is a fix. as if the stars go out when we shut our sleepy eyes
2006, D.A. Powell
DALAI LAMA
The Dalai Lama continues to laugh
addressing
a large audience.
The interpreter is super-serious
has no time for laughter
The English was like a net
the Tibetan words butterflies,
flew from the flower-petal lips of the Dalai Lama
sometimes to sit on the ears of the Tibetan kids
sometimes on the gold-flecked robes,
maybe the wedding dresses
of the Tibetan women
taken out only on special occasions
but worn away at the hems
this bit of sparkle left
like the trace of light in aged eyes.
The Dalai Lama was expounding
the Four Noble Truths of Buddhism
He raised his arm and
like three little dots of ‘therefore’
there were the marks of childhood vaccination
peeping through his ochre robe.
They whispered:
Aha, someone is talking about such high principles
but is from this very world
this very epoch
and he’s just a man.
Right in front of me, rapt, a grandfather
on his shoulder a chubby little boy and his gurgling bottle
wiping his running nose
on grandpa’s sweater —
He must have been like that —
the Dalai Lama
What do we know of Tibet —
Rahul Sanknityayan or Rinpoches
monasteries and chow mein
cheap sweaters and sandals, China,
snow, lost eyes, round faces and faithful Lhasa Apso pups.
How do those noble truths
connect with
such random bits,
the ignoble truths of life?
Does truth too have hierarchies?
A caste system? —
Brahmin truths at the top
and then the Shudra truths at the bottom?
Hunger and
thirst
heat and cold
attachment and cruelties
Love and hate —
are these truths really lower?
Dalai Lama, you tell me, please:
if the truth is like these mountain ranges —
high and low.
I prefer living in the deep cave of a small truth
occasionally coming to you
to learn the nobler truths of life.
Anamika
Translation: 2006, Arlene Zide and Anamika
DAR ES SURIANI
Dug into the edge of nations
inhabiting the frictions of light
keeping the sentences locked
Until they’re needed,
keeping silence, Lebanese
wine in the cellars
Reserved for visitors
hiss of dust against white walls
the messages cased and locked
And passed from life to life in
silence, the syntax unbroken, the fruit
held from its fearful result.
Patience and fortune at rest
on a thread, a spring in the desert.
We repeat the text again and again
At first light and evening
because it is true because
it cannot be moved or pictured.
A stone breaks in the west, a bud
of dust on the horizon meaning
trouble as the sky crashes
Daily to our feet. Our transmission
is fixed and immediate, solitude and obscurity
make our beds. A stone breaks
In the east, wild truckers
scorch the horizon spreading
immense suffering and loss, the dust
Of their passage glitters on the floor.
We scoop it up and blend it with
goat fat to make a binding paste
For the books in the library
that we can’t read. We bury
the dead, they haven’t got time.
What else can we do? What is
left of us after they have all gone
is a body faithful from its centre
Further than it can see
as we toil at common tasks
absorbed in our procedures
Hardly aware of the uncertainty
and ecstasy hoarded under the line
the fuel in the cellar that
Fires our fate, to maintain
beneficence without object and virtue
without enemy and cry in the desert
For he is mine and I am
his again and again in
love and war. At night
The stars screen our orders
and the small fire in the clay room
burns prepositions. Edge-life
Squats, guardian tomb, all days
positioned and engaged, ensuring
that the only possible result
Be the exactly possible outcome
as the flesh line is held straight
and true here by the equinox, and whatever
Speed kills cells or wastes
earth with excitement anywhere, here
it is altered, it is given
Back before it can be loaded.
Heart levels cross at night
in the stone shed alone with love’s answer,
True loves at war,
mine and yours. For we meet, serve,
and retire for good, as you know.
1997, Peter Riley
Dark Veins
You are shot there
so your red cells flower … in Freedom Avenue
you die
so snow
with its white cells
soft and softly
shroud you
hide you
so an ill wind won’t blow
to steal you who were not one of them
You are not one of them
your arteries are arteries of a city
that which beats in Revolution Square
is still your heart
which sends off
one by one
all taxis down any street that leads
like a dark vein
toward my heart
that is in Freedom Square
We both fight in the same street
you are shot there
I die here
Ali Abdolrezaei
Translation: 2014, Abol Froushan
As trevas
Começam-nos as trevas a romper
a carne, comparáveis
a neve que do céu
caísse ensanguentada
ou pedra que, ao tombar
num lago, o abrisse
em sucessivos círculos, alguns
dos quais já fora de água, em plena vida,
alguém
no meio da paisagem
empunha um calorífico
enquanto eu, que de roupa
não trago mais que um lenço,
com ele cubro a cabeça para não morrer,
aqui ninguém ignora
que os lagos gelam a partir das margens
e o homem a partir do coração,
que a luz
ascende do vazio
e tudo o que nos resta mais não é
que um sol sem crédito
num céu desafectado,
envolvem-nos as trevas
os ossos, dir-se-ia
que a própria morte
nos serve aqui de pele, como a um morcego.
Luís Miguel Nava
Darkness
Darkness is beginning
to dissolve our body,
like a bloody snow
falling from the sky
or like a stone that, falling
into a lake, opens it into
successive circles, some already
outside the water, right here in life.
Someone
in the midst of the landscape
brandishes a heater
while I, having just a handkerchief
for clothing,
cover my head with it to keep from dying.
Here everyone knows
that lakes start freezing at their edges
and man in his heart,
that light
rises from the void
and all we have left
is a discredited sun
in an indifferent sky,
darkness already wrapping
our bones, with death itself
seeming to serve as our skin,
like on a bat.
Luís Miguel Nava
Translation: 2008, Richard Zenith
Daynight, with Mountains Tied Inside
Chandelier too full of brilliance to be indolent.
Your prisms enunciate the light
and don’t need rain to break it into rainbows.
Snow with six crutches in each crystal.
Your livery your glitter, your purring
made visible. Only inanimate things can sparkle
without sweat. My spinet, the threat of music
in its depths and miniature busts of men composers
carved of time on top. The hollow bench
held sheet music. Sing me
Charm Gets In Your Eyes. I hear you best
when undistracted by your body. In headspace
technology, where flowers are living
in glass globes, their fragrance vivisected.
Anything that blooms that long
will seem inanimate. Heaven. Grief
like the sea. Keeps going. Over the same wrought
ground. The whole spent moan. Praise dies
in my throat or in the spooky rift
between itself and its intended. Like a wish-
bone breaking. The little crutch inside
is not a toy. There is no night asylum.
A restless bed, a haunt preserve,
a blanket rough as sailcloth. But sing me, was it kind
snow sometimes? With true divided lights and nothing
flawed about it? If song goes wrong,
be dancerly. Dance me, at what point
does west turn to east as it spins?
I’ve never understood. Perspective.
How charm gets to yes. Dance me Exile
and the Queendom, by request.
It is a ferocious thing
to have your body as your instrument.
Glove over glove, let your dance express
what I’ve been creeping like a vein of sweat
through a vastness of.
This tune with mountains tied inside
and many silent letters
can be read as trackers scan the spaces
between toes and birders read the rustle
left by birds. As any mammal
in its private purr hole knows,
the little crutch inside
is not a crutch. More a sort of
steeple. Neither silver to be chased
nor gold to be beaten.
You were==you are
more than ever like that too.
Noon upon noon,
you customize this solitude
with spires
that want nothing from me
and rise with no objective
as everything does when happy.
2012, Alice Fulton
SNEEUW
asymmetrie parabool equinox vlaag
van verbijstering – moed der wanhoop
emotieloze wiskunde kan
de sneeuw niet temmen
losgeslagen furies werpen zich
op het land en verdoen hun tijd met smelten
Wanneer breekt dan eindelijk
het algoritme de klank van de vogels
tot zoetgevooisd fluisteren in de wind
gedoemd te wachten
ondergrondse wezens op het einde van de
nacht-vorst
heerser over gedachten en bepaler van de morgens
de toekomst ongewis
de winter een eeuwigheid
donker al die dagen
duren durend de grote gevoelloosheid
van dit mensengeslacht
niet het water maar de
sneeuw zal deze keer een straffende God
voorspellen en geen berg zal er zijn waar een bootje
gevonden kan worden
de sneeuw kent geen genade —
is niet genadevol zoals het water soms kan zijn
traag en doelbewust dwarrelen
met velen en zonder doel
vermetel en verankerend tot getuigenis van eeuwen
in trage bewegingen de bergen verlatend
en
elke transformatie voegt waarlijk – niets – toe
een zachte dood onder een koude
witte deken ons aller lot
de weerman in verbijstering achterlatend
Jean Hacquin
A little Snow was here and there
A little Snow was here and there
Disseminated in her Hair –
Since she and I had met and played
Decade had hastened to Decade –
But Time had added, not obtained
Impregnable the Rose
For summer too indelible –
Too obdurate – for Snows –
Emily Dickinson
Hier en daar een beetje Sneeuw
Uitgestrooid in haar Haar –
Sinds zij en ik samen speelden
Gingen Decennia na Decennia snel voorbij –
Maar Tijd had toegevoegd, kreeg geen vat
Onaantastbaar was de Roos
Voor de zomer erg bestendig –
Erg onverzettelijk – voor Sneeuw –
Emily Dickinson
Snow beneath whose chilly softness
Snow beneath whose chilly softness
Some that never lay
Make their first Repose this Winter
I admonish Thee
Blanket Wealthier the Neighbor
We so new bestow
Than thine Acclimated Creature
Wilt Thou, Austere Snow?
Emily Dickinson
Sneeuw, onder jouw kille zachtheid
Hebben sommigen nog nooit gelegen
En vinden deze Winter hun eerste Rustplaats
Ik roep je op
De Buurvrouw Rijker onder te stoppen
Die we hier pas afgaven
Dan de Wezens die aan jou Gewend zijn
Wil Jij dat,
Emily Dickinson
Two Travellers perishing in Snow
Two Travellers perishing in Snow
The Forests as they froze
Together heard them strengthening
Each other with the words
That Heaven if Heaven, must contain
What Either left behind
And then the cheer too solemn grew
For language, and the wind
Long steps across the features took
That Love had touched the Morn
With reverential Hyacinth –
The taleless Days went on
Till Mystery impatient drew
And those They left behind
Led absent, were procured of Heaven
As Those first furnished, said –
Emily Dickinson
Twee reizigers kwamen om in de Sneeuw
Toen ze bevroren hoorden de Bossen
Hoe ze elkaar moed inspraken
Met de woorden
Dat de Hemel als die er is, moet herbergen
Wat Beiden achterlieten
En toen werd de opluchting te vroom
Voor woorden, en de Wind
Kwam in harde vlagen over de gezichten
Die Liefde ‘s Ochtends nog had aangeraakt
Met eerbiedwaardig Paars –
Sprakeloze Dagen volgden daarop
Tot het geduld van het Mysterie opraakte
En wie Zij achterlieten
Bij hun afwezigheid, de Hemel verkregen
Zoals Zij, die eerst gebracht waren, zeiden –
Emily Dickinson
De prins weergekeerd
Ligt ergens nog die helm? en dat kuras,
bestaat het nog? Geringschat, ongedragen,
laat dit tijdperk, wat eens van geest en ras
getuigde, roesten. Joelen, spot, weeklagen,
heesch natellen van goud: onder de lage
wolken klinkt anders niet; de rest werd asch.
De rest: de handen van een prins, het hoofd
dat eenmaal uit genotzucht vastberaden
het edel hart bevrijdde in een geloof
en in een op genade of ongenade
strijden, tot geestdrift met beheerschte daden
uit keurbende’ een volk oogstte, schoof aan schoof.
Konden de grooten, die – hun jeugd voorbij –
bezield oorloogden, na een reeks geslachten
weer jong terugkomen, en stond ook hij
zoo en thans weergekeerd, en hier, bij machte
ons te verstaan naar daden en gedachten,
hoe zou hij ons dan aanzien, u en mij?
De dag gaat uit; niets wordt er meer gehoord
dan uit ver dorp kindren die spelend schreeuwen –
Maar hier staat in wak licht, dat, nog doorgloord
van eeuwen her, kwijnt door ophanden sneeuwen,
dit beeld van voor hij vocht, dat na vier eeuwen
thans op wat inkeer zich afvroeg, antwoordt.
Zwijgzaam en terughoudend, haast alweer
afgewend, is de blik; de zijdlingsche oogen
dralen mismoedig, ziende heinde en ver
de hevigen ontzield, de zielsbewoognen
ontmand, en zijn arm volk, den geest verloochnend,
vallende uiteen in benden, her en der.
Zooals den oogopslag houdt ook dien mond
hoog misprijzen teleurgesteld omwreveld –
De korte winterdag heeft uit, en rond
dit huis, waar hoop aan wanhoop zich benevelt,
ligt het voormaalge in stilte en ijs gekneveld,
en wat de toekomst bergt, blijft ondoorgrond.
Adriaan Roland-Holst

The Snow that never drifts
The Snow that never drifts –
The transient, fragrant snow
That comes a single time a Year
Is softly driving now –
So thorough in the Tree
At night beneath the star
That it was February’s Foot
Experience would swear –
Like Winter as a Face
We stern and former knew
Repaired of all but Loneliness
By Nature’s Alibi –
Were every Storm so spice
The Value could not be –
We buy with contrast – Pang is good
As near as memory –
Emily Dickinson
Sneeuw die nooit opwaait –
Vluchtige, geurige sneeuw
Die maar een enkele keer in het Jaar komt
Valt nu zachtjes neer –
Zo diep doorheen de Boom
‘s Nachts onder de sterren
Het moet de komst van Februari zijn
Zou ervaring zeker zeggen –
Het lijkt op Het Gezicht van de Winter
Dat we van vroeger kenden als streng
Opgeknapt van alles behalve de Eenzaamheid
Doordat de Natuur Ergens Anders was –
Was elke Storm zo aardig
Zou het geen Waarde hebben –
We kopen wat opvalt – Lijden is goed
Zolang het bij herinnering blijft –
Emily Dickinson
A little Snow was here and there
A little Snow was here and there
Disseminated in her Hair –
Since she and I had met and played
Decade had hastened to Decade –
But Time had added, not obtained
Impregnable the Rose
For summer too indelible –
Too obdurate – for Snows –
Emily Dickinson
Hier en daar een beetje Sneeuw
Uitgestrooid in haar Haar –
Sinds zij en ik samen speelden
Gingen Decennia na Decennia snel voorbij –
Maar Tijd had toegevoegd, kreeg geen vat
Onaantastbaar was de Roos
Voor de zomer erg bestendig –
Erg onverzettelijk – voor Sneeuw –
Emily Dickinson
In snow thou comest
In snow thou comest
Thou shalt go with the resuming ground,
The sweet derision of the crow
And Glee’s advancing sound.
In fear thou comest –
Thou shalt go at such a gait of joy
That man anew embark to live
Upon the depth of thee –
Emily Dickinson
In de sneeuw kom je
Je gaat als de grond zich herstelt,
De kraai haar zoete spot uitkrijst
En het geluid van Vrolijkheid aanzwelt.
Angstwekkend kom je –
Je gaat met zo’n vreugdedans
Dat mensen zich opnieuw inschepen voor een leven
Op jouw diepte –
Emily Dickinson
Een Winteravondval
Gouden stille kusten en de zee nog blauw,
en de blijde vele golven, die er spelen,
en die witte vlucht van vooglen – o, de vele
meeuwen zwevend door de zuiverende kou,
zwermend als een bui, als een gevleugeld sneeuwen,
en hun kreten af en aan over mijn hoofd;
heb ik ooit wel in een ander lied geloofd
hier op aard dan de verloren kreet der meeuwen?
En zij zwenken en verdwijnen, en het is
nu weer stiller, en het gouden uur wordt later,
en ik loop verloren verder langs het water
van der eeuwen eenzame geheimenis.
En de kust wordt grijzer, en de schemeringen
komen nu, en ook de groote zee wordt grijs,
en de golven zingen – o, de vreemde wijs
van die andre wereld, die de golven zingen –
En zij zingen nader en mijn hart bevangt
een onmetelijk vervreemden uit dit leven,
en ik loop als in een bijna overzweven
naar dat rijk, waarheen ik altijd heb verlangd.
Spiegelende ligt het uit de zee verschenen
ver en in het westen en den dood voorbij –
die daar leven zingen, en zij roepen mij,
maar de zee, zij zingt en glinstert om hen henen.
Eeuwig eiland – o, der zaligen domein,
waarheen onder zeilen hunner laatste droomen
slechts de stervende vervoerden overkomen –
waar de menschen eenzamer en schooner zijn.
En ik weet niet, is het heimwee of verlangen,
een herinnering of al een voorgevoel?
Houdt het leven met een ongeweten doel
mij, bevlogene, hier hunkerend gevangen?
O, waarom dan die herinnering, waarom
geen geheel onterven en een niet meer weten?
Wat kan ik hier doen? Als ik niet kan vergeten
waar ik eenmaal leefde ga ik dolend om,
om, zonder een dak, zonder een doel, geboren
aan de droeve zijde van den vreemden dood,
en ik werp mij uit der menschen oude nood
altijd weer in mijnen droom terugverloren…
Toen… een antwoord toch?… neen, een voorbijgaand mensch
en zijn vluchtig avondgroeten langs mij henen;
‘k zag hem na tot hij in donker was verdwenen,
toch misschien zijn broeder aan der wereld grens?
’t Was een visscher uit het oude dorp, daarginter
waar de duinen lager worden, en hij ging
bukkend onder wrakhout door de schemering,
denkend aan de lange nooden van den winter.
En ik ga hem na, maar langzamer dan hij,
bukkend onder leed, dat ik had moeten lijden –
o, verzuimde smart – o, wroeging, waar de tijden
nu geen redding meer uit geven, en de zee
zingt, maar lokt niet meer, en ik blijf aangewezen
op dit klein bestek van weedom en berouw,
en de winteravond valt, en door de kou
wankel ik – en toch, ik voel, er is genezen
in rampzaligheid, en, huivrend, weet ik weer
hoe het heimwee, dat deze aarde houdt bevlogen,
mij – waarom dan ook – het zingende vermogen
schonk, en verder valt er niet te vragen, en ik keer
tot het oud gehucht, dat daar ligt weggedoken,
minder eenzaam toch, en zie, daar op het duin
in de lage herberg waar de visschers zijn
wordt de lamp nu voor den avond opgestoken.
Adriaan Roland-Holst
Sneeuwliedje
De sneeuw daalt dwarrelend en zacht
door de avond neer in de oude straat,
en ’t is of tijd als een dwaze klacht
verstilt, en mij in mijm’ring laat.
’t Is of een wonder komen kan
gewoon, als in een mijmering;
als ’t naadren van een oude man
met een lachend kind door de schemering…
of om de hoek van de avondstraat
waar de muurlantaarn door ’t sneeuwen licht,
jij komen zal of te wachten staat,
een kalme lach op je gezicht.
Door de avond die sneeuw, die droomenval…
o, ‘k dwaal nu door een wonderrijk –
wellicht dat je niet komen zal,
maar juist dat is zoo wonderlijk.
Ik weet wel dat je niet wachten zal
waar de muurlantaarn in ’t sneeuwen brandt,
en toch, in der vlokken zachte val
zal ik je zoeken, even, want
’t lijkt zoo of een wonder komen kan
gewoon, als in een mijmering,
gewoon, als een oude loome man
met een lachend kind door de schemering.
Adriaan Roland-Holst

The feet of people walking home
The feet of people walking home
With gayer sandals go –
The crocus – till she rises –
The vassal of the snow –
The lips at Hallelujah
Long years of practise bore –
Till bye and bye, these Bargemen
Walked – singing – on the shore.
Pearls are the Diver’s farthings
Extorted form the sea –
Pinions – the Seraph’s wagon –
Pedestrian once – as we –
Night is the morning’s canvas
Larceny – legacy –
Death – but our rapt attention
To immortality.
My figures fail to tell me
How far the village lies –
Whose peasants are the angels –
Whose cantons dot the skies –
My Classics vail their faces –
My faith that Dark adores –
Which from it’s solemn abbeys
Such resurrection pours!
Emily Dickinson
De voeten van wie huiswaarts gaan
Stappen met vrolijkere sandalen –
De krokus – tot ze opkomt –
Is de vazal van de sneeuw –
De lippen voor het Halleluja
Verdroegen jarenlange oefening –
Tot uiteindelijk, deze Schippers
Zingend – aan wal – liepen.
Parels zijn kleingeld voor de Duiker,
Afgetroggeld van de zee –
Vleugels – het rijtuig van de Engel –
Ooit waren ze voetgangers – als wij –
De nacht is het doek voor de morgen
Roof – erfenis –
Dood – slechts onze fascinatie
Voor onsterfelijkheid.
Mijn cijfers vertellen me niet
Hoe ver het dorp ligt –
Waarvan de boeren engelen zijn –
Waarvan de velden de hemel bezaaien –
Mijn Klassieken verhullen hun gezichten –
Mijn geloof aanbidt dat Duister –
Dat uit zijn statige abdijen
Zo’n opstanding uitstort.
Emily Dickinson
De Stervende Geliefden
Laten wij dit zacht zeggen: dat wij allen
eens als een ritsling in den schemer worden;
zij, die zich nu de lendenen omgorden,
zullen eens deinzen, wankelen, en vallen.
En waar is troost, dan in vermoeid vergeten,
in zacht bedwelmen en de zoete logen
der glimlach en der halfgeloken oogen
van wie zich in elkanders armen weten?
En stiller wordt het om hen heen, en duister,
en dorre blaren ritslen om hun haren;
en als een ritseling van najaarsblaren
is tusschen hen een aarzelend gefluister
van woorden, die nog tusschen wake’ en droomen
als late vlokken sneeuw neerdwarlen bleven –
van woorden, die verdwaalden uit het leven
en alleen zachtheid hebben meegenomen.
En dan het zwijgen en het eindloos trage
dichtgaan der oogen, die elkander vulden;
alleen een glimlach blijft om onvervulde
daden en dagen, die zij nimmer zagen…
Wees stil, wees stil: dit zijn verbannen vorsten,
die hebben troon en ijdle pracht vergeten;
hoe zouden zulken nog ons leven weten
van machtelooze vreugde en daadloos dorsten?
Zij zijn hier veilig; hier kan niets hen vinden
dat van het leven is, want beiden deden
van vreugde’s wenkende onbereikbaarheden
afstand, en niets kan meer hun bond ontbinden.
Niets dan de dood, en zie, dit is hun sterven:
dit eindloos langzaam, in vermoeid beminnen
streelend bedwelmen van elkanders zinnen,
dit zacht weggaan van alles zonder derven.
Wees stil, en hoor: reeds roepen hen de bloemen
die wij elkaar een volgend voorjaar schenken;
en later, als wij niet meer aan hen denken,
zullen de beken nog hun namen noemen
murmelend langs ons waar wij zacht ons neder
vlijen in gras en bloemen aan den oever.
O, lief, mijn lief, is één ding vreemder, droever,
voor wie dit weten, dan zacht lenteweder?
Zullen wij dan gedenken, dat wij leven
van wat hun zachte dood hun heeft onthouden?
dat hoog in ’t licht de vooglen op de gouden
drang van hun nooitvervulde vreugden zweven?
dat kussen, die zij niet meer geven konden,
dan uit hun lippe’ als bloemen tot ons komen,
en hooge wolken zweven, wijl hun droomen
ook nimmer dan in tranen de aarde vonden?
dat uit de tegenspoeden, die hen deerden,
wij dan elkaar met milder weemoed vullen –
dat wij ons uiterst uur beleven zullen,
wellicht, wijl zij eenmaal vergeefs begeerden…
Zullen wij dit gedenken? Zie, zij sterven
sluimerend, en zij zullen niet meer weten,
en wij, verheerlijkt nog, gaan hen vergeten
waar wij naar licht van later dagen zwerven.
Zie, hoe zij vreemd en schoon zijn in het duister:
zij sluimren samen naar den dood, en zonder
rimpeling gaan zij in het groote wonder
over… zie, mijne liefde, mijn vuren luister,
de dorre blaren in hun haren… neem er
zacht een uit weg om aan uw hart te dragen,
en te gedenken in de lentedagen:
wij worden alle’ een ritsling in den schemer.
Adriaan Roland-Holst
Distrustful of the Gentian
Distrustful of the Gentian –
And just to turn away,
The fluttering of her fringes
Chid my perfidy –
Weary for my –––
I will singing go –
I shall not feel the sleet – then –
I shall not fear the snow.
Flees so the phantom meadow
Before the breathless Bee –
So bubble brooks in deserts
On ears that dying lie –
Burn so the evening spires
To eyes that Closing go –
Hangs so distant Heaven –
To a hand below.
Emily Dickinson
Wantrouwend jegens de Gentiaan –
En net toen ik me wilde omdraaien,
Verweet het fladderen van haar franjes
Mij mijn gebrek aan trouw –
Moe van mijn …..
Zal ik zingend gaan –
En de de ijzel niet voelen – dan –
Zal ik de sneeuw niet vrezen.
Zo vlucht de spookweide
Voor de naar adem snakkende Bij –
Zo kabbelen beekjes in de woestijn
Voor oren die op sterven liggen –
Zo branden de spitsen van de avond
Voor ogen die gaan sluiten –
Zo ver weg hangt de Hemel –
Voor een hand hier beneden.
Emily Dickinson
All these my banners be
All these my banners be.
I sow my – pageantry
In May –
It rises train by train –
Then sleeps in state again –
My chancel – all the plain
———Today.
Laat deze allemaal mijn vaandels zijn.
Ik zaai mijn – pracht
In Mei –
Het komt rij voor rij op –
Dan valt het weer keurig in slaap –
Mijn priesterkoor – de hele vlakte
———van Vandaag.
Emily Dickinson
All these my banners be.
I sow my – pageantry
In May –
It rises train by train –
Then sleeps in state again –
My chancel – all the plain
———Today.
To lose – if One can find again –
To miss – if One shall meet –
The Burglar cannot rob – then –
The Broker cannot cheat.
So build the hillocks gaily –
Thou little spade of mine
Leaving nooks for Daisy
And for Columbine –
You and I the secret
Of the Crocus know –
Let us chant it softly –
“There is no more snow!”
To him who keeps an Orchis’ heart –
The swamps are pink with June.
Emily Dickinson
Laat deze allemaal mijn vaandels zijn.
Ik zaai mijn – pracht
In Mei –
Het komt rij voor rij op –
Dan valt het weer keurig in slaap –
Mijn priesterkoor – de hele vlakte
van Vandaag.
Verliezen – als Je het weer kunt vinden –
Missen – als Je elkaar weer zult zien –
Dan – kan een Inbreker het niet stelen –
En een Makelaar je niet bedriegen.
Dus bouw de heuveltjes vrolijk op –
Jij, mijn kleine spade
Laat plekjes over voor Madeliefjes
En voor Akelei –
Jij en ik kennen
Het geheim van de Krokus –
Laten we het zachtjes zingen –
“Daar is geen sneeuw meer!”
Voor wie het hart van een Orchidee bezit –
Zijn moerassen roze in Juni
Emily Dickinson

