2.5 De ruimte morgen
Das Seelisches dem Weltall eingemischt sei, davon wissen wir aus der Art und Weise, wie wir lebendig sind. Es gibt einen Punkt unseres Da-seins, an dem sich alle weitere Fragen erübrigen, weil wir dem Ganzen und allen seinen Teilen als einem wahren, wahrhaftigen Spiegelbild unserer eigenen Situation begegnen. Wir können die Dinge anschauen, wahrnehmen, sie fühlen und erkennen; wir sind bei ihnen, “wahlverwandt”, auch wenn sie uns entgegenstehen und bedrohen. Wie könnte es anders sein, da wir als Bewusstseinswesen doch einbezogen sind ins Ganze? Die Welt existiert, kraft unseres Bewusstseins, stets als unsere Welt. Und es ist die Evidenz unserer Lebendigkeit, die uns, die Geschöpfe, zu Mitbildnern der Schöpfung werden lässt, auch wenn wir uns darauf beschränken, unseren Alltagskram zu erledigen. All dies könnte nicht statthaben, gäbe es nicht dieses eingemischt Seelische, das uns zugleich tiefstes Geheimnis und nächste Nähe bleibt.1
Peter Strasser

Het probleem van onze existentie, hoe wij ons feitelijk bevinden in de wereld, de wereld als onze levensruimte, wat we daar aantreffen aan andere zaken die wij zelf niet zijn, mensen en dingen, gebeurtenissen en voldongen feiten, verwachtingen en andere zaken waar we dagelijks mee geconfronteerd worden, is dat wij niet volledig bij onszelf kunnen zijn. Ook al leven wij in ons eigen lichaam en verhouden wij ons tot dit lichaam als ruimte op een dubbelzinnige wijze, wij zijn het zelf, het kleurt ons zelfverstaan, en wij kunnen ingrijpen en knutselen aan het lichaam, wij zijn ook afhankelijk van de toestand ervan en wij kunnen eraan lijden als dit lichaam langzaam afsterft. Onze intiemste woning, de plek van het zelf waar het zich in en door als persoon in de wereld heeft gemanifesteerd, wordt een ruïne. Dat ervaren wij en daarvan zijn we ons bewust. Het is misschien wel de meest intieme ervaring van onze existentie in de wereld en als deel van de wereld. De autotopie die het lichaam is voor het zelf in de heterotopie die de wereld is, verlangt naar
werkelijkheid – naar zelfervaring en bevestiging. Dat is niet alleen een vorm van narcisme, het is de basisvoorwaarde om überhaupt te kunnen existeren in de wereld als persoon. Het lichaam wil worden gehoord en gezien en anders worden we ziek. Ook het lichaam verlangt naar verbreking van de banden die knellen in de vorm van ziekte, dood en andere beperkingen. Het lichaam kan echter niet anders dan zich uiten via het zelf dat in dit lichaam woont. Wat ik hier aan het lichaam toeschrijf klinkt natuurlijk op het eerste gezicht absurd alsof het lichaam een eigen dynamiek en kracht vormt die los van de persoon en het zelf zou kunnen opereren. Maar als je bedenkt dat het lichaam een levend lichaam is, een lichaam dat bezield, dat met leven gevuld, functioneert en leeft dan wordt de horizon anders en krijgt het veld van betekenissen een nieuwe dynamiek: namelijk hoe verhoudt het zelf dat in het lichaam woont zich tot het levende dynamische van dit lichaam. De mens als zelf verhoudt zich niet tot zijn lichaam als tot een hoopje materie, of als tot een verzameling cellen, of dode stof, maar tot een orgaan dat bruist van leven en van energie. De meeste functies van het lichaam spelen zich af buiten de controle en buiten het zicht en bewustzijn van het zelf. Ware dit niet zo, dan zou het zelf waarschijnlijk al lang zijn ondergegaan in de immense dynamiek die het levende lichaam vraagt en die hoe dan ook zolang het lichaam leeft, plaats vindt. Maar wat is dit leven, wat is leven? En wat is ziel?

