God in de kosmos (1)

God in de kosmos

Een poging tot een topologie als semiotische analyse van God
verslag van een sabbatical december 2016 – februari 2017

John Hacking

Studentenkerk – Nijmegen 1 maart 2017

di ritorno dalla stalla

In questo buio compatto è perpetuo novembre.
Sei tu Dio? Omnipresente sconosciuto.
Perché io so che tu sei,
lo sanno i miei sensi
quando tornano dalla stalla.

Tutto è qui nella riservatezza rurale che ripeto
mattina e sera, spesso unico sentiero
che pesto come a passeggia verso casa.

Tutto è qui. Qui è l’avvenire,
qui è tempo che passa e la morte che viene,
in questo gesto comune è la mia alleanza
posta fieno su fieno,
letame dopo letame,
solitudine por solitudine,
nell’amore alla vita, perché vita è l’unico supporto,
qui su questo percorso, umile gioia dei giorni.

auf dem rückweg vom stall

In diesem dichten dunkel ist dauernder november.
Bist du Gott? Allüberall und unbekannt.
Weil ich weiss dass du bist,
meine sinne es wissen
wenn sie zurückkehren vom stall.

Alles ist da in dem ländlichen versteck das ich wiederhole
morgens und abends, oftmals einziger weg
den ich stapfe als spaziergang zum haus.

Alles ist da. Da ist was wird,
da ist die zeit die geht und der tod der kommt,
in diesem gemeinsamen tun ist mein bund
gehäuft heu auf heu,
mist über mist,
alleinsein und alleinsein,
in der liebe zum leben, nur das leben kann tragen,
auf diesem schritt für schritt, freude einfacher tage.1

Roberta Dapunt

Voorwoord

Motto:

Sue hat heij op Joddess Eäd / Jedder Mensch si Steckepeäd2

O. Wildenstein

Dit is mijn derde verslag van een sabbatical en een vervolg op twee eerdere teksten die ik schreef naar aanleiding van mijn zoektocht naar God. In 2005 was het geschilderde landschap object van onderzoek: “God in het landschap. Zoektocht naar een horizon. Een semiotische analyse van het landschapsschilderij als religieuze heterotopie.” In 2010 was het lichaam en de vergoddelijking van het lichaam, object van onderzoek. Dat in relatie met hoe wij tegen de wereld aankijken en tegen onszelf: “Wereldbeeld en zelfbeeld. Het lichaam als auto-topie. Een zoektocht naar God in het lichaam. Een onderzoek in stappen naar de betekenis van het feit dat wij de werkelijkheid lichamelijk waarnemen en duiden.” In 2005 was het thema het landschap zelf, dat werd verbeeld in het schilderij. In 2010 was het thema het lichaam en de zelfbeleving ervan, tegen de horizon van de (recente) geschiedenis en de menselijke existentie. In dit verslag is het thema de kosmos verstaan als wereld in de ‘oude’ Griekse betekenis van het begrip. Dit begrip is geëxpandeerd en nu valt kosmos samen met universum. Door de moderne wetenschap hebben we meer begrip gekregen voor de uitgestrektheid en het ontstaan ervan. Dat heeft veel religieuze opvattingen op hun kop gezet. Daarom is de vraag nog steeds actueel welke plek God inneemt in ons denken en welke plaats hij werkelijk heeft in onze wereld, onze kosmos. Dat is niet meer vanzelfsprekend tegen de achtergrond van de moderne opvattingen over het ontstaan van ons universum.
In mijn eerste verslag over het landschap heb ik het begrip heterotopie, ontleend aan Michel Foucault, toegepast op het geschilderde landschap met religieuze verwijzingen. In het tweede verslag over het lichaam heb ik het begrip autotopie geïntroduceerd als lichaam waarin en waarmee het zelf van de mens zich manifesteert in de wereld. In dit derde verslag introduceer ik het begrip theotopie als plaats waarin God zich manifesteert in onze wereld als kosmos.
De plaats, de plek, de concrete ruimte is dus het thema dat in alle drie de studies belicht wordt vanuit verschillende invalshoeken. Het landschap, het lichaam en de manifestatie van het goddelijke in onze wereld zijn dus drie ruimtes die centraal staan en die alle drie ervaren worden vanuit het zelf dat ik ben en wil zijn. Mijn interesse in de aanwezigheid en afwezigheid van God en het goddelijke, ook als vraagstelling, is daarbij leidend. In die zin is deze studie dan ook een persoonlijk gekleurd verslag en doe ik geen aanspraak op volledigheid noch op algemeen geldigheid. Het blijft een verkenning en het is een ontdekkingstocht en een zoektocht die niet wordt afgesloten en die vanuit de persoonlijke inkleuring van mijn leefruimte, mijn bestaan als mens, (ook poëtisch) wordt uitgewerkt. Schrijvers die ik al heb leren kennen toen ik (pas) het licht zag van een God, die in hun boeken werd aangeduid, begeleiden mij hier op deze reis en komen op de voor- en achtergrond, genoemd en ongenoemd ter sprake. Mijn passie voor poëzie als extra bron van waarheid neem ik mee in dit project en net zoals bij de vorige verslagen zullen gedichten en aforismen de teksten begeleiden en op een eigen wijze het gezegde in het licht zetten. Ze zijn ook rustpunt, pas op de plaats, in het betoog.3 De eindnoten voeren de discussie, ingezet in de tekst, soms nog voor een deel verder. Voor aanvullingen en commentaar sta ik altijd open.