Minne en Dood
Er is in alle minne groot
het donker zingen van den dood
en elk die voor een mensch of voor
een droom zijn lichter lust verloor,
omdat hij maar één ding belijdt,
weet dat dit waar is ten allen tijd.
Want die de minne krijgt, hij vindt
zijn dak op aard, maar voor wie mint
werd niet gebouwd, en zoo hij al
met vreugd een woon betrekken zal
en zingen in de deur, en rozen
strooien rondom, en roode rozen
doen om zijn hoofd, of – zoo hij is
van stiller hart en ongewis
in vreugd en peinzend van nature –
de wijn zal drinken van zijn uren
aandachtig, en de rozen nemen
in strakker handen, omdat hij
achter hun vuren geur en gloed
de sombre treurnis al vermoedt
van zware, bronzen chrusanthemen…
’t is al gelijk en eenderlei –
eens heeft dit uit en wordt het tij
duister en koud, en om zijn oord
komen de dooden, en hij hoort
den wind achter het vuur, en ziet
buiten zijn raam dat oud verdriet
van regen door de schemering –
en allen die het zoo verging
in moede donkere eeuwigheid
worden zijn broeders, en de tijd
valt weg en om zijn muren komen
zij, en zij zingen duistre droomen
over zijn bloed, allen tezaam
zingen zij uit zijn hart een naam
teloor, en een gelooven gaat
ten onder, en de hoop verlaat
zijn hart, en hij wordt een van dezen,
een schim, een windverloren wezen
tusschen twee werelden, vergaan
voorbij de woningen, vandaan
van wegen, wijkende verdwenen
in ledige eeuwen, een meeuw, alleene
teloor, verstervende kreet van wee
vanuit den regen, van boven de zee…
O, dat dit zoo moet zijn, en toch
overal weer dat zoet bedrog
van licht en bloemen, en bijwijlen
het komen en verheugend verwijlen
bij een, die zingend werkt en lacht
of hij in licht vertrouwen wacht
de wereld van het open leven:
zijn raam staat wijd naar buiten, even
legt hij zijn arbeid neer en kijkt
uit in het koele licht: het lijkt
of in den stillen uchtenddag
ergens gezongen wordt; een lach
komt in zijn oogen en die schijn
of hier het rijk zou kunnen zijn
voorbij den tijd en zonder duur
of doel en tusschen droom en vuur
een lichte waak en een ijl spel
van liefde bij de schemerwel
der wijsheid, en een varen later
jubelend tusschen maan en water
voorbij de kusten van den tijd
in doellooze blij moedigheid
onder de zeilen – o, het leven
waarin de wezens overzweven
naar aanverwanten in een huiver-
zalige duizeling en zuiver
als melodiën elk in de ander,
en waarin ziel en bloed elkander
vinden als wind en zee in hooge
geboorten en de schoon bewogen
golven, en geen kan overleven
de schoonheid, en het aangeheven
lied is het zegevierend teeken
van de vervulling, en het breken
der vreugde, die zichzelf niet wist
te vieren, in een sneeuwen mist
van schuim dat in het licht vergaat,
een laatste fonkelende daad
van wateren, een overgeven
grootelijk- o, te kunnen leven
als golven- o, te kunnen sterven
als golven-
maar hier is het sterven
traag èn verlaat, en schuw met schaamte,
sluipt hier de ziel uit het geraamte
van deze woning, waar haar staat
onthemeld werd en met de smaad
en listen van het bloed besmet,
en onderworpen aan de wet
der schuwe lusten, want hier is
tweespalt en het alom gemis
der vrije schoonheid, en hier wordt
de droom verraden en gestort
in kuilen, en de liefde zwijgt;
hier is de twijfel en hier dreigt
tegen het argeloos gezicht
der ziel alom in wind en licht
een ijl gevaar, een vreemd verraad,
dat met de vreugde binnengaat
in lachende oogen en de mond
die zingt, en waar zij eenmaal stond,
de blanke, de droomende, de beminde,
onder de bloesemende linde
blij en verbeidend, daar is nu
alles voorbij, en stil en schuw
vallen de blaren, en er is
een ritselende treurenis
onder het lage doodendak
der lucht en op een naakten tak
zit oud en zwart een raaf, en krast
spottend de vraag der minne en krast
het antwoord spottend: nimmer, nergens –
Dan is het stil, alleen is ergens
een klacht die ritselt: wee, wie mint
binnen de blaren, binnen den wind –
hij zal vergaan als een blad op den wind,
kleumende, zwervende, onbemind…
Te loor, voorbij…
Wat is die stem, dat duister tij,
dat hem die mint drijft en doet gaan
voorbij de wegen en vandaan
van de verblijven waar de beminden
bloeien en welken, en de winden
tegen der eenzaamheid – wat is
de donkere geheimenis
die de aarde dwingt tot achterlaten
der bloemen en der hooge staten
van wouden en den avondgloed
van stille meren, en haar doet
zwichten in leege eentonigheden
van heuvelen naar onbetreden
kusten en stranden en een mist
van schuim en regen – o, wat is ‘t
dat uit den jubelenden toover,
den zomerdroom van licht en loover
ruischende woningen en de vele
levende bloeiende prieelen
der vogelen, er een doet zwerven
voorbij het zingen en het sterven
voorbij der bloemen, een meeuw, een alleene,
een witte vogel, een ziel, verdwenen
over de heuvelen, verloren
en zonder lied, en alleen te hooren
voorbij het einde uit mist en kilte
een kreet…
O, branding, waar de stilte
tegen de kusten van dit rijk
in breekt – o, ondoorgrondelijk
gezang van wateren, waarmee
’t geheim, dat allen hier omsluit,
wordt ingeluid –
Het is de groote dood, de zee, de zee…
Adriaan Roland-Holst
To lose – if One can find again
To lose – if One can find again –
To miss – if One shall meet –
The Burglar cannot rob – then –
The Broker cannot cheat.
So build the hillocks gaily –
Thou little spade of mine
Leaving nooks for Daisy
And for Columbine –
You and I the secret
Of the Crocus know –
Let us chant it softly –
“There is no more snow!”
Emily Dickinson
Verliezen – als Je het weer kunt vinden –
Missen – als Je elkaar weer zult zien –
Dan – kan een Inbreker het niet stelen –
En een Makelaar je niet bedriegen.
Dus bouw de heuveltjes vrolijk op –
Jij, mijn kleine spade
Laat plekjes over voor Madeliefjes
En voor Akelei –
Jij en ik kennen
Het geheim van de Krokus –
Laten we het zachtjes zingen –
“Daar is geen sneeuw meer!”
Emily Dickinson
Mânya, hoe was dien avond alles koel –
wij zagen ’t licht in laatste lange lijnen
ten bergenvrije lijn van ’t meer verdwijnen
als heden in verleden; maar gevoel
van droefheid was niet meer, en ’t doovend schijnen
gaf ons zwijgende rust na daggewoel.
Wij werden toen gelukkig – o, ik voel
uw hand als donze sneeuw nog in de mijne.
En nu verleden’s koele mond mij kust,
zal ’t zwaarder worden heden’s uur te dragen?
Neen, want zooals de aarde zichzelf bewust
wordt als het maanlicht vloeit door wolkenjagen,
zoo vloeit weer door de werveling der dagen
lavend het tijdenvrije koel dier rust.
Adriaan Roland-Holst
I counted till they danced so
Snowflakes.
I counted till they danced so
Their slippers leaped the town –
And then I took a pencil
To note the rebels down –
And then they grew so jolly
I did resign the prig –
And ten of my once stately toes
Are marshalled for a jig!
Emily Dickinson
Sneeuwvlokken.
Ik kon ze tellen tot ze zo dansten
Dat hun muiltjes door de stad huppelden –
En toen pakte ik een potlood
Om de rebellen op te schrijven –
En toen werden ze wel zo jolig
Dat Ik mijn bekrompenheid liet varen –
En tien van mijn eens zo statige tenen
Staan opgesteld voor een dansje!
Emily Dickinson
Before the ice is in the pools
Before the ice is in the pools –
Before the skaters go,
Or any cheek at nightfall
Is tarnished by the snow –
Before the fields have finished –
Before the Christmas tree,
Wonder upon wonder
Will arrive to me!
What we touch the hems of
On a summer’s day –
What is only walking
Just a bridge away –
That which sings so – speaks so –
When there’s no one here –
Will the frock I wept in
Answer me to wear?
Emily Dickinson
Vóór er ijs op de plassen ligt –
Vóór de schaatsers gaan,
Of een wang als de avond valt
Getekend is door sneeuw –
Vóór de velden kaal zijn –
Vóór de Kerstboom,
Wonder boven wonder
Bij mij gaat binnenkomen!
Waar we de zomen van aanraken
Op een zomerdag –
Wat gewoon maar aan de wandel is
Amper een brug verderop –
Wat zo zingt – zo spreekt –
Als er niemand hier is –
Zal de jurk waarin ik huilde
Antwoorden: draag me maar?
Emily Dickinson
Delayed till she had ceased to know
Delayed till she had ceased to know –
Delayed till in it’s vest of snow
Her loving bosom lay –
An hour behind the fleeting breath –
Later by just an hour than Death –
Oh lagging Yesterday!
Could she have guessed that it w’d be –
Could but a crier of the joy
Have climbed the distant hill –
Had not the bliss so slow a pace
Who knows but this surrendered face
Were undefeated still?
Oh if there may departing be
Any forgot by Victory
In her imperial round –
Show them this meek appareled thing
That could not stop to be a king –
Doubtful if it be crowned!
Emily Dickinson
Vertraagd, ze was al niet meer bij kennis –
Vertraagd, in haar hemd van sneeuw –
Lag haar liefdevolle boezem al –
Een uur na de vluchtige ademhaling –
Slechts een uur later dan de Dood –
Och, het getreuzel van Gisteren!
Had ze kunnen raden dat het ging gebeuren –
Had maar een vreugdebode –
De verre heuvel beklommen –
Had de zaligheid niet zo’n traag tempo
Wie weet of dit gezicht dat zich overgaf
Dan niet zo verslagen zou zijn?
Och, als er een stervende is
Die zich vergeten weet door de Victorie
Op haar vorstelijke reis –
Laat ze dit bescheiden geklede wezen zien
Dat niet ophield koninklijk te zijn –
Vol twijfels of het gekroond zou worden!
Emily Dickinson
De geheime zee
De storm verging, en liet mij achter
een doodvermoeide, een hurkend wachter,
die in de zwarte stilte belijdt
eigen uitgeworpenheid.
De storm dier eeuwen was vergaan:
de zee zong eenzaam; een dag brak aan
stil, dood. Gelijk een oude wrok,
die op vergelding zon, voltrok
de vloek zich van het koude licht.
Van aangezicht tot aangezicht
stond ik toen met mijzelf; de tijd
was ledig, en verlatenheid
alom en een onnoembaar wee.
Ik zag mijzelf aan, en ik zweeg – de zee
zong eenzaam en noodlottig tegen
de rotsen, en de rotsen zwegen.
Dit is het uiterst land; dit is
de grens van droom en duisternis;
kust, die dit leven overliet
aan ouder machten; norsch gebied
der zee in komst en keer van tij
en onbevochten heerschappij:
Dit is de drempel van den dood
der werelden; hier vangt met groot
breken van wateren en luid
gezang, dat luidt de wereld uit,
het duister zwijgen aan dier zee,
dier nooitbevaarne, de geheime zee,
de duistre zee, die is de ziel…
dit zijn de kusten van de ziel…
Geen, die een eigen droom bemint
boven den droom, die geen ooit vindt,
zal hier verblijvend zijn: de stem
der zee zal groot zijn tusschen hem
en het beminde en hij zal staan
wankelend en ten onder gaan
een zeer uiteengeslagen ding –
in de ouden droom waarin zijn droom verging.
Neen, neen, geen zal hier zijn, en geen
zal hierheen komen, dan alleen
die van dat hij geboren werd
een golf der zee had in zijn hart;
die als het water en de wind
verloren is, en maar bemint
in het voorbijgaan, want altijd
zingt het door zijn verlatenheid,
zingt het van achter wind en licht
door den leegen tijd om zijn gezicht
in duizele vlagen, en over hem
en over zijn hart, en het zingt zijn stem
omhoog uit zijn bloed, als de wind uit de zee
het vliegende schuim, en het zingt hem mee
met open lippen en oogen wijd
zingende door den leegen tijd,
en zeer verloorne, een vluchtig mensch,
die alles losliet en geen wensch
behield, en niet meer wonen kan –
een droomenovervleugeld man
in de oude schemering te loor
tusschen de werelden, en door
sombre verrukkingen ontzind –
een ritselend blad op den duistren wind
der eeuwen, een sneeuwvlaag door den nacht
vreemd en voorbij – de schuwe tocht
over donkere dalen en heuvelrug
van een meeuw naar de roepende zee terug.
Dit is mijn uiterst lied, dit is
mijn eenige belijdenis.
Ik zing alleen omdat ik hoor
de stem dier zee, en mij verloor
daarin, daarin…
het is mijn einde en mijn begin –
Hoe ook mijn lust mijn hart beklemm’
die stem zal altijd weer mijn stem
uit kuilen van den dood verhoogen –
Mijn ooren gonzen, en mijn oogen
zijn starend, en mijn handen zijn
leeg in den wind, en lust en pijn
zijn op den ouden tijd verstreken.
De zeeën der geheimen breken
duister en dreunende beneê –
o, zee – o, vreemde zee…
Adriaan Roland-Holst

Sexton! My Master’s sleeping here
Sexton! My Master’s sleeping here.
Pray lead me to his bed!
I came to build the Bird’s nest,
And sow the Early seed –
That when the snow creeps slowly
From off his chamber door –
Daisies point the way there –
And the Troubadour.
Emily Dickinson
Koster! Mijn Meester slaapt hier.
Breng mij alstublieft naar zijn bed!
Ik kwam het Vogelnest bouwen,
En om het zaad Bijtijds te zaaien –
Zodat als de sneeuw traag wegkruipt
Van zijn kamerdeur –
Madeliefjes de weg daarheen wijzen –
En de Troubadour.
Emily Dickinson
Van een Lied
Glanzende weemoed daalde
waar droomende scheemring vervliet,
en door de stilte dwaalde
de schaduw van een lied.
Het lied waarvoor uiterst verlangen
voorbij uiterste scheemringen waart,
en voorbij de schaduwgangen
van de verste wolk over de aard –
voorbij het schrijnende derven
blindelings, ongeschrijnd;
voorbij het gelaten sterven
van de zon in der wateren eind –
voorbij de donkere vluchten
van de snelle pijlen van wee,
en het bleekschuimend geruchten
tusschen de nacht en de zee –
voorbij de geheven handen
van de meest eenzame lust;
voorbij der droomenlanden
vervagende kust,
waar een eeuwige branding slaat,
en slaande weent en lacht;
waar al menschenverlangen vergaat
als een sneeuwvlok vergaat in de nacht,
tot het valt aan de laaiende wand,
brekend de wieken van tijd
aan de stralende steile brand
der plotselinge eeuwigheid.
En het hoort nog, stervende in kilte
van een laatste vreemde pijn,
iets van dat lied – en de stilte
is het ontzettend refrein.
Iets van ’t eentonige lied
dat om ons leven trekt,
en het hart uit een mijmrend verdriet
tot een wilde ontzetting wekt –
dat komt tot hen die zich neigen
over hun vrede, en haar schrik
breekt met een snik hun zwijgen,
en haar stilte breekt hun snik –
en zij staren, en weten geen reden,
met een blik door wanhoop ontzind
of er iemand is ingetreden?
er is niets – alleen buiten de wind,
de wind die klaagt aan de ruiten
om de rust die hij nimmer vindt,
en door de nacht daarbuiten
de wildere klacht van de wind.
En zij worden bang voor zichzelven,
en de kamer achter hun rug
wordt een gruw’lijk en hol overwelven
en hun angst kan niet meer terug,
en zij zien van het lied slechts even
een bleeke hand die nog wonk –
ontzetting hijgt door hun leven
om wat in de stilte verdronk.
Glanzende weemoed verdwijnt
waar de droomende scheemring vervliet,
en in mijn stilte verschijnt
de schaduw van dat lied,
en in mijn leven treedt
verstarde verbijstering –
o, Aarde, warm en breed!
geef mij úw pijn, úw leed,
en uw verteédering –
Adriaan Roland-Holst
New feet within my garden go
New feet within my garden go –
New fingers stir the sod –
A Troubadour upon the Elm
Betrays the solitude.
New Children play upon the green –
New Weary sleep below –
And still the pensive Spring returns –
And still the punctual snow!
Emily Dickinson
Nieuwe voeten gaan door mijn tuin –
Nieuwe vingers woelen in de grond –
Een Troubadour op de Iep
Verraadt de eenzaamheid.
Nieuwe Kinderen spelen op het groen –
Nieuwe Doden slapen hieronder –
En altijd komt de dromerige Lente terug –
En altijd is de sneeuw stipt!
Emily Dickinson
Water, is taught by thirst
Water, is taught by thirst.
Land – by the oceans passed.
Transport – by throe –
Peace – by it’s battles told –
Love, by memorial mold –
Birds, by the snow.
Water, begrijpen we van dorst.
Land – van de overgestoken oceanen.
Vreugde – van intense pijn –
Vrede – van verhalen over haar veldslagen –
Liefde, uit een herdenkingsportret –
Vogels, van de sneeuw.
Emily Dickinson
De Hooge Dag
Vandaag stond voor het eerst de sterke Lente
recht van de kust tot in het hooge licht
lachend. – Zij had het land, de zee, gezien
overal onder haar begeerlijk lijf
begeerend, en haar lieflijke overmacht
voelde zijn tintlen door haar snelle bloed
lachend – o, goddelijke zekerheid
dier lach, oovral rondom mijn duizlende oogen
neerjubelend als bloesemen van licht
over de ontstelde zaligheid der aarde.
Zoo zagen en zoo hoorden het mijn oogen
drinkend het licht vanaf die stille top
boven het onafzienbaar samenkomen
van aarde’s steilten en de blauwe zee.
Zoo bleef het, tot vanuit het ijle wonder
van licht en zee en hemel in de verten
zichtbaar de nadering begon van hem,
wiens sterke dwang uit de aarde en uit de waatren
stem heft en zangen, naar het eigen leven
juicht, of versomberd is, ’t licht mint, of wolken
doet voor de wanhoop van zijn aangezicht.
Maar nu kwam hij verheugd, de snelle Wind –
verheugd, als had hij nooit de nacht gekend,
van over zee, en toen hij grooter werd,
naadrend, zag ik het stralende gelaat
en lange wuivingen van armen boven
zwevende dans, en meeuwen om zijn lijf
zwierend, en schuim als waaiend sneeuw, dat snel
schoot uit zijn voeten als blinkende wiekslag.
En een ontstelde vlucht van brijzlend licht
woei voor zijn dans uit, en mijn duizlende oogen
binnen, en riep zijn naadring in mijn ziel –
en met mijn ziel zag ik zijn lijf, doorzichtig,
ijl, en als waaiend water, elke lijn,
siddring van licht, en elke tred der dans
een bekkenslag van zilvren klank, geslagen
hoog uit goud licht neer op de blauwe zee.
Maar Lente en hij, elk nog in eigen vreugd
blind, en vervuld van eigen overmacht,
zagen elkaar niet, tot een losse wolk,
zijn dans vooruitgewaaid, tegen haar borst
woei, en in ijle sprenkeling van regen
brak, en zij schrok, en lieflijk neeg zij ’t hoofd
en zag haar blozend lichaam overfonkeld
van droppelende koelten… en toen zag zij
de Wind, wetend van niets, en naderdansend…
En met één roep werd haar verbaasde vreugd
roerloos, en van den grond tot in het licht
stil. Boven aarde en zee hing toen de stilte
als ’t lang zwaard van een groot geluid, geheven
ter neerslag. En de wind hoorde de stilte
plotsling, en op het midden van de waatren
stond hij pal, hief het hoofd, zag haar, en riep:
‘Lente!’ – Niets zag hij meer dan haar, hij voelde
lust en de toomelooze dwang van lust
opslaan van hem naar haar, en wierp zijn hoofd
terug tot in den nek, en wierp zijn armen
op, en hij trok haar oogen naar zijn oogen
neer, en haar roode mond neer op zijn mond.
En zoo, totdat geluk mijn lijf neerlegde
zacht op die stille top boven de zee,
heb ik hen daar zien staan, hoog, lijf aan lijf,
roerloos, en mond op mond, hun sterke lust
vergaan in machtelooze teederheid.
En midden door de gouden stilte stonden
zij tusschen de open wereld en de zon
als de aanhef van het langverlangde lied,
door te volkomen zaligheid bedwelmd
op openende lippen…
Adriaan Roland-Holst
II
Van welke brand doorrakelt
peinzen de sintels? Hol
en in wartaal orakelt
ergens in de schoorsteen
een heks, een tooverkol,
van Troje, en wraak, en veete –
De wind en ik alleen
weten nog hoe zij heette.
Haat maakt haar dor, afschuw
eenzaam, en wat dan haten
rest in die stad van nu
een, door wier lach en louter
aanschrijden eens de maten
overliepen en brand
uitsloeg? De wereld, ouder
wordend, drong haar aan kant.
Doorheen oude sneeuwbui
van slaap, in ommezien van
eeuwen, was ik weer bij
die eerste dreven: knapen
speelden er blij begin van
strijd om een kind. Weldra
juichten ze elkaar te wapen:
Helena… Helena…
Dof werd het vleesch, het goud
telbaar, lust veil. Wat kwam er
over het bloed, en houdt
de ziel weg, en verbittert
het woord? Der steden jammer
mergelt het land uit, en
leeg winterlicht doorschittert
de blik der eenzamen.
Eens zag schoonheid haar kans
schoon: jubel en verschrikking
ontvlamden trans na trans
der stad. – Dood niet, doch leven
doofde ‘t, behoedzaam schikking
treffend met heil. – Met haar
voortaan zich af te geven
beteekent doodsgevaar.
Mij – nu het steil ijsrijk,
door bui op bui ontdooid, is
gesloopt, en, horden gelijk,
de Noordzee de Hondsbossche
weer aandurft – heugt, na Troje’s
baaierd, zwart puin, en ik
hervind, in mij, haar rosse
haarwrong en duistre blik.
Wie zal den zin doorgronden
van leegte en eeuwen? Waar
torens omoorloogd stonden
te branden, werd ook zij
een volte slechts gewaar
der tijden. Doodsche beemden –
meer bleef niet – maar die mij
van tijd en al vervreemden.
Wat riep uit welke gouden
kelen weleer? Welk heil
daagde, maar bleef onthouden
- door welke schuld? – aan ’t eerst
plan der planeet? Somwijl
gaan, maar uit stiller kelen,
wind en licht om het zeerst
er tergend op zinspelen.
In der ramen schijnopen
hinderlaag ligt het koud
kristal het trotsch wanhopen
van de avondbaaierd tot
peillooze kern van oud
en leeg licht te herleiden,
gelijk geheim noodlot
werelden tot voortijden.
Adriaan Roland-Holst

Have you got a Brook in your little heart
Have you got a Brook in your little heart,
Where bashful flowers blow,
And blushing birds go down to drink,
And shadows tremble so –
And nobody knows, so still it flows,
That any brook is there,
And yet your little draught of life
Is daily drunken there –
Why – look out for the little brook in March,
When the rivers overflow,
And the snows come hurrying from the hills,
And the bridges often go –
And later, in August it may be –
When the meadows parching lie,
Beware, lest this little brook of life,
Some burning noon go dry!
Emily Dickinson
Heb je een Beekje in je kleine hart,
Waar verlegen bloemen bloeien,
Blozende vogels omlaag komen drinken,
En schaduwen zo trillen –
En niemand weet, zo stilletjes stroomt het,
Dat daar een beekje ligt,
Toch wordt jouw slokje leven
Daar dagelijks uit gedronken –
Wel – kijk uit voor het beekje in Maart,
Wanneer de rivieren overstromen,
De sneeuw de heuvels af raast,
En vaak de bruggen bezwijken –
En later, het kan in Augustus zijn –
Wanneer de weiden verschroeien,
Pas dan op, dat dit beekje des levens,
Op ‘n brandende middag droogvalt!
Emily Dickinson
Besides the Autumn poets sing
Besides the Autumn poets sing
A few prosaic days
A little this side of the snow
And that side of the Haze –
A few incisive Mornings –
A few Ascetic Eves –
Gone – Mr. Bryant’s “Golden Rod” –
And Mr. Thomson’s “sheaves.”
Still, is the bustle in the Brook –
Sealed are the spicy valves –
Mesmeric fingers softly touch
The Eyes of many Elves –
Perhaps a squirrel may remain –
My sentiments to share –
Grant me, Oh Lord, a sunny mind –
Thy windy will to bear!
Emily Dickinson
De Herfst voorbij bezingen dichters
Prozaïsch enige dagen
Een paar nog voor de sneeuw komt
En vlak na de Nevelmaand –
Een paar bijtende Ochtenden –
Een paar rigide Avonden –
Weg is – hr. Bryant’s “Gulden Roede” –
En hr. Thomson’s “schoven.”
Verstild, de drukte in de Beek – Verzegeld zijn de geurige kelken – Hypnotiserende vingers raken zacht De Ogen van veel Elfen –
Misschien blijft er een eekhoorn achter –
Waarmee ik mijn gevoelens kan delen –
Schenk mij, O Heer, een zonnige geest –
Om uw winderige wil te dragen!
Emily Dickinson
Safe in their Alabaster Chambers
Safe in their Alabaster Chambers –
Untouched by Morning
And untouched by Noon –
Sleep the meek members
———of the Resurrection –
Rafter of satin,
And Roof of stone.
Light laughs the breeze
In her Castle above them –
Babbles the Bee in a stolid Ear,
Pipe the Sweet Birds
———in ignorant cadence –
Ah, what sagacity perished here!
Emily Dickinson
Veilig in hun Albasten Kamers –
Niet meer aangeraakt door de Ochtend
Niet meer aangeraakt door de Middag –
Slapen de leden van de Verrijzenis
———gedwee –
Onder een kleed van satijn,
En Dak van steen.
Licht lacht de bries
In haar Kasteel boven hen –
Brabbelt de Bij aan dovemans Oor,
Fluiten de Lieflijke Vogels onwetend
———in cadans –
Ach, wat een wijsheid ging hier teloor!
Emily Dickinson
V
Droomt zij van mij? Welhaast
niet meer onzichtbaar beven
haar mond en oogen naast
dat hoofd, dat mij vanuit de
spiegel aanziet. Verbleven
wij daar nog samen? Zacht
waait er nog aan die ruiten
langgeleden sneeuwjacht.
Ontvreemdde aan oude tijden
sneeuw dit leeg uur? Hiernaast,
door de spiegel gescheiden,
is nog die kamer, waar
zij leefde en nu al haast
weer wordt verwacht. De eenzame
werd ik zijn leeg beeld maar? –
staat er weer bij de ramen.
Waar bleef de tijd? hoe lang al
sneeuwt het? De stilte van
een spiegelbeeld bevangt al
deze kamer, en geen
teeken van leven kan
meer door. Maar als zij ergens
alleen – even alleen
als ik – nu lag te sterven?
Vroeg zondert sterven, binnen
vervreemdend sneeuwen, vaak
de ingekeerden der minne
thans af. Sinds Troje’s pleit
wordt er een doodscher wraak
op de wereld genomen:
zwart in den kouden tijd
staan de torens der droomen.
Toen, na het sneeuwen, ergens
ook aan haar wand van ver
die zon doorkwam, die nergens
de wereld meer bescheen,
kon zij – als lag zij er
met haar gouden ellende
in een toren alleen –
haar blik niet meer afwenden.
Waar boven witte omstreken
hartstocht het eindelijk
blind heimwee maar gebleken –
opgeeft, laat een klein raam
zon door uit oud geluk;
geheimzinnig vernielen
de stralen een lichaam
dat zij weleer bezielden.
Waar al wel halverwege
den dood er nog in zee
een eiland is gelegen,
tuurden naar deze kant
daareven nog de twee
zaligen die wij waren.
De zon neemt aan haar wand
af, nu zij weer wegstaren.
Adriaan Roland-Holst
Een pelgrim
Vergeelde plooien in den looden dooi der wolken,
en overal een doodstil voorgevoel van sneeuwen:
late genade dalende uit doorleden eeuwen
over dit zeegehucht,
waar van voormalige nederlagen en ontvolken
een ingeslapen nageslacht nog bleef en huist –
in de’ ouden avondval nergens meer een gerucht,
slechts als de zee een wijle druischt
of uit het duin een kreet roept van verdoolde meeuwen.
Vergeefsch nadruischen en naroep vergeefs verklonken
voor wie in moede droomlooze armoe zijn gedoken;
het zwijgend oordeel werd te lang al her voltrokken
over hun ondergang,
en dezen weten het niet meer. Voor ’t winterdonker
valt met gedempten slag een laatste deur in ’t slot;
en door de lucht onder den dooven wolkenhang
zweeft over hun voleindigd lot
het goede sterven neder nu in dichte vlokken.
*
Na uren sneeuw lag over dorp en ommestreken
van een verloren en vergeten rijk de wade.
Toen, wijl er sterren kwamen boven de genade
van de brekende lucht,
kwam van dat deel van ’t voorgeslacht, dat, uitgeweken,
aan het voormalige en zijn doem ontkomen was,
een late nazaat naar dat ingesneeuwd gehucht
(waarvan hij in den vreemde las)
moe en verwonderd door den diepen sneeuwval waden.
Macht, bij een nieuw en luid volk overzee verkregen,
noch lusten konden ooit dien diepen droom bedwelmen
van zijn dood volk, en eindlijk nam een overwelmend
oud heimwee overhand,
koos zee met hem, en landde, en trok hem de heirwegen
terug naar deze paden, tot op dit laat uur
hij in die herberg kwam, en zat aan den haardkant,
en zag, dommelend bij doovend vuur,
gelaten, eens gevat in het klaar staal van helmen.
En handen, eens voor zwaarden, doch leeg nu neerhangend
tusschen de knieën; het was stil, alleen meermalen
was er een moe verroeren, een zwaar ademhalen
van een gedokene –
Zwaar werd hij zelve van oververmoeid verlangen;
waarnaar? waartoe nog? wat had hem naar hier gebracht?
droom, ongedroomd hier, dan door hem, verstokene
van hun verdooving, in de nacht
kleumend bij ’t uitgaand vuur en de assche der verhalen.
‘Waar trotsche macht stortte in ’t stug puin van hunlichamen,
vlood het voortvluchtig wezen om arm onderkomen
naar zulke als ik voor het zieltogen van zijn droomen,’
zoo dacht hij, en stond op,
en zei goenacht, en hoorde nauwlijks dof gestamel,
en stak het kort stuk kaars aan in de kandelaar
die voor hem klaar stond, en beklom de krakende trap,
en liep een gang ten einde, naar
de kamer, die hij voor den nacht daar had genomen.
Maart, 1930.
Adriaan Roland-Holst
Het gestorven kind
De moeder zingt:
Ik sliep vannacht mijzelve vrij
uit wolk van dit verdriet –
tot ik, voorbij den tijd ontwaakt,
keek in een leeg gebied,
en hoorde tusschen maan en sneeuw
zijn stem, maar zag hem niet.
Hij zong; ik voelde dat hij stond
voor mij, en zag mij aan –
het werd mij daar zoo licht, ik kon
zijn zingen niet verstaan;
ik wist alleen nog dat mijn kind
zong tusschen sneeuw en maan.
Hij zong zoo ijl, hij zong zoo blij,
dat ik niet treuren mag
om hem, die zingen kan en nooit
de donkre dagen zag –
O, als wat ik hem gaf maar niet
versmaad begraven lag…
Wat ik hem gaf… neen, neen, wat hij
mij zond – o wonderlijk –
een licht blad van een roos, die bloeit
nog buiten mijn bereik:
een teeken van zijn liefde, die
mij wacht in een ver rijk.
Adriaan Roland-Holst
Grand go the Years –
———in the Crescent – above them–
Worlds scoop their Arcs –
And firmaments – row –
Diadems – drop – and – Doges – surrender –
Soundless as dots –
———on a Disc of Snow –
Groots gaan de Jaren voorbij –
———in de Wassende Maan – boven hen –
Werelden vormen hun Banen –
Firmamenten – stuwen voort –
Kronen – vallen – en – Vorsten – doen afstand –
Geluidloos als stippen –
———op een Veld van Sneeuw –
Springs – shake the sills –
But – the Echoes – stiffen –
Hoar – is the window –
And – numb – the door –
Tribes – of Eclipse – in Tents – of Marble –
Staples – of Ages –
———have buckled – there –
Lentes – schudden de grafdorpels op –
Maar – de Echo’s – verstijven –
Van ijzel – is het venster –
En – gevoelloos – de deur –
Stammen in Duister – in Tenten van Marmer –
Krammen – van Eeuwen –
———zijn daar – vastgeslagen –
Springs – shake the seals –
But the silence – stiffens
Frosts unhook – in the Northern Zones –
Icicles – crawl from polar Caverns –
Midnight in Marble –
Refutes – the Suns –
Lentes – schudden de verzegelingen op –
Maar stilte – verstijft –
Vrieskou haakt los – in het Noorden –
Ijspegels – kruipen uit poolse Spelonken –
De Marmeren Middernacht –
Ontkracht – de Zonnen –
Emily Dickinson