De ziel kan haar gestalte tussen vrees en hoop alleen maar vinden, wanneer zij een marge van vrijheid om te experimenteren, van vrijblijvende elasticiteit heeft, als zij niet iedere seconde vastgenageld wordt aan de wet van oorzaak en gevolg van de buitenwereld. Voor deze speelruimte staat de schaamte borg. Zonder de schaamte, vóór de schaamte en voorbij de schaamte is er geen groei van de ziel mogelijk. Zij vormt de begrenzing waarbinnen alles wat de ziel toebehoort geborgen is, en de haag waarbinnen het geplant moet zijn om te kunnen groeien.
(….Een God bloost niet, noch zweet hij….een God, een ik, heeft de schaamte niet nodig….) Maar een menselijke ziel, zoals jij, verbergt zich is en is schuchter. En deze verecundia is de centrale verschijningsvorm van ons leven in de tweede persoon. Dat de psychologie niet van de schaamte uitgaat, veroordeelt haar evenzeer als het feit dat zij niet begint bij de naam van de mens.2
Eugen Rosenstock-Huessy
In de geschiedenis van de Westerse filosofie is de vraag naar de ziel op verschillende wijzen beantwoord en de vraag naar het leven evenzo, maar een echt bevredigend antwoord op beide fenomenen is tot op de dag van vandaag niet gegeven. Voor de exacte wetenschap is deze vraag een non-item want ze valt met de rationele mathematische methode niet te beantwoorden. De ziel doet gewoon niet mee in het discours en de ontdekking van het geheim van het leven is een utopisch verlangen dat misschien eens en ooit zal worden ontdekt, maar de kans is heel gering en de uitkomst ongewis.3
De Duitse filosoof Peter Strasser is van mening dat het wegstrepen van deze vragen door de exacte wetenschap een zeker gevaar met zich meebrengen. De ontkenning van de ziel, ook als een soort van kern in het menselijk leven en in het bewustzijn, brengt het gevaar met zich mee dat wij de mens en het menselijk lichaam meer en meer gaan behandelen als een soort van ‘zombie’, een wezen dat bestaat uit levend vlees, puur bewegende materie, maar dat zelf niet meer ‘lebendig’, levend is. Als je het principe van het leven en de kracht van leven buiten beschouwing laat, die zich manifesteert in het begrip ziel en het zielenleven van de mens, houd je een zombie over. Voor Strasser is dan ook duidelijk dat de hang naar levendigheid, het verlangen naar buitengewone en spannende ervaringen en sensaties door de hedendaagse mens, ook een bewijs is voor het feit dat de samenleving, zo luidt zijn hypothese, meer en meer een ‘zombiemaatschappij’ aan het worden is. De technocratische tendenzen in onze samenleving lijken hiertoe te leiden want de techniek neemt de macht over van het bewustzijn. De mens wordt meer en meer in een technocratisch wetenschappelijk rationeel keurslijf gedwongen met behulp van de mechanismen tijd, geld, ‘common sense’ en een geloof in eigen kunnen en eigen almacht. Strasser spreekt over filosofenzombies, filosofen die als materialisten enkel geloven in de werkzaamheid van de materie en waar voor het bewustzijn en de vrije wil geen plaats meer is. Kijk naar de ontwikkelingen en de theorievorming in de neurowetenschappen waar dergelijke standpunten worden verkondigd en aangehangen. Hij spreekt over geseculariseerde zombies – zij die religie en geloof volledig hebben afgeschaft en de bestemming van de mens in een transcendent gemotiveerde werkelijkheid vehement afwijzen: het leven van de mens moet zijn volledige bestemming in het hier en nu, in dit aardse vinden en ontwikkelen. Maar dan duikt meteen het probleem op ‘ voor wie en van wie is de aarde’ en wie heeft het meeste recht op ontwikkeling en leven. Zijn we inmiddels niet met teveel mensen op deze aarde? En waartoe zal het antwoord op deze vraag leiden?4 Het is nu al zo dat het racisme dat onderhuids in de maatschappij nooit verdwenen is, opnieuw zijn kop opsteekt en andere mensen wegzet als ‘ongewenste vreemdelingen’, ‘gelukszoekers’, ‘asielanten’ ‘minderwaardigen’, ‘volksvijandige elementen’ etc. etc. De wijze waarop met het vluchtelingenprobleem in de wereld wordt omgesprongen spreekt in deze boekdelen. En dat is maar het topje van de ijsberg want daaronder schuilt het probleem van de verdeling van de welvaart en het vraagstuk van de rechtvaardige en humane samenleving.
