Supervielle en de dood


DIEU PARLE À L’HOMME

Quand je dis «mes bras» ne va pas croire
Que ce sont des bras comme les tiens
Quand je dis «mes yeux» comprends ‘que rien
Ni autour de toi, ni ta mémoire
Ne t’en révèle un seul regard.
Je me sers des mots qui sont à toi.

Si tu ne me saisis pas bien
Restons taciturnes ensemble.
Que mon secret touche le tien,
Que ton silence me ressemble.

Moi qui suis l’univers et ne peux en jouir
Puisque tout est en moi dans sa masse importune,
Je te ferai présent des choses une à une.
Puisqu’il te suffira de voir pour les cueillir.
Ainsi garderas-tu même ce qui m’échappe,
Ce qui ne m’est plus rien tu pourras Le tenir
Et suivre vivement d’un regard qui rattrape
L’hirondelle en son vol ou rentrant à son nid.

Je te donne la mort avec une espérance
Ne me demande pas de te la définir,
Je te donne la mort avec la différence
Entre un passé chétif et mieux que l’avenir,
Je te donne la mort pour sa grande clémence
Et tout son contenu qui ne peut pas finir.
Bientôt petit bientôt tu seras un mort libre,
Tu te reconnaîtras entier et fibre à fibre
Sans le secours des yeux qui pouvaient bien périr,
Bientôt tu parcourras les plus grandes distances
Dans l’immobilité du corps et le silence,
Laisse-moi faire et je promets de te guérir
De la chair malhabile à porter la souffrance.

Jules Supervielle


GOD SPREEKT TOT DE MENS

Als ik zeg “mijn armen”, denk dan niet
dat het armen zijn zoals die van jou.
Als ik zeg “mijn ogen”, begrijp dan dat niets
noch om je heen, noch in je geheugen
je ook maar een glimp ervan laat zien.
Ik gebruik woorden die van jou zijn.

Als je me niet helemaal begrijpt,
laten we dan samen zwijgen.
Moge mijn geheim het jouwe raken,
moge jouw stilte op mij lijken.

Ik, die het universum ben en er niet van kan genieten,
omdat alles in mij is in zijn onwelkome massa,
zal ik de dingen één voor één aan je presenteren.
Want het zal genoeg zijn om ze te zien om ze te begrijpen.
Zo zul je zelfs behouden wat mij ontgaat,
wat voor mij niets meer is, zul je kunnen vasthouden
en scherp volgen met een blik die
de zwaluw in zijn vlucht of op weg naar zijn nest vangt.

Ik geef je de dood met hoop
Vraag me niet om het voor je te definiëren,
Ik geef je de dood met het verschil
Tussen een armzalig verleden en
een toekomst die beter is dan de toekomst,
Ik geef je de dood voor haar grote genade
En al haar inhoud die geen einde kent.
Straks, kleintje, straks zul je een vrije dode zijn,
Je zult jezelf heel en vezel voor vezel herkennen
Zonder de hulp van ogen die wel eens zouden kunnen vergaan,
Straks zul je de grootste afstanden afleggen
In de stilte van het lichaam en in de rust,
Laat mij het doen en ik beloof je te genezen
Van het vlees dat slecht is toegerust om lijden te verdragen.

Jules Supervielle

vertaling Google Translate


ARBRES DANS LA NUIT ET LE JOUR

Candélabres de la noirceur,
Hauts-commissaires des ténèbres,
Malgré votre grandeur funèbre
Arbres, mes frères et mes sœurs
Nous sommes de même famille
L’étrangeté se pousse en nous
Jusqu’aux veinules, aux ramilles
Et no us comble de bout en bout.

À vous la sève, à moi le sang,
À vous la force, à moi l’accent
Mais nuit et jour nous ressemblant
Régis par Le suc du mystère, ‘
Offerts à la mort, au tonnerre,
Vivant grand et petitement,
L’infini qui nous désaltère
Nous fait un même firmament.

Nos racines sont souterraines,
Notre front dans Le ciel se perd
Mais, tronc de bois ou cœur de chair
Nous n’avançons que dans nous-mêmes.
L’angoisse nourrit notre histoire
Et c’est un même bûcheron
Nous couchant de notre long,
Viendra nous couper la mémoire.

Enfants de la chance et du vent,
Vous n’avez de père ni mère,
Vous êtes fils d’une grand-mère
La Terre, son vieil ornement,
Vous qui devenez innombrables
Dans vos branches comme à vos pieds
Et pouvez attraper du ciel
Aussi bien que fixer les sables.

Princes de l’immobilité,
Les oiseaux vous font confiance,
Vous savez garder le secret
D’un nid jusqu’à la délivrance.
À l’abri de vos cœurs touffus,
Vous façonnez toujours des ailes,
Et les projetez jusqu’aux nues
De votre arc secret mais fidele.

Vous n’aurez pas connu l’amour,
Ô grandioses solitaires,
Toujours prisonniers de la Terre,
Ô Narcisses ligneux et sourds,
Ne regrettez pas l’aventure,
Heureux ceux que fixe le sort,
Ils en attendent mieux la mort,
Un voyageur vous en assure.

Jules Supervielle


BOMEN IN DAG EN NACHT

Kandelaars van de duisternis,
Hoge commissarissen van de schaduwen,
Ondanks jullie plechtige grandeur,
Bomen, mijn broeders en zusters,
Wij behoren tot dezelfde familie,
Vreemdheid groeit in ons,
Tot in de aderen, tot in de twijgen,
En vult ons van begin tot eind.

