God in de kosmos (8)

3. Tijd

Een kwestie van “ondergaan en beleven”

Wie sich das Galgenkind
die Monatsnamen merkt

Jaguar
Zebra
Nerz
Mandrill
Maikäfer
Ponny
Muli
Auerochs
Wespenbär
Locktauber
Robbenbär
Zehenbär.1

Christian Morgenstern

Tijd is naast de ruimte de categorie in onze werkelijkheid die ons dagelijks leven kleurt en bepaalt. De tijd is de onzichtbare meester op de achtergrond. Maar de tijd heeft niet het laatste woord. Betekenissen die we toekennen aan de tijd, vooral de tijd die nog moet komen, overstijgen de tijd van het hier en nu. Een van die betekenissen is de verhoopte komst van de Messias. Maar dat smachten naar verlossing kan niet zonder een terugblik in de tijd, hoe het allemaal begon. Bijvoorbeeld de Kabbalah, een ander misschien voor velen minder bekend verklaringsmodel, werpt daarop een heel bijzonder licht. Maar ook in het denken speelt de tijd een belangrijke rol en kleurt deze ons zelfverstaan en ons denken over de wereld, de mens en God. Hoe zal de tijd zich verder ontwikkelen en hoe zal de mens zich manifesteren in deze toekomst die we ook evolutie kunnen noemen? Zitten we niet allen in hetzelfde bootje, op weg naar wat de tijd voor ons in petto heeft? Deze paragrafen bespreken de tijd in het licht van deze thema’s.

El tiempo es una cosa fija
que nada fija
Die Zeit is etwas Festes, das nichts
festmacht.2

Antonio Porchia

3.1 De glans van de tijd: de Messias

Solange wir warten, ist er im Kommen

Du bist nur eine Spur von Welt
und doch geht sie
mit dir zu Ende

‘Frag ich dich, ob du an Gott glaubst, so frage ich dich nicht, ob du den Weg zu Gott kennst. Für den Augenblick sind wir verloren. Wir wollen es ruhig zugeben. Keiner von uns kennt den Weg zu Gott. Der Herr der Zeit und des Raumes ist unserm Gesichtskreis entschwunden. Jesus ist nicht mehr unser Heilsweg. Er war der Heiland, und ist es nicht mehr. Einstmal war es Mithras, und ist doch nicht Mithras geblieben. Nie war es Mithras für uns. Gott sendet verschiedene Heilande zu verschiedenen Völkern zu verschiedenen Zeiten. Für den Augenblick gibt es keinen Heiland. Die Juden haben dreitausend Jahre lange gewartet. Sie zogen vor, zu warten.”

Folgtest du mir,
du wärest über den Berg

CREDO: Man kann das Warten aufgeben, nicht unterbrechen3

Elazar Benyoëts

De Messias komt aan de achterkant van de tijd. Daarom kunnen wij hem aan de voorkant niet onderscheiden. Links en rechts van ons, staande in het ogenblik, ligt het verleden en de toekomst. Voor ons het heden, achter ons dat wat wij niet kunnen waarnemen maar wat wel aanwezig is. Daar speelt de tijd van de Messias zich af. Boven en beneden zijn daarin betrokken. Beneden, de aarde, het Rijk God dat groeit, boven ons de hemel die steun en toeverlaat vormt voor het groeien van dit Rijk. Zie hier een kleine religieuze aardse en antropocentrische kosmologie waarin het ogenblik en de mens als zelf voor het zelf centraal staat. Met het lichaam vormen wij onderdeel van de tijd en de wereldtijd. Onze levenstijd is een fragment in de kosmische tijd die ook de wereld kleurt en bepaalt. De Messiaanse tijd is de tijd van God. Een tijd die uitstaat. Een tijd die gekenmerkt wordt door een paradox: een zekere immanentie van het goddelijke en van God in deze wereld, in ons leven en in mijn existentie: mijn ziel als symbool hiervan en de volstrekt afwezigheid van God in de wereld, onze existentie, mijn bestaan. Beiden staan naast elkaar en blijven naast elkaar staan. Er is geen synthese mogelijk. Beiden staan uit – staan uit naar de toekomst. Mijn levenstijd is te kort om te kunnen ervaren dat beiden misschien ooit dichter naar elkaar zouden kunnen groeien door de komst van de Messias. De Messias komt niet in onze levenstijd. Daarom wachten wij en blijven wij wachten. Een wachten dat nooit voorbij zal zijn. Stellen dat de Messias reeds zijn programma heeft voltooid en dat het nu wachten is op zijn wederkomst is een voorbarigheid. Van voltooiing is in deze wereld niet veel te merken. Overal branden vuren van hoop maar dat wil niet zeggen dat die gebaseerd zijn op een Messiaans verstaan van de werkelijkheid of op behaalde resultaten.