John Hacking

Jeder Einzelne hat sich selbst zu vervielfältigen.4

Fernando Pessoa

INHOUD

Voorwoord

Vooraf: Bij wijze van ‘Status quaestionis’

Inleiding

God, mens en wereld in ruimte en in tijd

1.1 God in ruimte en in tijd
1.2 De mens in ruimte en in tijd
1.3 De wereld in ruimte en in tijd

  1. Ruimte

2.1 De ruimte als uitdaging voor het denken
2.2 De niet-ruimte als een begin voor het denken
2.3 De vervulde ruimte in het denken
2.4 De onvervulde ruimte in het denken
2.5 De ruimte morgen

  1. Tijd

3.1 De glans van de tijd: de Messias
3.2 De tijd en het licht: aan het begin…
3.3 De tijd in het denken: instrument
3.4 De tijd van de wereld: evolutie
3.5 De tijd in de poëzie: de boot…

  1. Poëzie als ruimte voor God

4.1 Juan Ramón Jiménez
4.2 Roberto Juarroz
4.3 José Ángel Valente
4.4 Woorden – Stemmen

  1. Mystiek als ruimte voor God

5.1 Lied der liederen
5.2 Sabbat
5.3 Simone Weil

  1. Op de wijze van …
  2. Noten en literatuur

Vooraf: Bij wijze van ‘Status quaestionis’

Man hat nicht mehr Erkenntnis, als man Sprachvermögen hat.
Auch ein Theologe ist letzten Endes etwas wert nur als Schriftsteller.5

Albrecht Fabri

Een zich steeds herpakken, als in cirkels draaien om een kern, de ruimte aftastend en afbakenend. Denken, proberen te denken. Dat wat de belofte inhield van een volheid, een overmaat, een overstromend bekken met waarheid en niets dan waarheid, blijkt leeg, een gat, een niets te zijn. Het niets als het begin van alles. Het niets als het einde van alles. Een eeuwige kringloop tussen niets en niets over het spoor van alles. Oosterse religies kunnen hiervan getuigen. Mu in het Japans, (Wu in het Chinees), verwijst hiernaar: ‘niets gaat verloren’.
Dat zou de stand van zaken kunnen zijn als wij op zoek gaan naar God. Niets in handen en met lege handen blijven we achter. Alles wat we denken te weten, te kennen, te ervaren, alles waarover valt te getuigen, is niet meer en niet minder mensenwerk: product van ons denken, ons zich verhouden tot de wereld en de verlangens die in deze wereld worden geprojecteerd door onze geest. Maar is dat waar? Is er niet meer te vinden? Ook en zelfs in de letterlijke ruimte van onze wereld?

