Liefde en haat (2)

Redding – utopie en realiteit van het kwaad

Het kwaad treedt meestal op in menselijke gedaante. Natuurlijk kun je een aardbeving of andere vorm van onverwacht lijden een kwaad noemen, maar het kwaad dat door mensen wordt aangericht – als vorm van kwaad – is toch effect van een keuze van een mens en is niet natuur-noodzakelijk. Maatschappelijke systemen, ontstaan uit politieke ideologieën zoals facisme en communisme, verheerlijken de macht van een bepaalde groep en hebben daarom ook tegenstanders en vijanden nodig. Vooral om zich te profileren en om natuurlijk een doel te hebben in het leven: de vernietiging van elke vorm van tegenstand. Ze verkopen hun ideologie als het hoogste doel op aarde en vergeten daarbij dat alles relatief is en dat ALLES vergaat. Wat je ook met je ideologie bereikt – uiteindelijk na veel ‘offers’ (vooral dan slachtoffers van je handelen), het is slechts tijdelijk. De krachten en machten die je hebt ontketend door vijanden te maken en te vernietigen zullen zich uiteindelijk tegen je keren. Dan is je einde nabij. Alle mooie praatjes ten spijt. Macht roept tegenmacht op, geweld, tegengeweld. Al lijk je de wind mee te hebben, je ideologie en de aanhangers ervan zullen het onderspit delven. Na de voorbeelden van Nazi-Duitsland / Italië met als inspiratiebron het fascisme, het Rusland van Lenin en Stalin met als inspiratiebron het communisme, idem het China van Mao en tenslotte het Noord-Korea met de ideologie van Kim Il-sung, Juche, mag nu toch wel duidelijk zijn dat dit doodlopende wegen zijn. Noord-Korea heeft nog niet ervaren dat ze op een doodlopende weg zitten maar de bevolking weet dat allang (behalve zij die er in alle vormen van profiteren en de goedgelovigen en geïndoctrineerde landgenoten). De prijs is telkens hoog om dit soort ideologieën gestalte te geven – de uitkomst is altijd weer: zelfverrijking van de leiding, volslagen corruptie en machtsmisbruik en miljoenen doden inclusief de onmenselijke oorlogen die eruit voortkomen.

Waarom laat een mens zich overhalen om carrière te maken binnen een dergelijk systeem, wat spreekt hem of haar zo aan om uiteindelijk elke vorm van menselijkheid tegenover de zogenaamde en zelfbenoemde vijanden te laten varen? Waarom voer je de bevelen uit om hele bevolkingsgroepen uit te moorden? Waarom doe je mee in dergelijke kwaadaardige systemen? Dat is een vraag die mij mijn hele leven al bezig houdt: het kwaad in de mens en de mens als verpersoonlijking van het kwaad.
Als je de documentaires bekijkt waarin verstokte oud-nazi’s hun dag slijten, grotendeels in anonimiteit, maar zonder een greintje spijt over hun handelen als bijvoorbeeld bewaker in een concentratie- of vernietigingskamp (ook al hebben ze meestal een geringe straf uitgeboet in de gevangenis) dan vraag je jezelf af, wat heeft dit nou allemaal opgeleverd? Dan bedoel ik als ‘mens’, als invulling van je leven, als invulling van een bestaan met het oog op de zinvolheid ervan. Was het zinnig om zo onmenselijk tekeer te gaan, is dat een zinvolle invulling van je levensdagen? Wat is de beloning? Een hogere rang, roofbuit voor je gezin, nog meer alcohol en drugs om jezelf te verdoven? Zelfs Himmler, de baas van de SS kwam tot het besef dat het vermoorden van meer dan een miljoen joden via de kogel (vooral in Oekraïne) tot schade heeft geleid bij zijn gewillige moordenaars, ook al noemde hij in een toespraak het uitmoorden van miljoenen mensen ‘een bladzijde in de geschiedenis die nooit geschreven is en nooit geschreven zal worden’. Hij noemde het een bewijs van kracht dat de SS deze moorden kon uitvoeren zonder hun eigen ‘ziel’ of ‘karakter’ te beschadigen. Maar intussen koos de leiding van de SS wel voor een andere methode: de fabrieksmatige slachtpartij via gas en verbranding. De vernietigingskampen waren binnen no time een feit. Het verhaal van Sobibor, Treblinka en Maidanek als ‘pop-up’ vernietigingsoorden naast de grotere kampen als Auschwitz, Bergen Belsen en vele andere laat dit duidelijk zien.
Trouwens wat is de ziel en wat is het karakter van een dergelijke nazi? Trouw aan het vaderland en de Führer erop los moorden en dat een heilige plicht noemen en een bewijs van standvastigheid? Duivelsknechten – ‘de hel’ op aarde. De rest zijn ordinaire leugens.