Voor jullie het sap, voor mij het bloed,
Voor jullie de kracht, voor mij het accent,
Maar dag en nacht lijken op ons,
Beheerst door de essentie van mysterie,
Geofferd aan de dood, aan de donder,
Levend in grootsheid en kleinheid,
De oneindigheid die onze dorst lest,
Maakt ons tot één firmament.

Onze wortels zijn onder de grond,
Ons voorhoofd verdwijnt in de hemel,
Maar, stam van hout of hart van vlees,
Wij ontwikkelen ons alleen in onszelf.
Angst voedt ons verhaal,
En het is dezelfde houthakker,
Die ons aan onze voeten neerlegt,
Die zal komen om onze herinnering uit te wissen.

Kinderen van geluk en wind,
Jullie hebben geen vader noch moeder,
Jullie zijn de zonen van een grootmoeder,
De Aarde, haar oeroude sieraad,
Jullie die talloos worden,
In jullie takken en aan jullie voeten,
En de hemel kunnen grijpen,
En het zand kunnen vasthouden.

Prinsen van de stilte,
De vogels vertrouwen jullie,
Jullie weten hoe je het geheim bewaart,
Van het nest tot de bevrijding.

Beschut in jullie dikke harten,
Vormen jullie altijd vleugels,
En werpen ze naar de wolken,
Met jullie geheime maar trouwe boog.

Jullie zullen nooit liefde hebben gekend,
O magnifieke eenzamen,
Voor altijd gevangenen van de Aarde,
O houtachtige en dove narcissen,
Betreur het avontuur niet,
Gelukkig zijn zij die het lot voorbestemt,
Zij wachten de dood beter af,
Een reiziger verzekert jullie hiervan.

Jules Supervielle

vertaling Google Translate


LE JARDIN DE LA MORT

Le jardin de la mort riche d’arbres sans nombre
Continue à jamais nos plus secrets désirs,
Un regret souterrain s’y change en herbe sombre
Puisqu’il n’a pas trouvé la force de mourir.

De quelle lourde tête humaine,
Volubilis, es-tu sorti,
Et d’ou vient cette grande peine
Qui se fait jour dans cet épi?

La terre prend en amitié
Les plus humbles de nos soucis
Et recouvre plus qu’à moitié
Les cœurs privés d’humaine vie.

Mais, pauvre vie insatisfaite,
Tu voudrais relever la tête
Et tu cherches un nouveau cœur
Pour loger ton ancienne ardeur,

Ne cherche plus, c’est autre chose
Que tu trouveras dans la rose,
Dans sa fraîcheur renouvelée
Par les larmes de la rosée.

Et ne regrette rien tout bas
A la manière de naguère.
Sache te livrer tout entière
Aux plantes, ne lésine pas,

Sans réticence ni colère
Fie-toi aux formes de la terre,
Mais voilà qu’enfin tu consens
A t’abandonner en tous sens.

Vois comme ta vieille folie
En mille herbes se modifie,
Regarde ton ancien courage
Le voilà devenu branchage.

L’horreur de la mort, avouée,
En feuillages s’est dénouée”
Par là-dessus un peu de vent,
C’est le nouveau contentement.

Et voici maintenant, racines et surface,
Un beau parc plus humain que la ville aux grands cris,
Et parfois un grand cerf y prend, toute la place,
Vois s’étoiler le vide errant derrière lui.

Jules Supervielle


DE TUIN DES DOODS

De tuin des doods, rijk aan talloze bomen,
voedt voor eeuwig onze meest geheime verlangens,
Een onderaards berouw verandert daar in donker gras,
omdat het de kracht niet kon vinden om te sterven.

Uit welk zwaar mensenhoofd,
Volubilis, ben je ontsproten,
En waar komt dit grote verdriet vandaan,
dat in deze korenaar ontwaakt?

De aarde neemt onze nederigste zorgen ter harte,

en bedekt meer dan de helft,
harten die van menselijk leven beroofd zijn.

Maar arm, ontevreden leven,
je zou je hoofd weer willen opheffen,
en je zoekt een nieuw hart,
om je vroegere hartstocht te huisvesten,

zoek niet verder, er is iets anders,
dat je in de roos zult vinden,
in haar frisheid vernieuwd,
door de tranen van de dauw.

En betreur niets in stilte,
zoals vroeger.
Geef jezelf volledig
Aan de planten, houd je niet in,

Zonder terughoudendheid of woede
Vertrouw op de vormen van de aarde,
Maar nu, eindelijk, stem je ermee in
Jezelf volledig over te geven.

Zie hoe je oude waanzin
Verandert in duizend kruiden,
Kijk naar je vroegere moed
Die is takken geworden.

De angst voor de dood, beleden,
Is ontvouwen tot bladeren.
Hieroverheen waait een zacht briesje,
Dit is de nieuwe tevredenheid.

En nu, wortels en oppervlakte,
Een prachtig park, menselijker dan de stad met haar luide kreten,
En soms neemt een groot hert alle ruimte in beslag,
Zie de leegte erachter dwalen, een ster worden.