Vuren van hoop worden eerder gevoed door de ellendigheid van dit bestaan en het verlangen naar verlossing. Wat in het verleden aan Messiaanse tekens heeft plaatsgevonden heeft zijn spoor getrokken in de menselijke geschiedenis maar die tekens vinden nu ook nog plaats. Voor de goede verstaander, de goede luisteraar en waarnemer. Wie ogen heeft…wie oren heeft…Zij dit dit spoor durven op te pakken in de wereld zijn niet geliefd. Ze worden weggezet als dwazen, als naïef en niet van deze wereld. Dat klopt. De glans van het Messiaanse handelen is van achter de tijd. Loopt niet parallel met de chronologie van de tijd aan de voorkant.
De tijd aan de voorkant koestert zich in de illusie van de vooruitgang, een seculiere ontwikkeling die steeds meer en steeds beter wil. Toekomst is een surplus. Het heden overtroffen. Dat noemen wij de vruchten van de wetenschap en het rationeel technisch handelen.4 De wereld wordt samengevat in het wetenschappelijke wereldbeeld – daar is voor de achterkant van de tijd geen ruimte want de achterkant is onmeetbaar. In de immanente eindigheid van de werkelijkheid is geen plaats voor de oneindigheid van het transcendente. Wij denken, aldus de filosoof Hans Blumenberg, dat wij ons hebben geëmancipeerd van alle voorwetenschappelijke verwachtingen en illusies: “Täuschen wir uns nicht; gerade weil dies ein Thema ist, bei dem wir über uns selbst, über unsere Illusionen hinweggekommen zu sein glauben wie kaum sonst irgendwo, geraten wir in die Falle der geschichtlichen Überheblichkeit. Sie besteht in dem, was man temporale Nostrozentrik nennen könnte und was jeder Gegenwart ihren finalen Zeitbezug gerade dadurch bestätigt, dass sie in allen offenen und versteckten Spielarten die Anthropozentrik endgültig entkräftet zu haben glaubt.”5