Strasser spreekt ook over de ‘gelukszombie’ omdat onze hele samenleving maar één doel lijkt te hebben, het verwerven en behouden van geluk. Onze consumptie en de economische processen – ook zichtbaar in de schommelingen van de koersen in de financiële instellingen zoals de beurzen – lopen daarin gelijk samen op. De wereld van alledag bevat een ‘overkill’ aan prikkels om dat geluk elk moment van de dag na te jagen. Het dagelijks met alle kracht en energie beantwoorden aan ‘greed’ is voor velen de nieuwe religie om zich een plaats te verwerven in de wereld. Voor Strasser is een gelukkig leven daarentegen een leven dat lukt. Dat is niet een leven dat volgepropt is met gelukservaringen. Hij pleit voor een leven dat levend beleefd en geleefd kan worden zonder dat men de achting voor zichzelf en voor de ander verliest omdat men zijn ziel verkoopt aan de geluksduivel van het genot, de beurskoersen en het eigen gewin of de consumptie.
Strasser stelt: “Es gibt eine Unsterblichkeit im Leben, das lebendig gelebt wird. Damit ist das Moment des Seelischen, des unerreichbaren Nahen, des intim Transzendenten mitgemeint, wie es uns in der zeitlos-bedeutsamen Anschauung der Dinge und der anverwandlingsvermögenden Praxis – der Praxis einer “Geborgenheit im Schlechten” – begegnet.”5
vieles hängt daran ob man liebt
oder geliebt wird ・und auch die nacht vergeht:
dann ist arbeit zu tun
VI.106
Raoul Schrott

Hoe manifesteert het zelf zich in de wereld die vandaag en morgen binnen deze optiek gaat aanbreken? Welke wereld zal er uit zijn handen gaan vloeien? Wat is de ruimte die morgen openstaat voor nieuwe invullingen? Zal het zelf dat in zekere mate onbekend blijft voor zichzelf er in slagen dichter bij zichzelf te komen? Meer samenvallen met zichzelf, meer focus hebben en minder uitgesmeerd over de zaken die hem nu in beslag nemen zoals de voortdurende prikkels waar we aan onderhevig zijn.
Als het zelf vooral door een vorm van inlijving deel uitmaakt van de wereld via zijn persoon waarmee het zich manifesteert, (want spreken en denken is ook een vorm van verteren, van opgedane ervaringen omzetten in taal en in gedachten, van betekenissen integreren in je leven7), dan liggen er nieuwe mogelijkheden voor het zelf als dit gekoppeld kan worden aan de machine. Dan neemt de wereld als machine de macht over van het zelf en wordt het zelf deel van de machine en de wereld waar die voor staat. Mens en wereld zijn dan meer dan ooit met elkaar verbonden omdat het verschil is opgeheven. Het artificiële maakt dan deel uit van het lichaam en van het zelf van de mens. Deze stap in de ontwikkeling zal een nieuwe wereld en een nieuwe mens scheppen. De mens heeft dan eindelijk het stadium van een god bereikt. Of van een zombie die nu aangestuurd wordt door een groot brein waarmee we allen zijn verbonden. Alle betekenissen komen dan voorgoed vast te liggen, einde menselijke creativiteit en menselijke vrijheid.
Aufklärung verdrängte die Götter
in die Unsichtbarkeit
Zweifel – die Unglaublichkeit
des Glaubens.
Was nicht von dieser Welt,
ist nur in dieser.
Wie könnte ich an Gott zweifeln,
misstraue ich doch meinen Glauben.
Zweifel – des Geistes Glaubwürde.
Es gibt keine Frage, die an Gott gerichtet
werden könnte, es wäre denn
das ganze Leben.