Jules Supervielle

vertaling Google translate


LE MORT EN PEINE

Perdu parmi les pas et les ruines des astres
Et porté sur l’abîme où s’engouffre le ciel,
J’entends le souffle en moi des étoiles en marche
Au fond d’un cœur, hélas, que je sais éternel.
J’arrive de la Terre avec ma charge humaine
D’espoirs pris de panique et d’abrupts souvenirs,
Mais que faire en plein ciel d’un cœur qui se démène
Comme sous Le soleil et n’a pas su mourir.
Avez-vous vu mes yeux errer dans ces parages
Où le loin et Le près ignorent les rivages.
Aveugle sans bâton et sans force et sans foi,
Je cherche un corps, celui que j’avais autrefois.
Puissé-je préserver des avides espaces
Mes souvenirs rodant autour de la maison
Les visages chéris et ma pauvre raison ‘
D’ou je me surveillais comme d’une terras se.
Que je sauve du moins ce vacillant trésor
Comme un chien aux longs poils sous l’écume marine
Qui tient entre ses dents son petit presque mort.
Mais voici s’avancer l’écume des abîmes …
L’univers où je suis pousse un cruel soupir
Et la gorge du ciel profonde se soulève.
Puisque tout me rejette lei, même Le rêve,
Ces lieux sans terre, à quoi pourraient-ils consentir ?
AH ! Même dans la mort je souffre d’insomnies,
Le veux de l’éternel faire un peu de présent,
Le me sens encor vert pour entrer au néant
Et chante mal dans l’universelle harmonie.
Comment renoncerais-je à tant de souvenirs
Quand l’esprit encombré d’invisibles bagages
Le suis plus affairé dans la mort qu’en voyage
Et je flotte au lieu de sombrer dans Le mourir.
Les quatre bouts de bois qui me tenaient sous terre
N’empêchaient pas le ciel d’entrer au cimetière,
Le monde me devient un immense radeau
Où l’âme va et vient sans trouver son niveau.
Tout se relève avec la pierre de la tombe,
Notre premier regard délivre cent colombes.
Pour qui ne possédait que sa longueur de bois
Les arbres, c’est déjà le plus bel au-delà.

Jules Supervielle


DE DODE MAN IN PIJN

Verloren tussen de voetstappen en ruïnes van de sterren
En gedragen over de afgrond waar de hemel neerstort,
hoor ik de adem in mij van de marcherende sterren
Diep in een hart, helaas, waarvan ik weet dat het eeuwig is.
Ik kom van de aarde met mijn menselijke last
Van hoop gegrepen door paniek en abrupte herinneringen,
Maar wat te doen in de open hemel met een hart dat worstelt
Alsof het onder de zon staat en niet weet hoe te sterven.
Heb je mijn ogen zien dwalen in deze streken
Waar ver en nabij geen kusten kennen.
Blind zonder stok, zonder kracht en zonder geloof,
zoek ik naar een lichaam, het lichaam dat ik ooit had.
Moge ik mijn herinneringen, die ronddwalen in het huis, beschermen tegen de hebzuchtige ruimtes
De dierbare gezichten en mijn armzalige verstand
Vanwaar ik mezelf bewaakte als vanaf een terras.
Laat me tenminste deze flikkerende schat redden
Als een langharige hond onder het schuim van de zee
Die zijn bijna dode welp in zijn tanden vasthoudt.
Maar daar komt het schuim van de afgrond…
Het universum waarin ik woon slaakt een wrede zucht
En de diepe keel van de hemel rijst op.
Omdat alles me afwijst, zelfs Droom,
waar zouden deze landloze plekken ooit mee instemmen?
Ah! Zelfs in de dood lijd ik aan slapeloosheid,
Ik verlang ernaar een beetje van het eeuwige heden te maken,
Ik voel me nog groen genoeg om het niets binnen te gaan
En vals te zingen in universele harmonie.
Hoe zou ik zoveel herinneringen kunnen opgeven
Als mijn geest, belast met onzichtbare bagage,
Ik meer bezig ben met de dood dan met een reis
En ik zweef in plaats van te zinken in de dood.
De vier stukken hout die me onder de grond vasthielden
Hierdoor kon de hemel het kerkhof niet binnendringen,
De wereld wordt voor mij een immens vlot
Waar de ziel komt en gaat zonder zijn niveau te vinden.
Alles herrijst met de grafsteen,
Onze eerste blik laat honderd duiven vrij.
Voor iemand die slechts een stuk hout bezat
De bomen daarachter zijn al het mooist.

Jules Supervielle

vertaling Google translate


LE RESSUSCITÉ

« Moi que l’on croyait mort et couchant à la dure,
J’ai laissé dans Le noir les rancœurs du tombeau.
Me voici près de vous sans une égratignure
Et je souris au jour sous un cid resté beau.
Moi qui sonnais sous terre un cor si décevant
Et me désespérais de rester sans réponse,
Dans mes vieux vêtements de nouveau je m’enfonce
Et je regarde au loin comme font les vivants.
Ne me répliquez pas que je suis un mensonge,
Je vis plus fort que vous, j’ai fait Le tour du sort,
C’est vous qui ressemblez aux figures des songes,
Vous ignorez le poids que no us donne la mort.
Que baissez-vous ainsi des paupières blessées.
Quand j’avance vers vous pour vous tendre la main
Comme si je portais un manteau souterrain
Et cachais gauchement des formes dispersées?
Eludez-vous en moi l’ombre, Le contagieux,
Celui qui n’eut pas peur d’affronter le retour
Comme si je pouvais vous arracher le jour
Rien qu’en posant sur vous le regard de mes yeux.
Allez, j’ai ma fierté sous mon indifférence,
Et puisque vous craignez mon abrupt renouveau,
Je ne suis pas de ceux qui refont des avances,
Et d’un pas de vivant, je retourne au tombeau. »