Utopien erzeugen kein Gedächtnis
und hinterlassen keine Erinnerungen

Das Paradies war die Idee
der Verbannung
die Welt als erste Exil

Das Paradies verliert man
mit der Kindheit,
die Unschuld in der Liebe6

Elazar Benyoëts

Een proces, ingezet eeuwen geleden, dat nog steeds voortduurt tot in onze dagen. In deze tijd waarin alles om onszelf lijkt te draaien is alles ook wat niet in ons straatje past irrelevant en wordt daardoor ook onzichtbaar. Wat je niet wilt zien hoef je ook niet te zien. Zoals in elke vorm van omkeer, vindt bekering pas plaats, als het zelf van de mens te rade gaat bij zichzelf en daar ontdekt dat een andere kijk en een andere houding mogelijk is. Franz Rosenzweig beschrijft deze ervaring van religieuze omkeer en de ontdekking dat een andere houding mogelijk is in het hoofdstuk over openbaring in de Stern der Erlösung. De ziel ontdekt en ervaart dat zij bemind wordt door God – en schaamt zich, omdat zij aan deze liefde nooit kan beantwoorden. De ziel erkent schuld en in deze bekentenis vindt de omkeer reeds plaats. Zij durft zich over te geven.7 Deze beschrijving van een religieuze ervaring die de kern uitmaakt van een ervaring van God, een vorm van openbaring die hier en nu kan plaatsvinden in het individuele leven van een mens, is het summum van ervaring van het transcendente, oneindigheid die inbreekt in het ogenblik van het immanente, waarin het zelf van de mens zich manifesteert via zijn lichaam, zijn autotopos of autotopie. Theotopie raakt hier aan het zelf van de mens – de mens ervaart de liefde van God en gelooft, dat wil zeggen, vertrouwt zich toe aan deze liefde die te groot is om aan te beantwoorden. Wat Rosenzweig hier in een notendop beschrijft zou je de kern kunnen noemen van de mystieke ervaring die door velen in de loop van de geschiedenis is opgedaan. Telkens wordt de taal van de liefde ingezet om deze onbeschrijflijke ervaring te duiden en te betekenen. Door de taal van de liefde wordt de ervaring van de aanraking van het transcendente en het oneindige in de wereld van het immanente en tijdelijke geduid en hieraan betekenis verleend.

Het zijn net zoveel momenten van Messiaans ervaren. De Messias is niet samengebald in een persoon, maar het is een democratisch gegeven: iedereen kan dit ervaren. Rabbi Nahman, die in het werk van Marc-Alain Ouaknin, The “Burnt Book” (Frans: ‘Livre Brûlé’) wordt besproken schrijft: “And know this, that each man should preserve the messianic dimension he has. For each man according to his holiness and his purity has a messianic dimension…”8 En Ouaknin schrijft als commentaar hierop: “For Rabbi Nahman, the messianic era is not the Tikkun, a repairing that effaces the fissure (Shevirah). The messianic era is not the time when the Messiah is here. On the contrary: it is the time during which the Messiah is awaited. To exaggerate a little: the Messiah
is made for not coming…and yet, he is awaited. The Messiah allows time to be continually deferred, tot generate time. The messianic era is of the order of a withdrawal (Tsimtsum) where the empty space does not exist in order to be healed up.”9
Volgens Ouaknin is de messiaanse dimensie van Nahman een verlangen en vooral ook een project. Iets wat voortdurend staat te gebeuren; een oponthoud dat nog niet is geëindigd, iets dat nog niet is voltooid en op voltooiing wacht. Een pauze in het schrijven, een uitstel van het toekennen van betekenis, zonder hoop op vervulling. Zelf je wegcijferen, zelf je zo opstellen alsof je nog steeds met de inleiding bezig bent, met het stellen van de vragen, zonder te verwachten dat er een antwoord komt.

Mit einem Wort erschaffen
mit einem Satz verbucht

Im Satz kommen die Wörter
am Fenster zu sitzen.

Sätze lassen sich wortgetreu übersetzen,
Worte nur im übertragenen Sinn

Die Klage eines Worts,
in einen falschen Satz
geraten zu sein

Auch Dichtung hat ihre,
von Wortbrechern
und Satzschiebern bevölkerte
Unterwelt10