Todo es movimiento, y todo
es como yo, un punto fijo.
Alles ist Bewegung, und alles
ist wie ich, ein Fixpunkt.6

Antonio Porchia

Onze verlangens zijn toch niet zomaar lucht. Niet zomaar “Schall und Rauch”? Veronderstellen ze niet een ziel, een eeuwige grond, een bodem, een basis, die verlangens? Waaruit ze ontspringen en die misschien erin is gelegd door God, als levende bron, als bodem, als basis van alles en iedereen? God die naar zichzelf verlangt doorheen onze ziel? God die naar God verlangt en ons gebruikt als een soort van werktuig, als instrument, als onderdeel in een project? Mag je van een project spreken in deze? Een goddelijk project, te mooi om waar te zijn. Of is dat een illusie, een vrome wens van de mens die niet opgewassen is tegen het lijden en zijn onmacht om hier een einde aan te maken? Een mens die ondanks alles niet thuis kan komen in de wereld omdat hij ook niet thuis is bij zichzelf?

La vérité est personnelle. 7
De waarheid is persoonlijk.

René Char

Deze uitdrukkingen over God die naar zichzelf verlangt via onze ziel, uitdrukkingen die ook in de mystieke traditie opduiken, kunnen niet stoelen op enig wetenschappelijke en dus intersubjectief geverifieerd objectief bewijs. Ze hebben geen bewijskracht ook al gaven en geven getuigen hun leven ervoor. Maar ze leggen wel bloot dat de relatie met God een persoonlijke is, geen abstracte, geen te veralgemeniseren relatie. Er is nooit een Wij dat God ervaart, het is steeds een ik, een ego, een zelf. Hoe erg wij ook ons best doen om dat Wij te poneren in ons gebed, hoe hard we pleiten voor dit Wij, het blijft illusoir te denken dat een Wij tot stand komt door het enkel te wensen of naderbij te zingen. De andere kant van de relatie laat zich niet zichtbaar in met dit Wij, hoeveel er ook gesproken wordt over volk en over een collectief. Steeds is het de enkeling die de relatie bemiddelt en tot stand brengt. En die enkeling zet soms een stap buiten zichzelf en spreekt over volk, over Wij en over verzameld worden door God tot een Wij. Maar het zamelen en verzamelen blijft uiteindelijk mensenwerk. Profeten hopen op een profeterend volk, een volk dat rechtstreeks het goddelijke ervaart, maar er is geen situatie in de menselijke geschiedenis bekend die dit aan het licht brengt.

Den Rahmen sprengen
und im Bilde bleiben,
vermag ein Gedanke
nur mit einem Satz

Mag Gott auch das Wort sein
im Anfang und am Ende,
hinter einem Satz
steht ein ganzer Mensch8

Elazar Benyoëts

De persoonlijke relatie met God, met een God, is er een van de persoon. Daardoor wordt God in onze beleving ook een persoonlijke God. Daar houdt het op, en daar kan het ook niet meer verder. Waarom? Omdat ieder mens sterft voor zichzelf, alleen. Er is geen gedeeld sterven. Sterven is de laatste grens, de afgrond die wij niet met een Wij kunnen overbruggen. Geen algemeenheden dus, geen aanspraak op absoluutheid, wat theologen ook mogen beweren. Deze relatie draagt de gevolgen van onze zelfbepaling, onze autonomie, en, onze ervaren heteronomie in de relatie met elke ander. Ingeklemd tussen een en velen, tussen zelf en ander, tussen autos en heteros, zoeken wij onze weg en communiceren wij onze macht en onze onmacht. Zo brengen wij onze levensdagen door. Weten en niet weten gelden voor bijna alles wat we ondernemen. Een vruchtbare spanning als we twijfel en als wij kritiek toelaten in ons handelen en ons denken. Eenheid van tegenstellingen noemt de Japanse filosoof Kitarõ Nishida dat.9 Tegenstellingen die ons leven bepalen en kleur geven, die de dynamiek mogelijk maken en die ons op weg zetten in onze verhouding tot de wereld en tot God.