Jules Supervielle


DE OPGESTAANE

“Ik, die men dood waande en op straat sliep,
Ik liet de wrok van het graf achter in de duisternis.
Hier ben ik, ongedeerd, vlakbij jullie,
En ik glimlach naar de dag onder een nog steeds prachtige Cid.
Ik, die zo’n teleurstellende hoorn ondergronds blies,
En wanhoopte aan het gebrek aan antwoord,
In mijn oude kleren zak ik weer weg,
En ik staar in de verte zoals de levenden dat doen.
Zeg me niet dat ik een leugen ben,
Ik leef sterker dan jullie, ik heb het lot getrotseerd,
Jullie lijken op de figuren uit dromen,
Jullie zijn je niet bewust van de last die de dood op ons legt.
Waarom laten jullie je gewonde oogleden zo zakken,
Wanneer ik naar jullie toe kom om mijn hand uit te steken,
Alsof ik een ondergrondse mantel draag,
En onhandig verspreide gedaanten verberg?” “Ontsnap aan de schaduw in mij, de besmettelijke,
Hij die niet bang was om de terugkeer onder ogen te zien
Alsof ik de dag van je kon stelen
Gewoon door mijn blik op je te richten.
Kom nu, ik heb mijn trots onder mijn onverschilligheid,
En aangezien je mijn abrupte vernieuwing vreest,
ben ik niet iemand die opnieuw toenadering zoekt,
En met de stap van een levend mens keer ik terug naar het graf.”

Jules Supervielle

vertaling Google translate


Les pierres de la mort se forment et m’épuisent
En me serrant de près de leurs sourdes banquises,
Me voilà menacé dans mes courantes eaux
Comme un saumon sauteur par l’hiver congeleau.

Allons, il faut chercher un refuge dans l’âme
Puisque déjà mon corps s’enfuit à toutes rames.

Jules Supervielle


De stenen des doods vormen zich en putten me uit
Me dichtdrukkend met hun stille ijsschotsen,
Hier ben ik, bedreigd in mijn stromende wateren
Als een springende zalm bevroren door de winter.

Kom, men moet zijn toevlucht zoeken in de ziel
Want mijn lichaam vlucht al met volle kracht.

Jules Supervielle

vertaling Google translate


Ô calme de la mort, comme quelqu’un t’envie
Que je ne puis nommer pour ne pas l’attrister,
Ne plus bouger, dormir d’un sommeil dilaté,
Profond comme le ciel dévoré par la nuit.

Ne plus se reprocher d’user mal de la vie
Ce peu de sable chaud, désert illimité,
Ce cœur toujours sanglant aux blessures suivies
Par des yeux sans regard, sauf pour la cruauté,

Puisque, même vivants, c’est notre mort qui mène
Le corps toujours promis aux dagues souterraines.

Jules Supervielle


O kalmte van de dood, hoe benijdt iemand je
Die ik niet kan noemen uit angst hen te bedroeven,
Om niet langer te bewegen, om een ​​uitgestrekte slaap te slapen,
Diep als de hemel verslonden door de nacht.

Om jezelf niet langer te verwijten dat je het leven hebt misbruikt
Dit kleine beetje warm zand, grenzeloze woestijn,
Dit hart dat voor altijd bloedt van wonden, gevolgd
Door ogen zonder blik, behalve die van wreedheid,

Want zelfs levend is het onze dood die leidt
Het lichaam voor altijd bestemd voor ondergrondse dolken.

Jules Supervielle

vertaling Google translate


À l’heure où la journée
Désespérant du soir
Va se couvrir la tête
De son tablier noir,
Que voulez-vous de moi,
Présences, parlez bas,
On pourrait nous entendre
Et me vendre à la mort,
Cachez-moi la figure
Derrière la ramure
Et que l’on me confonde
Avec l’ombre du monde

Jules Supervielle


Op het uur dat de dag
Wanhopig op de avond
Zijn hoofd bedekt
Met zijn zwarte schort,
Wat willen jullie van mij,
Aanwezigen, spreek zachtjes,
We zouden afgeluisterd kunnen worden
En ik zou ter dood verkocht kunnen worden,
Verberg mijn gezicht
Achter de takken
En laat me aangezien worden
Voor de schaduw van de wereld

Jules Supervielle

vertaling Google translate


LA BELLE MORTE

Ton rire entourait le col des collines
On le cherchait dans la vallée.

Maintenant quand je dis : donne-moi la main,
Je sais que je me trompe et que tu n’es plus rien.

Avec ce souffle de douceur
Que je garde encor de la morte,
Puis-je refaire les cheveux,
Le front que ma mémoire emporte ?

Avec mes jours et mes années,
Ce cœur vivant qui fut le sien,
Avec le toucher de mes mains,
Circonvenir la destinée ?

Comment t’aider, morte évasive,
Dans une tâche sans espoir,
T’offrir à ton ancien regard
Et reconstruire ton sourire,

Et rapprocher un peu de toi
Cette houle sur les platanes
Que ton beau néant me réclame
Du fond de sa plainte sans voix.