To fight aloud is very brave
To fight aloud is very brave –
But gallanter, I know
Who charge within the bosom
The Cavalry of Woe –
Who win, and nations do not see –
Who fall – and none observe –
Whose dying eyes, no Country
Regards with patriot love –
We trust, in plumed procession
For such the Angels go –
Rank after Rank, with even feet –
And Uniforms of Snow.
Emily Dickinson
Openlijk vechten is erg dapper –
Maar ik vind het, moediger,
Wie in eigen Boezem de strijd aangaan
Met de Cavalerie van de Pijn –
Die overwinnen, zonder publiek –
Die instorten – en niemand merkt het –
Geen land dat aan hun stervende ogen,
Vaderlandsliefde betoont –
We vertrouwen erop, dat in gevederde stoet
Voor hen de Engelen gaan –
Rang na rang, met gelijke tred –
In Uniformen van Sneeuw.
Emily Dickinson
De eenhoorn
De mensch ging werken zonder zingen –
geen weet waarom, geen weet voor wien.
Onschuld en schoonheid, eerstelingen,
zijn wereld’s vijanden sindsdien.
Hebt gij, verrukt in huiveringen,
vannacht hun eersteling gezien?
Hij sprong te voorschijn, stond, en rilde
van drift en heldere onschuld, waar
een ronde maan de sneeuw der stilte
bescheen, en plots werd ik gewaar
de rechte lange hoorn, die trilde
van schoonheid en van doodsgevaar.
Laat zoo ’t gedicht geboren wezen
in een besprongen nu-en-hier,
wanneer – een volle droom, gerezen
boven de sneeuw van het papier –
de schrijfstift trilt van lust en vreezen,
hoorn van dat wild, onschuldig dier.
1944
Adriaan Roland-Holst
Het verdwenen graf
Van lang al voor zij zich zijn broeder had gegeven
(de ontstuimige, die verduisterd vele paden trad,
en haar nauw meer gaf dan de moeheid van zijn leven)
had hij haar altijd en verzwegen liefgehad
en was nooit ver van haar bedreigde hart gaan wonen:
heimlijk bewaker van dat liefste heiligdom,
maar die geen toegang had en zich ’t geringst beloonen
ontzegd hield om der wille van haar schoonen droom –
want kon niet enkel door een jammerend ontwaken
en na een hulp, die dan vergeefsch zou zijn geweest,
hij tot den dank van een gebróken hart genaken?
Toen sloeg de dood dien ander: kreunend en bevreesd
zocht hij onvindbaarheid in haar meewarige armen
en schuil ook voor de stem, die uit zijn leven riep,
onder de schaduw van haar fluisterend erbarmen.
En zocht hij ooit vergeefs bij haar? Alsof hij sliep,
zoo lag hij daar toen zij, nu zij hem los kon laten,
opstond.
En wat van hem, die, kommerend om haar hart,
te stil geleefd had om dien ander ooit te haten?
Wat, dan dat hij haar bleef omgeven, die – verward
tusschen haar droom en dat verbloemde graf dien zomer –
de kuil, die in haar waan nog zwart en open stond,
niet weten mocht. Zoo bleef hij de verlaten droomer,
die toezag hoe zij haar vervulden droom hervond
in zulk vermeend tesamenleven met dien ander
alsof de dood tot meer dan leven haren waan
genas.
Hem liet zijn zoo gebléven tegenstander
de rauwe navloek van een onbeheerscht bestaan
bezweren: want weldra als uit verborgen gangen
kroop een belust gespuis, toonend zijn recht op puin
en plunder, en hij moest hun aandrang ondervangen
voor zij in haar beschenen en beschutten tuin
zich konden binnendringen. Wat haar werd ontstolen
wierp hij hun toe, hun lage roofrecht. Een voor een
bukten zij, telden na, en keerden naar hun holen.
Zoo ging voor hem en haar die sombre zomer heen.
En eindelijk, toen het October was geworden,
en goud en open, kwam – en als vanzelf – de dag
dat zijn verzwegen liefde, en in maar enkle woorden,
ook als vanzelve – het volkomen offer bracht,
en tot zich inkeerde, voor goed: zij waren samen
gaan wandelen over de duinen naar de zee
in helder zwijgen; maar op hun terugweg kwamen
ze in zicht weer van het laagland en den gouden vrêe
waarin de hoeven en de kleine dorpen lagen
zichtbaar gezegend in het late middaglicht.
Toen nam zij loopende zijn leege hand; zij zagen
hun lange schaduwen; hij deed zijn oogen dicht;
door haar geleid nu, liep hij in een late weelde
van zijn verjaarden droom. Dan hoorde hij haar stem:
‘Soms kon zijn stem zijn als een hand en die mij streelde,
een zware hand en die zacht streelde, en als een stem
waren zijn handen als zij over mij bewogen –
dan zong mijn huid, en als ik langzaam open dee
mijn oogen, en zijn oogen inkeek – O, zijn oogen,
‘k heb er gewoond, gedwaald, gezworven, ‘k heb er zee
gekozen, en dan weer gewoond… wonen en zwerven
in liefde, in hem – en eindlijk weet ik: anders niet
dan dat hij nu in mij kwam wonen, was zijn sterven –
meer niet, en dat het goed moet zijn voor hem – meer niet,
want hij was goed… was hij niet goed?’
Zijn droom zonk onder.
Hij sloeg zijn oogen op, en zei… ‘Ja, hij was goed…’
Toen is in hem het overavondlijke wonder
geschied: zooals, nadat de zon verzonk, de gloed
van aller droomen droom op de oostelijke toppen
der eeuwige sneeuw verschijnt in ’t land waar ik dit schrijf
(de wandlaar, die den steenweg langs met luide stappen
terugkeert naar het dorp, ziet het opeens, en blijft
staan in de zegening van wat had kunnen wezen) –
zoo werd het ook in hem toen hij dat had gezegd:
waar, lang al duistrend, zijn verlaten toppen rezen,
werd, na ’t verscheiden van het overzijdsche licht,
die gloed gezien – een afscheid, door een late zege
betooverd en tot zulk een wonder nu onthuld
van liefde en eenzaamheid en onverhoopt verkregen
genade, dat hij nu het leven wist vervuld
boven zijn leven, en voor eeuwig.
Verder loopend
zag hij naar haar, zijdlings: haar glanzend oog stond ver
en als in bijna weenen van geluk geopend
op eendere eeuwigheid. Het graf bestond niet meer.
Een zucht, en weer
een lange zucht als een ontwakend ademhalen
van de avond in den laten dagdroom van het licht
vloog zeewaarts hen voorbij. Benêe in de duindalen
was het al avond, en het kalme vergezicht
der landen sluimerde. Tusschen de al meerdre boomen
stegen hun schreden nu met ritselend gerucht,
tot, eindlijk op den rand van ’t binnenduin gekomen,
zij, hand in hand, afdaalden tot het oud gehucht.
Adriaan Roland-Holst
Where I have lost, I softer tread
Where I have lost, I softer tread –
I sow sweet flower from garden bed –
I pause above that vanished head
—–And mourn.
Whom I have lost, I pious guard
From accent harsh, or ruthless word –
Feeling as if their pillow heard,
—–Though stone!
When I have lost, you’ll know by this –
A Bonnet black – A dusk surplice –
A little tremor in my voice
—–Like this!
Why, I have lost, the people know
Who dressed in flocks of purest snow
Went home a century ago
—–Next Bliss!
Emily Dickinson
Waar ik heb verloren, ga ik met zachter tred –
Strooi ik heerlijke bloemen uit het tuinbed –
Sta ik stil boven dat verdwenen hoofd
—–En rouw.
Wie ik heb verloren, bescherm ik devoot
Voor harde toon, of meedogenloos woord –
Het voelt alsof hun kussen het hoorde,
—–Al is het van steen!
Wanneer ik heb verloren, zie je dat aan –
Een zwarte Muts – een donkere jasomslag –
Een lichte trilling in mijn stem
—–Zoals nu!
Waarom, ik heb verloren, weten mensen die
Gekleed in vlokken van de zuiverste sneeuw
Een eeuw geleden thuiskwamen
—–Dichtbij de Gelukzaligheid!
Emily Dickinson
Some Rainbow – coming from the Fair!
Some Rainbow – coming from the Fair!
Some Vision of the World Cashmere –
I confidently see!
Or else a Peacock’s purple Train
Feather by feather – on the plain
Fritters itself away!
The dreamy Butterflies bestir!
Lethargic pools resume the whir
Of last year’s sundered tune!
From some old Fortress on the sun
Baronial Bees – march – one by one –
In murmuring platoon!
The Robins stand as thick today
As flakes of snow stood yesterday –
On fence – and Roof – and Twig!
The Orchis binds her feather on
For her old lover – Don the Sun!
Revisiting the Bog!
Without Commander! Countless! Still!
The Regiments of Wood and Hill
In bright detachment stand!
Behold! Whose Multitudes are these?
The children of whose turbaned seas –
Or what Circassian Land?
Emily Dickinson
Een Regenboog – komt van de Kermis!
Een Visioen uit de wereld van Kasjmir –
Zie ik met vertrouwen!
Of anders een paarse Pauwenstaart
Die zich veer voor veer – over de vlakte
Uiteen laat dwarrelen!
Vlinders stijgen dromerig op!
Lome poelen hervatten het geritsel
Van het onderbroken deuntje van vorig jaar!
Vanuit een oud Fort in de zon
Marcheren – adellijke Bijen – een voor een –
In brommend peloton!
Roodborsten zijn vandaag zo talrijk
Als sneeuwvlokken gister.
Op het hek – Dak – en Tak!
De Orchidee bindt haar pluim op
Voor haar oude minnaar – Don de Zon!
Die weer binnenwipt bij het Moeras!
Zonder Bevelhebber! Talloos! Onbeweeglijk!
Staan de Regimenten van Bos en Heuvel
In stralende gelederen!
Kijk goed! Van wie zijn deze Massa’s?
Kinderen uit welke tulband zeeën –
Of van welk land uit de Kaukasus?
Emily Dickinson
Oud verhaal
Wat hij aan wel of wee vindt
gaat weer vanzelf verloren,
want nimmer kan meelevend
aan andren toebehooren
wie in zonlicht en zeewind
van den dood werd geboren.
*
Een vrouw, door hem verlaten,
kwam hier om onderdak.
‘Ach, kon ik hem maar haten
omdat hij mijn hart brak.’
Hij had haar van mij gesproken
kort voor hij haar verliet.
Toen heeft mijn hart verbroken
zijn korst van zwart verdriet.
Mij had hij dus niet vergeten
met al wat hij vergat –
Ik zag hem weer, gezeten
waar hij nu zat.
Hij noemde mij zijn broeder,
en lachte ‘maar weet, nimmer
ben ik mijn broeders hoeder’ –
Het is een leven her.
Heimwee was toen nog een zegen,
en wee nog wild als vreugd.
Hij kwam door herfst en regen,
dien avond in mijn jeugd.
IJl door den dood omritseld
groette helder zijn stem.
Hij bleef bij mij wonen – nu is het
of ik woonde bij hem.
Door de spiegel kijk ik nog binnen
in onze kamer van toen:
valt het weer te beginnen?
sterker over te doen?
Zou hij weer binnenkomen?
verlangt hij nog naar mij?
O, droom in al mijn droomen:
toch nog te worden als hij –
Want hij vond in mijn bloed behagen,
in mijn wilde ziel gewin –
Maar mijn hart kon hij niet verdragen
om de murwe mensch erin.
‘Op dat hart na zijn wij gelijken’
zoo sprak hij, die laatste keer.
Toen ik in den morgen ging kijken
was hij er niet meer.
Daarom is mijn hart nooit ontloken,
maar in zijn woord verstard.
Nu kwam zij, door hem gebroken,
met haar beroep op dat hart.
Er was sterrenlicht in de ruiten –
later kwam er sneeuwjacht.
Het was soms of hij buiten
stond, en ons zitten zag.
Tot in den morgen zaten
wij met ons eenzaam leed:
zij, die hem wilde haten –
ik, die hem nooit vergeet.
Ik keek door ver sneeuwgewemel
haar na, tot zij verdween.
Ik weet niet of de hemel
nog weet waarheen.
Adriaan Roland-Holst
I taste a liquor never brewed
I taste a liquor never brewed –
From Tankards scooped in Pearl –
Not all the Frankfort Berries
Yield such an Alcohol!
Inebriate of Air – am I –
And Debauchee of Dew –
Reeling – thro endless summer days –
From inns of Molten Blue –
When “Landlords” turn the drunken Bee
Out of the Foxglove’s door –
When Butterflies – renounce their “drams” –
I shall but drink the more!
Till Seraphs swing their snowy Hats,
And Saints – to windows run –
To see the little Tippler
Leaning against the – Sun –
Emily Dickinson
Ik proef een nooit gebrouwen drank –
Uit Pullen Geschept met schuim van Parels –
Geen enkele Druif uit Frankfurt
Levert zo’n Alcohol op!
Dronken van de Lucht – ben ik –
En losbandig van de Dauw –
Waggelend – door eindeloze zomerdagen –
Uit kroegen van gesmolten Blauw –
Wanneer ‘Kroegbazen’ de dronken Bij
De deur van het Vingerhoedskruid uitzet –
Wanneer Vlinders – hun ‘borrel’ laten staan –
Drink ik maar des te meer!
Tot Serafijnen met hun witte Hoeden zwaaien –
En Heiligen – naar de ramen rennen –
Om de kleine Dronkaard te zien
Leunen tegen de – Zon –
Emily Dickinson
The Skies can’t keep their secret!
The Skies can’t keep their secret!
They tell it to the Hills –
The Hills just tell the Orchards –
And they – the Daffodils!
A Bird – by chance – that goes that way –
Soft overhears the whole –
If I should bribe the little Bird –
Who knows but she would tell?
I think I won’t – however –
It’s finer – not to know –
If Summer were an axiom –
What sorcery had snow?
So keep your secret – Father!
I would not – if I could,
Know what the Sapphire Fellows, do,
In your new–fashioned world!
Emily Dickinson
De Hemel kan zijn geheim niet bewaren!
Hij vertelt het aan de Heuvels –
De Heuvels vertellen het weer aan de Bongerds –
En die – aan de Narcissen!
Een Vogel – die toevallig – die kant opgaat –
Hoort het stilletjes allemaal aan –
Als ik de kleine Vogel zou omkopen –
Wie weet, maar zou zij het verklappen?
Ik denk dat ik het – toch – niet zal doen,
Het is leuker – om het niet te weten –
Als de Zomer een axioma was –
Wat voor magie had sneeuw dan nog?
Dus bewaar je geheim – Vader!
Ik zou niet willen weten – zelfs als ik het kon,
Wat de Saffieren Makkers doen
In uw nieuwe wereld!
Emily Dickinson
Dying! Dying in the night!
Dying! Dying in the night!
Won’t somebody bring the light
So I can see which way to go
Into the everlasting snow?
And “Jesus”! Where is Jesus gone?
They said that Jesus – always came –
Perhaps he doesn’t know the House –
This way, Jesus, Let him pass!
Somebody run to the great gate
And see if Dollie’s coming! Wait!
I hear her feet upon the stair!
Death won’t hurt – now Dollie’s here!
Emily Dickinson
Doodgaan! Doodgaan in de nacht!
Brengt dan niemand licht
Zodat ik kan zien welke kant ik op moet
In de eeuwige sneeuw?
En “Jezus”! Waar is Jezus gebleven?
Ze zeiden dat Jezus – altijd kwam –
Misschien kent hij het huis niet ¬–
Deze kant op, Jezus, Laat hem door!
Iemand moet naar de grote poort rennen
En zien of Dollie komt! Wacht!
Ik hoor haar voeten op de trap!
De Dood deert niet – nu Dollie er is!
Emily Dickinson

Dooi
Moe wankelt weer de murwe dooiwind allerwegen
langs zwarte struiken waar de sneeuw tot oud vuil wordt.
Aanhoudend aan de ramen prevelt weer de regen
al maar van haar, die ik hier niet behouden mocht.
O, dooi, die alom langzaam nu de sneeuw vernedert
de edele, die blinkend mij bewees hoe valsch zij was –
alomme dooi, die mij toch weer voor haar verteedert,
haar warme schande, waar ik bijna van genas.
Adriaan Roland-Holst
Samen ingesneeuwd
Oud sneeuwlicht door de ontdooide ruit…
hij staarde in dat dof gloren
van wat hem restte na haar dood:
het leeg lot hem beschoren
sinds hij vergeefs de stilte bad
eens nog haar stem te hooren.
En, in een dagdroom weggevlucht,
wou hij die kust weervinden
waar zij in lust en wrok elkaar
eens kwelden en beminden;
want ook haar sterven kon die bond
van oud zeer niet ontbinden.
Naar haar terug te leve’ in àl
bedwelmder toebehooren
onder dat dak van hun weleer;
haar prooi als nooit tevoren
toen zij nog leefde: wanhoop gaf
die hoop nog niet verloren.
Terug naar dat oud dorp, naar dat
leeg huis teruggezogen:
bezetene, zoo liep hij snel
en met het hoofd gebogen,
en keek pas op toen boven hem
de eerste zeemeeuwen vlogen.
En daar – in zijn verleden voor
het laatst nog zichtbaar – lagen
duinrand en dorp, toen plotseling
zijn oogen niets meer zagen
dan nacht, en in het wilde weg
van overal sneeuwvlagen…
Zachte verwarrende overval
vanuit het alvergeten
van den doodslaap, waardoor hij nu
- van geen droom meer bezeten,
geen weg meer wetend – zich verloor
in die nacht ongemeten:
weedoms domein, waar dooden wel
bij de grensovergangen
nablijven, door hun oude lust
en leed nog zoo bevangen,
dat zij hun hier nog levenden
bedwelmen met verlangen,
en hen betooveren tot zij
hun aardsche banden slaken
en, uitgetreden, doof en blind
dat grensgebied genaken
waar zij dan, nergens op bedacht,
bij hun dooden ontwaken.
Hij kwam er bij een open deur,
aan het eind van zijn krachten –
slaapzwaar leunde hij binnen, half
nog blind van die sneeuwjachten:
daar zag hij, levend, bij een schouw,
zijn doode, die hem wachtte.
Zij sloeg haar oogen op – en aan
haar blik was geen ontkomen –
en fluisterde, toen zij hem in
haar armen had genomen:
‘nu zijn wij samen ingesneeuwd –
wie had dat kunnen droomen…’
*
Heeft zij uit haar betoovering
hem toch weer prijsgegeven?
Hij weet wel beter: wat hem hier
nog rest om te beleven
aan lief en leed, waar of met wie,
het werd hem om het even.
Want wie in Weedomsland al bij
zijn dood lief heeft gelegen,
vindt hier geen wellust meer die ooit
bedwelmt tot zulk een zegen –
geen lief meer, en geen dak meer, in
geen velden meer of wegen.
Adriaan Roland-Holst
A Mien to move a Queen
A Mien to move a Queen –
Half Child – Half Heroine –
An Orleans in the Eye
That puts its manner by
For humbler Company
When none are near
Even a Tear –
Its frequent Visitor –
A Bonnet like a Duke –
And yet a Wren’s Peruke
Were not so shy
Of Goer by –
And Hands – so slight –
They would elate a Sprite
With Merriment –
A Voice that Alters – Low
And on the Ear can go
Like Let of Snow –
Or shift supreme –
As tone of Realm
On Subjects Diadem –
Too small – to fear –
Too distant – to endear –
And so Men Compromise
And just – revere –
Emily Dickinson
Een Verschijning die een Koningin ontroert –
Half Kind – Half Heldin –
Een Orléans voor het Oog
Die haar manier van doen aanpast
Aan eenvoudiger Gezelschap
En is niemand in de buurt
Is zelfs een Traan –
Haar vaste Bezoeker –
Een Muts als een Oehoe –
Toch zou de Pruik van een Winterkoninkje
Niet zo schuw overkomen
Voor Voorbijgangers –
En Handen – zo slank –
Ze zouden een Elfje gek maken
Van Plezier –
Een Stem die Omslaat – Zacht
Die op het Oor overkom
Als een Vlaagje Sneeuw –
Of overschakelt naar overweldigend –
Als het geluid van een Rijk
Over onderdanen van de Kroon –
Te klein – om ontzag in te boezemen –
Te afstandelijk – om te vertederen –
Dus sluiten Mensen een Compromis
Bezien haar gewoon – met respect –
Emily Dickinson
The Robin’s my Criterion for Tune
The Robin’s my Criterion for Tune –
Because I grow – where Robins do –
But, were I Cuckoo born –
I’d swear by him –
The ode familiar – rules the Noon –
The Buttercup’s, my Whim for Bloom –
Because, we’re Orchard sprung –
But, were I Britain born,
I’d Daisies spurn –
None but the Nut – October fit –
Because, through dropping it,
The Seasons flit – I’m taught –
Without the Snow’s Tableau
Winter, were lie – to me –
Because I see – New Englandly –
The Queen, discerns like me –
Provincially –
Emily Dickinson
De Roodborst is mijn Maatstaf voor Muziek –
Want ik groei op – bij Roodborsten –
Maar, was ik als Koekoek geboren–
Zou ik bij hem zweren –
De vertrouwde zang – markeert de Middag –
De Boterbloem, is mijn favoriete Bloem –
Want, we komen voort uit Boomgaarden –
Maar, was ik in Engeland geboren,
Zou ik een hekel aan Madeliefjes hebben –
Alleen de Walnoot – past bij Oktober –
Omdat, als hij valt,
De Seizoenen verglijden – is me geleerd –
Zonder het Sneeuwtafereel
Was de Winter een grote leugen – voor mij –
Omdat ik – met New England ogen kijk –
De Koningin, ontdekt dingen net als ik –
Provinciaal –
Emily Dickinson
Denk iets dat je goed kent.
Zeg: ze kamt haar haar.
Herhaal het: zij haar haar
kamt. Doe er een spiegel
bij. Maak het vertrouwder
dan je waarmaakt: de eerste
sneeuw/het eerste riet. Hoe
ze plotseling haar hoofd
naar voren of naar achteren
wierp. Zeg dat ze haar haar
kamde; zich naar voren of
naar achteren werpt. Terwijl
het sneeuwde of riet werd;
zich de eenbes verzwartte;
en zij haar haar kamt.
Hans Faverey (1933-1990)
A clock stopped
A Clock stopped –
Not the Mantel’s –
Geneva’s farthest skill
Can’t put the puppet bowing –
That just now dangled still –
An awe came on the Trinket!
The Figures hunched, with pain –
Then quivered out of Decimals –
Into Degreeless Noon –
It will not stir for Doctors –
This Pendulum of snow –
The Shopman importunes it –
While cool – concernless No –
Nods from the Gilded pointers –
Nods from the Seconds slim –
Decades of Arrogance between
The Dial life –
And Him –
Emily Dickinson
Een Klok stond stil –
Niet die van de Schoorsteenmantel –
De verre techniek uit Genève
Kan de pop niet aan ’t dansen brengen –
Die zojuist nog stil hing –
Ontsteltenis overviel het Sieraad!
De Cijfers krompen ineen, van pijn –
Toen trilden ze uit hun Decimalen –
Naar een Eeuwige Middag –
Ze zal zich niet verroeren voor de Artsen –
Deze Pendule van sneeuw –
De Winkelier dringt erop aan –
Terwijl een koud – onverschillig Nee –
Schudt van de Vergulde wijzers –
Schudt van de dunne Seconden –
Tientallen Jaren van Arrogantie tussen
Het Leven van het Uurwerk –
En Hem –
Emily Dickinson
Of Tribulation, these are They
Of Tribulation, these are They,
Denoted by the White –
The Spangled Gowns, a lesser Rank
Of Victors – designate –
All these – did conquer –
But the ones who overcame most times –
Wear nothing commoner than Snow –
No Ornament, but Palms –
Surrender – is a sort unknown –
On this superior soil –
Defeat – an outgrown Anguish –
Remembered, as the Mile
Our panting Ancle barely passed –
When Night devoured the Road –
But we – stood whispering in the House –
And all we said – was “Saved”!
Emily Dickinson
Dit zijn Zij, die Verdrukt zijn,
Herkenbaar aan het Wit –
De Glitterjurken duiden –
Een lagere Rang van Winnaars aan –
Zij allemaal – hebben gezegevierd –
Maar die het vaakste overwonnen –
Dragen niets gewoner dan Sneeuw –
Geen Decoratie, enkel Palmen –
Overgave – is een onbekend concept –
Op deze hemelse bodem –
Nederlaag – een te boven gekomen Pijn –
Herinnerd, als de Mijl
Die onze Enkel maar net hijgend haalde –
Toen de Nacht de Weg verslond –
Maar wij – stonden te fluisteren in het Huis –
En alles wat we zeiden – was “Gered”!
Emily Dickinson
Uit de maat
De rozen bloeien dit jaar voor de vierde keer,
elke kelk geurt weer naar de lente. Een duif draagt
takjes aan voor een nieuw nest, een spitsmuis
zoekt overwoekerde paden. Ganzen steken niet meer
over naar een ander continent, in het gezoem van bijen
schalt de zomer. Zal de winter straks vallen
of kantelt de zon richting een langgerekt seizoen
tussen neergang en ontluiken? Het zou morgen
kunnen sneeuwen, nieuw leven bevroren in een nacht,
of de hitte zou ons naar adem kunnen doen happen, tot niets meer overblijft
behalve het geel van ontreddering. Misschien
ligt het antwoord wel op de vleugels van de vlinder die opstijgt
uit het struikelende ritme van de kelk van de roos in de tuin:
een tekening van de zomer, gebarsten in winterse schutkleuren.
Pim Cornelussen
The only Ghost I ever saw
The only Ghost I ever saw
Was dressed in Mechlin – so –
He had no sandal on his foot –
And stepped like flakes of snow –
His Mien, was soundless, like the Bird –
But rapid – like the Roe –
His fashions, quaint, Mosaic –
Or haply, Mistletoe –
His conversation – seldom –
His laughter, like the Breeze –
That dies away in Dimples
Among the pensive Trees –
Our interview – was transient –
Of me, himself was shy –
And God forbid I look behind –
Since that appalling Day!
Emily Dickinson
De enige Geest die ik ooit heb gezien
Ging in Vlaams Kant gekleed – zo –
Droeg Hij geen sandalen aan zijn voeten –
Hij zette zijn stappen als vokkken sneeuw –
Zijn Tred – geruisloos, als een Vogel –
Maar snel – als een Ree –
Zijn stijl, ouderwets, zoals van Mozes –
Of mogelijk, van Maretak –
Zijn spreken – bijna nooit –
Zijn lachen, als een lichte Bries –
Die wegsterft in Rimpelingen
Tussen de dromerige Bomen –
Ons onderhoud – was van korte duur –
Tegen mij, was hij verlegen –
En God verhoede dat ik omkijk –
Sinds die vreselijke dag!
Emily Dickinson
Doubt Me! My Dim Companion!
Doubt Me! My Dim Companion!
Why, God, would be content
With but a fraction of the Life –
Poured thee, without a stint –
The whole of me – forever –
What more the Woman can,
Say quick, that I may dower thee
With last Delight I own!
It cannot be my Spirit –
For that was thine, before –
I ceded all of Dust I knew –
What Opulence the more
Had I – a freckled Maiden,
Whose farthest of Degree,
Was – that she might –
Some distant Heaven,
Dwell timidly, with thee!
Sift her, from Brow to Barefoot!
Strain till your last Surmise –
Drop, like a Tapestry, away,
Before the Fire’s Eyes –
Winnow her finest fondness –
But hallow just the snow
Intact, in Everlasting flake –
Oh, Caviler, for you!
Emily Dickinson
Twijfel aan Mij! Mijn Onzekere Vriend!
Hoezo, God, zou al tevreden zijn
Met slechts een fractie van het Leven –
Jou geschonken, zonder enig voorbehoud –
Met heel mijn wezen – voor altijd –
Wat kan een Vrouw nog meer,
Gauw zeg het, en ik zal het je geven
Met de laatste Vreugde die ik heb!
Mijn Geest kan het niet wezen –
Want die was al van jou, vóór –
Ik al het Stof dat ik zag afsloeg –
Hoeveel Rijkdom meer
Bezat ik – een meisje met sproeten,
Wiens hoogste Ambitie
Was – dat ze misschien –
In een of andere verre hemel
Bescheiden kon wonen, met jou!
Ontleed haar, van Top tot Teen!
Pluis haar uit tot je laatste Twijfel –
Wegvalt, als een Wandtapijt
Voor de Ogen van het Vuur –
Zuiver haar puurste tederheid –
Maar heilig dan maar de sneeuw
Ongerept, in een Eeuwige vlok –
Voor jou, Twijfelaar!
Emily Dickinson