Es muss gesprochen werden, damit alles da sei

Die Sprache besagt, dass es Ansprechbares gibt,
das anders weder zu ergründen noch zu erreichen wäre.
Die Schöpfung ist das eine, die Welt das andere.
An die Schöpfung kommen wir bildlich heran – im Rah-
men der Zeit; wir fallen aus dem Rahmen und bleiben
nicht im Bild: So kommen wir zur Welt.
Die Welt ist unser, doch nur mit Worten der Dichtung zu
haben.
Über unsere Vergänglichkeit kommt die Welt auf die
Schöpfung zurück.
Vergänglichkeit – das Bedauern der Dauer.10

Elazar Benyoëts


Inleiding

Eén ding bleef bereikbaar, nabij en .. te midden van alle verliezen: taal. Taal ging niet verloren, ondanks alles wat er gebeurd is. Maar zij moest door haar eigen antwoordloosheid heen gaan, door verschrikkelijke stiltes, door de duizend duisternissen van dood brengende taal.11

Christian Wiman

Taal, taal vinden om God te beschrijven terwijl God zich terugtrekt achter zijn bestaan. De talige wereld kan Hem niet inhalen, niet vastleggen. En de taal kan de dood niet ongedaan maken. De dood waarmee Christian Wiman uit ons citaat wordt geconfronteerd en die hem doet denken aan de ervaringen van Paul Celan die ook alleen nog maar zijn taal had om aan zijn leven uitdrukking te geven na de Holocaust. Op het scherp van de snede komt het hierop neer. Taal die start bij het nulpunt, het helemaal niets, het nihilisme dat niet de waarheid in pacht heeft maar de dood. “Vom Tode, von der Furcht des Todes, hebt alles Erkennen des All an,”12 zo Franz Rosenzweig aan het begin van zijn “Stern der Erlösung”, een werk waar ik lang geleden mijn kandidaatsscriptie over heb geschreven in de theologie en dat als een soort van achtergrond mijn denken begeleidt. De dood als beginpunt van nadenken. De dood ook in de gestalte van de eindigheid. De gestalte van de talloze verschrikkingen die mensen elkaar aandoen in dit leven. Het uitzichtloze lijden, de gruwelijkheden. Spreken over God kan niet doen alsof deze werkelijkheid niet bestaat. Wiman schrijft over Celan’s poëzie (en ik citeer ook het begin van een van zijn gedichten): “Het is niet moeilijk om te zien hoe de taal van de poëzie werd veranderd door Celan, wiens poëzie vol uiteengereten fragmenten en lacunes zit, vol kastijding en gebrek, woorden ruw volgestouwd zodat betekenissen er woest van afspringen, als van een scheepswrak – en dan, dwars erdoorheen, wonderbaarlijker, een donker schijnsel:

Niemand herkneedt ons uit aarde en leem,
niemand geeft een stem aan ons stof.
Niemand.”13

Niemand, over deze Niemand, gaat het hier. Maar het is niet zo dat wij niets in handen hebben. We hebben een taal, we hebben overgeleverde taal over deze Niemand en we hebben overgeleverde praktijken waarin deze Niemand wordt benaderd via het gebed, de rites, de liturgie en de persoonlijke relaties. Poëzie en mystiek als ruimtes voor God krijgen daarom veel aandacht. Maar alvorens hier aandacht aan te besteden sta ik eerst stil bij God, mens en wereld in ruimte en tijd en onderzoek ik het begrip ruimte en het begrip tijd. Beiden in relatie tot ons denken en ons zelfverstaan in deze wereld. Het is ook om met Marc-Alain Ouaknin te spreken een verkenningstocht in interpretaties, een zoektocht langs de richtingwijzers in de woestijn van betekenissen. Een route die nooit is afgelopen en die nooit zal eindigen zolang er schrijvers en zolang er lezers zullen zijn. René Char, de Franse Dichter drukt het zo uit:

Parmi tout ce qui s’écrit hors de notre attention, l’infini du ciel, avec ses défis, son roulement, ses mots innombrables, n’est qu’une phrase un peu plus longue, un peu plus haletante que les autres.