Tes cheveux et tes lèvres
Et ta carnation
Sont devenus de l’air
Qui cherche une saison.

Et moi qui vis encore
Seul autour de mes os
Je cherche un point sonore
Dans ton silence clos

Pour m’approcher de toi
Que je veux situer
Sans savoir ou tu es
Ni si tu m’aperçois.

Jules Supervielle


DE MOOIE DODE VROUW

Je lach weerklonk over de heuvel
We zochten ernaar in het dal.

Nu ik zeg: geef me je hand,
weet ik dat ik me vergis en dat je niets meer bent.

Met deze zoete adem
Die ik nog steeds vasthoud van de dode vrouw,
Kan ik haar haar herscheppen,
Het voorhoofd dat mijn herinnering met zich meedraagt?

Met mijn dagen en mijn jaren,
Dit levende hart dat van haar was,
Met de aanraking van mijn handen,
Het lot omzeilen?

Hoe kan ik je helpen, ongrijpbare dode vrouw,
In een hopeloze taak,
Je teruggeven aan je vroegere blik
En je glimlach herstellen,

En een beetje dichter bij je brengen
Deze deining op de platanen
Die jouw prachtige nietsheid naar me roept
Vanuit de diepte van haar stemloze klaagzang.

Je haar en je lippen
En je gelaatskleur
Zijn lucht geworden
Op zoek naar een seizoen.

En ik, die nog steeds leef
Alleen tussen mijn botten
Zoek ik naar een punt van geluid
In jouw besloten stilte

Om dichter bij jou te komen
Die ik wil vinden
Zonder te weten waar je bent
Of je me überhaupt ziet.

Jules Supervielle

vertaling Google translate


POINTE DE FLAMME

Tout le long de sa vie
Il avait aimé à lire
Avec une bougie
Et souvent il passait
La main dessus la flamme
Pour se persuader
Qu’il vivait,
Qu’il vivait.
Depuis le jour de sa mort

Il tient à côté de lui
Une bougie allumée
Mais garde les mains cachées.

Jules Supervielle


VLAMPUNT

Zijn hele leven
las hij graag
bij kaarslicht
En vaak streek hij
met zijn hand over de vlam
om zichzelf ervan te overtuigen
dat hij leefde,
dat hij leefde.
Sinds de dag van zijn dood
houdt hij naast zich
een brandende kaars
maar houdt zijn handen verborgen.

Jules Supervielle

vertaling Google translate


RÊVE

Des mains effacent le jour
D’autres s’en prennent à la nuit
Assis sur un banc mal équarri
J’attends mon tour.

Souffles d’une moustache,
Aciers à renifler,
L’œil noir d’une arquebuse,
Un sourire ébréché.

On entre, on sort, on entre,
La porte est grande ouverte.
Seigneurs du présent, seigneurs du futur,
Seigneurs du passé, seigneurs de l’obscur.

Quand la fenêtre s’ouvrira
Qui en vivra, qui en mourra ?
Quand le soleil reviendra
Comprendrai-je que c’est lui?

Jules Supervielle


DROOM

Handen wissen de dag
Anderen vallen de nacht aan
Zittend op een slecht vierkante bank
Ik wacht op mijn beurt.

Ademhalingen van een snor,
Snuiven van staal,
Het zwarte oog van een haakbus,
Een afgebroken glimlach.

We komen binnen, we gaan weg, we komen binnen,
De deur staat wijd open.
Heren van het heden, heren van de toekomst,
Heren van het verleden, heren van het donker.

Als het raam opengaat
Wie zal ervan leven, wie zal ervan sterven?
Als de zon terugkeert
Zal ik begrijpen dat hij het is?

Jules Supervielle

vertaling Google translate


SOUFFLE

Dans l’orbite de la Terre
Quand la planète n’est plus
Au loin qu’une faible sphère
Qu’entoure un rêve ténu,

Lorsque sont restés derrière
Quelques oiseaux étourdis
S’efforçant à tire-d’aile
De regagner leur logis,

Quand des cordes invisibles,
Sous des souvenirs de mains,
Tremblent dans l’éther sensible
De tout le sillage humain,

On voit les morts de l’espace
Se rassembler dans les airs
Pour commenter à voix basse
Le passage de la Terre.

Rien ne consent à mourir
De ce qui connut le vivre
Et le plus faible soupir
Rêve encore qu’il soupire.

Une herbe qui fut sur terre
S’obstine en vain à pousser
Et ne pouvant que mal faire
Pleure un restant de rosée.

Des images de rivières,
De torrents pleins de remords
Croient rouler une eau fidèle
Où se voient vivants les morts.

L’âme folle d’irréel
Joue avec l’aube et la brise
Pensant cueillir des cerises
Dans un mouvement du ciel.

Jules Supervielle


ADEM

In de baan van de aarde
Wanneer de planeet niet meer
In de verte is, maar een vage bol
Omgeven door een ijle droom,

Wanneer een paar verdwaasde vogels achterblijven
Die met al hun kracht strijden
Om terug te keren naar hun nest,

Wanneer onzichtbare koorden,
Onder herinneringen aan handen,
Trillen in de gevoelige ether
Van alle menselijke waakzaamheid,

Zien we de doden van de ruimte
Zich verzamelen in de lucht
Om met gedempte stemmen commentaar te leveren
Op de passage van de aarde.