It’s thoughts – and just One Heart
It’s thoughts – and just One Heart –
And Old Sunshine – about –
Make frugal – Ones – Content –
And two or three – for Company –
Upon a Holiday –
Crowded – as Sacrament –
Books – when the Unit –
Spare the Tenant – long eno’ –
A Picture – if it Care –
Itself – a Gallery too rare –
For needing more –
Flowers – to keep the Eyes –
from going awkward –
When it snows –
A Bird – if they – prefer –
Though Winter fire – sing clear as Plover –
To our – ear –
A Landscape – not so great
To suffocate the Eye –
A Hill – perhaps –
Perhaps – the profile of a Mill
Turned by the Wind –
Tho’ such – are luxuries –
It’s thoughts – and just two Heart –
And Heaven – about –
At least – a Counterfeit –
We would not have Correct –
And Immortality – can be almost –
Not quite – Content –
Emily Dickinson
Je gedachten – en slechts Eén Hart –
En Oude Zonlicht – er omheen –
Maken bescheiden – Mensen – Content –
En twee of drie – als Gezelschap –
Geven een Feest –
Zo druk – als een Sacrament –
Boeken – wanneer het Huis –
Lang genoeg – de Bewoner vrijstelt –
Een Schilderij – waar je om Geeft –
Jijzelf – zelden zo’n Galerij gezien –
Want meer heb je niet nodig –
Bloemen – om de ogen –
scherp te houden –
Als het sneeuwt –
Een Vogel – als je dat – liever hebt –
Al zingt Wintervuur – helder als een Kievit –
Voor onze – oren –
Een Landschap – niet zo groot
Dat het de Blik verstikt –
Een Heuvel – misschien –
Misschien – het silhouet van een Molen
Draaiend op de wind –
Al zou dat – luxe zijn –
Je gedachten – en slechts twee Harten –
En de Hemel – er omheen –
Althans – een Imitatie –
Die we niet hoeven te Verbeteren –
En Onsterfelijkheid – dat kan bijna –
Niet helemaal – Content zijn –
Emily Dickinson
After great pain, a formal feeling comes
After great pain, a formal feeling comes –
The Nerves sit ceremonious, like Tombs –
The stiff Heart questions
———“was it He, that bore,”
And “Yesterday, or Centuries before”?
The Feet, mechanical, go round –
A Wooden Way
Of Ground, or Air, or Ought –
Regardless grown,
A Quartz contentment, like a stone –
This is the Hour of Lead –
Remembered, if outlived,
As Freezing persons, recollect the Snow –
First – Chill – then Stupor –
———then the letting go –
Emily Dickinson
Na heftige pijn, voelt het stijf aan –
Zenuwen staan versteend, als Graven –
Het stramme Hart vraagt zich af
———“was Hij het, die leed,”
En “was het Gisteren, of Eeuwen geleden?”
De Voeten, gaan mechanisch door –
Het is een Houterige gang
Over de Grond, in de Lucht of Waar dan ook –
Die wezenloos in beweging komt
Een Kristallen voldoening, als van steen –
Dit is het Uur van Lood –
Bekend, aan wie het overleefd heeft,
Zoals Bevroren mensen, Sneeuw herinneren –
Eerst – de Kilte – dan Gevoelloosheid –
———en dan het loslaten –
Emily Dickinson
I think the Hemlock likes to stand
I think the Hemlock likes to stand
Upon a Marge of Snow –
It suits his own Austerity –
And satisfies an awe
That men, must slake in Wilderness –
And in the Desert – cloy –
An instinct for the Hoar, the Bald –
Lapland’s – nescessity –
The Hemlock’s nature thrives – on cold –
The Gnash of Northern winds
Is sweetest nutriment – to him –
His best Norwegian Wines –
To satin Races – he is nought –
But Children on the Don,
Beneath his Tabernacles, play,
Dnieper Wrestlers, run.
Emily Dickinson
Ik denk dat de Hemlockspar graag
Op een Zoom van Sneeuw staat –
Het past bij zijn Soberheid –
En geeft hem voldoende ontzag
Dat mensen, in de Wildernis moet opbeuren –
En in de Barre Gebieden – overladen –
Met een instinct voor IJskou, Kaalheid –
Voor Lapland – onontbeerlijk –
De aard van de Spar gedijt – in de kou –
Het Gieren van de Noordenwind
Is de heerlijkste spijs – voor hem –
Zijn beste Noorse Wijn –
Voor softe Types – is hij helemaal niets –
Maar kinderen bij de Don,
Spelen, onder zijn Tenten,
En Worstelaars van de Dnjepr, trainen er.
Emily Dickinson
The Color of the Grave is Green
The Color of the Grave is Green –
The Outer Grave – I mean –
You would not know it from the Field –
Except it own a Stone –
To help the fond – to find it –
Too infinite asleep
To stop and tell them where it is –
But just a Daisy – deep –
The Color of the Grave is white –
The outer Grave – I mean –
You would not know it from the Drifts –
In Winter – till the Sun –
Has furrowed out the Aisles –
Then – higher than the Land
The little Dwelling Houses rise
Where each – has left a friend –
The Color of the Grave within –
The Duplicate – I mean –
Not all the Snows could make it white –
Not all the Summers – Green –
You’ve seen the Color – maybe –
Upon a Bonnet bound –
When that you met it with before –
The Ferret – cannot find –
Emily Dickinson
De Kleur van het Graf is Groen –
Vanbuiten – bedoel ik –
Je kunt het niet onderscheiden van het Gras –
Tenzij het een Grafsteen heeft –
Om dierbaren te helpen – het te vinden –
In te eindeloze slaap
Om ze tegen te houden en te zeggen waar het is –
Maar net een Madeliefje – diep –
De Kleur van het Graf is wit –
Vanbuiten – bedoel ik –
In de Winter kun je het niet onderscheiden –
Van de Bergen Sneeuw – tot de Zon –
Gangpaden heeft uitgegraven –
Dan – boven de Grond
Verrijzen de kleine Woonhuizen op
Waar ieder – een vriend heeft achtergelaten –
De Kleur van het Graf vanbinnen –
Van Beiden – bedoel ik –
Kan alle Sneeuw niet wit maken –
Alle Zomers niet – Groen –
Je hebt de Kleur gezien – vast –
Op een Hoed gebonden –
Toen je vroeger haar daarmee tegenkwam –
Zelfs een Fret – kan dat niet vinden –
Emily Dickinson
The Himmaleh was known to stoop
The Himmaleh was known to stoop
Unto the Daisy low –
Transported with Compassion
That such a Doll should grow
Where Tent by Tent – Her Universe
Hung out its Flags of Snow –
Van de Himalaya was bekend
Dat hij diep bukte voor het Madeliefje –
Bewogen door Mededogen
Dat zo’n Poppetje moet groeien
Waar haar Wereld – Knopje voor Knopje –
Haar Banieren van Sneeuw uithing –
Emily Dickinson
He fought like those Who’ve nought to lose
He fought like those Who’ve nought to lose –
Bestowed Himself to Balls
As One who for a further Life
Had not a further Use –
Invited Death – with bold attempt –
But Death was Coy of Him
As Other Men, were Coy of Death –
To Him – to live – was Doom –
His Comrades, shifted like the Flakes
When Gusts reverse the Snow –
But He – was left alive Because
Of Greediness to die –
Emily Dickinson
Hij vocht als Wie niets te verliezen hebben –
Gaf Zichzelf aan de Kogels over
Als Iemand die voor de rest van zijn Leven
Verder geen Doel had –
Verzocht de Dood – in roekeloze zucht –
Maar de Dood was Bedeesd voor Hem
Waar Anderen Bedeesd waren voor de Dood –
Voor Hem – was leven – Doem –
Zijn Makkers, dwarrelden als Sneeuwvlokken
Wanneer Wind de Sneeuw omwentelt –
Maar Hij – werd levend achtergelaten Omdat
Hij Gretig wilde sterven –
Emily Dickinson
He told a homely tale
He told a homely tale
And spotted it with tears –
Upon his infant face was set
The Cicatrice of years –
All crumpled was the cheek
No other kiss had known
Than flake of snow, divided with
The Redbreast of the Barn –
If Mother – in the Grave –
Or Father – on the Sea –
Or Father in the Firmament –
Or Brethren, had he –
If Commonwealth below,
Or Commonwealth above
Have missed a Barefoot Citizen –
I’ve ransomed it – alive –
Emily Dickinson

Hij vertelde een simpel verhaal
En bezaaide het met tranen –
Op zijn kinderlijk gezicht stond
Het Litteken van jaren –
De wang was helemaal gerimpeld
Hij had geen andere kus gekend
Dan van de sneeuwvlok, gedeeld met
De Roodborst van de Schuur –
Als hij een Moeder – in het Graf –
Of een Vader – op Zee –
Of Vader in de Hemel –
Of Broers, had –
Als de Gemeenschap hierbeneden,
Of de Gemeenschap daarboven
Een Burger op Blote Voeten miste –
Heb ik hem gered – levend –
Emily Dickinson
God made a little Gentian
God made a little Gentian –
It tried – to be a Rose –
And failed – and all the Summer laughed –
But just before the Snows
There rose a Purple Creature –
That ravished all the Hill –
And Summer hid her Forehead –
And Mockery – was still –
The Frosts were her condition –
The Tyrian would not come
Until the North – invoke it –
Creator – Shall I – bloom?
Emily Dickinson
God schiep een kleine Gentiaan –
Ze wilde graag – een Roos zijn –
Dat lukte niet – en heel de Zomer lachte –
Maar vlak voor de Sneeuw
Kwam er een Purperen Schepsel op –
Dat de Heuvel helemaal betoverde –
En de Zomer boog haar Hoofd –
En het Spotten – verstomde –
Vorst was haar aard –
Het Purper komt pas
Niet voor het Noorden – het oproept –
Schepper – Kom ik – nog tot bloei?
Emily Dickinson
‘Tis not that Dying hurts us so
‘Tis not that Dying hurts us so –
‘Tis Living – hurts us more –
But Dying – is a different way –
A kind behind the Door –
The Southern Custom – of the Bird –
That ere the Frosts are due –
Accepts a better Latitude –
We – are the Birds – that stay.
The Shiverers round Farmers’ doors –
For whose reluctant Crumb –
We stipulate – till pitying Snows
Persuade our Feathers Home.
Emily Dickinson

‘t Is niet dat Sterven ons zo pijn doet –
Leven – doet ons het meeste pijn –
Maar Sterven – is een andere route –
Van het soort achter de Deur –
De Zuidelijke Gewoonte – van Vogels –
Om voor de Vorst inzet –
Een betere Breedtegraad op te zoeken –
Wij – zijn de Vogels – die achterblijven.
Die Bevend aan de deur van de Boer staan –
Op wiens zuinige Kruimel –
We aandringen – tot Meelevende Sneeuw
Ons Verenhuis overhaalt.
Emily Dickinson
The Angle of a Landscape
The Angle of a Landscape –
That every time I wake –
Between my Curtain and the Wall
Upon an ample Crack –
Like a Venetian – waiting –
Accosts my open eye –
Is just a Bough of Apples –
Held slanting, in the Sky –
The Pattern of a Chimney –
The Forehead of a Hill –
Sometimes – a Vane’s Forefinger –
But that’s – Occasional –
The Seasons – shift – my Picture –
Upon my Emerald Bough,
I wake – to find no – Emeralds –
Then – Diamonds – which the Snow
From Polar Caskets – fetched me –
The Chimney – and the Hill –
And just the Steeple’s finger –
These – never stir at all –
Emily Dickinson
Het Landschap in de Hoek dat –
Elke keer als ik wakker word –
Tussen mijn Gordijn en de Muur
Langs een brede Spleet –
Als een Vensterluik – op wacht staat –
En mijn open ogen aantrekt –
Is gewoon een Tak met Appels –
Die schuin de Lucht insteekt –
Als de Vorm van een Schoorsteen –
Het Voorhoofd van een Heuvel –
Soms – een Wijsvinger van een Windwijzer –
Maar dat gebeurt – slechts Af en toe –
De Seizoenen – veranderen – mijn Beeld –
Op mijn Smaragden Tak,
Ik word wakker – en vind – geen Smaragd –
Wel – Diamanten – die Sneeuw
Uit de Poolstreken – meebracht voor mij –
De Schoorsteen – en de Heuvel –
Alleen de vingers van de Kerktoren –
Ze – bewegen totaal niet –
Emily Dickinson
To interrupt His Yellow Plan
To interrupt His Yellow Plan
The Sun does not allow
Caprices of the Atmosphere –
And even when the Snow
Heaves Balls of Specks, like Vicious Boy
Directly in His Eye –
Does not so much as turn His Head
Busy with Majesty –
‘Tis His to stimulate the Earth –
And magnetize the Sea –
And bind Astronomy, in place,
Yet Any passing by
Would deem Ourselves – the busier
As the Minutest Bee
That rides – emits a Thunder –
A Bomb – to justify –
Emily Dickinson
Geen Grillen van de Atmosfeer
Die zijn Programma onderbreken
Staat de Zon toe –
Zelfs wanneer de Sneeuw
Als een Gemene Jongen, Sneeuwballen
Recht in Zijn Oog gooit –
Draait hij Zijn Hoofd er niet voor om
Druk werkend aan haar Majesteit –
Het is aan Hem om de Aarde op te wekken –
De Zee te magnetiseren –
En de Astronomie op zijn plaats te houden,
Toch zou de eerste beste Passant
Ons beschouwen – als de drukste
Zoals het Kleinste Bijtje
Vliegend – een Gerommel uitbrengt –
Een Bom – om het te rechtvaardigen –
Emily Dickinson
What care the Dead, for Chanticleer
What care the Dead, for Chanticleer –
What care the Dead for Day?
‘Tis late your Sunrise
———vex their face –
And Purple Ribaldry – of Morning
Pour as blank on them
As on the Tier of Wall
The Mason builded, yesterday,
And equally as cool –
What care the Dead for Summer?
The Solstice had no Sun
Could waste the Snow before their Gate –
And knew One Bird a Tune –
Could thrill their Mortised Ear
Of all the Birds that be –
This One – beloved of Mankind
Henceforward cherished be –
What care the Dead for Winter?
Themselves as easy freeze –
June Noon – as January Night –
As soon the South – her Breeze
Of Sycamore – or Cinnamon –
Deposit in a Stone
And put a Stone to keep it Warm –
Give Spices – unto Men –
Emily Dickinson
Wat geven de Doden, om de Haan –
Wat geven de Doden om de Dag?
Jouw Dageraad is te laat
———om hun gezicht te prikkelen –
En de Paarse Vrolijkheid – van de Ochtend
Stroomt zonder kleur over hen
Zoals op de Rand van de Muur
Die de Metselaar gisteren bouwde,
En net zo onverschillig –
Wat geven de Doden om de Zomer?
De Zonnewende had geen Zon
Die de Sneeuw kon smelten voor hun Poort –
En kende ook maar één Vogel een Lied –
Die hun Potdichte Oren kon ontroeren
Onder alle Vogels die bestaan –
Dan zal die Ene – lieveling van de Mensheid
Van nu af aan gekoesterd worden –
Wat geven de Doden om de Winter?
Zelf bevriezen ze net zo makkelijk –
Op een Junimiddag – als een Januarinacht –
Zodra het Zuiden – haar Briesje
Van Plataan – of Kaneel –
In Steen gestort
Met een Steen om het Warm te houden –
De Mensen – Geur gaat geven –
Emily Dickinson
Answer July
Answer July –
Where is the Bee –
Where is the Blush –
Where is the Hay?
Ah, said July –
Where is the Seed –
Where is the Bud –
Where is the May –
Answer Thee – Me –
Nay – said the May –
Show me the Snow –
Show me the Bells –
Show me the Jay!
Quibbled the Jay –
Where be the Maize –
Where be the Haze –
Where be the Bur?
Here – said the Year –
Emily Dickinson
Geef antwoord Juli –
Waar is de Bij –
Waar is de Blos –
Waar is het Hooi?
Ach, zei Juli –
Waar is het Zaad –
Waar is de Knop –
Waar is Mei –
Geef U – Mij – antwoord –
Nee – zei Mei –
Laat me de Sneeuw zien –
Laat me de Klokjes zien –
Laat me de Gaai zien!
De Gaai kibbelde –
Waar is de Maïs –
Waar is de Nevel –
Waar is de Kastanje?
Hier – zei het Jaar –
Emily Dickinson
VOYAGE EN SOI
Ô Souvenirs, neigez avec mansuétude
J. S.
J’aurai flâné ma vie, incertaine rivière,
Visitant bois, ravins, villes au gré du sort,
Et, sans jamais pouvoir retourner en arrière,
Un jour, j’arriverai, surpris, au seuil de Mort.
Puissé-je alors, brillant d’une ultime lumière,
Riche de tous les ciels que j’aurai reflétés,
Avoir le calme élan des larges estuaires
Dans la pompe des fins d’été ?!
Pourtant, il ne faudrait, Poète sans été,
Vouloir et sans merci créer de la Beauté
Avec ta douleur comme avec un jonc flexible,
Penché sur tes instants comme sur une bible;
Puisque la Mort est là qui regarde et qui sait,
Puisque tu la pressens et tu crains d’être lâche,
Ne la seconde pas dans sa facile tâche,
Sois vivant, sois pressé.
Jules Supervielle
EEN REIS NAAR BINNEN
O Herinneringen, sneeuw met zachtheid
J.S.
Ik zal mijn leven hebben gezworven, een onzekere rivier,
Bosjes, ravijnen en steden bezoekend naar de grillen van het lot,
En, zonder ooit terug te kunnen keren,
Zal ik op een dag, verrast, aankomen op de drempel van de Dood.
Mag ik dan, stralend met een laatste licht,
Rijk aan alle luchten die ik heb weerspiegeld,
De kalme vaart van brede riviermondingen ervaren
In de pracht van de late zomer?!
Toch zou men, dichter zonder zomer, niet
Schoonheid moeten willen en meedogenloos creëren
Met je pijn als met een soepel riet,
Gebogen over je momenten als over een bijbel;
Omdat de Dood er is, kijkend en wetend,
Omdat je haar voelt en bang bent laf te zijn,
Help haar dan niet bij haar gemakkelijke taak,
Leef, heb haast.
Jules Supervielle
vertaling Google translate
The Tint I cannot take – is best
The Tint I cannot take – is best –
The Color too remote
That I could show it in Bazaar –
A Guinea at a sight –
The fine – impalpable Array –
That swaggers on the eye
Like Cleopatra’s Company –
Repeated – in the sky –
The Moments of Dominion
That happen on the Soul
And leave it with a Discontent
Too exquisite – to tell –
The eager look – on Landscapes –
As if they just repressed
Some secret – that was pushing
Like Chariots – in the Vest –
The Pleading of the Summer –
That other Prank – of Snow –
That Cushions Mystery with Tulle,
For fear the Squirrels – know.
Their Graspless manners – mock us –
Until the Cheated Eye
Shuts arrogantly – in the Grave –
Another way – to see –
Emily Dickinson
De Tint die ik niet kan vatten – is de beste –
De Kleur is te vaag
Dat ik het in een Bazaar kan laten zien –
Voor een Guinea te bezichtigen –
De fijne – ongrijpbare Uitstraling –
Die naar het oog zwiert
Gelijk het Gevolg van Cleopatra –
Nagebootst – in de lucht –
De Momenten van Macht
Die de Ziel overvallen
En haar Ontevreden achterlaten
Zijn te subtiel – om uit te leggen –
De gretige blik – op het Landschap –
Net alsof het een of ander geheim
Wegstopt – dat zich opdrong
Als Strijdwagens – in de Borst –
Het Aankondigen van de Zomer –
Of het andere Grapje – van de Sneeuw –
Die het Mysterie in de Watten legt,
Bang dat de Eekhoorns – er achterkomen.
Hun Onbegrijpelijke manieren – spotten met ons –
Tot het Bedrogen Oog
In het Graf – zich arrogant sluit –
Om de andere kant op – te kijken –
Emily Dickinson
Have any like Myself
Have any like Myself
Investigating March,
New Houses on the Hill descried –
And possibly a Church –
That were not, We are sure –
As lately as the Snow –
And are Today – if We exist –
Though how may this be so?
Have any like Myself
Conjectured Who may be
The Occupants of the Adobes –
So easy to the Sky –
‘Twould seem that God should be
The nearest Neighbor to –
And Heaven – a convenient Grace
For Show, or Company –
Have any like Myself
Preserved the Charm secure
By shunning carefully the Place
All Seasons of the Year,
Excepting March – ‘Tis then
My Villages be seen –
And possibly a Steeple –
Not afterward – by Men –
Emily Dickinson
Heeft iemand zoals ik
Onderzoek gedaan naar Maart,
Nieuwe Huizen op de Heuvel ontdekt –
En misschien een Kerk –
Die waren er niet, zeker Weten –
Zo recent als de Sneeuw –
Zijn ze daar Vandaag – zowaar We bestaan –
Maar hoe kan dat nou?
Heeft iemand zoals Ik
Een Vermoeden Wie ze kunnen zijn
De Bewoners van deze Bouwsels –
Tot in de Hemel –
Het lijkt erop dat God
De naaste Buurman moet zijn –
En de Hemel – een handige Decoratie
Voor de Show, of de Gezelligheid –
Heeft iemand zoals ik
De Charme veilig bewaard
Door de Plaats zorgvuldig te mijden
Alle Seizoenen van het jaar,
Met uitzondering van Maart – Dan
Mogen mijn Dorpen gezien worden –
En mogelijk een Torenspits –
Door Mensen – en niet daarna –
Emily Dickinson
Sneeuwerlei
Sneeuw op het puntje van de staart
Van de mus en de parkiet
Vrijgevochten in het riet
Ach het loopt allemaal niet z’on vaart
Sneeuw is onverschillig
Over vrijheid en slavernij
Kent niet de grillen op zee van averij
In een windvlaag altijd gewillig
Sneeuw heeft maling aan grote legers
Die trotseren tegen wil en dank
De ongemakkelijkheden en de lijkenstank
Bedekt het land de straat ondanks de vegers
Sneeuw in de algoritmen van het systeem
Geeft altijd weer verkeerde conclusies
Daarom maakt niemand zich nog illusies
Over een nieuwe maar valse claim
Jean Hacquin
Her Sweet turn to leave the Homestead
Her Sweet turn to leave the Homestead
Came the Darker Way –
Carriages – Be Sure – and Guests – True –
But for Holiday
‘Twas more pitiful Endeavor
Than did Loaded Sea
O’er the Curls attempt to caper
It had cast away –
Never Bride had such Assembling –
Never kinsmen kneeled
To salute so fair a Forehead –
Garland be indeed –
Fitter Feet – of Her before us –
Than whatever Brow
Art of Snow – or Trick of Lily
Possibly bestow
Of Her Father – Whoso ask Her –
He shall seek as high
As the Palm – that serve the Desert –
To obtain the Sky –
Distance – be Her only Motion –
If ’tis Nay – or Yes –
Acquiescence – or Demurral –
Whosoever guess –
He – must pass the Crystal Angle
That obscure Her face –
He – must have achieved in person
Equal Paradise –
Emily Dickinson
Haar Lieve beurt om het Huis te verlaten
Sloeg een Donkerder Weg in –
Koetsen – Zeker Weten – en Gasten – Echt –
Maar voor een Feest
Was het een armzaliger Poging
Dan een Bruisende Zee doet
Om over de Krullen te springen
Die ze zelf heeft weggesmeten –
Nooit kreeg een Bruid zo’n Samenzijn –
Nooit knielden verwanten
Om zo’n prachtig Gezicht te begroeten –
Een Bloemenkrans zou zeker –
Beter bij haar voeten passen – vóór ons –
Dan welke Wimpers ook
Sneeuwkunst – of Fratsen met Lelies
Kunnen schenken
Wie ook Haar vraagt – aan Haar Vader –
Die moet zo hoog op zoek gaan
Als de Palmboom – dienaar van de Woestijn –
Om de hemel te bereiken –
Van veraf – komt Haar enige Reactie –
Of het nu Nee is – of Ja –
Instemming – of Afwijzing –
Voor wie het raadt –
Hij – moet de Kristallen Grens passeren
Die Haar gezicht verduistert –
Hij – moet persoonlijk bereiken
Hetzelfde Hemelse Paradijs –
Emily Dickinson
Publication – is the Auction
Publication – is the Auction
Of the Mind of Man –
Poverty – be justifying
For so foul a thing
Possibly – but We – would rather
From Our Garret go
White – Unto the White Creator –
Than invest – Our Snow –
Thought belong to Him who gave it –
Then – to Him Who bear
Its Corporeal illustration – Sell
The Royal Air –
In the Parcel – Be the Merchant
Of the Heavenly Grace –
But reduce no Human Spirit
To Disgrace of Price –
Emily Dickinson
Publiceren – is de Openbare Verkoop
Van de Menselijke Geest –
Moge Armoe – een excuus zijn
Voor zoiets smerigs
Goed mogelijk – maar Wij – zouden liever
Van Onze Zolder komen
In het Wit – naar de Witte Schepper –
Dan Onze Sneeuw – beleggen –
Gedachten behoren Hem toe die ze ingaf –
Daarna – aan Wie zijn Beeld
Belichaamt – Verkoop
De Koninklijke Lucht –
In een Doos – Wees de Handelaar
Van de Hemelse Genade –
Maar verlaag de Menselijke Geest niet
Tot een schandelijk prijskaartje.
Emily Dickinson
Absent Place – an April Day
Absent Place – an April Day –
Daffodils a’blow
Homesick curiosity
To the Souls that snow –
Drift may block within it
Deeper than without –
Daffodil delight but
Him it duplicate –
Emily Dickinson
‘n Verstilde Plek – op een Dag in April –
Ontluikende Narcissen
Nieuwsgierig Heimwee
Naar de Zielen die de sneeuwvlaag –
Van binnen kan verstoppen
Veel dieper dan buiten –
Een Narcis bekoort enkel
Wie zich hierin herkent –
Emily Dickinson
Zoals de sneeuw
Zachtjes op de takken valt
Zoals de sneeuw zachtjes
Aan een wimper hangt
Zoals de sneeuw vol verraad
Roekeloosheid straft
Zoals de sneeuw met droefheid slechts
Elk leven tart
Zoals de sneeuw van gisteren en vandaag
Zijn lot betreurt
Zoals de sneeuw die morgen overvloedig valt
Niets weet van willekeur
Zoals de sneeuw in sneeuwman sneeuwvrouw sneeuwmens
Niet spreken kan
Zoals de sneeuw zoals de sneeuw zoals de sneeuw zoals de sneeuw
Sneeuwt en sneeuwt
Jean Hacquin