Elazar Benyoëts

Ouaknin laat in dit werk op een inspirerend manier zien hoe er gedacht wordt in de rabbijnse wereld over vragen uit de bijbel en de Talmoed en hoe enerzijds de relatie wordt gelegd met een toekomst die open blijft en die zich weerbarstig toont tegen elke vorm van totalitaire invulling vanuit ideologische schema’s – allemaal vormen van idolatrie – en hoe anderzijds dit soort vragen betrekking hebben op ons eigen verstaan van God en onze relatie met hem via de in principe oneindige interpretatie van deze teksten. Hij noemt dat de dynamiek van een voortdurende betekenisgeving.11 Ouaknin pleit voor openheid: de toekomst ligt niet alleen volledig open, er zijn geen laatste en ook geen voorlaatste antwoorden, de mens zelf, de Adam is zoals gezegd één grote vraag (Hebreeuws: ‘Ma’). Daarom is de mens een Adam-Mah, een vragende waar de vraag belangrijker is dan het antwoord en waar geen laatste woorden gelden.12 Het is de kunst om die spanning van tegengestelde antwoorden die naast elkaar mogen bestaan uit te houden en niet in de verleiding te komen om tot een synthese te geraken zodat er een systeem, een antwoord ontstaat dat alle tegenstellingen opheeft en verenigt. De filosofische eis dat stellingen in de logica elkaar niet mogen tegenspreken gaat hier niet op. De werkelijkheid van het aanwezige en afwezige transcendente laat zich niet in het keurslijf van de logica persen en beiden staan naast elkaar en mogen naast elkaar staan. Ten aanzien van de goddelijke werkelijkheid is elke veralgemenisering een leugen. Elk ‘enige en laatste antwoord’ is een ontkenning van God en zijn oneindige werkelijkheid. De mens mag deel hebben aan deze oneindige werkelijkheid door de interpretatie. Zo maakt hij niet alleen kennis met het oneindige en met God maar blijft hij ook vrij. De werkelijkheid van het oneindige goddelijke en transcendente afdoen als onbewijsbaar zou wel eens een nieuwe bevestiging kunnen zijn van een geketend zijn aan de materie en aan de determinatie die eigen is aan de wetenschappelijk en technische rationaliteit. De mens ontneemt zich zijn eigen vrijheid tot pluriforme interpretatie, tot het ervaren van het paradoxale karakter van de werkelijkheid en de oneindige vrijheid van het transcendente dat aan de horizon van de wereld en de achterkant van de tijd wenkt.
Ouaknin schrijft in de traditie van de Talmoed en de Kabbalah en laat zich door deze geschriften inspireren.13 De begrippen Tsimtsum, Tikkun en Shevirah worden in de volgende paragraaf uitgelegd, waarin een theorie uit de Kabbalah wordt gepresenteerd over het goddelijke licht en het ontstaan van de kosmos.

Und Gott sprach: Es werde Licht!
Und wort und Licht teilten die Dunkelheit unter sich

Beim Wort genommen – bei Licht besehen14

Elazar Benyoëts

De glans van de tijd aan de achterkant van de tijd, in de messiaanse dimensie van de tijd, is dus voor ieder mens ervaarbaar als hij zich open durft te stellen voor het verlangen dat in hem werkt en het project van zoeken en vragen, om dieper in deze werkelijkheid te aarden. Rabbi Nahman staat voor een absolute scheiding tussen God en mens en voor een onderzoeken van de teksten via de letters van de Torah om zo tot een (nieuwe) ontdekking van God te komen, via nieuwe betekenissen. God en zijn Torah zijn in deze opvatting hetzelfde. Je leert God kennen via zijn Torah, zijn concrete gestalte in deze immanente wereld. Maar dat betekent niet dat je dan weet hoe God is, of wat Hij is. De tekst is open, de tekst is open voor een oneindige interpretatie en geen interpretatie is definitief. Rabbi Nahman is daar heel radicaal in. De absolute gescheidenheid van God moet je behoeden – als een vorm van atheïsme – voor de illusie te weten wie God is.
“Het is verboden oud te worden” is een van zijn stellingen: oud worden is de antwoorden weten en niet meer verder zoeken.15 Oud worden is tevreden zijn met de bekende en vaststaande betekenissen. Oud worden is het begin van de dood van de betekenissen. Oud worden is de mogelijkheid afsnijden om via nieuwe betekenissen God te leren ervaren. Oud worden is de tekst een definitieve betekenis toekennen die ze niet heeft. Dat is een wijze van denken die de onuitputtelijkheid van de rijkdom van tekst tekort doet. Des te meer geldt dit voor een beschrijving van God. God vastleggen op zijn woord en denken te weten wat er definitief staat en wat het betekent is van God, is een afgod maken, een ‘idol’. Het ijdele van het ‘idool’, het gouden kalf, het betekenisloze, de weg ten dode – geldt dan hier. De tekst wordt behandeld als een handleiding, een ‘manual’ waarmee de afstand tussen mens en God ongedaan wordt gemaakt en God een beheersbare en kenbare grootheid wordt.16 De tekst bestaat als het ware uit perfecte tekens die niet in een betekenis zijn te vangen. De tekst onttrekt zich aan de definitieve betekenis, aan de poging om de tekst definitief te duiden.