Niets stemt in met sterven
Van dat wat leven kende
En de zwakste zucht
Droomt nog steeds dat hij zucht.

Een grassprietje dat ooit op aarde was
Blijft tevergeefs groeien
En, alleen in staat om kwaad te doen,
Huilt een restant dauw.

Beelden van rivieren,
Van stortvloeden vol berouw
Geloven dat ze trouw stromend water zijn
Waar de doden zichzelf levend zien.

De ziel, gek van onwerkelijkheid,
Speelt met de dageraad en de bries,
Denkend dat ze kersen plukt,
In een beweging van de hemel.

Jules Supervielle

vertaling Google translate


LES POEMES DE L’HUMOUR TRISTE
À moi-même quand je serai posthume.

Tu mourus de pansympathie,
Une maligne maladie.

Te voici couché sous l’herbette
– Oui, pas de marbre, du gazon,
Du simple gazon de saison,
Quelques abeilles, pas d’Hymette.

On dit que tout s’est bien passé
Et que te voilà trépassé ..
Ces messieurs des Ombres Funèbres
Vers le fond fumeux des ténèbres
Te guidèrent d’un index sûr
Mais couronné d’un ongle impur.

Et c’est ainsi que l’on vous gomme
De la longue liste des hommes …
Horizontal, sans horizon,
Sans désir et point désirable.
Tu dors enfin d’un sommeil stable.
– Ah! dans l’eau faire un petit rond !

Tu mourus de pansympathie,
Une maligne maladie.

Jules Supervielle


GEDICHTEN VAN DROEVIGE HUMOR
Aan mezelf, wanneer ik postuum ben.

Je stierf aan pansympathie,
Een kwaadaardige ziekte.

Hier lig je onder het gras
—Ja, geen marmer, alleen gras,
Eenvoudig seizoensgras,
Een paar bijen, geen Hymettus.

Ze zeggen dat alles goed is gegaan
En dat je nu dood bent…
Deze heren van de Begrafenisschaduwen
Naar de rokerige diepten van de duisternis
Begeleidden je met een zekere wijsvinger
Maar gekroond met een onzuivere nagel.

En zo word je uitgewist
Van de lange lijst van mannen…
Horizontaal, zonder horizon,
Zonder verlangen en helemaal niet begeerlijk.
Je slaapt eindelijk een vaste slaap.
—Ah! om een ​​klein cirkeltje in het water te maken!

Je stierf aan pansympathie,
Een kwaadaardige ziekte.

Jules Supervielle

vertaling Google translate


VOYAGE EN SOI

Ô Souvenirs, neigez avec mansuétude
J. S.

J’aurai flâné ma vie, incertaine rivière,
Visitant bois, ravins, villes au gré du sort,
Et, sans jamais pouvoir retourner en arrière,

Un jour, j’arriverai, surpris, au seuil de Mort.
Puissé-je alors, brillant d’une ultime lumière,
Riche de tous les ciels que j’aurai reflétés,
Avoir le calme élan des larges estuaires
Dans la pompe des fins d’été ?!

Pourtant, il ne faudrait, Poète sans été,
Vouloir et sans merci créer de la Beauté
Avec ta douleur comme avec un jonc flexible,

Penché sur tes instants comme sur une bible;
Puisque la Mort est là qui regarde et qui sait,
Puisque tu la pressens et tu crains d’être lâche,
Ne la seconde pas dans sa facile tâche,
Sois vivant, sois pressé.

Jules Supervielle


EEN REIS NAAR BINNEN

O Herinneringen, sneeuw met zachtheid
J.S.

Ik zal mijn leven hebben gezworven, een onzekere rivier,
Bosjes, ravijnen en steden bezoekend naar de grillen van het lot,
En, zonder ooit terug te kunnen keren,
Zal ik op een dag, verrast, aankomen op de drempel van de Dood.

Mag ik dan, stralend met een laatste licht,
Rijk aan alle luchten die ik heb weerspiegeld,
De kalme vaart van brede riviermondingen ervaren
In de pracht van de late zomer?!

Toch zou men, dichter zonder zomer, niet
Schoonheid moeten willen en meedogenloos creëren
Met je pijn als met een soepel riet,
Gebogen over je momenten als over een bijbel;

Omdat de Dood er is, kijkend en wetend,
Omdat je haar voelt en bang bent laf te zijn,
Help haar dan niet bij haar gemakkelijke taak,
Leef, heb haast.

Jules Supervielle

vertaling Google translate


ATTENTE DE LA MORT

Une paillote au Paraguay
Où j’attendrais dans un hamac
Celle qui vient bien toute seule.

Un bœuf gris passerait la tête
Et ruminerait devant moi,
J’aurais tout le temps de le voir.

Un chien entrerait assoiffe,
Et courant à mon pot à eau
Il y boirait, boirait, boirait.

Enfin il me regarderait
Et de sa langue rouge et claire
Des gouttes tomberaient à terre.

Des oiseaux couperaient le jour
De la porte dans leurs vols vifs.
Et pas un homme pas un homme!

Je serai moi-même évasif.

Jules Supervielle


Wachten op de dood

Een rieten hut in Paraguay
Waar ik in een hangmat zou wachten
Op de dood die vanzelf komt.