I cannot be ashamed
I cannot be ashamed
Because I cannot see
The love you offer –
Magnitude
Reverses Modesty
And I cannot be proud
Because a Height so high
Involves Alpine
Requirements
And Services of Snow.
Emily Dickinson
Ik hoef me niet te schamen
Omdat ik de liefde
Die je aanbiedt niet kan zien –
De Grootsheid ervan
Doet elke Bescheidenheid teniet
En ik hoef niet trots te zijn
Want een Top die zo hoog is
Vereist Alpine
Uitrustingen
En Voorzieningen voor Sneeuw.
Emily Dickinson
It was not Saint – it was too large
It was not Saint – it was too large –
Nor Snow – it was too small –
It only held itself aloof
Like something spiritual –
Ze was geen Heilige – ze was te groot –
Ook geen Sneeuw – ze was te klein –
Ze bleef gewoon op afstand
Als iets spiritueels –
Emily Dickinson
The Sky is low – the Clouds are mean
The Sky is low – the Clouds are mean.
A Travelling Flake of Snow
Across a Barn or through a Rut
Debates if it will go –
A Narrow Wind complains all Day
How some one treated him
Nature, like Us is sometimes caught
Without her Diadem.
De Lucht is drukkend – de Wolken dreigend.
Een Dwarrelende Sneeuwvlok
Vraagt zich af of zij langs de Schuur
of door een Karrenspoor zal gaan –
Een Krappe Wind klaagt heel de Dag
Hoe men hem heeft behandeld
De Natuur wordt soms, net als Wij, betrapt
Zonder haar Kroon.
Emily Dickinson
Like Brooms of Steel
Like Brooms of Steel
The Snow and Wind
Had swept the Winter Street –
The House was hooked
The Sun sent out
Faint Deputies of Heat –
Where rode the Bird
The Silence tied
His ample – plodding Steed
The Apple in the Cellar snug
Was all the one that played.
Emily Dickinson
Net als Staalborstels
Hadden Sneeuw en Wind
De Winterstraat opgeveegd –
Het Huis was ingesloten
De Zon stuurde
Zwakke Vervanging van Warmte uit –
Waar Vogels zwierven
De Stilte hield
Zijn fors – ploeterend Paard in toom
De Appel in de behaaglijke Kelder
Was de enige die nog genoot.
Emily Dickinson
Sweet Skepticism of the Heart
Sweet skepticism of the Heart –
That knows – and does not know –
And tosses like a Fleet of Balm –
Affronted by the snow –
Invites and then retards the truth
Lest Certainty be sere
Compared with the delicious throe
Of transport thrilled with Fear –
De zoete scepsis van het Hart –
Dat weet – en niet weet –
Het deint als een Vloot van Balsem –
Belaagd door de sneeuw –
Waarheid uitnodigt en weer uitstelt
Opdat Zekerheid saai zal zijn
Vergeleken met de zalige wee
Van Huiveringwekkende extase –
Emily Dickinson
Of whom so dear
Of whom so dear
The name to hear
illumines with a Glow
as intimate – as fugitive
As Sunset on the snow –
Van wie zo dierbaar is
De naam te horen
Licht op met een Gloed
Even intiem – even vluchtig
Als een Zonsondergang in de sneeuw –
Emily Dickinson
No Brigadier throughout the Year
No Brigadier throughout the Year
So civic as the Jay –
A Neighbor and a Warrior too
With shrill felicity
Pursuing Winds that censure us
A Febuary Day,
The Brother of the Universe
Was never blown away –
The Snow and he are intimate –
I’ve often seen them play
When Heaven looked upon us all
With such severity
I felt apology were due
To an insulted sky
Whose pompous frown was Nutriment
To their temerity –
The Pillow of this daring Head
Is pungent Evergreens –
His Larder – terse and Militant –
Unknown – refreshing things –
His Character – a Tonic –
His Future – a Dispute –
Unfair an Immortality
That leaves this Neighbor out –
Emily Dickinson
Geen Generaal is het hele Jaar door
Zo burgerlijk als de Gaai –
Een Buur en een Krijger is het ook
Met schelle vrolijkheid
Jaagt op Winden die ons aan banden leggen
Op een Dag in Februari,
Wordt de Broeder van het Universum
Nooit omvergeblazen –
Sneeuw en hij zijn hecht met elkaar –
Ik heb ze vaak zien spelen
Toen de Hemel op ons allemaal neerkeek
Met zo’n gestrengheid dat
Ik me verplicht voelde excuses aan te bieden
Aan een beledigde hemel
Wiens arrogant fronsen Voeding was
Voor hun roekeloos gedrag –
Het Kussen van zijn stoere Hoofd
Blijft altijd penetrant Groen –
Zijn provisiekast – strak en militant –
Met vreemde – verfrissende dingen –
Zijn Karakter – een Tonicum –
Zijn Toekomst – een Dispuut –
Onrechtvaardig is de Onsterfelijkheid
Die deze Buur uitsluit –
Emily Dickinson
I did not reach Thee
I did not reach Thee
But my feet slip nearer every day
Three Rivers and a Hill to cross
One Desert and a Sea
I shall not count the journey one
When I am telling thee
Two deserts, but the year is cold
So that will help the sand
One desert crossed –
The second one
Will feel as cool as land –
Sahara is too little price
To pay for thy Right hand.
The Sea comes last – Step merry, feet,
So short we have to go –
To play together we are prone,
But we must labor now
The last shall be the lightest load
That we have had to draw.
The Sun goes crooked –
That is Night
Before he makes the bend
We must have passed the Middle Sea –
Almost we wish the End
Were further off
Too great it seems
So near the Whole to stand
We step like Plush
We stand like snow
The waters murmur new
Three rivers and the Hill are passed
Two deserts and the Sea!
Now Death usurps my Premium
And gets the look at Thee –
Emily Dickinson
Ik heb U niet bereikt
Maar elke dag sluipen mijn voeten dichterbij
Nog drie Rivieren en een Heuvel oversteken
Eén Woestijn en een Zee
Ik tel het niet als één reis
Wanneer ik u ervan vertel
Twee woestijnen, maar het jaar is koud
Dus dat is goed voor het zand
Eén woestijn heb ik doorkruist –
De tweede woestijn
Zal fris aanvoelen als land –
De Sahara is een te kleine prijs
Betalen voor uw Rechterhand.
’t Laatst komt de Zee – Stap vrolijk door, voeten,
Zo kort hebben we nog te gaan –
We willen liever samen spelen,
Maar nu moeten we ons inspannen
De laatste last die we moeten dragen
Zal het lichtste zijn.
De Zon draait weg –
De Avond valt zo
Voor hij de bocht omgaat
Moeten wij voorbij de Middelzee zijn –
Bijna wilden we dat het Einde
Verder weg zou zijn
Te groots lijkt het
Om zo dicht bij het Al te zijn
We stappen als Dons
We staan als sneeuw
De wateren ruisen als nieuw
Drie rivieren en de Heuvel zijn gepasseerd
Twee woestijnen en de Zee!
Nu pikt de Dood mijn Beloning in
En krijgt hij U te zien –
Emily Dickinson
[Gott mit uns!, glauben sie immer…]
Gott mit uns!, glauben sie immer,
wenn sie einander umhacken wie Holzfäller,
mit einem einzigen blutigen Säbelhieb,
auf die Fresse fallend im Schnee.
Glauben noch, dass ER mit ihnen sei,
wenn man sie in die Viehwaggons treibt
mit gezückten Kalaschnikows oder Macheten
(schwarze Nacht schwüle Baracke fette Läuse)
Beschwören IHn auf dem Weg zur Schlachtbank,
aufheulend im Hass, dass GOtt doch
bloss ihnen gehöre
und ihrer verdammten Gaunerbande
ER schon ganz fertig und abgekämpft
auf diesen Schlachtfeldern in allen Herzen,
auf denen SEine Liebe nur zu
Martern und Demütigung dient
ER hat nicht genug Arme, nicht genug Augen,
der Allmächtige, Allsehende, um
wenigstens diesmal SEinen Sohn anständig,
nicht als Gehenkten, als armseliges Arschloch,
sterben zu
Ich schreibe dies eher unanständige Pamphlet
voll Binsenweisheiten trotzdem
ohne echte Wehmut:
Sowieso ist ER doch allen verhasst,
sowieso erkennt IHN keiner mehr,
den letzten Soldaten in der Finsternis.
Elena Fanajlova
Aus dem Russischen übertragen von Brigitte Oleschinski

Zum Gedenken an meine Eltern
Sie kehrten heim, die Mutter erst, der Vater dann,
Zurück ins neunzehnneunundfünfzig.
Bezogen abermals das alte Haus,
In dem wir einstmals wohnten. Alles kam
Auf seinem angestammten Platz zu stehn.
Wie Zigarettenrauch in einem hohen Spiegel
Sich Unrecht auflöste und bittrer Streit,
Und müßig nunmehr, wer im Recht war,
Ja diese meine Jugend schwindet mit.
Und wieder ist die Zukunft uns verborgen.
Familie, die du ausgestorben,
Du bleibst von nun an unantastbar.
Und endlich passten sie dazu,
Wie ich sie liebte, als ich Kind war.
Die Mutter erst, danach der Vater,
Ins Kinderzimmer treten an mein Bett
Mir Gute Nacht zu wünschen, ehe
Nach nebenan sie eilen. Und von dort
Der Lärm von Stimmen dringt, Gerüche,
Das Gläserklirren, und natürlich Mjuda
Im Streitgespräch, wer weiß worüber
Und ich bin noch zu klein, um unter Mjudas Sarg
Die Schulter ungeschickt zu stemmen
Wie Jahre später, neunzehnneunzig.
Gedächtnis, lüge ohne Arg und unverdrossen:
Kein Zeuge ist mehr da, ich bin der letzte.
Des Schneesturms Tosen lass etwas verklingen,
Auf dass der Knirps von Freigeist
(Das Jungchen wissbegierig ist),
Das Ohr dicht an der Wand,
Begeistert seinem klugen Vater lauschen kann,
Der Mehrparteienwahlen lobt.
1991
Sergey Gandlevsky
Aus dem Russischen von Elisabeth Markstein
(Tsvet. Praktika)
город выбелило
в белила вляпаться всеми конечностями
и лицом
жжется
как смириться с телом готовым перемещаться
и расти
Lada Chizhova
“Color. Practice”
the snowed-in city is whitened
as if all limbs were plunged into white paint
and the face
it burns
and how to reconcile with a body ready to move
and grow up
Lada Chizhova

Теперь
всегда снега
Н. Б.
как снег Господь что есть
и есть что есть снега
когда душа что есть
снега душа и свет
а все вот лишь о том
что те как смерть что есть
что как они и есть
признать что есть и вот
средь света тьма и есть
когда опять снега
О-Бог-Опять-Снега
как может быть что есть
а на проверку нет
как трупы есть и нет
о есть Муляж-Страна
вопроса нет что есть
когда народ глагол
который значит нет
а что такое есть
при чём тут это есть
и Лик такой Муляж
что будто только есть
страна что Тьма-и-Лик
Эпоха-труп-такой
а есть одно что есть
когда их сразу нет
– о Бог опять снега! –
их нет как есть одно
лишь Мертвизна-Страна
есть так что есть и нет
и только этим есть
но есть что только есть
есть вихрь как чудом вмиг
нет Мёртвости-Страны
о Бог опять снега
душа снега и свет
о Бог опять снега
а будь что есть их нет
снега мой друг снега
душа и свет и снег
о Бог опять снега
и есть что снег что есть
1978
NUN IMMER SCHNEE
wie schnee o Herr der ist
und ist was schnee so ist
wenn seele ist was ist
viel schnee und seele licht
und immer nur von dem
das die wie tod der ist
dass der wie sie auch ist
was ist anerkennen ja und da
inmitten lichts ist dunkel auch
wenn wieder soviel schnee
O-Gott-Schon-Wieder-Schnee
wie kann was ist denn sein
zu überprüfen ist es nein
wie leichen sind und nicht
o es ist das Abguss-Land
gar keine frage dass es ist
wenn Volk das wort ist
das bedeutet nein
und dass so etwas ist
wozu ist das hier gut
und das Gesicht ein solcher Abguss ist
das scheinbar einzig ist
das land was Dunkel-und-Gesicht
die Epoche-solche-leiche
doch eines ist was ist
wenn sie aufs mal nicht sind
– o Gott schon wieder schnee! –
sie sind nicht wie das eine ist
bloss Totheits-Land
so ist’s dass ist und nicht
und nur deswegen ist’
doch ist was nichts als ist
ist es ein wirbelwind was wunder jäh
kein Sterblichkeits-Land mehr
o Gott schon wieder schnee
viel schnee und seele licht
o Gott schon wieder schnee
es sei dass er nicht sei
der schnee mein freund viel schnee
und seele licht und schnee
o Gott schon wieder schnee
und ist was schnee der ist
Gennadij Aigi
Übertragung von Felix Philipp Ingold
NACHT DES ERSTEN SCHNEES
nacht des ersten schnees wenn die schneebedeckten
telegrafenpfosten
sich scheinbar ein wenig vom weg entfernt
und ihre kolonne verloren haben
und jeder von ihnen
anführt
und die weißen streifen des schlagbaums
sich den schneeweißen
schwellen der gleise nähern welche
die horizontale verletzen
und etwas in der vertrauten gegend
an die unbekannte weite erinnert
und der linkisch gesetzte zaun am landhaus des dichters
an die umzäunung vor deinem fernen haus
aus deren dürre der tod der baume
unseres immergleichen lebens starrt
und das solange wir leben
sogar an die ewigkeit mahnen könnte
nacht des ersten schnees wenn
du nicht etwa glücklich nicht leicht sondern einfach frei bist
wie das nur möglich ist in der kindheit
und nur vor dem tode
und du bist frei weil du nicht einmal
deinen glauben verantworten mußt:
er lebt bereits außerhalb von dir sein eigenes leben
dort wo die weite anders begriffen wird
wie der vom schnee erhellte platz im landhaus
hinter den fensterscheiben
wo von dem starken licht am morgen
die schwache an sich begriffene frau
zu dir gehört weil sie dein glaube ist
der nicht mehr von dir abhängt
14
Gennadij Ajgi
HIER
wie ein dickicht im wald ist die von uns erwählte
art der schlupfwinkel
worin sich die menschen verbergen
das leben floh wie der weg in den wald nach innen
und die vokabel hier
scheint mir jetzt seine hieroglyphe
und sie bedeutet erde wie himmel
und das was im schatten ist
und das was wir mit den eigenen augen sehen
und das was ich in gedichten nicht mitteilen kann
und die auflösung der unsterblichkeit
ist nicht mehr als die auflösung
eines von kalter nacht beleuchteten strauches –
der weißen zweige über dem schnee
der schwarzen schatten auf dem schnee
hier antworten alle einer dem andern
in einer ursprünglich-hohen sprache
so wie ein lebensteilchen
dem unzerstörbaren teilchen daneben antwortet
hier im verstummten garten
an den gebrochenen zweigen
suchen wir nicht nach häßlichen klumpen harz
die aussehen wie die leidgeprüften gestalten
die den gekreuzigten an dem abend des unglücks umarmen
und wir kennen kein wort and kein zeichen
von denen das eine höher wär als das andre
hier leben wir und hier sind wir herrlich
und hier verstummend beschämen wir die wirklichkeit
und ist auch der abschied von ihr hart
so steckt sogar darin leben –
wie eine aus sich selbst
uns nicht hörbare kunde
und abgerückt van uns
wie das spiegelbild eines strauches im wasser
bleibt sie daneben
um später unsere platze
einzunehmen
damit die räume der menschen
nur lebensräume ersetzen
für ewig
18
Gennadij Ajgi
VORLÄUFIG
oh wir werden beide gelassen sein
wenn in den winternächten
die fenster schwärzer werden
vom schneesturm draußen
wir wissen ja noch
daß dort vor dem haus
der pflasterstein eine schramme hatte
die uns an Beethovens totenmaske erinnert hat
und wir wissen das ist so
seit der erschaffung der erde
und weiter am pfad – du weißt schon! – leuchtet der schnee
hinfällig blau
durch das konfektpapier
das jemand
in meiner kindheit festgetreten hatte
und vor dem haus brennt dieselbe
großartige laterne
die sich zur ruhe setzen möchte
die müde an der kreuzung leuchtet
zum letzten mal in erinnerung an ihre jugend
oh sage mir nicht – vorläufig – solange ich
an diese nachte zurückdenke
es gabe auch andere freude
erinnere nicht daran
daß irgendwo um die eisenbahnwagen an stillen tagen
der schneesturm wütet
der schneesturm auf den querbalken an den türen
der viehwaggons
als zögen magnetische felder
den schnee auf die fenster der eilzüge an
auch den schneewirbel
über der kälte der puffer!
und laß mich denken
an das größte geheimnis
an das wunder des plötzlich im gespräch
sich öffnenden fensters
wenn ich vergesse wovon ich sprach
und einen seltsam ermüdenden wunsch
zu weinen empfinde
und mich zu dir neigend worte sage
von denen die augen im dunkel
zu leuchten beginnen:
»schlafe
königin von Sparta«
Gennadij Ajgi
GARTEN IM DEZEMBER
irgendwo verbirgt er das tote feld
als sei es das einzige
noch zu schützende:
ich sage garten und sehe ihn nicht
oh besser sie zu verlassen
die nur sich selbst begreifen!
und unbeobachtet bleibt die bewegung des gesimses:
leichter lauf
der mause im stoppelfeld –
das unsichtbare breitet sich aus
wie die weißen steine Kareliens im traum:
oh bald
sich krängend!
und davoneilend
wie auf einer eisscholle:
finde ich zufällig mit dem nacken –
zum träumen nach jahresfrist und zur erinnerung –
einen jungfräulichen schemel
unterm abendschnee:
dem zierlichen
kindlichen
26
Gennadij Ajgi
SCHNEE
Vom nahen schnee
sind die blumen am fensterbrett seltsam.
Lächle mir wenigstens dafür,
daß ich die worte, die ich nie verstehen werde,
nicht sage.
Alles, was ich dir sagen kann, ist:
stuhl, schnee, wimpern, lampe.
Und meine hände
sind einfach und entlegen,
und die fensterrahmen
sind wie aus weißem papier geschnitten,
und hinter ihnen, dort
bei den laternen,
wirbelt der schnee
seit unserer kindheit.
Und er wird weiter wirbeln, solange man hier
deiner gedenken und mit dir sprechen wird.
Irgendwann hatte ich diese weißen flocken
wirklich gesehen,
hatte die augen geschlossen,
nun kann ich sie nicht mehr öffnen,
und nun wirbeln die weißen funken,
die ich
nicht anhalten kann.
II Gezeichneter Winter
1960-1961
Gennadij Ajgi
AUS DEM WINTERLICHEN FENSTER
der kopf,
von der heftigen bewegung eines jaguars,
und ich vergesse, umgewendet, die worte;
und ihre tiefen stellen
erfüllt angst,
schon längst erspäht
aus fenstern – durch – schneewehen – kreuz – quer
bis in die schwarzen tunnel;
und ich bin längst vernichtet
auf diesem ganzen weg,
van weitem, aus den torbogen
schlagen
die weißen klüfte im nebel
bis ins herz –
schrecklicher als das gesicht im schneesturm;
alles ist randvoll, und etwas enges regt sich leise
nicht abgegrenzt von mir,
wie mit robbenfloßen
mit nassen kragen und schweren zweigen;
es leuchtet, als wären die flossen
festgebunden von pfiffen und scheinwerfern;
und wenn, allmählich zerfallen,
dieser entkräftete raum
mich in der finsternis deutlich macht,
bin ich ganz
ausgesetzt hier zwischen den nebelmaßen –
etwas schmerzliches
und unaussprechlich eigenes,
wie die blauen spuren auf den schlüsselbeinen
Gennadij Ajgi
FRAU VON RECHTS
Ja dort, das sprechende,
mich verwundernde damit,
daß es sich haare wachsen läßt;
ja dort,
was zu fallen sich schämt und fallen konnte,
und die äpfel auf der schnur rotieren,
und die schnur ist dünn,
kühl;
dort – das »R«, dieses hohle »R«,
dieser kreis des erstaunlichen »R«,
dort die nadeln vom blut des jasmins,
dort
als wasche man den rentieren geweih und auge,
und hier, wo ich bin,
als lege man auseinander
rute für rute.
Wir werden einen schneesturm fordern,
damit er treibe
durch abgründe der vitrinen.
Ruft, ohne namen zu nennen,
als würfet ihr
weiße sich kreuzende linien.
Und dort, dort –
dieser rücken,
der mich wechselt wie das wild den wald,
und er ist, wie der totschlag, auch nicht hier,
und ist schrecklich losgerissen vom menschen
durch die benennung,
als schenkte man im traum
die eiserne gußform des kreuzwegs
und sagte, es sei die ewigkeit,
so wurde ich, glaubend, unglücklich,
und weine, weine, weine
in allen winkeln
meiner selbst.
Gennadij Ajgi
ASTERN AUF DEM TISCH
geknickt, leicht schaukelnd,
wie prallen sofort »gleißen – kaiser« aufeinander,
wie »eisen« aus einem buch am herbstlichen morgen
auf weißem blatt, und gleich – das herbstfeld,
pfade, pforten, siedlung;
und das weiß im gedächtnis: weiter als ich, hinter dem
rücken, kaum die schneewehen streifend,
werden wir hier nicht sehen, kennen es aber;
hier, wie unter der wolke ein zweig, der den sommer
auf dem dach des waggons verbrachte,
unerwartet gut und hell,
als verstecke man nach und nach
die bewegungen der mädchenkindheit
im winkel der wasserlinie.
Gennadij Ajgi
Les sept Vieillards
A Victor Hugo
Fourmillante cité, cité pleine de rêves,
Où le spectre en plein jour raccroche le passant!
Les mystères partout coulent comme des sèves
Dans les canaux étroits du colosse puissant.
Un matin, cependant que dans la triste rue
Les maisons, dont la brume allongeait la hauteur,
Simulaient les deux quais d’une rivière accrue,
Et que, décor semblable à l’âme de l’acteur,
Un brouillard sale et jaune inondait tout l’espace,
Je suivais, roidissant mes nerfs comme un héros
Et discutant avec mon âme déjà lasse,
Le faubourg secoué par les lourds tombereaux.
Tout à coup, un vieillard dont les guenilles jaunes
Imitaient la couleur de ce ciel pluvieux,
Et dont l’aspect aurait fait pleuvoir les aumônes,
Sans la méchanceté qui luisait dans ses yeux,
M’apparut. On eût dit sa prunelle trempée
Dans le fiel; son regard aiguisait les frimas,
Et sa barbe à longs poils, roide comme une épée,
Se projetait, pareille à celle de Judas.
Il n’était pas voûté, mais cassé, son échine
Faisant avec sa jambe un parfait angle droit,
Si bien que son bâton, parachevant sa mine,
Lui donnait la tournure et le pas maladroit
D’un quadrupède infirme ou d’un juif à trois pattes.
Dans la neige et la boue il allait s’empêtrant,
Comme s’il écrasait des morts sous ses savates,
Hostile à l’univers plutôt qu’indifférent.
Son pareil le suivait: barbe, œil, dos, bâton, loques,
Nul trait ne distinguait, du même enfer venu,
Ce jumeau centenaire, et ces spectres baroques
Marchaient du même pas vers un but inconnu.
A quel complot infâme étais-je donc en butte,
Ou quel méchant hasard ainsi m’humiliait?
Car je comptai sept fois, de minute en minute,
Ce sinistre vieillard qui se multipliait!
Que celui-là qui rit de mon inquiétude,
Et qui n’est pas saisi d’un frisson fraternel,
Songe bien que malgré tant de décrépitude
Ces sept monstres hideux avaient l’air éternel!
Aurais-je, sans mourir, contemplé le huitième,
Sosie inexorable, ironique et fatal,
Dégoûtant Phénix, fils et père de lui-même?
–Mais je tournai le dos au cortège infernal.
Exaspéré comme un ivrogne qui voit double,
Je rentrai, je fermai ma porte, épouvanté,
Malade et morfondu, l’esprit fiévreux et trouble,
Blessé par le mystère et par l’absurdité!
Vainement ma raison voulait prendre la barre;
La tempête en jouant déroutait ses efforts,
Et mon âme dansait, dansait, vieille gabarre
Sans mâts, sur une mer monstrueuse et sans bords!
Charles Baudelaire
Die sieben Greise
Victor Hugo gewidmet
Wimmelnde Stadt, Stadt die erfüllt von Träumen
Wo das Gespenst bei Tag antritt den Mann!
Geheimes schwillt gleich Säften wenn sie schäumen
In engen Gossen des Kolosses an.
An einem Morgen als in tristen Straßen
Die Häuser die im Nebel aufgereckt
Zu Dämmen wurden die ein Strombett fassen
Und, dieses Mimen würdiger Prospekt
Ein gelber Dunstkreis alles überschwemmte
Schritt ich vertieft – heroisch auszuharren
Mein Herz beredend das Ermüdung lähmte –
Die Vorstadt hin die dröhnte von den Karren.
Da stieg ein Greis in Lumpen die verblassen
Vom Ton der Wolken dieser gelben feuchten
Des Antlitz Gaben hätte regnen lassen
Ohn seiner Blicke höchst gemeines Leuchten
Vor mir empor. Sein Auge blickte schwer
Wie voller Galle; Frost fiel ihm vom Lid
Sein Bartwuchs welcher hart war wie ein Speer
Glich dem des Jüngers der den Christ verriet.
Er, nicht gekrümmt, zerbrochen, und sein Rücken
Lief gen den Schenkel im genauen Lot
So daß sein Stab der dies Bild sonder Lücken
Vollendete ihm Aussehn lieh und Trott
Des lahmen Tiers, des Juden auf drei Pfoten
Durch Schnee und Pfützen ging es unablässig
Als wate er mit seinem Schuh in Toten
Mir schien er nicht so fremde denn gehässig.
Ein gleicher folgte ihm: Bart Stock und Haar
Nichts unterschied den Sohn der gleichen Hölle
Und dies barocke greise Zwillingspaar
Schritt wie im Takt – wer weiß nach welcher Stelle?
Welch Anschlag war das der zum Ziel mich wählte
War’s hämischer Zufall der mich so verlachte
Daß siebenmal minutenweis ich zählte
Den grausen Alten der sich vielfach machte!
Mag wer da lächelt meiner bangen Qual
Wen brüderliche Schauder nicht befahren
Bedenken daß trotz völligem Verfall
Die sieben Ausgeburten ewig waren!
Konnt ohne Todesnot ich noch den achten
Den scheelen Sosias der sich drohend trug
Den eklen Phönix der sein eigner Sohn betrachten?
Doch ich entkehrte mich dem Höllenzug.
Rasend gleich Trunknen wenn sie doppelt schauen
Mein Haus gewann ich und verschloß mich drin
Krank und durchfroren, wirr vom Fieberbrauen
Wund vom Geheimnis und vom Widersinn!
Umsonst Vernunft zur Heimfahrt Segel pflanzte –
Sturm brach ihr Trachten mit gewaltger Hand
Und meiner Seele Kutter tanzte, tanzte
Mastlos auf wüsten Wogen ohne Land.
Charles Baudelaire
vertaling Walter Benjamin