Messianismus: die Hoffnung im Erwartung8
Elazar Benyoëts

Ik heb tot nu toe gesproken over de wereld en over het zelf vanuit de ervaring van de existentiële feitelijkheid waarin wij ons als mensen bevinden. Hoe de wereld er morgen uit zal zien is niet alleen afhankelijk van ons menselijk handelen maar ook hoe de aarde als planeet zich zal gaan gedragen en welke effecten het klimaat op ons handelen zal hebben. Het zou wel eens zo kunnen zijn dat de effecten van de klimaatverandering zo ingrijpend worden dat grote delen van de mensheid zullen ondergaan omdat wij niet bestand zijn tegen de extreme omstandigheden die dan optreden. Dat kan zowel koude als warmte zijn. De beschikbare levensruimte op aarde krimpt vanzelf bij het optreden van grote vloedgolven, de stijging van de waterspiegel en de toename van aardbevingen en vulkanische uitbarstingen. Niemand kan voorspellen hoe de naaste toekomst voor de mensheid eruit zal zien. De sciencefictionfilms beloven niet veel goeds: het is altijd of een vlucht in de techniek van de toekomst met dito gewelddadige oorlogen of een recessie terug in de oertijd met de ‘struggle for live’ als hoofdthema. Een technische vlucht naar voren, waar humaniteit en andere positieve eigenschappen niet vanzelfsprekend worden meegenomen, of een terugval in een ver verleden waar deze kwaliteiten nauwelijks een rol speelden.
“Daarom is de aardse globalisering, net als een axioma, de eerste en enige vooronderstelling waarvan een theorie van de huidige tijd moet uitgaan. Ook al existeerden de afzonderlijke volken tot voor kort in hun endosferen als op verschillende sterren, afgescheiden van de buitenwereld door hun talige clausuren, geïmmuniseerd door de onwetendheid van de anderen en betoverd door de eigen ellende en eigen roem – ze worden door de afstand-vernietigende ‘revolutie’ van de moderniteit gedwongen om toe te geven dat ze voortaan op grond van hun bereikbaarheid voor de beweeglijke anderen op een en dezelfde planeet leven, de stern van de niet-verborgenen.
Aangezien de aardse globalisering een puur feit is, dat laat en onder specifieke omstandigheden is ingetreden, laat ze zich niet interpreteren als manifestatie van een eeuwige waarheid of een onvermijdelijke noodzakelijkheid.”9
Peter Sloterdijk
Ruimte voor God en het goddelijke in de wereld van morgen is al net zo in nevelen gehuld. René Munnik huldigt in zijn boek ‘Tijdmachines’ de opvatting en hij verdedigt de hypothese dat in de mate waarin wij onszelf als rationele wezens realiseren en onze wereld rationeel inrichten, in die mate neemt onze wereld een steeds mythischer gestalte aan.10 Wij weten uit de geschiedenis van de mensheid dat de mythe de natuurlijke habitat was voor het leven van de goden want deze mythen ontlenen al hun energie en kracht, zo zou je kunnen zeggen, aan de ‘goedgelovigheid’ van mensen. Omdat die mensen nog niet tot het rationele inzicht waren gekomen dat goden niet bestaan en daarom pure fictie zijn, vrucht van menselijke fantasie. Maar hebben die oude mythes afgedaan en zijn er nu nieuwe mythes voor in de plaats gekomen? Bijvoorbeeld het geloof in de almacht van de wetenschap, de beheersing en sturing van het leven, de vooruitgang die nooit meer zal stoppen, de verovering van het heelal door de mens? Het zijn almachtsfantasieën in de vorm van moderne mythes. Het is hybris op een ongekende schaal. Als wij God moeten zoeken, zoals boven is betoogd, in zijn tekst, in de a-theologie van de interpretatie van de letters, de woorden, begrippen en het wit tussen de letters en in de tekst, dan hoeft ook de toekomst geen tijd en geen ruimte zonder God te zijn.11 We nemen de teksten met ons mee en daarmee ook de hoop en de verwachtingen, het ongekende potentieel dat aan geestkracht in deze teksten ligt opgesloten en dat wacht om blootgelegd te worden. Een kracht die in de loop van de geschiedenis mede de aanleiding is geweest om velen te inspireren, zelfs tot de gestalte van de wereld zoals wij die nu kennen. Peter Strasser spreekt erover dat wij ons moeten verhouden tot de wereld en ons moeten aanpassen aan de wereld als een vorm van ‘geborgenheid in het slechte’. Ik zou willen zeggen, het onvolmaakte, dat wat wacht op verbetering, dat wat kan worden om het religieus uit te drukken ‘rijk van God’. Het rijk is er, het groeit, zegt Franz Rosenzweig en het idee van het Rijk Gods is in vele seculiere gestalten nagestreefd, waarvan de idealen van de vele revoluties getuigenis afleggen.12 Daarom nu een blik op de tijd en het denken over de tijd.