Maar wat moet je nou met dergelijke (on)mensen die blijven geloven in hun moorddadig gelijk en die geen enkel berouw tonen voor hun daden? Moet je ze allemaal afschieten? Eerst zij en dan later de iets kleinere daders met minder moorden op hun geweten? Dat is geen begaanbare weg. Dan mondt dit uiteindelijk uit in de moord op allen die je niet aanstaan. Dan kies je net dezelfde weg als de moordenaars en dezelfde methodes. Dan ben je geen haar beter. Dan heb je je plek in ‘de hel’ wel verdiend.

Etty Hillesum denkt hier midden in de oorlog over na en ze beseft dat geweld beantwoorden met haat en tegengeweld niks oplost, want dan verandert er helemaal niks. Zij gelooft eerder in het tegenovergestelde: geweld met liefde beantwoorden ook al kost dat dan je leven. In haar dagboeken begint ze met het beschrijven van de situatie waarin ze zich bevindt en niets wijst er in het begin erop dat het midden in de oorlog is. Ik citeer een groot deel van haar verhaal, ook om de sfeer te proeven en de situatie waarin ze verkeert. Ze schrijft:

Nog een nacht te voren hadden de sterren als glanzende vruchten in de zwarte takken gehangen en een nacht later klommen ze, nog onzeker, langs de kale, beroofde stam. En ja, die sterren: voor enkele nachten graasden er een paar achtergebleven verdwaalde sterren over de verlaten, wijde hemelvlakte. Een indrukwekkend beeld: grazende sterren! Maar zo wilde het dit keer gezegd zijn, niets aan te doen.
Ik dreigde één ogenblik sentimenteel te worden, toen de takken gekapt werden. En één ogenblik was ik heel zwaar treurig. En toen wist ik meteen weer: het nieuwe landschap, dat er ontstaat, zal ik weer op zijn manier liefhebben. En nu rijzen die 2 bomen daar achter m’n venster op als magere, indrukwekkende asceten. Gisterenavond waren ze als twee dolkstoten tegen de lichte lucht gericht.
En Donderdagavond was er weer oorlog achter m’n venster en ik lag er maar te kijken vanuit m’n bed. Bernard “draaide” naast me Bach. En die stem klonk eerst zo krachtig en stralend. En toen plotseling vliegmachines, afweergeschut, schieten, bommen, zo dreunend als al in lang niet. Vlak om het huis, leek het. En het werd me, opeens weer klaar bewust hoeveel huizen er over de hele wereld dagelijks boven mensen instorten. En Bach ging dapper door, maar was nog maar een heel zwak stemmetje. En ik lag daar in m’n bed en was zo wonderlijk gestemd. Lichtkogels langs de dreigende, kale stam voor m’n venster. Gedreun. En ik dacht: er kan hier ieder ogenblik een granaatscherf door dit venster komen. Dat is toch mogelijk. En ook is mogelijk, dat men veel pijn moet lijden. En toch voelde ik me zo diep vredig en dankbaar gestemd, daar in m’n bed. En aanvaardde, met een gevoel van volwassenheid en van deemoed, alle catastrophes en pijnen, die nog over me zouden kunnen komen. En geloofde vast, dat ik het leven toch schoon zou blijven vinden, altijd, ondanks alles. Alle catastrophes komen voort uit ons zelf. En waarom is er oorlog? Misschien, omdat ik af en toe neiging heb om m’n medemensen af te snauwen. Omdat ik en m’n buurman en iedereen niet genoeg liefde in zich heeft. En men kan de oorlog en al z’n uitwassen bestrijden door in zichzelf, dagelijks, ieder ogenblik, die liefde te bevrijden en kans te geven om te leven. En ik geloof, dat ik een mens nooit zal kunnen haten om datgene, wat men z’n “slechtheid” noemt, mezèlf zal ik er om háten – haten is een te groot woord hier – Men kan niet relatief genoeg zijn in datgene wat men eist van anderen en niet absoluut genoeg in de eisen, die men aan zichzelf stelt. En ik geloof, dat ik daarom ook geen angst heb in deze tijd, omdat alles wat er gebeurt me ergens zo nabij is, zo – hoe monstrueuze afmetingen het soms ook aanneemt – voortkomende uit de mensen en altijd weer tot iets menselijks te herleiden en daardoor zijn vele gedragingen niet angstaanjagend voor me, omdat ik ze altijd blijf zien als voortkomende uit de mens, uit iedere enkeling, uit mezelf, en daardoor is het alles te begrijpen en worden gedragingen nooit tot geïsoleerde gedrochten, die niets meer met de mensen te maken hebben.
Ja die bomen, hun takken hingen ’s nachts soms zwaar van de vruchten der sterren en nu zijn het dreigende dolkstoten tegen de lichte lentelucht. En in hun nieuwe gestalte en landschap weer onzegbaar mooi.
Ik herinner me een avond langs een Amsterdamse gracht, een verdroomde zomeravond, al heel lang geleden. Visionair. Steden kapotgegooid. Ik zag steden verzinken en nieuwe steden verrijzen en ik dacht: bombarderen jullie deze wereld maar kapot, wij zullen een nieuwe wereld bouwen en ook die zal weer vergaan en toch is het leven schoon, altijd weer opnieuw schoon. En het was net een visioen. Steden, die in afgronden tuimelden en nieuwe die verrezen en zo door de eeuwen heen, en het leven, dat zo mooi is.
En ook dat landschap van het mishandelde Rotterdam. Weer een nieuw, bizar landschap, met z’n eigen bekoring, dat men ook weer zou kunnen liefhebben. Wij mensen roepen zelf vreselijke toestanden op, maar omdat die uit ons zelf voortkomen, kunnen we er ons ook iedere keer weer aan aanpassen. Zodra we zo worden, dat we er ons niet meer aan kunnen aanpassen, dat we innerlijk allerlei toestanden niet meer verdragen kunnen, eerst dan zullen ze ophouden. Vliegmachines, die brandend neerkomen hebben nog hun eigen sensationele bekoring voor ons – zelfs esthetisch valt hier indrukwekkend te genieten – en we wéten, we wéten, dat mensen ondertussen levend verbranden, en zolang het nog zo is, dat niet alles in ons zich verzet, zolang we nog aanpassingsmogelijkheden vinden, zólang zullen alle wantoestanden voortduren.