ALTGEIGE
Für F. Drushinin
ein schwarzer vogel hat sich hierher verirrt
o heller mönch der wandelgänge
und krume schnee wie eine auszeichnung mit einem stern
losgerissen vom griffbrett
stürzen die bretter der dörfer zusammen
hier in dem längst verlassenen hof
and dem holz gefallen die verrenkungen des holzes
dem samt die stücke seide
und die saiten möchten sich lesbarer legen auf bücher
die der schnee vom dach erhellt
durch das fenster
Gennadij Ajgi
ÜBERSEEISCHER VOGEL
Für A. Wolkonskij
der unsichtbare abglanz eines vogelbildes
verletzt den in ängsten lebenden freund
und das kann kein mensch ändern
als wäre im system der erde
die kraft verankert die die nachtigall erschafft
als wäre in worten der außchluß des todes enthalten:
neigung – narbe – norden
und nebenan kommen und gehen
die die federn and die krallen unterscheiden
die die nägel und die haken und die pfosten kennen
die angstlos einer den anderen sehen
und man muß auf der straße morgens die kühle
van wanden und schneewehen auf den nacken nehmen
und die geheime formel der meise
diktiert das innige loblied auf alles
gelobt sei die weiße farbe – die anwesenheit gottes
in seinem versteck für die zweifel
gelobt die arme hauptstadt und das helle elend des
jahrhunderts
der schnee – der mit dem wesen der farblosigkeit –
gottes – gesicht – zerklüftet –
der lichte – engel – der angst
der farbe – des gesichts – des silbers
Gennadij Ajgi
VORWINTERLICHES REQUIEM
Zum Andenken an B. L. Pasternak
ich werde geleiten und stehenbleiben als stummer chor
den ganzen vorbestimmten tag in gottes weite
mit der bewegung des deutlichen wintertages
wie neben dem ruß
und die zeit schafft sich selbst
der schnee durch die welt getrieben wirbelt
an den klosterpforten
und nun scheinen mir die unvermeidlichen passanten
eine stütze van außen
der rang des jahrhunderts ist beschlossen
und der rang des ruhmes gebietet
sein gesicht der stille zuzuwenden
und nicht das buch sondern der atlas der leidenschaften
bleibt bewahrt auf dem tisch in der stille
und es ist als streifte das jahr die häuser leicht wie ruß
im alten jahrhundert als wären dort bücher aufgerissen
und jede seite beanspruchte
schnitt und falz für sich
durch meine ärmel
wo kälte wo dicht daneben das fenster ist und dahinter
schneewehen pforten häuser
Gennadij Ajgi
rots
er is haast geen ruimte meer
en niets wordt meer aanraakbaar
dan sneeuw en smeltend steen
ik wist nog niet
dat ik het zelf was, eeuwig
ongenaakbaar rots
langzamer dan sneeuw
smolt ik te traag
toen eindelijk mijn trots brak
kon geen van ons spreken
er is geen ruimte meer geen tijd
en niets wordt meer aanraakbaar
dan zachte steen en spijt
Klaske Havik
La servante au grand cœur dont vous étiez jalouse,
Et qui dort son sommeil sous une humble pelouse,
Nous devrions pourtant lui porter quelques fleurs.
Les morts, les pauvres morts, ont de grandes douleurs,
Et quand Octobre souffle, émondeur des vieux arbres,
Son vent mélancolique à l’entour de leurs marbres,
Certe, ils doivent trouver les vivants bien ingrats,
A dormir, comme ils font, chaudements dans leurs draps,
Tandis que, dévorés de noires songeries,
Sans compagnon de lit, sans bonnes causeries,
Vieux squelettes gelés travaillés par le ver,
Ils sentent s’égoutter les neiges de l’hiver
Et le siècle couler, sans qu’amis ni famille
Remplacent les lambeaux qui pendent à leur grille.
Lorsque la bûche siffle et chante, si le soir,
Calme, dans le fauteuil je la voyais s’asseoir,
Si, par une nuit bleue et froide de décembre,
Je la trouvais tapie en un coin de ma chambre,
Grave, et venant du fond de son lit éternel
Couver l’enfant grandi de son œil maternel,
Que pourrais-je répondre à cette âme pieuse,
Voyant tomber des pleurs de sa paupière creuse?
Charles Baudelaire
Die Schaffnerin voller Geduld die dein Argwohn betraf
Und die unterm dürftigen Rasen nun schlummert den Schlaf
Weißt du es nicht daß wir ihr Blumen schulden?
Schwer müssen all die armen Toten dulden
Und führt Oktober mit dem Blätterhauf
Trostlose Reigen auf den Gräbern auf
Wie sollten sie nicht herzlos schelten können
Die Lebenden die sich den Schlummer gönnen
Wenn sie in ihrer schwarzen Grübelnacht
In der kein Buhle und kein Zuspruch wacht
Den Wurm an ihren alten Knochen fühlen
Und Wasser die den Winterschnee verspülen
Und durch das Säkulum das hingeht flattern
Trotz Freund- und Sippschaft Fetzen an den Gattern.
Käme einst spät wenn die Holzglut sich neigt
Sie die sich still ihren Platz sucht und schweigt
Wenn im blauen Nachtfrost der Winterwende
Ich im Eck meines Zimmers gekauert sie fände
Die ernst ihr ewiges Bette verlassen
Das Kind das heranwuchs im Blick zu umfassen
Was könnt ich der armen Seele erwidern
Wenn ich weinen sie sähe aus hohlen Lidern?
Charles Baudelaire
vertaling Walter Benjamin
À MA GRAND-MÈRE
Bien des ans ont passé sur votre bon sourire,
Léger encor de grâce et d’ingénuité,
Il est le ruisseau clair où votre âme se mire,
Il est comme un rayon de la félicité.
Il est tranquille et pur comme la vieille estampe
Où le bon chevalier va conquérir l’azur,
Et comme la clarté sereine de la lampe,
Le soir, dans le jardin, sous le ciel clair-obscur.
Il est harmonieux comme une antique lyre,
Sur votre lèvre il naît, sur vos joues il s’étend
Et sur vos yeux fleuris encor des fleurs d’antan;
Et vos rides aussi, grand-mère, ont leur sourire…
J’aime vos vieux récits sans larmes ni soupirs
Que le flottant parfum de la lavande allège ;
Sur votre front les ans ont fait leur nid de neige
Avec des souvenirs…
Jules Supervielles
AAN MIJN GROOTMOEDER
Vele jaren zijn voorbijgegaan aan je vriendelijke glimlach,
Nog steeds stralend van gratie en onschuld,
Het is de heldere stroom waarin je ziel weerspiegeld wordt,
Het is als een straal van geluk.
Het is rustig en puur als de oude prent
Waar de goede ridder de azuurblauwe hemel verovert,
En als het serene licht van de lamp,
’s Avonds, in de tuin, onder de clair-obscur hemel.
Het is harmonieus als een oude lier,
Op je lippen ontspringt het, op je wangen verspreidt het zich,
En in je ogen, nog steeds bloeiend met bloemen van weleer;
En ook je rimpels, Grootmoeder, hebben hun glimlach…
Ik houd van je oude verhalen zonder tranen of zuchten,
Die verlicht worden door de aanhoudende geur van lavendel;
Op je voorhoofd hebben de jaren hun nest van sneeuw gemaakt,
Met herinneringen…
Jules Supervielles
vertaling Google translate
LE POMMIER
À force de mourir et de n’en dire rien
Vous aviez fait* un jour jaillir, sans y songer,
Un grand pommier en fleurs au milieu de l’hiver
Et des oiseaux gardaient de leurs becs inconnus
L’arbre non saisonnier, comme en plein mois de mai,
Et des enfants joyeux de soleil et de brume
Faisaient la ronde autour, à vivre résolus.
Ils étaient les témoins de sa vitalité.
Et l’arbre de donner ses fruits sans en souffrir
Comme un arbre ordinaire, et, sous un ciel de neige,
De passer vos espoirs de toute sa hauteur.
Et son humilité se voyait de tout près.
Oui, craintive, souvent, vous vous en approchiez.
Jules Supervielles
302
DE APPELBOOM
Door te sterven en niets te zeggen,
had je op een dag, zonder erbij na te denken, een grote appelboom doen ontspruiten, midden in de winter.
En vogels bewaakten de boom op dit ongebruikelijke moment met hun onbekende snavels, alsof het mei was,
en kinderen, vrolijk in de zon en de mist,
omsingelden hem in een kring, vastberaden in het leven.
Zij waren getuigen van zijn vitaliteit.
En de boom droeg zijn vruchten zonder te lijden,
als een gewone boom, en onder een besneeuwde hemel,
overtrof hij je verwachtingen met zijn volle hoogte.
En zijn nederigheid was van dichtbij duidelijk.
Ja, vaak, angstig, naderde je hem.
Jules Supervielle
302
Google translate
Cette main sur la neige
Que fait-elle si seule’
Et si désespérée
D’avoir à se suffire
s Dans cette aridité.
L’on voit bouger ses doigts
De main abandonnée
Et pourtant elle est tiède
Comme pour d’autres mains.
Qu’espère-t-elle encore
Parmi cette chaleur
Qui ne peut plus s’éteindre
Et ne sait rien du cœur
Qui la lui a donnée?
Jules Supervielles
319
Deze hand in de sneeuw
Wat doet ze hier zo alleen?
En zo wanhopig?
Moet ze voor zichzelf zorgen?
In deze dorre vlakte?
Je ziet haar vingers bewegen
Van een verlaten hand
En toch is ze warm
Zoals andere handen.
Waar hoopt ze nog op?
Temidden van deze hitte
Die niet meer te doven is
En die niets weet van het hart
Dat haar die hitte gaf?
Jules Supervielles
319
Google translate

LES VIEUX AIRS
Les vieux airs béquilleux, rouillés et chevrotants,
Sont comme des bouquets de tristes fleurs fanées,
Qui n’ont pas de parfums âcres et pénétrants,
Mais qui portent en eux le parfum des années.
Invalides fluets, butant à chaque pas,
Ils s’en vont fredonnant, ridés, mais jamais las,
Un peu de flamme encor réchauffe leur voix grêle,
Une ardeur ingénue en leurs chants étincelle.
Chemineaux nasillards, chanteurs parcheminés, ?
Marchant toujours vers l’horizon que rien n’abrège,
Ils grelottent neigeux sous l’éternelle neige,
Cadençant les chansons avec leur maigre nez.
Je vous aime, airs naïfs, dont l’âme douce rôde
Comme une fleur vieillotte errant au jeu des vents ;
Vous mêlez à la cendre immense du vieux temps,
L’intime odeur du bois sur la braise encore chaude!
Jules Supervielle
28
OUDE MELODIEËN
De oude, roestige, trillende melodieën,
Zijn als boeketten van droevige, verwelkte bloemen,
Die geen scherpe, doordringende geur hebben,
Maar die de geur van jaren in zich dragen.
Broze zieken, struikelend bij elke stap,
Ze neuriën, gerimpeld, maar nooit moe,
Een klein vlammetje verwarmt nog steeds hun dunne stemmen,
Een naïeve hartstocht fonkelt in hun liederen.
Neusachtige zwervers, perkamentachtige zangers,
Altijd marcheren ze naar de horizon die niets verkort,
Ze rillen, besneeuwd onder de eeuwige sneeuw,
Tikken de liederen uit met hun dunne neuzen.
Ik hou van jullie, naïeve melodieën, wier zachte ziel ronddwaalt
Als een ouderwetse bloem die meedrijft met de wind;
Jullie vermengen je met de immense as van vervlogen dagen,
De intieme geur van hout op nog warme sintels!
Jules Supervielle
28
Google translate

LA PAMPA
(Impressions d’Amérique)
LA QUINTA
Dans le matin, léger comme un vol d’hirondelles,
S’ouvrent éblouissants les cerisiers ailés,
Et les orangers lourds de leurs sèves nouvelles
Ruissellent sous le flot des fruits ensoleillés.
Du gazon lisse et frais qui veloute la terre,
Comme une source, un long palmier monte au ciel pur,
Dans un frémissement de subtile lumière,
Il se dresse, et son front chancelle sous l’azur.
Sur le feuillage épais, les camélias blancs
Ont l’orgueil de l’hermine et des neiges lointaines,
Et les œillets de sang, pourpre ivresse des plaines,
Près des sentiers poudreux vibrent intensément.
Un vieil ombú plus murmurant qu’une forêt,
Malgré ses ans se trouble au familier sourire
Du matin, et l’on voit se dorer son sommet
Où le jeune soleil se mire…
Un saule harmonieux médite un rêve obscur,
Pêcheur d’illusions sur des rives taries,
Le ciel passe au travers de ses branches jaunies
Et semble le fleurir de longues fleurs d’azur…
Jules Supervielle
34
DE PAMPA
(Impressies van Amerika)
LA QUINTA
In de ochtend, licht als een zwerm zwaluwen,
barsten de gevleugelde kersenbomen in een oogverblindende bloei,
en de sinaasappelbomen, zwaar van hun nieuwe sap,
golven onder de stroom zonovergoten vruchten.
Vanuit het zachte, frisse gras dat de aarde fluweelachtig bedekt,
als een bron rijst een hoge palmboom op naar de heldere hemel,
in een subtiele glinstering van licht,
staat hij fier overeind en buigt zijn kruin onder het azuurblauw.
Tegen het dichte gebladerte hebben de witte camelia’s
de trots van hermelijn en verre sneeuw,
en de bloedrode anjers, de karmozijnrode roes van de vlakten,
trillen intens langs de stoffige paden.
Een oude ombú, die meer ruist dan een bos,
Ondanks zijn jaren, ontwaakt bij de vertrouwde glimlach
Van de ochtend, en men ziet zijn top verguld
Waar de jonge zon weerkaatst…
Een harmonieuze wilg mediteert over een duistere droom,
Visser van illusies op droge oevers,
De hemel trekt door zijn vergeelde takken
En lijkt hem te versieren met lange azuurblauwe bloesems…
Jules Supervielle
34
ADIEU À L’«ESTANCIA »
Partout où nous vivons notre Rêve s’attache
Par un lien étroit, invisible mais fort,
Un voyage soudain trouve en nous un cœur lâche,
Et nous sentons qu’il neige au loin sur notre sort’..
Il nous faut, pour quitter les lieux où nous vécûmes,
Déchirer quelque chose au moment de partir;
Tout à coup nous avons comme un grand repentir,
Comme si nous quittions le soleil pour les brumes.
Adieu, chardons fleuris, azur frais des pampas,
Bois lointains que l’aurore inondait d’espérance,
Et familier jardin où tout sera silence,
Jardin des souvenirs et des blonds mimosas !
Adieu, ma meule d’or comme une grappe mûre
Que le bœuf, sous le joug, regarde tout rêveur,
Chaumine qui t’ouvrais, l’été, fraîche et obscure,
Et qui pendant l’hiver es chaude comme un cœur!
Mes chers eucalyptus, il est tard, je vous quitte,
Adieu, mes vieux amis au feuillage profond,
Vous, le parfum léger et l’âme de ce site,
Je vous laisse mon Rêve épars sur votre front…
Jules Supervielle
36
VAARWEL AAN DE “ESTANCIA”
Waar we ook wonen, onze droom kleeft aan ons
Door een hechte, onzichtbare maar sterke band,
Een plotselinge reis brengt een laf hart in ons naar boven,
En we voelen de verre sneeuwval op ons lot.
Om de plaatsen te verlaten waar we ooit woonden, moeten we
Iets verscheuren op het moment van vertrek;
Plotseling voelen we een groot berouw,
Alsof we de zon verlaten voor de mist.
Vaarwel, bloeiende distels, fris azuur van de pampa’s,
Verre bossen die bij zonsopgang overspoeld werden met hoop,
En vertrouwde tuin waar alles stil zal zijn,
Tuin van herinneringen en gouden mimosa’s!
Vaarwel, mijn gouden molensteen, als een rijpe druif,
Moge de os, onder het juk, dromerig naar je kijken,
Rieten huisje dat zich in de zomer voor je opende, koel en donker,
En dat in de winter warm is als een hart!
Mijn lieve eucalyptusbomen, het is laat, ik neem afscheid van jullie,
Vaarwel, mijn oude vrienden met jullie weelderige bladeren,
Jullie, de lichte geur en de ziel van deze plek,
Ik laat mijn droom achter, verspreid over jullie voorhoofd…
Jules Supervielle
36
Google translate
VOYAGE EN SOI
Ô Souvenirs, neigez avec mansuétude !
J. S.
J’aurai flâné ma vie, incertaine rivière,
Visitant bois, ravins, villes au gré du sort,
Et, sans jamais pouvoir retourner en arrière,
Un jour, j’arriverai, surpris, au seuil de Mort.
Puissé-je alors, brillant d’une ultime lumière,
Riche de tous les ciels que j’aurai reflétés,
Avoir le calme élan des larges estuaires
Dans la pompe des fins d’été !
Jules Supervielle
51
EEN REIS NAAR BINNEN
O Herinneringen, sneeuw met zachtheid
J.S.
Ik zal mijn leven hebben gezworven, een onzekere rivier,
Bosjes, ravijnen en steden bezoekend naar de grillen van het lot,
En, zonder ooit terug te kunnen keren,
Zal ik op een dag, verrast, aankomen op de drempel van de Dood.
Mag ik dan, stralend met een laatste licht,
Rijk aan alle luchten die ik heb weerspiegeld,
De kalme vaart van brede riviermondingen ervaren
In de pracht van de late zomer?!
Jules Supervielle
51
Google translate
LE MARCHAND D’ORANGES
À Alfonso Broqua.
L’ORANGE
Dans quelle bouche finirai-je
Sous quelles dents,
Couleur de neige
Ou de tabac ?
À l’épaule un bâton d’où pendent deux paniers,
Compacts de la rondeur poreuse des oranges,
Va le Napolitain aux pieds nus, routiniers,
L’orteil durci au choc des cailloux qu’il dérange.
À d’autres il laissa le soin aventureux
De s’enrichir d’un coup dans un métier étrange;
Pour hâter la fortune au dessein ténébreux
Il ne risquera pas même une peau d’orange…
Quand il a parcouru les quais d’un pied tardif,
Il s’assied sous un porche aux fraîches bienveillances,
Puis, ayant bâillé dru pour prendre conscience,
Il compte un billon noir de son index oisif.
C’est l’heure où, chaque jour, et sur un seuil prochain,
Pèle son déjeuner le marchand de bananes,
Et l’on se plaît à voir, sous un ciel si lointain,
Voisiner à nouveau Campanie et Toscane…
LE MARCHAND
Nous monnayons l’or des oranges
Dont notre lourd panier regorge.
L’ORANGE
Il importe que je me venge
À coups de pépins dans la gorge.
Jules Supervielle
105
DE SINAASAPPELHANDELAAR
Aan Alfonso Broqua.
DE SINAASAPPEL
In wiens mond zal ik belanden?
Tussen wiens tanden,
De kleur van sneeuw
Of tabak?
Over zijn schouder een stok waaraan twee manden hangen,
Compact met de poreuze rondheid van sinaasappels,
Gaat de blootsvoetse Napolitaan, gewend aan routine,
Zijn tenen verhard door het gedreun van de kiezels die hij opwervelt.
Aan anderen heeft hij de avontuurlijke taak overgelaten
Om in één nacht rijk te worden in een vreemde handel;
Om zijn fortuin te bespoedigen met een duister plan,
zal hij zelfs geen sinaasappelschil riskeren…
Wanneer hij met een trage pas over de kades heeft gelopen,
gaat hij neer onder een portiek met zijn koele welwillendheid,
Dan, nadat hij diep heeft geeuwend om weer bij bewustzijn te komen,
telt hij een zwarte miljard met zijn nutteloze wijsvinger.
Het is het uur waarop, elke dag, bij het naderen van de drempel,
De bananenverkoper zijn lunch pelt,
En wij ons verheugen in het zien, onder zo’n verre hemel,
Campanië en Toscane weer naast elkaar…
DE HANDELAAR
We verhandelen het goud van sinaasappels
Waarmee onze zware mand uitpuilt.
DE SINAASAPPEL
Het is belangrijk dat ik wraak neem
Met stoten van pitten in de keel.
Jules Supervielle
105
Nous sommes là tous deux comme devant la mer
sous l’avance saline des souvenirs.
De ton chapeau aérien à tes talons presque pointus
tu es legere et parcourue
comme si les oiseaux striés par la lumière de ta patrie
remontaient le courant de tes rêves.
Tu voudrais jeter des ponts de soleil entre des pays que
séparent les océans et les climats,
et qui s’ignoreront toujours.
Les soirs de Montevideo ne seront pas couronnés de
célestes roses pyrénéennes?
les monts de Janeiro toujours brûlants et jamais consu-
més ne pâliront point sous les doigts délicats de la
neige française,
et tu ne pourras entendre, si ce n’est en ton cœur, la
marée des avoines argentines,
ni former un seul amour avec tous ces amours qui échelonnent ton âme,
et dont les mille fumées ne s’uniront jamais dans la torsade d’une seule fumée.
Que tes paupières rapides se résignent, ô désespérée de
l’espace !
Ne t’afflige point, toi dont le tourment ne remonte pas
comme le mien, jusqu’aux âges qui tremblent derrière
les horizons,
tu ne sais pas ce qu’est une vague morte depuis trois
mille ans, et qui renaît en moi pour périr encore,
ni l’alouette immobile depuis plusieurs décades qui devient
en moi une alouette toute neuve,
avec un cœur rapide, rapide,
pressé d’en finir,
ne t’afflige point, toi qui vois en la nuit une amie qu’émerveille ton sourire aiguisé par la chute du jour,
la nuit armée d’étoiles innombrables et grouillante de
siècles,
qui me force pour en mesurer la violence,
San Bernardino
à renverser la tête en arrière
comme font les morts, mon amie,
comme font les morts.
Juillet 1920.
Jules Supervielle
132
We zijn hier samen, alsof we voor de zee staan,
onder de zilte opmars van herinneringen.
Van je luchtige hoed tot je bijna spitse hakken,
ben je licht en doorkruist,
alsof vogels, door het licht van je thuisland voortgestuwd, in je dromen tegen de stroom in zwemmen.
Je zou graag bruggen van zonlicht willen bouwen tussen landen
gescheiden door oceanen en klimaten,
en die voor altijd onwetend van elkaar zullen blijven.
Zullen de avonden van Montevideo niet gekroond worden met
hemelse Pyreneese rozen?
Zullen de bergen van Janeiro, eeuwig brandend en nooit verteerd,
niet verbleken onder de tere vingers van
Franse sneeuw,
en zul je, behalve in je hart, het
tij van Argentijnse haver niet kunnen horen,
noch één enkele liefde vormen met al die liefdes die je ziel omspannen,
en waarvan de duizend slierten zich nooit zullen verenigen in de draaiing van één enkele rookpluim?
Laat je snelle oogleden zich neerleggen bij de situatie, o wanhopige ziel van
de ruimte! Treur niet, jij wiens kwelling niet teruggaat
zoals de mijne, tot de eeuwen die achter de
horizonnen sidderen,
jij weet niet wat een golf is die drieduizend jaar dood is,
en die in mij herboren wordt om vervolgens weer te vergaan,
noch de leeuwerik die tientallen jaren roerloos is en
in mij een gloednieuwe leeuwerik wordt,
met een snel, snel hart,
verlangend om er een einde aan te maken,
treur niet, jij die in de nacht een vriend ziet die jouw glimlach, verscherpt door de val van de dag, bewondert,
de nacht gewapend met talloze sterren en wemelend van
eeuwen,
die mij, om haar geweld te meten,
San Bernardino,
dwingt mijn hoofd achterover te gooien,
zoals de doden doen, mijn vriend,
zoals de doden doen.
Juli 1920.
Jules Supervielle
Google translate
132
APPARITION
A Max Jacob.
Où sont-ils! les points cardinaux,
Le soleil se levant à l’Est,
Mon sang et son itinéraire
Prémédité dans mes artères?
Le voilà qui déborde et creuse,
Grossi de neiges et de cris
Il court dans des régions confuses ;
Ma tête qui jusqu’ici
Balançait les pensées comme branches des îles,
Forge des ténèbres crochues.
Ma chaise que happe l’abime
Est-ce celle du condamné
Qui s’enfonce dans la mort avec toute l’Amérique?
Qui est là? Quel est cet homme qui s’assied à notre
table
Avec cet ait de sortir comme un trois-mâts du brouillard,
Ce front qui balance un feu, ces mains d’écume marine
Et couverts les vêtements par un morceau de ciel noir?
A sa parole une étoile accroche sa toile araigneuse,
Quand il respire il déforme et forme une nébuleuse.
Il porte, comme la nuit, des lunettes cerclées d’or
Et des lèvres embrasées où s’alarment des abeilles.,
Mais ses veux, sa voix, son cœur sont d’un entant a
l’aurore.
Quel est cet homme dont l’âme fait des signes solennels?
Voici Pilar, elle m’apaise, ses yeux déplacent le mystère’
Elle a toujours derrière elle comme un souvenir de
famille
Le soleil de l’Uruguay qui secrètement pour nous brille,
Mes enfants et mes amis, leur tendresse est circulaire
Autour de la table ronde, fière comme l’univers ;
Leurs frais soutires s’en vont de bouche en bouche
Prisonniers les uns des autres, ce sont couleurs d’arc-en-
ciel.
Et comme dans la peinture de Rousseau le douanier,
Notre tablée monté au ciel voguant dans une nuée.
Nous chuchotons seulement tant on est près des étoiles,
Sans cartes ni gouvernail, et le ciel pour bastingage.
Comment vinrent jusqu’ici ces goélands par centaines
Quand déjà nous respirons un angélique oxygène.
Nous cueillons et recueillons du céleste romarin,
De la fougère affranchie qui se passe de racines,
Et comme il nous est poussé dans l’air pur des ailes
longues
Nous mêlons notre plumage à la courbure des mondes.
Jules Superviell
163
VERSCHIJNING
Aan Max Jacob.
Waar zijn ze! De windrichtingen,
De zon die opkomt in het oosten,
Mijn bloed? En zijn pad
Voorbestemd in mijn aderen?
Daar is het, overstromend en gravend,
Gezwollen van sneeuw en kreten
Het stroomt door verwarde gebieden;
Mijn hoofd, dat tot nu toe
Gedachten schudde als takken van eilanden,
Smeedt haakvormige duisternis.
Mijn stoel, verzwolgen door de afgrond,
Is het die van de veroordeelde
Die met heel Amerika in de dood zinkt?
Wie is daar? Wie is deze man die aan onze
tafel zit
Met die uitstraling alsof hij als een driemastschip uit de mist tevoorschijn komt,
Dat voorhoofd dat een vuur zwaait, die handen van zeeschuim
En bedekt met een stuk zwarte hemel?
Op zijn woord hangt een ster zijn spinnenweb,
Als hij ademt vervormt hij en vormt hij een nevel.
Hij draagt, net als de nacht, een bril met gouden montuur
En vurige lippen waar bijen alarmerend zoemen.
Maar zijn ogen, zijn stem, zijn hart zijn die van een kind bij
de dageraad.
Wie is deze man wiens ziel plechtige gebaren maakt?
Hier is Pilar, ze troost me, haar ogen verdrijven het mysterie
Ze draagt altijd achter zich, als een familieherinnering
De Uruguayaanse zon die in het geheim voor ons schijnt,
Mijn kinderen en mijn vrienden, hun tederheid is circulair
Rond de ronde tafel, trots als het universum;
Hun frisse slokjes gaan van mond tot mond
Gevangenen van elkaar, zijn ze de kleuren van een regenboog.
En net als in Rousseaus schilderij, de douanebeambte,
stijgt onze tafel op naar de hemel, varend in een wolk.
We fluisteren slechts, zo dicht zijn we bij de sterren,
Zonder kaarten of roer, en de hemel als onze reling.
Hoe zijn deze meeuwen hier met honderden gekomen,
Terwijl we al engelachtige zuurstof inademen?
We plukken en verzamelen hemelse rozemarijn,
van de vrijgeestige varen die geen wortels nodig heeft,
en terwijl lange vleugels groeien in de zuivere lucht,
vermengen we ons verenkleed met de ronding van de wereld.
Jules Supervielle
163
Google translate
ÉQUATEUR
(Chœurs d’une exposition coloniale.)
Pour Jacques Benoist-Méchin.
Colonies, ô colonies, ardeurs volantes,
Éloignez de ma mémoire
L’hiver blafard et sans yeux qui tâtonne à coups de neige,
Le sépulcral alignement des réverbères
Sous les longues pluies citadines,
Notre vieux ciel quadrillé d’immeubles avec ses larges
Rafales de mélancolies !
Qui vive? Cérès qui passa les mers sur la dernière trirème,
La Cérès coloniale;Elle s’élance brunie parmi les herbes barbues
Et ses monstres agricoles à vapeur,
La déesse renouvelée.
Comme ses jeunes yeux sont pleins de cadeaux legers,
Comme elle lance les hirondelles bicolores
De son agreste corbeille qui sent encore l’oseraie!
BLÉ
Une douceur dorée circule dans les champs de la déesse
Et nos pas sont prisonniers de sa longue chevelure,
Les hautes moissons s’emplissent de son délice, de son
bonheur
Qui vat de l’Olympe antique à la pointe des blés mûrs,
Traversant légèrement tous les siècles, les terrestres, les
marins,
Et les siècles aériens qui s’accrochent aux sommets.
Ô murmure millénaire où les patients épis
Trament une même harmonie.
SUCRE
Les hautes cannes, les cannes murmurent
Sous les lèvres du vent altéré
Qui fait mine, allongé, de dormir
Retenu par les douceurs feuillues.
Se pourrait-il que tant de poésie
Se fragmente rectangulaire
Dans toutes les tasses du monde
Pour donner aux lèvres des hommes
Le goût du miel et du soleil
Et des chaudes géographies ?
SOIE
Le bombyx dans le cocon sécrète des robes de bal
Et des cravates à pois
Sous la chaleur du ciel d’Asie,
Dictateur des métamorphoses.
De la chenille soyeuse se déroule au loin le voile
Qui fera le tour de la Terre
Pour la désigner dans l’espace
Aux matelots du firmament.
CAFÉ
« Me voici la lance levée
Entourant d’un tonnerre noir
Le cœur torride qui m’embrase!
J’exulte et fais lever de gros soleils en pleine nuit
Que je conduis en troupeaux,
Ou je colore les ténèbres
Avec de légers arcs-en-ciel,
Précurseurs de cent jeunes filles créoles sous le madras.»
RHUM
C’est un navire qui brûle dans un havre de cristal,
Cent mille anges
Accourent du fond du ciel vers la torsade fumante.
Le ciel bouge et se soulève au vent des plantations
aériennes
Et se colonise
Pour des récoltes sans prix.
Équateur
C’est lui, le rhum, qui fiance le réel avec le songe
Et couronne le désir ;
C’est lui qui réconcilie le futur et le passé;
Sous son regard tout devient facile cérémonie
Avec assistance ardente.
Et pour une même ronde
Anges et demons se hâtent de se saisir par la main.
Colonies, ô colonies,
Poussez votre ciel pur vers le Septentrion!!
Jules Supervielle
219-221
ECUADOR
(Refrein uit een koloniale tentoonstelling.)
Voor Jacques Benoist-Méchin.
Koloniën, oh koloniën, vluchtige passies,
Uit mijn geheugen gewist
De bleke, oogloze winter tastend in het sneeuw,
De grafachtige rij straatlantaarns
Onder de lange stadsregens,
Onze oude hemel doorkruist met gebouwen en brede
Tijdens melancholieke vlagen!
Wie gaat daarheen? Ceres, die de zeeën overstak op de laatste trireme,
Koloniale Ceres; Ze springt tevoorschijn, glanzend, tussen het baardgras
En haar stoomgedreven landbouwmonsters,
De vernieuwde godin.
Hoe haar jonge ogen vol licht zijn,
Hoe ze de tweekleurige zwaluwen lanceert
Uit haar rustieke mand die nog steeds naar wilg ruikt!
TARWE
Een gouden zoetheid stroomt door de velden van de godin
En onze stappen worden gevangen gehouden door haar lange haar,
De hoge oogsten vullen zich met haar vreugde, haar
geluk
Dat zich uitstrekt van de oude Olympus tot de toppen van de rijpe tarwe,
Licht door alle eeuwen heen, de aardse, de
zeegebonden,
En de luchtige eeuwen die zich vastklampen aan de toppen.
O duizendjarig gemurmel waar de geduldige korenaren
Een enkele harmonie weven.
SUIKER
De hoge rietstengels, de rietstengels murmelen
Onder de lippen van de dorstige wind
Die doet alsof hij slaapt, liggend,
Tegengehouden door de bladerrijke zoetheid.
Zou het kunnen dat zoveel poëzie
Verbrokkelt in rechthoekige vormen
In alle bekers van de wereld
Om de lippen van de mensen
De smaak van honing en zonneschijn te geven
En warme landschappen?
ZIJDE
De zijderups scheidt in haar cocon baljurken af
En stropdassen met stippen
Onder de hitte van de Aziatische hemel,
Dictator van metamorfoses.
Uit de zijden rups ontvouwt zich in de verte de sluier
Die de aarde zal omcirkelen
Om haar in de ruimte aan te wijzen
Aan de zeelieden van het firmament.
KOFFIE
“Hier sta ik, met opgeheven lans
Omringend met zwarte donder
Het vurige hart dat mij in vuur en vlam zet!
Ik juich en verhef grote zonnen in het holst van de nacht
Die ik in kuddes leid,
Of ik kleur de duisternis
Met lichte regenbogen,
Voorlopers van honderd Creoolse meisjes onder de madras.”
RUM
Het is een schip dat brandt in een kristallen haven,
Honderdduizend engelen
Snellen vanuit de diepten van de hemel naar de rokende spiraal.
De hemel roert zich en stijgt op in de wind van de luchtige plantages
En koloniseert zichzelf
Voor onbetaalbare oogsten. Evenaar
Hij is het, Rum, die de werkelijkheid met dromen verenigt
En het verlangen bekroont;
Hij is het die de toekomst en het verleden verzoent;
Onder zijn blik wordt alles een gemakkelijke ceremonie
Met vurige aanwezigheid.
En voor dezelfde dans
Haasten engelen en demonen zich om elkaar bij de hand te nemen.
Koloniën, oh koloniën,
Duw jullie zuivere hemel naar het Noorden!!
Jules Supervielle
219-221
Google translate
CHANT TRISTE POUR JEAN ANGELI
À Henri Pourrat.
Le soir regarde au loin
Pour étouffer sa plainte,
Le ciel poursuit sa route to
Et Jean baisse la tête
Sous l’étoile qui pointe.
Donnez-lui votre main
Il est le pire aveugle,
Ayant baissé les yeux
ni Il ne peut les lever.
Il ne sait comment faire
Pour aller jusqu’au jour
Qui va toucher la tour
De l’église d’Ambert.
Les morts sont maladroits
Et gênés par les astres.
Bonne absence du vent
Pour des gestes timides.
Au loin, de cime en cime,
Un peu de neige attend
Qu’Angeli la devine.
C’est bien son tour de vivre
Et de nous regarder
D’aller à sa fenêtre
Et d’ouvrir les volets.
C’est bien son tour de suivre
Un petit son idée,
De voir passer un lièvre
Vite dans la forêt.
Jean l’Olagne, n’as-tu
Déjà trop attendu ?
Mais je tremble pour toi
Qui ne peux plus trembler’
Jules Supervielle
265
Een droevig lied voor Jean Angeli
Voor Henri Pourrat.
De avond staart in de verte
Om haar klaagzang te smoren,
Vervolgt de hemel zijn reis
En Jean buigt zijn hoofd
Onder de rijzende ster.
Geef hem je hand
Hij is de blindste man,
Omdat hij zijn ogen heeft neergeslagen
en hij ze niet meer kan opheffen.
Hij weet niet hoe hij de dag moet bereiken
Die de toren zal raken
Van de kerk in Ambert.
De doden zijn onhandig
En gehinderd door de sterren.
Gelukkige afwezigheid van de wind
Voor timide gebaren.
In de verte, van top tot top,
Wacht een beetje sneeuw
Op Angeli om het te voelen.
Het is inderdaad zijn beurt om te leven
En naar ons te kijken
Om naar zijn raam te gaan
En de luiken te openen.
Het is inderdaad zijn beurt om te volgen
Een klein idee,
Om een haas te zien rennen
Snel door het bos.
Jean l’Olagne, heb je niet al
te lang gewacht?
Maar ik beef voor jou
die niet langer kan beven
Jules Supervielle
265
vertaling Google translate
Le soleil parle bas
A la neige et l’engage
A mourir sans souffrir
Comme fait le nuage.
Quelle est cette autre voix
Qui me parle et m’engage?
Même au fort de l’hiver
Serait-ce la chaleur
Qui fait tourner la Terre
Toujours d’un même cœur,
Et, pour me rassurer,
Dans toutes les saisons
Se penche à mon oreille
Et murmure mon nom?
Jules Supervielle
290
De zon spreekt zachtjes
Tegen de sneeuw en spoort haar aan
Zonder lijden te sterven
Zoals de wolk doet.
Wat is die andere stem
Die tot mij spreekt en mij aanspoort?
Zelfs in de diepte van de winter
Zou het de warmte kunnen zijn
Die de aarde doet draaien
Altijd met hetzelfde hart,
En, om mij gerust te stellen,
In elk seizoen
Dicht bij mijn oor
En mijn naam fluistert?
Jules Supervielle
290
Google translate