Was in der Zukunft liegt, liegt nicht für uns bereit
“Von keinem Manne und keinem Ereignis
kann je ein Mensch den Sinn aussagen.
Denn immer noch ist Zukunft vor uns
und ursacht in unsere Stunden herein,
und sind wir morgen klüger als heute,
so werden wir dich auch morgen heute sagen
und abermals nicht klüger sein.”13
Joseph Bernhart
“Durch mein Dasein bin ich nicht mehr als eine leere Stelle,
ein Umriss, des aus dem Sein überhaupt ausgespart ist.
Damit aber ist die Pflicht und Aufgabe gegeben,,
diese leere Stelle auszufüllen.
Das ist mein Leben.”14
Georg Simmel

Dit is een deel uit mijn essay: God in de kosmos. Het hele essay is te lezen (eventueel te koop) (en te downloaden) op:
Noten:
1 Strasser, Peter, von Göttern und Zombies. Die Sehnsucht nach Lebendigkeit, Paderborn 2016 (Wilhelm Fink), p. 30
2 Rosenstock-Huessy, Eugen, De taal van de ziel. Vertaling van Angewandte Seelenkunde (1924) van Eugen Rosenstock-Huessy, Vught 2014 (Skandalon), p. 88-892
3 Ibid., p. 33: “Wittgenstein hat auch dazu Erhellendes gesagt: “Wird den dadurch ein Rätsel gelöst, dass ich ewig fortlebe? Ist denn dieses ewige Leben dann nicht ebenso rätselhaft wie das gegenwärtige? Die Lösung des Rätsels des Lebens in Raum und Zeit liegt ausserhalb von Raum und Zeit.” Nur dass hier nicht von der Lösung des Rätsels des Lebens die Rede sein kann, weil es nämlich kein Rätsel gibt und daher auch keine Lösung, zumindest nicht im wörtlichen Verstande. Ein Rätsel des Lebens gibt es nur innerhalb von Raum und Zeit, im Rahmen jenes Leben, welches das unsere ist uns als solches mit Bewusstsein und Individualität begabt. Hier stellt sich wegen des Endes, dem kein endliches Wesen entkommt, die Frage nach dem Sinn in seiner Radikalsten Form.”