Nous la lisons en chemin, par fragments, avec des yeux usés ou naissants, et donnons à son sens ce qui nous semble irrésolu et en suspens dans notre propre signification. Ainsi trouvons-nous la nuit différente, hors de sa chair et de la nôtre, enfin solidairement endormie et rayonnante de nos rêves. Ceux-ci s’attendent, se dispersent sans se souffrir enchaînés. Ils ne cessent point de l’être.

Unter allem, was, ausserhalb unsrer Aufmerksamkeit, Schrift bildet, ist der unendliche Himmel, mit seinen Herausforderungen, seinem Dahinrollen, seinen unzähligen Worten, nur ein um ein weniges längerer, um ein weniges angespannterer Satz als die andern.

Wir lesen diesen Unterwegs, in Bruchstücken, mit verbrauchten Augen oder neu erstehenden, und überlassen seinem Sinn alles, was uns ungelöst oder in Schwebe scheint in unsrer eigenen Zeichenwelt. Auf solche Weise finden wie die andere Nacht, entäussert ihrer Leiblichkeit wie auch der unsern, endlich Schlaf von unserem Schlaf, und glänzend von unseren Träumen. Diese erwarten einander, und lösen sich auf, ohne den Schmerz der Verkettung zu spüren. Sie sind es weiterhin.14

René Char

In dit essay komen diverse aspecten van de zoektocht naar de mogelijkheid van een theotopie aan de orde. Ik begin met een verkenning van God, mens en wereld in ruimte en tijd. Vervolgens komen de begrippen ruimte en tijd aan de orde met betrekking tot het thema. De poëzie beschouw ik naast de ingang van de mystiek als een apart domein om God in zijn vele variaties te ontdekken, een plek waar God manifest en verborgen aan het licht treedt. Meer expliciet vindt dat ook plaats in de mystieke tradities van het Jodendom en Christendom. Vandaar ook in de bespreking van ruimte en tijd aandacht hiervoor. Ik ga ervan uit dat veel geciteerde teksten voor zichzelf spreken: het zijn stemmen die mogen klinken. Daarom ga ik deze citaten niet toelichten of tegenspreken. Ze hebben hun eigen waarde en in de betekenisvolheid en diversiteit ervan voegen zij een extra dimensie toe aan deze tekst. Datzelfde geldt voor gedichten en opschriften. Vandaar dat deze zoveel voorkomen: het is een manier om meer te zeggen dan eigenlijk in dit kort tijdsbestek gezegd kan worden. Afgesloten wordt met een korte terugblik en met eindnoten.

Ved, il tempo che si concentra
qui dentro questa stanza,
amico mio che t’invento,
comprime i giorni fino a soffocarli.
Questa è la mia vita
e da essa io ti sto scrivendo.
Io non ho altro,
da me non parte nient’altro.
Leggimi quindi. Rimani e siedi.
In fondo non chiedo nient’altro
che essere guardata in faccia
e negli occhi spalancati.

Sieh, die zeit zieht sich zusammen
hier drinnen im zimmer,
erfundener freund du,
sie zwängt die tage bis sie ersticken.
Dies ist mein leben
und aus diesem tu ich dir schreiben.
Ich habe nichts anderes,
von mir geht nichts anderes aus.
Lies mich also. Bleib und sitz.
Im grunde frag ich nichts anders
als angeschaut werden ins gesicht
und die augen die aufgerissenen.15

Roberta Dapunt


Dit is een deel uit mijn essay: God in de Kosmos. Het hele essay is te lezen (eventueel te koop) (en te downloaden) op:


piramides

noten:

1  Dapunt, Roberta, dies mehr als paradies, la terra piu del pardiso, Bosen 2016 (Folio Verlag Wien), p. 18-19

2Aachener Sprachschatz. Wörterbuch der Aachener Mundart. Beiträge zur Kultur- und Wirtschafts-Geschichte Aachens und seiner Umgebung. Band 1, Prof. Dr. Will Hermanns, Aachen 1970 (Verlag J.A. Mayer) pag. 524

3 Ik laat mij daarbij ook leiden door de gedachten van Roberto Juaroz die hierover uitgebreid gesproken heeft in: Juarroz, Roberto, Poesie und Wirklichkeit. Poesía y realidad, Stuttgart 2010(Edition Delta)