L’OURS
Le pôle est sans soupirs.
Un ours tourne et retourne
Une boule plus blanche
Que la neige et que lui.
Comment lui faire entendre
Du fond de ce Paris’
Que c’est l’ancienne sphère
De plus en plus réduite
D’un soleil? de minuit,
Quand cet ours est si loin
De cette chambre close?,
Qu’il est si différent
Des bêtes familières
Qui passent à ma porte,
Ours penché sans comprendre
Sur son petit soleil
Qu’il voudrait peu à peu
Réchauffer de son souffle
Et de sa langue obscure
Comme s’il le prenait
Pour un ourson frileux
Qui fait le mort en boule
Et ferme fort les yeux.
Jules Supervielle
302
DE BEER
De paal is stil.
Een beer draait zich om
Een bal witter
Dan de sneeuw en dan hijzelf.
Hoe kan ik hem laten begrijpen
Vanuit de diepten van dit Parijs
Dat het de oeroude bol is
Steeds verder gekrompen
Van een middernachtzon,
Wanneer deze beer zo ver is
Van deze gesloten kamer,
Dat hij zo anders is
Dan de vertrouwde dieren
Die langs mijn deur komen,
Beer gebogen zonder begrip
Over zijn kleine zon
Die hij beetje bij beetje zou willen verwarmen
Met zijn adem
En zijn onduidelijke tong
Alsof hij die aanzag
Voor een rillend berenwelpje
Dat zich dood oprolt
En zijn ogen stijf dichtknijpt.
Jules Supervielle
302
Google translate
POUR UN POÈTE MORT
Donnez-lui vite une fourmi
Et si petite soit-elle,
Mais qu’elle soit bien à lui !
Il ne faut pas tromper un mort.
Donnez-la-lui, ou bien le bec d’une hirondelle.
Un bout d’herbe, un bout de Paris,
Il n’a plus qu’un grand vide à lui
Et comprend encor mal son sort.
À choisir il vous donne en échange
Des cadeaux plus obscurs que la main ne peut prendr
Un reflet qui couche sous la neige,
Ou l’envers du plus haut des nuages,
Le silence? au milieu du tapage,
Ou l’étoile que rien ne protège.
Tout cela il le nomme et le donne
Lui qui est sans un chien ni personne.
Jules Supervielle
312
VOOR EEN OVERLEDEN DICHTER
Geef hem snel een mier,
Hoe klein ook,
Maar laat het echt zijn mier zijn!
Een dode mag je niet bedriegen.
Geef het hem, of misschien een zwaluwsnavel.
Een grassprietje, een stukje Parijs,
Hij heeft niets meer over dan een grote leegte in zichzelf,
En worstelt nog steeds om zijn lot te begrijpen.
Als je moest kiezen, zou hij je in ruil daarvoor geven
Geschenken die ongrijpbaarder zijn dan je met je hand kunt bevatten:
Een weerspiegeling onder de sneeuw,
Of de achterkant van de hoogste wolk,
Stilte te midden van het rumoer,
Of de ster die door niets beschermd wordt.
Dit alles benoemt en geeft hij,
Hij die geen hond of wie dan ook heeft.
Jules Supervielle
312
Google translate
LE POIDS D’UNE JOURNÉE
Solitude, tu viens armée d’êtres sans fin dans ma propre
chambre:
Il pleut sur le manteau de celui-ci, il neige sur celui-là et
cet autre est éclairé par le soleil de Juillet.
Ils sortent de partout. « Écoutez-moi ! Ecoutez-moi !»
Et chacun voudrait en dire un peu plus que l’autre. Il en est qui cherchent un frère disparu, d’autres, leur
maîtresse, leurs enfants.
«Je ne puis rien faire pour vous.»
Ils ont tous un mot à dire avant de disparaître :
« Écoutez-moi, puisque je vous dis que je m’en irai
aussitôt après. »
Ils me font signe de m’asseoir pour que l’entretien soit
plus long.
«Puisque je vous dis que je ne puis rien faire pour vous,
Fantômes pour les yeux et pour les oreilles !»
Il y a cet inconnu qui me demande pardon et disparaît
sans que je connaisse son crime,
Cette jeune fille qui a traversé des bois qui ne sont pas
de nos pays’
Cette vieille femme qui me demande conseil. « Conseil à
quel sujet? »
Elle ne veut? rien ajouter et se retire indignée.
Maintenant il n’y a plus dans la chambre que ma table
allongée, mes livres, mes papiers.
Ma lampe éclaire une tête, des mains humaines,
Et mes lèvres se mettent à rêver pour leur propre compte
comme des orphelines.
Jules Supervielle
331
DE ZWAARTE VAN EEN DAG
Eenzaamheid, je komt gewapend met talloze wezens mijn eigen
kamer binnen:
Het regent op de jas van de een, het sneeuwt op die van de ander, en
weer een ander baadt in de julizon.
Ze komen van overal. “Luister naar me! Luister naar me!”
En ieder wil iets meer zeggen dan de ander. Sommigen zoeken een verloren broer, anderen hun
geliefde, hun kinderen.
“Ik kan niets voor je doen.”
Ze hebben allemaal nog een woord te zeggen voordat ze verdwijnen:
“Luister naar me, want ik zeg je dat ik meteen wegga.”
Ze wenken me te gaan zitten zodat het gesprek langer kan duren.
“Omdat ik je zeg dat ik niets voor je kan doen,
spoken voor ogen en oren!”
Er is die vreemdeling die mijn vergeving smeekt en verdwijnt
zonder dat ik weet wat hij heeft gedaan,
dat jonge meisje dat door bossen is getrokken die niet
van ons land zijn,
die oude vrouw die me om raad vraagt. “Raadsel over
waarover?”
Ze wil niets toevoegen en trekt zich verontwaardigd terug.
Nu is er niets meer in de kamer dan mijn uitgeschoven tafel, mijn boeken, mijn papieren.
Mijn lamp verlicht een hoofd, menselijke handen,
En mijn lippen beginnen voor zichzelf te dromen,
als wezen.
Jules Supervielle
331
Google translate
LE CHAOS ET LA CREATION
(Dieu parle)
Je suis dans la noirceur et j’entends ma puissance
Faire un bruit: sourd, battant l’espace rapproché,
Alentour un épais va-et-vient de di Stances
Me flaire, me redoute et demeure caché.
Je sens tout se creuser” ignorant de ses bornes,
Et puis tout se hérisse en ses aspérités.
Serais-je menacé par les flèches sans formes
De fantômes durcis dans de longs cauchemars.
Mais non, tout se précise en moi-même, je gagne!
Je suis déjà la plaine au-delà du hasard
Et, haussant tout cc noir, je deviens la montagne
Et la neige nouvelle attendant sa couleur.
Ah que ne sombre point la plus grande pilleur
La cime qui m’ignore et déjà m’accompagne
Et que je cesse enfin d’être man inconnu.
Que la lumière soit
Maintenant que j’ai mis partout de la lumière
Il me faudra pousser le ciel loin de la terre,
Et pour être bien sûr d’avoir tout mon espace
Je ferai que le vent et les nuages passent
Ainsi que les oiseaux qui viennent et qui vont
Vérifiant les airs, la surface, Le fond.
Tout me supplie et veut une forme précise,
Tout a hâte de respirer dans sa franchise
Et voudrait se former dès que je Le prévois,
Et ma tête foisonne, et mon être bourdonne
De milliers de silences, tous différents,
Ce sont les voix de ceux qui n’en ont pas encore
Et quémandent un nom pour aller de l’avant.
Chacun son tour, le temps viendra pour tous d’éclore.
Je vois clair, je vois noir et non pas que j’hésite,
L’un fera suite à l’autre et les deux si profonds
Que dans mon univers ils seront sans réplique
Et ce sera le jour et la nuit, l’horizon.
Je vois bleu et frangé de blanchissants détours,
Cela fuit sous mes yeux et si j’y trempe un doigt
C’est salé: cela va très loin et fait le tour
De la Terre et c’est plein d’écailleux très adroits,
C’est ce qu’on nommera la mer et les poissons,
L’homme de trouver comment- l’on va dessus,
Sans se laisser périr attiré par Le fond
Ni le vent, grand pousseur de vagues et de nues.
Sombres troupeaux des monts sauvages, étagés,
Faites attention, vous allez vous figer.
Ne pouvant vous laisser errer à votre guise
Je m’en vais vous donner d’éternelles assises.
Les chamois bondiront pour vous. Quant aux nuages,
Libre à vous de les retenir à leur passage.
Vous ne bougerez plus, mais je vous le promets
Autour d’un pivot sûr toujours vous tournerez
Et les jours bougeront pour vous, mes immobiles,
Et les sources coulant de vos sommets tranquilles
Porteront l’altitude au long de leur chemin
En reflétant le cid, spacieux riverain.
Je ne sais maintenant ce que je porte en moi,
Mes yeux font de l’obscur et je cherche à mieux voir,
J’ajuste mon regard, la chose se précise,
Elle n’a qu’un seul corps, une espèce de tronc,
Mais Le ciel dans Le haut en branches Le divise
Porteuses d’équilibre et de confusion,
Et je songe au plaisir de s’étendre dessous.
Arbres, venez à moi puisque je pense à vous !
Vous vous accrocherez à la terre fertile
Et ne ressemblerez à l’homme que par l’ombre,
Vous qui m’ignorerez de toutes vos racines
Et ne saurez de moi que Le vol des colombes.
Parfois je ne sais tien de ce qui va venir
Et je vois devant moi quelque vieux souvenir
Devenu plante, ou pierre ou fraîcheur qui se pose,
Même cc que je lis, pensant à autre chose.
Cela tombe de moi comme un fruit oublié
Mais toujours reconnu et jamais renié.
Soudain je vois petit, ce la porte un fardeau,
C’est noir, c’est courageux, l’une précédant l’autre,
Et le temps d’y penser, c’est déjà la fourmi;
Va ton chemin, je viens de te donner la vie.
Ivresse de créer, de tout voir aboutir,
De n’avoir pas à commencer et de finir,
De délivrer soudain les fleuves et les pierres,
Les cœurs battants, les yeux, les âmes prisonnières.
Tout m’échappe, les flots et les terres en vrac,
Mélange de courants, de vivantes folles,
Mais un de mes regards rend le calme d’un lac,
Préservant en dessous ce qu’il y faut de vie.
Que rien n’ait peur de vivre au sortir de mon corps,
Ni les petits poissons menacés dans leur fuite,
Ni les grands dévorés à leur tour par la mort
Ni tout ce qui remue et doute au fond du sort.
Tout me revient, trouvant en moi de la justice,
Prêt à se reformer dans mon clair précipice.
Assez pour aujourd’hui, je suis las de créer,
Et je veux seulement dormir pour qu’il y ait
Beaucoup d’herbe, beaucoup d’herbages sur la terre,
De la broussaille qui ressemble à du sommeil,
A l’image de moi quand je reposerai.
Je pense même avoir quelque idée en dormant
Qui franchira Le rêve en sa hâte de vivre
Et ce sera la chèvre avec son bêlement,
Ou Le poisson volant, ou quelque autre surprise,
Comme hier, quand je fus réveillé par la brise
Qui me halait à soi d’un fertile sommeil
Inquiète de voir ce que je pensais d’elle.
Jules Supervielle
351-353
CHAOS EN SCHEPPING
(God spreekt)
Ik ben in de duisternis en ik hoor mijn kracht
Een geluid maken: gedempt, bonzend in de benauwde ruimte,
Rond een dik komen en gaan van verschillende houdingen
Spuiend mij, mij vrezend en verborgen blijvend.
Ik voel alles uithollen, onwetend van zijn grenzen,
En dan barst alles van zijn ruwheid.
Word ik bedreigd door de vormloze pijlen
Van fantomen verhard in lange nachtmerries?
Maar nee, alles wordt helder in mij, ik win!
Ik ben reeds de vlakte voorbij het toeval
En, alle duisternis opheffend, word ik de berg
En de nieuwe sneeuw die wacht op zijn kleur.
Ah, moge de grootste plunderaar niet ten onder gaan,
De top die mij negeert en mij reeds vergezelt
En moge ik eindelijk ophouden onbekend te zijn.
Laat er licht zijn
Nu ik overal licht heb gebracht
zal ik de hemel ver van de aarde moeten duwen,
en om zeker te zijn van al mijn ruimte,
zal ik de wind en de wolken laten passeren,
evenals de vogels die komen en gaan,
en de lucht, het oppervlak en de diepte aftasten.
Alles smeekt me en verlangt naar een precieze vorm,
alles is erop gebrand om in zijn openhartigheid te ademen,
en wil vanaf het begin vorm aannemen, zoals ik het voorzie,
en mijn hoofd wemelt, en mijn wezen zoemt,
met duizenden stiltes, allemaal verschillend,
dit zijn de stemmen van hen die er nog geen hebben,
en smeken om een naam om verder te gaan.
Ieder op zijn beurt, de tijd zal komen dat allen tot bloei komen.
Ik zie helder, ik zie duisternis, en niet dat ik aarzel,
de een zal de ander volgen, en beide zo diepgaand,
dat ze in mijn universum geen gelijke zullen kennen,
en het zal dag en nacht zijn, de horizon.
Ik zie blauw, omzoomd met witachtige omwegen,
Het vlucht voor mijn ogen, en als ik er een vinger in doop,
is het zout: het gaat heel ver en cirkelt
rond de aarde, en het is vol zeer behendige schubben,
Dit zullen we de zee en de vissen noemen,
De mens moet leren erdoorheen te navigeren,
Zonder te vergaan, meegesleurd door de diepten
Of de grote wind. Duwer van golven en wolken.
Donkere kuddes van de wildernis, gelaagde bergen,
Pas op, jullie zullen bevriezen.
Omdat ik jullie niet zomaar kan laten ronddwalen,
zal ik jullie eeuwige fundamenten geven.
De gemzen zullen voor jullie springen. Wat de wolken betreft,
Jullie zijn vrij om ze tegen te houden tijdens hun voorbijtrekken.
Je zult niet meer bewegen, maar ik beloof je,
rond een vast draaipunt zul je altijd blijven draaien,
en de dagen zullen voor jou voorbijgaan, mijn onbeweeglijke,
en de bronnen die van je vredige toppen stromen,
zullen hoogte meevoeren,
en de zure, ruime rivieroever weerspiegelen.
Ik weet niet meer wat ik in me draag,
mijn ogen worden donker en ik probeer beter te zien,
ik pas mijn blik aan, het wordt duidelijker,
het heeft maar één lichaam, een soort stam,
maar de hemel in de hoogte verdeelt het in takken,
dragers van evenwicht en verwarring,
en ik droom van het genot om eronder te liggen.
Bomen, kom naar me toe, want ik denk aan jullie!
Jullie zullen je vastklampen aan de vruchtbare aarde
en alleen in de schaduw op de mens lijken,
jullie die mij met al jullie wortels zullen negeren
en mij alleen kennen als de vlucht van duiven.
Soms weet ik niets van wat komen gaat
En zie ik voor me een oude herinnering
Een plant worden, of een steen, of een koelte die neerdaalt,
Zelfs wat ik lees, terwijl ik aan iets anders denk.
Het valt van me af als een vergeten vrucht
Maar altijd herkend en nooit ontkend.
Plotseling zie ik klein wat het draagt, een last,
Het is zwart, het is moedig, het een gaat het ander vooraf,
En tegen de tijd dat ik eraan denk, is het al de mier;
Ga je gang, ik heb je net leven gegeven.
De roes van het scheppen, van alles tot bloei zien komen,
Van niet hoeven te beginnen en te eindigen,
Van het plotseling bevrijden van de rivieren en stenen,
Kloppende harten, ogen, gevangen zielen.
Alles ontglipt me, de golven en de verwarde landschappen,
Een mengeling van stromingen, van levende waanzin,
Maar één van mijn blikken herstelt de kalmte van een meer,
En bewaart daaronder wat het leven nodig heeft.
Moge niets vrezen te leven wanneer het mijn lichaam verlaat,
noch de kleine vissen die bedreigd worden in hun vlucht,
noch de grote die op hun beurt verslonden worden door de dood,
noch al wat roert en twijfelt op de bodem van het lot.
Alles keert naar mij terug, vindt gerechtigheid in mezelf,
klaar om zich te hervormen in mijn heldere afgrond.
Genoeg voor vandaag, ik ben moe van het scheppen,
en ik wil alleen maar slapen zodat er
veel gras, veel weide op aarde mag zijn,
borstels die op slaap lijken,
in mijn beeld wanneer ik rust.
Ik denk zelfs dat ik tijdens het slapen een idee heb
wie de droom zal kruisen in zijn haast om te leven,
en het zal de geit zijn met zijn geblaat,
of de vliegende vis, of een andere verrassing,
zoals gisteren, toen ik werd gewekt door de bries
die me uit een vruchtbare slaap trok,
verlangend naar wat ik van haar dacht.
Jules Supervielle
351-353
Google translate
TRISTESSE DE DIEU
(DIEU PARLE)
Je vous vois aller et venir sur le tremblement de la
Terre
Comme aux premiers jours du monde, mais grande est
la différence,
Mon œuvre n’est plus en moi, je vous l’ai toute donnée’.
Hommes, mes bien-aimés, je ne puis rien dans vos mal-
heurs,
Je n’ai pu que vous donner votre courage et les larmes,
C’est la preuve chaleureuse de l’existence de Dieu.
L’humidité de votre âme c’est ce qui vous reste de moi.
Je n’ai rien pu faire d’autre.
Je ne puis rien pour la mère dont va s’éteindre le fils
Sinon vous faire allumer, chandelles de l’espérance.
S’il n’en était pas ainsi, est-ce que vous connaîtriez,
Petits lits mal défendus, la paralysie des enfants.
Je suis coupé de mon œuvre,
Ce qui est fini est lointain et s’éloigne chaque jour’.
Quand la source descend du mont comment revenir là-dessus ?
Je ne sais pas plus vous parler qu’un potier ne parle à
son pot,
Des deux il en est un de sourd, l’autre muet devant son
œuvre
Et je vous vois avancer vers d’aveuglants précipices
Sans pouvoir vous les nommer,
Et je ne peux vous souffler comment il faudrait s’y
prendre,
Il faut vous en tirer tout seuls comme des orphelins dans
la neige.
Et je me dis chaque jour au-delà d’un grand silence:
« Encore un qui fait de travers ce qu’il pourrait faire
comme il faut,
Encore un qui fait un faux pas pour ne pas regarder où
il doit.
Et cet autre’ qui se penche beaucoup trop sur son balcon,
Oubliant la pesanteur,
Et celui-là qui n’a pas vérifié son moteur,
Adieu avion, adieu homme!»
Je ne puis plus rien pour vous, hélas si je me répète
C’est à force d’en souffrir.
Je suis un souvenir qui descend, vous vivez dans un
souvenir,
L’espoir qui gravit vos collines, vous vivez dans une
espérance?.
Secoué par les prières et les blasphèmes des hommes,
Je suis partout à la fois et ne peux pas me montrer,
Sans bouger je déambule et je vais de ciel en ciel,
Je suis l’errant en soi-même, et le grouillant solitaire?,
Habitué des lointains, je suis très loin de moi-même,
Je m’égare au fond de moi comme un enfant dans les
bois,
Je m’appelle, je me hale, je me tire vers mon centre.
Homme, si je t’ai créé c’est pour y voir un peu clair
Et pour vivre dans un corps moi qui n’ai mains ni
visage.
Je veux te remercier de faire avec sérieux
Tout ce qui n’aura qu’un temps sur la Terre bien-aimée,
Ô mon enfant, mon chéri, ô courage de ton Dieu,
Mon fils qui t’en es allé courir le monde à ma place
A l’avant-garde de moi dans ton corps si vulnérable
Avec sa grande misère. Pas un petit coin de peau
Où ne puisse se former la profonde pourriture.
Chacun de vous sait faire un mort sans avoir eu besoin
d’apprendre,
Un mort parfait qu’on peut tourner et retournet dans
tous les sens,
Où il n’y a rien à redire.
Dieu vous survit, lui seul survit entouré par un grand
massacre
D’hommes, de femmes et d’enfants
Même vivants, vous mourez un peu continuellement’
Arrangez-vous avec la vie, avec vos tremblantes amours.
Vous avez un cerveau, des doigts pour faire le monde à
votre goût,
Vous avez des facilités pour faire vivre la raison
Et la folie en votre cage,
Vous avez tous les animaux qui forment la Création,
» Vous pouvez courir et nager comme le chien et le
poisson,
Avancer comme le tigre ou comme l’agneau de huit jours,
Vous pouvez vous donner la mort comme le renne, le
scorpion?,
Et moi je reste l’invisible, l’introuvable sur la Terre,
Ayez pitié de votre Dieu qui n’a pas su Vous rendre
heureux,
Petites parcelles de moi, ô palpitantes étincelles,
Je ne vous offre qu’un brasier où vous retrouverez du
feu.
Jules Supervielle
367
HET VERDRIET VAN GOD
(God spreekt)
Ik zie jullie komen
en gaan bij het beven van de aarde zoals
tijdens de eerste twee dagen van de wereld,
maar groot is het verschil,
mijn werk is niet langer in mij,
ik heb het helemaal aan jullie gegeven.
Mens, mijn welbeminden,
ik kan niets doen bij jullie tegenspoed,
ik heb jullie alleen maar je moed en tranen kunnen geven,
dat is het warme bewijs voor het bestaan van God.
De vochtigheid van jullie ziel is
wat er van mij in jullie overblijft.
Ik kon niets anders doen.
Ik kan niets anders doen voor de moeder
wier zoon op sterven ligt
dan licht aan jullie geven, kaarsen van hoop.
Als het zo niet was, zou je het weten,
slecht beschermde bedjes,
de verlamming van de kinderen.
Ik ben losgesneden van mijn werk,
wat voltooid is is ver weg en gaat elke dag verder heen.
Wanneer de bron van de berg neerkomt
hoe kan zij dan weer omhooggaan?
Ik kan evenmin tot jullie spreken
als een pottenbakker tegen zijn pot,
van de twee is er een doof,
de ander stom tegenover zijn werk
en ik zie hoe jullie op verblindende afgronden aflopen
zonder dat ik ze aangeven kan,
en ik kan jullie niet influisteren
hoe je daarmee moet omgaan,
jullie moeten helemaal alleen uit de problemen komen
zoals wezen in de sneeuw.
En ik zeg elke dag tegen mezelf na een diepe stilte:
‘Daar is er weer een die fout doet wat hij goed kon doen,
weer een die struikelt omdat hij niet de goede kant op kijkt.
En die ander die zich te ver over zijn balkon neerbuigt,
en de zwaartekracht vergeet,
en die daar, die zijn motor niet nakijkt,
dag vliegtuig, dag mens!’
Ik kan niets meer voor jullie doen,
helaas als ik me herhaal gebeurt dat
omdat ik eronder lijd.
Ik ben een herinnering die neerdaalt,
jullie leven in een herinnering,
de hoop die jullie heuvels beklimt,
jullie leven in hoop.
Heen en weer geschud door de gebeden en vloeken van mensen,
ben ik overal tegelijk en kan ik me niet laten zien,
zonder te bewegen dool ik rond en ga van hemel tot hemel,
ik ben de zwerver in mijzelf,
en de krioelende kluizenaar,
gewend aan afstanden,
ik ben zeer ver van mijzelf vandaan,
ik verdwaal diep in mijzelf zoals een kind in het bos,
ik roep mijzelf, ik haal mijzelf binnen,
ik trek mijzelf naar mijn centrum.
Mens, als ik jou schiep was het om het wat helder te zien
en om in een lichaam te leven,
ik die geen handen of gezicht heb.
Ik wil je danken voor het feit dat je serieus van alles doet
wat maar een korte tijd gegeven is op de welbeminde aarde,
o mijn kind, mijn schat, o moed van jouw God,
mijn zoon, die over de wereld bent gelopen
in mijn plaats voor mij uit
in je zo kwetsbare lichaam met zijn grote ellende.
Geen stukje huid waar diep verval zich niet zal voordoen.
Ieder van jullie weet hoe,
hoe hij een dode moet voorstellen
zonder dat hij het hoefde te leren,
een volmaakte dode die alle kanten op gedraaid kan worden,
op wie niets aan te merken valt.
God overleeft jullie, hij alleen overleeft
omgeven door een grote slachting van mannen, vrouwen en kinderen,
ook al leven jullie,
jullie sterven voortdurend een beetje,
kom tot een schikking met het leven,
met jullie trillende liefdes.
Jullie hebben hersens, vingers om de wereld
naar eigen smaak gestalte te geven,
jullie hebben de mogelijkheden om de rede te laten leven
en ook de waanzin in jullie kooi,
jullie hebben alle dieren die de schepping uitmaken,
jullie kunnen rennen en zwemmen zoals de hond en de vis,
voortbewegen zoals de tijger of zoals het lam van een week oud,
jullie kunnen jezelf de dood aandoen zoals het rendier, de schorpioen,
en ik blijf de onzichtbare, de onvindbare op de aarde,
heb medelijden met jullie God die jullie niet gelukkig heeft kunnen maken,
kleine stukjes van mij, o dansende vonkjes,
ik bied jullie slechts een haard waar je weer vuur zult vinden.
Jules Supervielle
367
Google translate
Compagnons du silence, il est temps de partir,
De grands loups familiers attendent à la porte,
La nuit lèche le seul, la neige est avec nous,
On n’entend point les pas de cette blanche escorte.
Tant pis si nous allons toujours dans le désert,
Si notre corps épouse une terre funèbre,
Le soleil n’a plus rien à nous dire de clair,
Il nous faut arracher sa lumière aux ténèbres.
Nous serons entourés de profondeurs austères
Qui connaissent nos cœurs pour les avoir portés,
Et nous nous compterons dans l’ombre militaire
Qui nous distribuera ses aciers étoilés!
Jules Supervielle
441
Metgezellen van de stilte, het is tijd om te vertrekken,
Grote, vertrouwde wolven wachten bij de poort,
De nacht likt de eenzame, de sneeuw is met ons,
We horen geen voetstappen van deze witte escorte.
Zo zij het als we altijd de woestijn ingaan,
Als ons lichaam een begrafenisaarde omarmt,
De zon heeft ons niets meer te vertellen over helderheid,
We moeten haar licht uit de duisternis wringen.
We zullen omringd worden door sobere diepten
Die onze harten kennen omdat ze die hebben gedragen,
En we zullen onszelf rekenen tot de militaire schaduw
Die zijn met sterren bezaaide stalen wapens aan ons zal uitdelen.
Jules Supervielle
441
Google translate