4 Strasser stelt: “Bei dem Gedanken an siebeneinhalb, acht Milliarden Menschen stellen sich apokalyptische Bilder ein. Wo Seele war, herrscht Elektronik. In den kapitalisierten Zonen der Welt sind wir dabei, eine vollständige Künstlichkeit zu erzeugen. Sie weist uns unser Utopie: So sollten allen leben können, um gut zu leben! Es ist die Utopie des Cyborgs, in der wir befangen sind. Wir haben uns, die Herren der Schöpfung, die Götter über den Clouds, der Möglichkeit beraubt, die Welt als Schöpfung zu denken, geschweige denn “anzuschauen”. o.c. p. 53
5 Ibid., p. 88-89
6 Schrott, o.c., p. 52
7 Vgl. Wiman, o.c. p. 100 die hierover spreekt mbt betekenissen van ervaringen, vooral ook de religieuze en poëtische ervaringen, waarbij men het gevaar kan lopen dat de interpretatie de ervaring gaat overstemmen en dat het oorspronkelijk enthousiasme waarmee je kennis maakte met deze ervaring als sneeuw voor de zon verdwijnt. Vergelijk ook het concept Panim Hadashot in de Talmoed, letterlijk nieuwe gezichten: de maaltijd met nieuwe mensen, nieuwe gezichten, is in de Joodse traditie een vernieuwingsrite. Eten is een vernieuwing van leven, het absorberen en assimileren van materiaal buiten het lichaam verschaft het lichaam nieuwe energie; zo wordt het individu door het samen eten deel van de vernieuwde gemeenschap. Zo zou je ook figuurlijk het tot je nemen van betekenissen kunnen zien als vorm van maaltijd, ontmoeting van nieuwe gezichten met nieuwe inzichten. Vgl. Ouaknin, The Burnt Book, o.c.. p. 206
8 Ibid., p. 144
9 Sloterdijk, Peter, Het kristalpaleis. Een filosofie van de globalisering, Amsterdam 2006 (Sun), p. 152-153
10 Zie ook zijn eindconclusies Ibid., p. 382-387
11 “Het doel van theologie – het doel van alle denken over God – is om de stilte helderder en sterker voor ons te maken, om de zinledigheid – waarmee ik die aspecten van het goddelijke bedoel die niet te herleiden zijn tot menselijke zin – onherleidbaarder te laten zijn, en verschrikkelijker, en dus, uiteindelijk, wonderbaarlijker. Daarom is kunst zo veel beter in theologie dan theologie.” Wiman, o.c. p. 144
12 “Zwar nicht fertig ist die Welt im Anfang geschaffen, aber mit der Bestimmung, fertig werden zu sollen. Die Zukunft ihres Fertigwerdens ist mit ihr zugleich geschaffen als Zukunft. Oder, um von dem Anteil der Welt allein zu sprechen, auf den das Fertigwerden gelegt ist – denn das Dasein hat sich nur allzeit zu erneuern, nicht fertig zu werden -: das Reich, die Verlebendigung des Da- seins, kommt von Anfang an, es ist immer im Kommen. So ist sein Wachstum notwendig. Es ist immer zukünftig – aber zukünftig ist es immer. Es ist immer ebenso schon da wie zukünftig. Es ist einfürallemal noch nicht da. Es kommt ewig. Ewigkeit ist nicht eine sehr lange Zeit, sondern ein Morgen, das ebensogut Heute sein könnte. Ewigkeit ist eine Zukunft, die, ohne aufzuhören Zukunft zu sein, dennoch gegenwärtig ist. Ewigkeit ist ein Heute, das aber sich bewußt ist, mehr als Heute zu sein. Und wenn also das Reich ewig kommt, so bedeutet das, daß zwar sein Wachsen not- wendig ist, aber daß das Zeitmaß dieses Wachstums nicht bestimmt ist, ja genauer: daß das Wachstum gar kein Verhältnis zur Zeit hat. Ein Dasein, das einmal ins Reich eingegangen ist, kann nicht wieder herausfallen, es ist unter das Einfürallemal getreten, es ist ewig geworden.” Ibid. p. 250
“Und erst seit es gebetet wird, beginnt die Zeit sich wirklich zu erfüllen. Erst seitdem kommt das Reich Gottes wirklich in ihr. Es ist ja kein Zufall, daß nun zum ersten Mal ernsthaft begonnen wurde, die Forderungen des Gottesreichs zu Zeitforderungen zu machen. Erst seitdem wurden alle jene großen Befreiungswerke unternommen, die, so wenig sie an sich schon das Reich Gottes ausmachen, doch die notwendigen Vorbedingungen seines Kommens sind. Freiheit, Gleichheit, Brüderlichkeit wurden aus Herzworten des Glaubens zu Schlagworten der Zeit und mit Blut und Tränen, mit Haß und eifervoller Leidenschaft in die träge Welt hineingekämpft in ungeendeten Kämpfen.” Ibid., p. 319
13 Benyoëts, Die Eselin, o.c. p. 45
14 in: Benyoëts, Die Eselin, o.c. p. 34