Ouaknin schrijft in ‘The Burnt Book’ over deze tekens: “As a collection of perfect signs, the Text can never be attained. One could say that it is caressed. So in spite of the analysis undertaken, in spite of the research, the bursting open, the laying bare, the text slips out of our grasp, remains inaccessible, always yet to come. It reveals itself only to withdraw immediately. The text is both “visible and invisible” at the same time; ambiguous, its meaning twinkles, it remains an enigma: ‘Transcendence owes it to itself to interrupt its own demonstration. Its voice has to be silent as soon as one listens for its message.’”17
Maar de tekst trekt zich alleen terug om het transcendente te onthullen als wij dat toestaan, als wij de betekenissen niet markeren als vaste ankerpunten waarin geen verschuiving meer mogelijk is. Als de interpretatie open blijft, ook voor nieuwe invalshoeken. Dat kan alleen maar als wij de tekst met een zekere zachtheid benaderen. Ouaknin noemt dat het strelen van de tekst. Zoals de huid gestreeld kan worden van een lichaam. Maar de relatie valt niet samen met die streling, ze gaat daar ver boven uit. Zo ook de relatie met de tekst.18
Dit strelen van de tekst om haar betekenissen te ontlokken die nieuw zijn is de manier om te studeren en om in dialoog met anderen verder te komen. Dan worden telkens nieuwe betekenissen geboren en ligt de toekomst open. Die weg is nooit af, de interpretatie nooit definitief en nooit volledig. Deze openheid voor het telkens nieuwe, wat ik messiaans zou willen noemen in relatie tot God, is het credo van Rabbi Nahman van Bratislava: “Ne demande jamais ton chemin à quelqu’un qui le connaît car tu ne pourras pas t’égarer…”19

Gott ist in seiner Schöpfung
und kommt mit ihr
nicht zur Welt.
Wäre die Schöpfung
in der Welt,
wie das Paradies
in der Schöpfung,
dann wären Gottes Pläne
in unserer Hand20

Elazar Benyoëts

Dit is een deel uit mijn essay: God in de kosmos. Het hele essay is te lezen (eventueel te koop) (en te downloaden) op:

Noten: 1 Wintergedichte, Stuttgart 2001 (Reclam), p. 75

2 Porchia, o.c. p. 17

3 Benyoëts, Scheinhellig, o.c. p. 130

4 “Wissenschaft verleitet den Menschen zu einem eigentümlichen Hochmut gegenüber sich selbst. Die ausgeprägte Empfindlichkeit gegen alle Arroganz der Gleichzeitigen auf dem eng gewordenen Raum unserer Welt, gegen das Erstgeburtsrecht der im Fortschritt fortgeschrittenen gegenüber den der Nachhilfe Bedürftigen, verliert sich in de Dimension der Zeit zur selbstverständlichen Zulassung aller Arten van exotischer Rückständigkeit. Die Gewesenen trifft solche Ungerechtigkeit nicht mehr, aber sie korrumpiert die, die sie üben, nicht weniger.