4 Pessoa, Fernando, Orpheu. Schriften zur Literatur, Ästhetik und Kunst, Frankfurt am Main 2015 (Fischer Verlag), p. 301

5 Benyoëts, Elazar, Scheinhellig. Variationen über ein verlorenes Thema, Wien 209 (BraunMüller) p. 133

6 Porchia, Antonio, Voces completas/Gesammelte Stimmen, Berlin 2005 (Tropen Verlag), p. 37

7 Char, René, Bibliothek in Flammen. La bibliothèque est en feu. Gedichte französisch/deutsch, Frankfurt am Main 1992 (Fischer), p. 76

8 Benyoëts, Elazar, Die Eselin Bileams und Kohelets Hund, München 2007 (Carl Hanser Verlag), p. 20

9Nishida, Kitarõ, Intelligibility and the Philosophy of Nothingness. Three Philosophical Essays, Tokyo 1958 p. 161-240

10 Benyoëts, Elazar, Fraglicht. Aphorismen 1977-2007, Wien 2010 (Braumüller), p. 15

11 Wiman, Christian, Mijn heldere afgrond. Overpeinzingen van een moderne gelovige, Barneveld 2016 (Brandaan), p. 146

12 “VOM TODE, von der Furcht des Todes, hebt alles Er- kennen des All an. Die Angst des Irdischen abzuwerfen, dem Tod seinen Giftstachel, dem Hades seinen Pesthauch zu nehmen, des vermißt sich die Philosophie. Alles Sterbliche lebt in dieser Angst des Todes, jede neue Geburt mehrt die Angst um einen neuen Grund, denn sie mehrt das Sterbliche. Ohne Aufhören gebiert Neues der Schoß der unermüdlichen Erde, und ein jedes ist dem Tode verfallen, jedes wartet mit Furcht und Zittern auf den Tag seiner Fahrt ins Dunkel. Aber die Philosophie leugnet diese Ängste der Erde. Sie reißt über das Grab, das sich dem Fuß vor jedem Schritt auftut. Sie läßt den Leib dem Abgrund verfallen sein, aber die freie Seele flattert darüber hinweg. Daß die Angst des Todes von solcher Scheidung in Leib und Seele nichts weiß, daß sie Ich Ich Ich brüllt und von Ableitung der Angst auf einen bloßen „Leib“ nichts hören will – was schert das die Philosophie. Mag der Mensch sich wie ein Wurm in die Falten der nackten Erde verkriechen vor den herzischenden Geschossen des blindunerbittlichen Tods, mag er es da gewaltsam unausweichlich verspüren, was er sonst nie ver- spürt: daß sein Ich nur ein Es wäre, wenn es stürbe, und mag er deshalb mit jedem Schrei, der noch in seiner Kehle ist, sein Ich ausschreien gegen den Unerbittlichen, von dem ihm solch unausdenkbare Vernichtung droht – die Philosophie lächelt zu all dieser Not ihr lee- res Lächeln und weist mit ausgestrecktem Zeigefinger das Geschöpf, dem die Glieder in Angst um sein Diesseits schlottern, auf ein Jenseits hin, von dem es gar nichts wissen will. Denn der Mensch will ja gar nicht irgend welchen Fesseln entfliehen; er will bleiben, er will – leben.” Rosenzweig, F., Der Stern der Erlösung (den Haag 1976) (Martinus Nijhof), p. 3

13 Ibid., p. 147-148; vergelijk ook de bespreking van Celan door Emmanuel Lévinas, Vom Sein zum Anderen, in Levinas, Emmanuel, Eigennamen. Meditationen über Sprache und Literatur, München 1988 (Carl Hanser Verlag), p. 56-66

14 Char, René, Rückkehr stromauf. Gedichte1964-1975, München Wien 1984 (Carl Hanser Verlag), p. 54-55

15 Dapunt, Roberta, dies mehr als paradies, la terra piu del pardiso, Bosen 2016 (Folio Verlag Wien), p. 55 en 63


Dank je wel voor je reactie - Thanks a lot for reacting