Een grijze os zou zijn kop naar buiten steken
En voor me herkauwen,
Ik zou alle tijd van de wereld hebben om hem te bekijken.

Een hond zou binnenkomen, dorstig,
En naar mijn waterpot rennen
Hij zou drinken, drinken, drinken.

Eindelijk zou hij me aankijken
En van zijn rode, heldere tong
Zouden druppels op de grond vallen.

Vogels zouden door het daglicht snijden
Vanuit de deur in hun snelle vluchten.
En geen mens, geen mens!

Ikzelf zou ontwijkend zijn.

Jules Supervielle

vertaling Google translate


VŒU

Mon peu de terre ave mon peu de jour
Et ce nuage où mon esprit embarque,
Tout ce qui fait l’âme glissante et lourde,
‘ Saurai-je moi, saurai-je m’en déprendre?

Il faudra bien pourtant qu’on m’empaquette
Et me laisser ravir sans lâcheté
Colis moins fait pour vous, Eternité,
Qu’un frais panier tremblant de violettes.

Jules Supervielle


EEN WENS

Mijn kleine stukje land met mijn kleine dag
En deze wolk waar mijn geest zich in vestigt,
Alles wat de ziel glad en zwaar maakt,
Zal ik, zal ik weten hoe ik me ervan los kan maken?

Toch moet ik erin gewikkeld worden
En me zonder lafheid laten meevoeren
Een pakket dat minder voor jou gemaakt is, Eeuwigheid,
Dan een verse mand vol viooltjes.

Jules Supervielle

vertaling Google translate


OFFRANDE

Un sourire préalable
Pour le mort que nous serons,
Un peu de pain sur la table
Et le tour de la maison.
Une longue promenade
À la rencontre du Sud
Comme un ambulant hommage
Pour l’immobile futur.
Et qu’un bras nous allongions
Sur les mers, vers le Brésil,
Pour cueillir un fruit des îles
Résumant toute la terre,
Le Miroir des morts
À ce mott que nous serons
Qui n’aura qu’un peu de terre,
Maintenant que par avance
En nous il peut en jouir
Avec notre intelligence,
Notre crainte de mourir,
Notre douceur de mourir.

Jules Supervielle


OFFER

Een glimlach vooraf
Voor de doden die we zullen worden,
Een beetje brood op tafel
En een wandeling rond het huis.
Een lange wandeling
Om het Zuiden te ontmoeten
Als een wandelend eerbetoon
Voor de nog onbekende toekomst.
En dat we een arm zouden kunnen uitstrekken
Over de zeeën, naar Brazilië,
Om een ​​vrucht te plukken van de eilanden
Die de hele aarde samenvatten,
De Spiegel van de Doden
Tot deze klomp zullen we worden
Die slechts een beetje aarde zal hebben,
Nu dat het van tevoren
In ons kan genieten
Met onze intelligentie,
Onze angst voor de dood,
Onze zoetheid in het sterven.

Jules Supervielle

vertaling Google translate


ALARME

À Corpus Barga.

Le regard de l’astronome
Émeut au fond de la nuit
Sous le feuillage des mondes
Une étoile dans son nid,
5 Une étoile découverte
Dont on voit passer la tête
Au bout de ce long regard
Ephémère d’un mortel
Et qui se met à chanter
La chanson des noirs espaces
Qui dévorent les lumières
Dans’ le gouffre solennel.

Fils d’argent, fils de platine,
Emmêlent tant l’infini
Que le rai de la rétine
Y suscite un faible bruit.
Tout ce qui mourut sur terre
Rôde humant de loin la vie,
Interrogeant les ténèbres
” Où se développe l’oubli
Et les aveugles étoiles
Dont l’orbite est dans l’espace
Fixe comme l’espérance
Et comme le désespoir.

Les poissons, les violettes,
Les alouettes, les loups,
Gardent leur volonté prête
À redescendre vers nous ;
Des léopards, des pumas,
Et des tigres qui se meuvent
Dans leur brousse ‘ intérieure,
Tournent comme en une cage;
D’autres bêtes? fabuleuses,
L’âme pleine de périls,
Au monde des nébuleuses
Mêlent leurs tremblants désirs.

Sous la houle universelle
Qui l’élève et le rabat
Le zénith pointe et chancelle
Comme le sommet d’un mât;
L’univers cache la Terre
Dans la force de son cœur
Où cesse toute rumeur
Des angoisses planétaires
Mais la Lune qui s’approche
Pour deviner nos pensées,
Dévoilant sables et roches,
Attire à soi nos marées.

Jules Supervielle


ALARM

In Corpus Barga.

De blik van de astronoom
Dreef diep in de nacht
Onder het gebladerte van werelden
Een ster in haar nest,
Een ontdekte ster
Wiens kop we voorbij zien gaan
Aan het einde van deze lange blik
Vergankelijk voor een sterveling
En die begint te zingen
Het lied van de zwarte ruimtes
Die het licht verslinden
In de plechtige afgrond.

Zilveren draden, platina draden,
Verstrengelen het oneindige zozeer
Dat de lichtstraal op het netvlies
Een zwak geluid voortbrengt.

Al wat op aarde stierf
Dwaalt rond, snuffelend aan het leven van verre,
De duisternis bevragend
“Waar de vergetelheid groeit
En de blinde sterren
Wiens baan in de ruimte
Vaststaat als hoop
En als wanhoop.