De mens past zich aan, zoals ook nu in het belaagde Oekraïne dat dagelijks met zware raketaanvallen te maken krijgt waarbij talloze doden vallen en veel gebouwen verwoest worden. Ook oorlog went. Zeker als je er niet in betrokken bent en veilig ver weg woont, zonder familiebanden of andere verbanden met de getroffen bevolking. Dus protesteren we niet, blijven we heilig geloven in de kracht van wapens en geweld, de dreiging met wapens en het idee dat de vijand ons niet moet overrompelen. Hillesum is niet fatalistisch, maar gelooft wel dat alles een menselijke oorzaak heeft en als dat zo is, kan die mens dat ook veranderen. Maar wanneer daalt dat inzicht in en trekken we er onze conclusies uit zodat we anders gaan handelen en niet meer bevelen opvolgen om anderen uit te moorden?
De situatie is zo, en dat is al heel lang: niet alles in ons verzet zich. We proberen er het beste van te maken, we passen ons aan, we zien nog altijd mogelijkheden om de waarheid van dit geweld te verdringen, te sublimeren, goed te praten, te minimaliseren, te relativeren…terwijl er mensen (soms voor onze ogen) doodgaan. Terwijl hele steden met de grond gelijk worden gemaakt tijdens beschietingen. Etty Hillesum schrijft over zichzelf in dezelfde passage:

Betekent het nu, dat ik nooit treurig ben, nooit opstandig ben, alles maar accepteer en steeds het leven, onder alle omstandigheden prijs? Zo is het toch ook niet. Ik geloof, dat ik alle treurigheden en alle opstandigheden, die er in een mens kunnen zijn, beleef en ken, maar ik blijf nooit aan één zo een moment vasthaken, ik verduurzaam zulke momenten niet. Ze gaan door me heen, zoals het hele leven als een brede, eeuwige stroom door me heen gaat, ze worden mee opgenomen in die stroom en het leven gaat weer door. En daardoor blijven steeds alle krachten bij me, ter volledige beschikking, haak ik m’n krachten niet vast aan een machteloze treurigheid of opstandigheid.
Und schließlich: muß man der Weltentraurigkeit nicht dann und wann eine kleine Unterkunft verleihen? En tegen Ilse Blumenthal zal ik op een goede dag misschien zeggen: Ja, het leven is mooi, aan het eind van iedere dag prijs ik het, terwijl ik toch wéét, dat Zonen van Moeders, zoals U ook een Moeder bent, in concentratiekampen vermoord worden. En het verdriet daarover moet je dragen, je kunt er je onder laten verpletteren, je zult ook wel weer opstaan, een mens is zo iets sterks en het verdriet daarover moet a.h.w. een bestanddeel van jezelf worden, een stuk van je lichaam en van je ziel, je hoeft er niet voor weg te lopen, draag het, maar als een volwassen mens, reageer je gevoelens niet af in een haat, die zich wreken wil op alle duitse moeders, die toch nu, op dit ogenblik, hetzelfde verdriet te dragen hebben als jij om hun gesneuvelde en vermoorde zonen.
Dit verdriet moet je in jezelf alle ruimte en onderdak verschaffen, die het toekomt en op die manier zal het verdriet in de wereld misschien verminderen, als iedereen draagt, eerlijk en loyaal en volwassen draagt, wat hem wordt opgelegd. Maar als je het verdriet niet het eerlijke onderdak verleent, maar de meeste ruimte openstelt voor haat en wraakgedachten, waaruit weer nieuw verdriet voor anderen geboren zal worden, ja dan neemt het verdriet nooit een einde in deze wereld en zal zich steeds vermeerderen.—En als je het verdriet de plaats en de ruimte gegeven hebt, die het krachtens zijn nobele geboorte toekomt, ja, dan mag je toch zeggen: het leven is zo schoon en zo rijk. Het is zo, dat je in God zou kunnen geloven.
(Etty Hillesum, Zaterdagochtend [28 Maart 1942])

Simone Weil, een andere jonge vrouw die in deze periode leefde, heeft eveneens veel nagedacht over de liefde, het kwaad en de wereld waarin dit kwaad functioneert. Haar teksten over het kwaad hebben een eigen invalshoek: het kwaad als opvulling van een leegte, een innerlijke leegte. Je zou dus kunnen stellen dat de moordenaars in dienst van een regime zo hun leegte opvullen, zo hun haat kunnen uitleven tegenover hen die in hun ogen verantwoordelijk zijn voor hun eigen innerlijke leegte. Het kwaad als ‘medicijn’, als een soort ‘afrodiscum’ dat lust opwekt om te moorden en zo de leegte vult. Simone Weil schrijft over het kwaad:

De schepping is: het goed in stukken gehakt en verspreid dwars door het kwaad heen. Het kwaad is het onbegrensde, maar het is niet het oneindige. Alleen het oneindige beperkt het onbegrensde. Het kwaad is eentonig: niets nieuws en alles is er equivalent. Niets werkelijks, alles is inbeelding. Om die monotonie speelt de hoeveelheid zulk een belangrijke rol : veel vrouwen (Don Juan) of mannen (Celimene). Het is een veroordeling tot de valse oneindigheid. En dat is de hel zelf.
Het kwaad is de teugelloosheid, en daarom is het zo eentonig : alles dient men uit zichzelf te halen. Het is de mens echter niet gegeven om te scheppen. Het is een armzalige poging om God na te bootsen.
Het niet-kennen en aanvaarden van deze onmogelijkheid om te scheppen is bron van vele dwalingen. Wij moeten de scheppingsact nabootsen ; er zijn twee mogelijkheden om hem na te bootsen : de ene is echt, de andere schijn: in stand houden en vernietigen.
Bij de instandhouding is er geen spoor van « ik ». Maar wel bij de vernietiging. “ Ik” laat zijn spoor achter in de wereld door de vernietigingsact.

Het ‘ik’ drukt zijn stempel op de wereld door het geweld, door daden die impact hebben en het meeste impact heeft het moorden. Als een ander volk uitgeroeid moet worden omdat het als bedreiging wordt gezien is de moord op dat volk, het uitroeien ervan een opdracht die vervuld moet worden. Het wordt als een soort van waarheid ervaren en men ziet nauwelijks de onmenselijkheid van dit handelen. Alles wordt goed gepraat. Maar wat blijft is het donker, de duisternis van de nacht – zeker als de taak is volbracht. Het licht is voorgoed verdwenen en keert ook niet terug. Simone Weil vraagt zich af of het kwade geen vorm van illusie is, een schijnwereld die het licht verduistert en die het onmogelijk maakt om het goede te doen en te ervaren. Ze schrijft:

Het goed kan men slechts ervaren, door het te doen.
Het kwaad alleen, door zichzelf te verhinderen het te volbrengen, of door, als men het gedaan heeft, er berouw over te hebben. Wanneer het kwade verricht wordt, herkent men het niet, want het kwaad mijdt het licht.
Bestaat het kwade, zoals men het zich indenkt, maar het niet doet, in werkelijkheid? Lijkt het kwade, dat men doet, niet op iets volkomen natuurlijks en eenvoudigs, dat zich opdringt? Is het kwaad niet analoog met illusie ? Wanneer iemand slachtoffer is van een illusie, erkent hij haar niet als zodanig, maar ziet haar als een realiteit. Misschien is het ook zo met het kwaad. Wanneer men midden in het kwaad zit, wordt het niet als kwaad aangevoeld, maar als een noodzaak en soms zelfs als een plicht.
Zodra iemand het kwade verricht, lijkt het een soort plicht te zijn. De meeste mensen hebben het gevoel van een plicht te vervullen, zowel bij bepaalde slechte als bij sommige goede dingen. Eenzelfde man voelt het als zijn plicht aan, zo duur mogelijk te verkopen en niet te stelen… Het goede bij de mensen staat op hetzelfde plan als het kwaad: het is een goed zonder licht.
De gevoeligheid van de onschuldige, die lijdt, is gelijk aan een gevoelige misdaad. De echte misdaad is ongevoelig. De onschuldige, die lijdt, kent de waarheid omtrent zijn beul, de beul kent haar niet. Het kwaad, dat de onschuldige in zichzelf voelt, is in de beul, maar daar is het ongevoelig. De onschuldige kent het kwaad slechts als lijden. Wat in de misdadiger niet voelbaar is, dat is de misdaad. En wat niet voelbaar is in de onschuldige, dat is zijn onschuld. De onschuldige kan de hel voelen.
De zonde, die wij in ons dragen, treedt uit ons en plant zich daarbuiten voort, waarbij zij besmettend werkt in de vorm van zonde. Zo bijvoorbeeld, als wij geprikkeld zijn, is ook onze omgeving geprikkeld. Of ook van meester naar ondergeschikte: de toorn verwekt vrees.

Simone Weil weidt nog veel verder uit over het goede en het kwaad, ook in het licht van het lijden en het geloof in God, maar dat voert hier te ver. Het probleem van het kwaad is complex. Het antwoord op het kwaad en het kwade dat mensen aanrichten in hun kwaadaardigheid is niet het vervallen in een zwart-wit denken, van een goed tegenover kwaad plaatsen. Het kwaadaardige handelen van een mens komt uit een mens en die valt niet helemaal samen met het kwaad, net zo min als het goede samenvalt met een mens die goed doet. Het kwaad lijkt op een utopie die ons wordt voorgeschoteld – alsof het volbrengen van het kwade leidt tot een goed, een beter leven, een doel dat positief is. Zo klinken de woorden van Himmler, en al die andere nazi-kopstukken: een duizendjarige rijk zal aanbreken met hen als eeuwige heersers. Verlossingsretoriek waarin ze zichzelf tot messias verklaren en hun handelen tot scheppend handelen, God gelijk. De misdadiger voelt niet de misdaad. De beul en de moordenaar blijven ongevoelig. Daarom gaat het moorden door, lijken er nauwelijks grenzen te zijn. Een halt kan alleen van buiten komen. Een grens kan alleen door anderen worden gesteld. Maar de middelen die worden ingezet om een grens te stellen aan het moorden zijn niet zonder gevaar om in dezelfde valkuil te trappen van deze doodsmechaniek.
Heeft het radicale antwoord van Hillesum en Weil (die ook vast gelooft in de liefde als antwoord) toekomst? Durven wij het aan om in hun voetsporen te treden en slachtoffer, lijdende te worden, met een zuiver hart, niet besmet door haat en gewelddadige wraakzucht? “Het goede kan men slechts ervaren door het te doen” zo Weil.

John Hacking 10 augustus 2026


Bronnen:

Hillesum, Etty, Het werk 1941-1943, Amsterdam 2012 (Uitgeverij Balans)
pag. 320-322

Het hoofdstuk over het kwaad in: Simone Weil, Zwaartekracht en genade, Tielt 1954 (Lannoo)
oorspronkelijke titel: La Pesanteur et la grace 1947 – uit het Frans vertaald door Louis Thijssen – uitgekozen en geclassificeerd uit de nagelaten werken uit de periode voor mei 1942 door Gustave Thibon
Simone Weil: Parijs 1909- Londen 1943

Dank je wel voor je reactie - Thanks a lot for reacting