LA TERRE CHANTE
À Octave Nadal.
Savez-vous ce que c’est que d’être tout entière
Avec nuages, monts, collines et rivières,
Dans un enfant qui court ou marche à travers champs,
Mêlant ses divers pas à mon pas planétaire,
‘Et sans même se voir avancer sur la terre
Ni comprendre qu’il tient tête aux quatre éléments.
Il ne sait qui je suis ni de quoi je retourne
Et doit apprendre dans ses livres que je tourne.
Il fait, bon gré mal gré, figure de vivant
Et sur ses petits pieds naviguant à l’estime,
Le visage et le corps offerts à tous les vents,
Il vit, puisque c’est là vivre qu’être victime.
L’âme pleine de nœuds à l’ombre de la mort,
Me voici dans le corps d’une très vieille femme,
Qui șe retourne pour injurier le sort,
Le visage élargi de colère et de larmes.
Me voici chien courant jusqu’à trouver un nom,
Chien de la terre, et tous deux nous tournons en rond.
Je me fais une place au fond de ce qui souffre
Moi qui vais suscitant la douleur et le souffle
Où personne avant moi n’avait pu pénétrer.
Je suis la terre où tout s’est toujours perpétré,
Des milliards de cœurs à la périphérie
Se cachent sous la peau et de l’air se méfient,
Des êtres dont la tête angoisse, aiguise l’air,
Oublieuse mémoire
Font que le long du ciel mon ellipse est amère’
Ah! que du plus lointain l’étoile reconnaisse
Celle qui fait sécher au soleil sa détresse !
le deviens à mon tour une tête pensante,
Sans bien savoir à quoi, ainsi qu’une demente
Errant autour de moi d’un mouvement pareil
Je vais la chaîne au cou que forgea le soleil.
Matin, qui chaque jour t’élances, te fiances,
Libéré de la nuit et de ses méfiances,
Tu touches chaque objet pour la premiere fois
Et te penches pour voir s’il est comme il se doit !
Chacun se croit choisi par toi, celui-là même
Sur le bord de mourir apprend comme l’on aime.
Matin qui nais en nous aussi bien que sur nous
Et toujours plus léger que la brise à la branche,
Tu te noues seulement comme l’on se dénoue,
Tu pèses à rebours comme une délivrance.
Être mer qui ne veut rien céder au rocher,
Et roc, d’autant plus dur qu’il se laisse approcher,
Eau douce qui se fie au fil de la rivière,
Aspire à l’océan mais vaque à ses affaires
Et s’attarde en passant à chaque bout de pre,
Bien avant de mourir voulant voir tout de pres,
Cherchant fortune au loin mais vivant sa minute
Et mouillant ce qu’elle aime, y glissant sa volute,
Se retirant un peu pour juger de l’effet
Elle s’égare dans les roseaux, tout à fait.
L’obscurité brouillant les airs de sa disgrâce,
Tu remets chaque chose à son exacte place ;
Ressuscitant les morts que fit de nous la nuit,
Tu tires un à un du linceul de leurs lits
Les corps qui vont passant du noir à la lumière
De ce jour tout nouveau avec les yeux d’hier.
La terre les attend derrière les volets
Et de l’autre côté des songes en alles
Le soleil connaisseur qui nomme et qui dénombre
Remet sa part de jour à ce qui sort de l’ombre.
Ô nature, que faisons-nous d’un jour d’été,
D’une aube sans nuage et d’un mont dilaté,
D’un cèdre résumant la nuit même en plein jour,
Puisque l’homme ne voit rien de ce qui l’entoure.
Sous tant d’aveuglement le paysage meurt,
Se dessèche tout seul, de soi-même prend peur,
Le duvet des matins à tout jamais s’envole,
Le parfum n’ose plus s’évader des corolles,
Même quand le soleil le précède et le suit
L’homme montre un visage alourdi par la nuit.
Comme il m’efface’ avec sa gomme à ne rien voir!
Il ne voit pas la rose auprès de l’arrosoir,
Il porte autour de lui le brouillard de son être.
Ce n’est pas pour me voir qu’il ouvre sa fenêtre,
Il préfère sans moi chaque jour s’en aller
À son travail par ses intérieures allées,
Même dans les matins clairs où tout me désigne,
Où de tous les côtés je fais signes sur signes,
Par l’arbre, le chemin et les fleurs aux beaux noms
Et ce que le soleil invente de rayons !
Ô continents, soutien de mon front solitaire,
Dites-moi que je suis encore votre mère !
” J’ai besoin qu’on me le répète, mes enfants,
Vous qui poussez vos terrasses dans l’océan,
Mon Europe, harmonie oh! toujours déchirée,
Et renaissante Europe et toujours à l’orée
D’une aurore venant de ton fertile cœur
Fontaine de l’espoir et vieux puits de rancœurs,
Laisse-moi t’apaiser d’une course éternelle
Dans le silence ailé de notre envol sans ailes.
Sous le jour qui s’éloigne et celui qui s’avance,
Ô France où tout se tient à la bonne distance
es Et le mont ne t’allie à sa cime comblée
Que pour mieux te laisser courir dans la vallée.
Tu teins de nous laisser deviner tes desseins
Et même de te mettre à portée de la main,
Lorsque sans bouger un doigt tu nous distribues
Villages et clochers, champs, rivieres et nues.
Et ta lumière nous devient si familiere
Que nous pensons pouvoir la faire et la défaire.
Amérique joueuse entre deux océans,
Longue fille montrant un corps adolescent,
Qui n’a cru te surprendre au sortir de la mer?
Tu cours du pôle sud à l’étoile polaire,
Ta flèche peut choisir sa cible dans le ciel,
Mais tu te laisses prendre au limon du réel.
Où ton regard se pose et s’appuie un instant,
On voit naître le feu, sourdre les diamants,
Vers tes yeux lumineux l’objet hausse la tête
Et devient tournesol pour mieux te faire fête.
Voici l’Himalaya qui hennit irréel,
Et cherche à bousculer les assises du ciel,
Grand cheval galopant sur place a toute allure
Et tirant vers le haut par ses mille encolures.
Il voulut d’un seul coup de reins quitter la terre
Et gela sous nos yeux la tête la première,
Attelage conduit par des vierges de neige
Qui, se figeant de tous leurs glaçons sur leurs sièges,
Elèvent dans le jour leur guerrière pâleur,
Livides d’autant plus qu’on leur brûla le cœur.
Se sentir Sibérie aux sources de l’Asie
Et glisser vers le sud ainsi qu’une hérésie,
Être Inde avec ses dieux agitant bras et voiles,
Avoir faim sous le grand ciel assoiffé d’étoiles,
Passer dans la chaleur du tigre à l’éléphant,
Au cobra qui s’en va rampant et renaissant.
N’être qu’un léopard aux rayures qui bougent,
Puis rien qu’un grain de sable au bord de la mer Rouge,
Mais qui, proliférant en dunes et mirages,
Formé le Sahara sous un soleil de rage.
Océanie, allais-je en la mer t’oublier
Avec tes autruchons ailés comme tes blés.
L’eau ne saurait cacher une fille que j’aime,
Tu sais que tu m’es bien plus proche que lointaine…
Ô mes cinq continents, glissons d’un vol aisé,
Serrés dans l’air que nous aurons fertilise.
Tournons pour un soleil our ne sait pas attendre,
Allons au fond du jour et d’une brise tendre,
Pour que, si l’on nous voit dans l’espar
La terre chante
On dise : la voila fidèle à son chemin,
Sous les pieds des mortels, la terre qui perdure,
Et passe sans laisser sillage ni murmure.
Jules Supervielle
507-511
DE AARDE ZINGT
Op Octaaf Nadal.
Weet je wat het is om volledig één te zijn
Met wolken, bergen, heuvels en rivieren,
In een kind dat rent of loopt over velden,
Zijn verschillende passen vermengend met mijn planetaire tred,
En zonder zichzelf op aarde te zien voortschrijden
Of te begrijpen dat hij de vier elementen trotseert.
Hij weet niet wie ik ben of waar ik voor sta
En moet uit zijn boeken leren dat ik me omdraai.
Hij neemt, willens of onwillens, de schijn van leven aan
En op zijn kleine voetjes, navigerend op gevoel,
Zijn gezicht en lichaam blootgesteld aan elke wind,
Leeft hij, want slachtoffer zijn is leven.
Mijn ziel vol knopen in de schaduw des doods,
Hier ben ik in het lichaam van een zeer oude vrouw,
Die zich omdraait om het lot te vervloeken,
Haar gezicht wijd open van woede en tranen.
Hier ben ik, een hond die rent tot ik een naam vind,
Hond van de aarde, en we draaien allebei rondjes.
Ik hak een plekje voor mezelf uit in het hart van het lijden,
ik die ga, pijn en adem opzwepend,
waar niemand vóór mij kon doordringen.
Ik ben de aarde waar alles altijd al is gebeurd,
Miljarden harten aan de periferie,
verscholen onder de huid en wantrouwend tegenover de lucht,
wezens wier gekwelde geesten de lucht scherpen,
maken mijn pad langs de hemel bitter.
Ah! Moge de verre ster herkennen
degene die zijn leed droogt in de zon!
Ik word op mijn beurt een denkend hoofd,
zonder precies te weten waarvoor, als een waanzinnige,
ronddwalend met een soortgelijke beweging,
ga ik met de ketting om mijn nek, gesmeed door de zon.
Ochtend, die je elke dag wekt, je ten huwelijk vraagt,
Bevrijd van de nacht en haar wantrouwen,
Raak je elk voorwerp voor het eerst aan
En buig je je voorover om te zien of het is zoals het hoort!
Iedereen voelt zich door jou uitverkoren, zelfs diegene
Op de rand van de dood leert liefhebben.
Ochtend, geboren in ons en op ons,
En altijd lichter dan de bries op de tak,
Je knoopt jezelf net zo gemakkelijk als je jezelf ontknoopt,
Je weegt in omgekeerde richting als een bevrijding.
De zee die weigert zich over te geven aan de rots,
En de rots, des te harder omdat ze zich laat benaderen,
Zoet water dat vertrouwt op de stroming van de rivier,
Verlangt naar de oceaan maar gaat zijn gang
En blijft even stilstaan aan de rand van de weide,
Lang voor het sterven, alles van dichtbij willen zien,
Fortuin zoekend ver weg maar elk moment ten volle belevend,
En bevochtigend wat het liefheeft, glijdend in een spiraal,
Even terugtrekkend om het effect te beoordelen,
Verliest het zich volledig in het riet.
De duisternis die de lucht vertroebelt met haar schande,
Je zet alles weer precies op zijn plaats;
Je wekt de doden op die de nacht van ons maakte,
Je trekt één voor één uit het lijkkleed van hun bedden
De lichamen die van duisternis naar licht overgaan
Van deze gloednieuwe dag met de ogen van gisteren.
De aarde wacht hen achter de luiken
En aan de andere kant van dromen in steegjes
De wetende zon, die benoemt en telt,
geeft haar deel van de dag aan wat uit de schaduwen tevoorschijn komt.
O natuur, wat doen we met een zomerdag,
met een wolkenloze dageraad en een oprijzende berg,
met een ceder die de nacht zelf in het volle daglicht omhult,
want de mens ziet niets van wat hem omringt.
Onder zulke blindheid sterft het landschap,
droogt het vanzelf op, wordt bang voor zichzelf,
het ochtenddons vliegt voorgoed weg,
de geur durft niet langer te ontsnappen uit de bloemkronen,
zelfs wanneer de zon eraan voorafgaat en erop volgt,
toont de mens een gezicht dat gebukt gaat onder de last van de nacht.
Hoe wist hij me uit met zijn gum, terwijl hij niets ziet!
Hij ziet de roos naast de gieter niet,
hij draagt de mist van zijn wezen met zich mee.
Het is niet om mij te zien dat hij zijn raam opent,
Hij gaat liever elke dag zonder mij
Naar zijn werk langs zijn innerlijke paden,
Zelfs op heldere ochtenden wanneer alles naar mij wijst,
Wanneer ik van alle kanten het ene teken na het andere stuur,
Door de boom, het pad en de bloemen met prachtige namen,
En wat een stralen schept de zon toch!
O continenten, steun van mijn eenzame voorhoofd,
Zeg me dat ik nog steeds jullie moeder ben!
“Ik wil dat het me herhaald wordt, mijn kinderen,
Jullie die jullie terrassen in de oceaan duwen,
Mijn Europa, o harmonie! altijd verscheurd,
En herboren Europa en altijd op de rand
Van een dageraad die ontspringt uit jullie vruchtbare hart,
Bron van hoop en oude bron van wrok,
Laat me jullie troosten met een eeuwige race
In de gevleugelde stilte van onze vleugelloze vlucht.
Onder de terugtrekkende dag en de naderende,
O Frankrijk waar alles op de juiste afstand wordt gehouden
En de berg jullie alleen verenigt met zijn gekroonde top
Om jullie beter te laten rennen in het dal.
Jullie proberen ons jullie plannen te laten raden
En zelfs om jullie binnen bereik te brengen,
Wanneer jullie zonder een vinger uit te steken
Dorps en torens, velden, rivieren en wolken aan ons uitdelen.
En jullie licht wordt ons zo vertrouwd
Dat we denken dat we het kunnen maken en weer ongedaan maken.
Amerika, een speler tussen twee oceanen,
Lang meisje dat een adolescent lichaam onthult,
Wie had er niet aan gedacht om jullie te zien opduiken uit de zee?
Je rent van de Zuidpool naar de Poolster,
Je pijl kan zijn doel in de hemel kiezen,
Maar je laat je vangen in het slib van de werkelijkheid.
Waar je blik ook valt.
En leunt even voorover,
We zien het vuur ontstaan, de diamanten ontspruiten,
Naar jouw stralende ogen heft het object zijn hoofd op
En wordt een zonnebloem om jou beter te eren.
Hier is de Himalaya, onwerkelijk hinnikend,
En probeert de fundamenten van de hemel omver te werpen,
Een groot paard galoppeert op volle snelheid ter plaatse
En trekt zich omhoog met zijn duizend halzen.
Met één enkele stoot van zijn lendenen wilde het de aarde verlaten
En bevroor voor onze ogen, met de kop vooruit,
Een span getrokken door sneeuwmeisjes
Die, bevroren met al hun ijspegels op hun zetels,
Hun krijgersbleekheid in de dag tonen,
Des te meer woedend omdat hun harten verbrand zijn.
Siberië voelen aan de bron van Azië
En naar het zuiden glijden als een ketterij,
India zijn met zijn goden die met armen en zeilen zwaaien,
Honger voelen onder de uitgestrekte hemel die dorst naar sterren,
In de hitte van tijger naar olifant veranderen,
Naar de cobra die wegkruipt, herboren.
Om slechts een luipaard te zijn met wisselende strepen,
Dan niets dan een zandkorrel aan de kust van de Rode Zee,
Maar die, zich vermenigvuldigend tot duinen en luchtspiegelingen,
de Sahara vormde onder een brandende zon.
Oceanië, zou ik je op zee vergeten,
Met je struisvogels gevleugeld als je tarwe.
Water kan een meisje dat ik liefheb niet verbergen,
Je weet dat je dichter bij me bent dan ver weg…
O mijn vijf continenten, laat ons met een gemakkelijke vlucht glijden,
Ingesloten in de lucht zullen we vruchtbaar zijn.
Laten we ons wenden tot een zon die geen wachten kent,
Laten we naar het hart van de dag gaan en een zachte bries,
Zodat, als we in de verte gezien worden,
De aarde zingt,
Zullen ze zeggen: zie, trouw aan haar pad,
Onder de voeten van stervelingen, de aarde die standhoudt,
En voorbijgaat zonder een spoor of een gemurmel achter te laten.
Jules Supervielle
507-511
Google translate
ACCADEMIA
De la fenêtre d’un musée où le nu des Déesses
Approchait lentement la poitrine des Dieux
Dans la claire maison* d’en face, sans dorures,
Je voyais une main qui repassait dans l’ombre
Un linge de nos jours,
Faisant de plus en plus étinceler ce linges
Qui délivrait sa neige à la chaleur du fer
Et la lui confiait en tout aveuglement,
En grande modestie.
Et malgré Tintoret, Véronèse et Titien
Malgré ce qu’animait l’italienne peinture,
Rien ne bougeait entre les cadres inflexibles
Cependant que la main dans la maison d’en face
Passait et repassait le linge et ce beau jour
Que nous vivions ensemble d’une fenêtre à l’autre
Et rien n’était fictif dans l’humain mouvement
Comme dans ces remous amoureus des peintures
Comme dans ces tableaux de batailles rangees
Où le sang qui coulait
” N’était que vermillon et rouge de garance
Au fond d’un sourd passé
Où ne parvenait pas la rumeur citadine!
Venise 49.
Jules Supervielle
548
ACCADEMIA
Vanuit het raam van een museum waar de naakte godinnen
langzaam de borsten van de goden naderden
in het lichte, onvergulde huis aan de overkant,
zag ik een hand in de schaduw strijken
een stuk stof van onze tijd,
waardoor deze stof steeds helderder ging glanzen
die zijn sneeuw losliet door de hitte van het strijkijzer
en die hem in het niets toevertrouwde,
in grote bescheidenheid.
En ondanks Tintoretto, Veronese en Titian
Ondanks wat de Italiaanse schilderkunst ook bezielde,
bewoog er niets tussen de onbuigzame lijsten
Terwijl de hand in het huis aan de overkant
voorbijging en de was streek, en op die prachtige dag
leefden we samen van het ene raam naar het andere
En niets was fictief in de menselijke beweging
Zoals in die amoureuze wervelingen van schilderijen
Zoals in die schilderijen van veldslagen
Waar het stromende bloed
slechts karmozijnrood en meekraprood was
Diep in een gedempt verleden
Waar het gemurmel van de stad niet kon doordringen.
Venetië 49.
Jules Supervielle
548
Google translate
LA SEINE PARLE
« Puis-je faire ce que je fis
Et saurai-je atteindre Paris?
C’est que je suis vieille et je doute
De mes forces et de ma route.
Derrière moi pour me pousser
Je n’ai que petites montagnes,
J’ose à peine poser mes pieds
D’eau, sur la trop plate campagne
De peur de devenir un lac
Avec algues, roseaux en vrac.
Le Rhône va beaucoup plus vite,
De hautes neiges il descend,
Moi, c’est à peine si je quitte
Les lieux, j’avance en somnolant.
Je me sens seule et tout s’éloigne
Quelle grande absence me gagne!
Comment peut-on aller plus loin
Quand on redoute son chemin,
Pourrai-je atteindre l’océan
Quand c’est à mon corps défendant.
Tu es la source et l’embouchure,
Tu es le trajet qui perdure.
A chaque pas d’eau que tu fais
Tu renouvelles tes reflets
Et même sans songer à rien
Tu fais naître tes riverains.»
Jules Supervielle
579
DE SEINE SPREEKT
“Kan ik doen wat ik deed?
En zal ik ooit Parijs bereiken?
Het komt doordat ik oud ben en twijfel
aan mijn kracht en mijn pad.
Achter me om me voort te stuwen,
heb ik slechts kleine bergen,
ik durf nauwelijks mijn voeten te zetten
op het water, op het te vlakke landschap,
uit angst een meer te worden
met algen en wanordelijk riet.
De Rhône stroomt veel sneller,
hij daalt af vanuit de hoge sneeuw,
ik verlaat nauwelijks
deze plek, ik ga halfslaperig verder.
Ik voel me alleen en alles wijkt terug,
wat een grote leegte overweldigt me!
Hoe kan men verder gaan
als men bang is voor het pad,
zal ik ooit de oceaan bereiken
als het tegen mijn wil is?
Jij bent de bron en de monding,
jij bent de reis die standhoudt.
” Met elke stap die je in het water zet,
vernieuw je je reflecties,
en zelfs zonder ergens aan te denken,
breng je je oeverbewoners tevoorschijn.
Jules Supervielle
579
Google translate
LA CLOCHARDE
(suivie d’un REMORDS)
Avec ses seins plus tombants
Que s’ils étaient de la bière
La vieille allait de l’arrière
La vieille allait de l’avant,
Elle se sentait maintenant
Bizarrement prisonnière
D’un corps peu obéissant.
La tête dans l’autobus
Et les pieds restés chez elle,
L’estomac dans les talons,
Les intestins tout du long
Demeurés à l’hôpital
Le Corps tragique
Pour un examen total
Et le cœur comme un rébus
De bien avant l’omnibus
Qui battait tant bien que mal.
Ses reins’ sont à Montparnasse,
Son foie, plaine Saint-Denis,
Alors que ses vieilles mains
Et ses pieds riches d’hiers
Et presque sans lendemains
Sont boulevard Saint-Germain.
Le tout se reconstitue
Dans une petite rue
Et chétivement se tasse
Dans un corps qui ne sert plus.
REMORDS
Vieille, comment al-je pu
Donner cet air incongru
À ta misère si grande
Qui me crache et me gourmande.
D’où vient cette cruauté
Et cet air si entête,
Cette emprise si hostile
Sur une vie difficile.
Je t’invite? à déjeuner
Au carrefour de Décembre,
On partagera le pain,
Le vin, la neige et la chambre
Et les secrets assassins
Qui font mourir de chagrin.
Jules Supervielle
606
DE ZWERVER
(gevolgd door BEROUW)
Met haar borsten die meer hingen
Dan alsof ze van bier waren
De oude vrouw liep van achteren
De oude vrouw liep van voren,
Ze voelde zich nu
Vreemd gevangen
In een lichaam dat niet gehoorzaamde.
Haar hoofd in de bus
En haar voeten thuis,
Haar maag in haar hakken,
Haar ingewanden al die tijd
Bleven in het ziekenhuis
Het tragische lichaam
Voor een grondig onderzoek
En haar hart als een raadsel
Van lang voor de bus
Dat zo goed mogelijk klopte.
Haar nieren zijn in Montparnasse,
Haar lever, Plaine Saint-Denis,
Terwijl haar oude handen
En haar voeten rijk aan gisteren
En bijna zonder morgen
Zijn op Boulevard Saint-Germain.
Alles herschikt zich
In een smalle straat
En krimpt schraal ineen
In een lichaam dat niet langer dient.
BEROUW
Oude vrouw, hoe kon ik
Deze tegenstrijdige houding aannemen
Tegenover uw immense ellende
Die mij bespuugt en mij uitscheldt.
Waar komt deze wreedheid vandaan
En deze koppige houding,
Deze vijandige greep
Op een moeilijk leven?
Ik nodig u uit voor de lunch
Op het kruispunt van december,
We zullen brood,
Wijn, sneeuw en een kamer delen
En de moorddadige geheimen
Die iemand doen sterven van verdriet.
Jules Supervielle
606
Google translate
LE MARTYRE DE SAINTE EULALIE
de GARCÍA LORCA
PANORAMA DE MÉRIDA
Dans la rue court et bondit
Un cheval à la queue longue,
Tandis que jouent ou sommeillent
Quelques vieux soldats de Rome.
Une futaie de Minerves
Ouvre mille bras sans feuilles
De l’eau suspendue redore
Les arêtes des rochers.
Une nuit faite de torses,
D’étoiles au nez cassé,
Attend les fentes de l’aube
Pour s’écrouler toute entière.
De temps à autre résonnent
Des jurons à crête rouge.
Les soupirs de l’entant sainte
Brisent le cristal des coupes.
La roue aiguise ses lames
Et ses crochets suraigus.
Le taureau des forges brame
Et Mérida se couronne
De nards presque réveilles
Et de mûres sur leurs tiges.
LE MARTYRE
Voici Flore’ nue qui monte
De petits escaliers d’eau.
Le Consul veut un plateau
Pour les deux seins d’Eulalie.
De la gorge de la sainte
Sort un jet de veines vertes.
Son sexe tremble, embrouille
Comme un oiseau dans les ronces.
Sur le sol, déjà sans norme,
Sautent ses deux mains coupées
Pouvant encor se croiser
Dans une prière ténue,
Ténue mais décapitée.
Et par les trous purpurins
Où naguère étaient ses seins
On voit des ciels tout petits
Et des ruisseaux de lait blanc.
Mille petits arbres de sang
Opposent leurs troncs humides
Aux cent bistouris du feu.
De jaunes centurions,
Chair grise ayant mal dormi,
Vont au ciel entrechoquant
Leurs armures en argent.
Pendant que vibre confuse
Une passion de crinières
Et d’épées* longues et courtes
Le Consul sur son plateau
Tient les seins fumés d’Eulalie.
ENFER ET GLOIRE
La neige ondulée repose.
Eulalie pend à son arbre.
Sa nudité de charbon
Charbonne les airs glacés.
La nuit tendue brille haut.
Eulalie morte dans l’arbre.
Deux poètes : Garcia Lorca, Jorge Guillén
Tous les encriers des villes
Versent l’encre doucement.
Noirs mannequins de tailleurs
Vous couvrez la neige au loin.
Vos longues files gémissent’
Un silence mutilé.
La neige vient à tomber.
Eulalie blanche dans l’arbre.
Des escadrons de nickel
Joignent à son flanc leurs lances?.
On voit luire un ostensoir
Sur un fond de ciels brûlés
Entre deux gorges d’eau douce
Des bouquets de rossignols.
Sautez, vitres de couleurs?!
Eulalie blanche sur neiges.
Des anges, des seraphins
Disent : Sainte, sainte, sainte.
Jules Supervielle
636
HET MARTELAARSCHAP VAN DE HEILIGE EULALIE
door GARCÍA LORCA
PANORA VAN MÉRIDA
Een paard met een lange staart rent en springt door de straat,
Terwijl enkele oude soldaten van Rome spelen of sluimeren.
Een dicht struikgewas van Minervabomen
Opent duizend bladloze takken,
Verguldt de randen van de rotsen met stilstaand water.
Een nacht gemaakt van torso’s,
Van sterren met gebroken neuzen,
Wacht op de kloven van de dageraad,
Om volledig in te storten.
Van tijd tot tijd weerklinken
Rode eden.
De zuchten van het heilige kind
Verbrijzelen het kristal van de bekers.
Het wiel slijpt zijn messen,
En zijn scherpe haken.
De smidsstier brult
En Mérida kroont zichzelf
Met nard, bijna ontwaakt
En bramen aan hun stengels.
MARTELING
Hier is Flora, naakt, klimmend
Over kleine watertrapjes.
De Consul wil een schaal
Voor Eulalia’s twee borsten.
Uit de keel van de heilige
Ontspringt een straal groene aderen.
Haar geslachtsdeel trilt, verstrikt
Als een vogel in doornstruiken.
Op de grond, reeds zonder maat,
Springen haar twee afgehakte handen
Nog steeds in staat elkaar te omhelzen
In een wankel gebed,
Geveinsd maar onthoofd.
En door de paarse gaten
Waar haar borsten ooit waren
Ziet men kleine hemeltjes
En stromen witte melk.
Duizend kleine bloedbomen
Verzetten zich met hun vochtige stammen
Tegen de honderd scalpelmessen van vuur.
Gele centurio’s,
Grijs vlees van slapeloze nachten,
Beuken met hun zilveren harnassen naar de hemel.
Terwijl een verwarde passie van manen
En zwaarden, lang en kort, trilt,
Houdt de Consul op zijn plateau
Eulalia’s rokerige borsten vast.
HEL EN GLORIE
De rimpelende sneeuw rust.
Eulalia hangt aan haar boom.
Haar gitzwarte naaktheid
Laadt de ijzige lucht op.
De gespannen nacht schijnt helder.
Eulalia, dood in de boom.
Alle inktpotten van de stad
Gieten zachtjes inkt.
Zwarte kleermakersmannequins
Bedekken de sneeuw in de verte.
Jullie lange lijnen kreunen
Een verminkte stilte.
De sneeuw begint te vallen.
Witte Eulalia in de boom.
Squadrons nikkelen lansen voegen zich bij haar zijde.
Een monstrans glinstert
Tegen een achtergrond van verschroeide luchten
Tussen twee zoetwaterkloven
Boeketten van nachtegalen.
Spring, glas-in-loodramen!
Witte eulalia op sneeuw.
Engelen, serafijnen
Zeg: Heilig, heilig, heilig.
Jules Supervielle
636
Googl translate