Vissen, viooltjes,
Leeuweriken, wolven,
Houden hun wil gereed
Om weer naar ons toe te dalen;
Luipaarden, poema’s,
En tijgers die zich bewegen
In hun binnenste struikgewas,
Draaien als in een kooi;
Andere fabeldieren,
Hun zielen vol gevaren,
In de wereld van nevels
Vermengen hun bevende verlangens.

Onder de universele deining
Die haar doet oprijzen en dalen
Stijgt en daalt het zenit
Als de top van een mast;
Het universum verbergt de Aarde
In de kracht van haar hart
Waar alle geruchten verstommen
Van planetaire angsten
Maar de Maan nadert
Om onze gedachten te doorgronden,
Zand onthullend en rotsen,
trekt onze getijden naar zich toe.

Jules Supervielle

vertaling Google translate


LA REVENANTE

Les corbeaux lacéraient de leur bec les nuages
Emportant des lambeaux,
Coulant à pic vos angéliques équipages,
Versatiles vaisseaux.

Les cerfs à voix humaine emplissaient la montagne
Avec de tels accents
Que l’on vit des sapins s’emplir de roses blanches
Et tomber sur le flanc.

Jurez, jurez-le-moi, morte encore affairée
Par tant de souvenirs,
Que ce n’était pas vous qui guettiez à l’orée
De votre ancienne vie,

Et que’ la déchirure allant d’un bout à l’autre
De la nuit malaisée
N’était votre œuvre, ô vous qui guettiez jusqu’à l’aub
L’âme dans la rosée.

Jules Supervielle


DE GEEST

De kraaien scheurden met hun snavels aan de wolken,
En namen fragmenten mee,
En lieten je engelachtige koetsen zinken,
Veelzijdige vaartuigen.

De herten met menselijke stemmen vulden de berg,
Met zulke accenten,
Dat de dennenbomen zich leken te vullen met witte rozen,
En op hun zij vielen.

Zweer het, zweer het mij, dode, nog steeds in beslag genomen,
Door zoveel herinneringen,
Dat jij het niet was die aan de rand stond,
Van je vroegere leven,

En dat de traan die van de ene kant naar de andere liep,
Van de onrustige nacht,
Niet jouw werk was, jij die tot de dageraad toekeek,
Je ziel in de dauw.

Jules Supervielle

vertaling Google translate


POINTE DE FLAMME

Tout le long de sa vie
Il avait aimé à lire
Avec une bougie
Et souvent il passait
La main dessus la flamme
Pour se persuader
Qu’il vivait,
Qu’il vivait.

Depuis le jour de sa mort
Il tient à côté de lui
Une bougie allumé
Mais garde les mains chachées.

Jules Supervielle


VLAM TIP

Zijn hele leven lang
Hij hield van lezen
Met een kaars
En vaak kwam hij voorbij
Hand op de vlam
Om jezelf te overtuigen
Dat hij leefde,
Dat hij leefde.

Sinds de dag dat hij stierf
Hij staat naast hem
Een aangestoken kaars
Maar houd je handen bedekt.

Jules Supervielle

vertaling Google translate


LES YEUX DE LA MORTE

Cette morte que je sais
Et qui s’est tant méconnue
Garde encor au fond du ciel
Un regard qui l’exténue,

Une rose de drap, sourde
Sur une tige de fer,
Et des perles dont toujours
Une regagne les mers.

De l’autre côté d’Altair
Elle lisse ses cheveux
Et ne sait pas si ses yeux
Vont se fermer ou s’ouvrir.

Jules Supervielle


DE OGEN VAN DE DODE VROUW

Deze dode vrouw ken ik
En die zichzelf zo verkeerd begreep
Houdt nog steeds diep in de hemel
Een blik vast die haar uitput,

Een gedempte roos van stof
Op een ijzeren steel,
En parels, waarvan er altijd één
Terugkeert naar de zee.

Aan de andere kant van Altair
Strijkt ze haar haar glad
En weet ze niet of haar ogen
Zullen sluiten of openen.

Jules Supervielle

vertaling Google translate


LE MIROIR

Le mort vient de dérobert.
Un long miroir à la vie,
Une poignée de cerises
Où titube du soleil.

Ses yeux brillent dans leur bleu
Et ses mains dans leur blancheur.
En lui bat une âme heureuse
Et rapide comme un cœur.

Il regarde dans la glace
Rougir mille cerisiers
Et des oiseaux picorer
Que nulle pierre ne chasse.

Il se voit monter aux arbres,
S’étonne que les oiseaux
Dans ses mains se laissent prendre
Pour y mourir aussitôt.

Jules Supervielle


DE SPIEGEL

De dode heeft zojuist gestolen.
Een lange spiegel naar het leven,
Een handvol kersen
Waar de zon flikkert.

Zijn ogen schitteren met hun blauw
En zijn handen met hun witheid.
In hem klopt een gelukkige ziel
En zo snel als een hart.

Hij kijkt in de spiegel
Naar duizend blozende kersenbomen
En vogels die pikken
Die geen steen kan verjagen.

Hij ziet zichzelf in de bomen klimmen,
Verbaasd dat de vogels
Zich in zijn handen laten vangen
Om daar meteen te sterven.

Jules Supervielle

vertaling Google translate


Dank je wel voor je reactie - Thanks a lot for reacting