DieVerfehlung von Billigkeit in der Dimension der Zeit steht in der Wissenschaftsgeschichte nicht nur zur tagesüblichen ‘Diskussion’ an, sondern zur ständigen Arbeit an der Destruktion des Massstäbe.” Blumenberg, H., Die Genesis der kopernikanischen Welt, 3 Bd., Frankfurt am Main 1981 (Suhrkamp Verlag), p. 200

5 Ibid., p. 201

6 Benyoëts, Sandkronen, o.c. p. 107

7 “Indem die Seele also auf diesem höchsten Punkt ihres Sichselberbekennens, aller Scham befreit, sich ganz vor Gott ausbreitet, ist ihr Bekennen schon mehr als sich selber, mehr als die eigene 

Sündhaftigkeit bekennen; es wird nicht erst, sondern ist schon unmittelbar Bekennen – Gottes. Wie die Seele sich der Scham begibt und sich zu ihrer eigenen Gegenwart zu bekennen wagt und also der göttlichen Liebe gewiß wird, kann sie nun diese göttliche Liebe, die sie erkannt hat, bezeugen und bekennen. Aus dem Sündenbekenntnis springt hervor das Glaubensbekenntnis; ein Zusammenhang, der unbegreiflich wäre, wüßten wir nicht, daß das Sündenbekenntnis sowohl in seinen Anfängen als Beichte des Vergangenen wie in seiner Vollendung als Bekenntnis der gegenwärtigen Sündhaftigkeit nichts ist als das Liebesgeständnis der Seele in seinem Hervortreten aus den Fesseln der Scham bis zur völligen vertrauensvollen Hingegebenheit. Die Seele, die ihr in der Liebe Sein gesteht, bezeugt damit aufs gewisseste das Sein des Liebenden. Alles Glaubensbekenntnis hat nur den einen Inhalt: der, den ich im Erlebnis meiner Geliebtheit als den Liebenden erkannt habe, – er ist. Der Gott meiner Liebe ist wahrhaftig Gott.” Ibid., p. 201-202 

8 Ouaknin, M.A., The Burnt Book. Reading the Talmud, New Jersey 1995 (Princeton University), p. 302

9 Ibid., p. 302. In twee andere boeken worden deze gedachten nog een keer uitgewerkt: Ouaknin, M.A., C’est pour cela qu’on aime les libellules, Paris 1998 (Éditions Calmann- Lévy) en Ouaknin, M.A., Lire aux éclats. Éloge de la caresse, Paris 1994 (Éditions du Seuil)

10 Benyoëts, Fraglicht, o.c. p. 441

11 “The inexhaustibility of meaning is made possible, first, by the very specificity of the Hebrew language. This specificity consists in a purely consonantal writing; the invisibility expresses a certain relationship with the visible in the way that absence refers to presence. The vowels are there in their absence: “this writing punctuated by absence” opens up to transcendence. Even the first text does not exist but has to be created; reading is in itself an act of creation. The Nirin veeyn Nirin is the continuous creation of reading, of successive readings. No reading should be identical to the preceding one. Each reading, each study, gives birth to “new faces.” 

This idea allows us, in one way, to understand why the thinking of the “visible-invisible” is essentially structured around the carrying staves (badim). The latter should never be removed, in accordance with the verse “The staves shall be in the rings of the Ark: they shall not be taken from it (lo yasuru mimenu).” The interdiction of taking out the staves even when they are not in use confers on them a symbolic character. The journey of the Ark is never over; it is an infinite journey of meaning that we call the “dynamism of meaning.” The “dynamism of meaning” is the impossibility of exhausting the meaning of an idea, of a law, of a Mitzvah. It is above all, a supreme refusal of thematization.” o.c. 204

12 “Each person must try to bring out what is unique in himself, in which he himself is the hearer of a question, bis own, which makes of him a specific and differentiated “what is it?…The only criterion for judging an interpretation is its richness, its fruitfulness. Anything that gives matter for thought honors the person who proffers it … ” o.c. p. XIV-XV

13 Marc-Alain Ouaknin heeft ook een zeer lezenswaardige en heldere inleiding in het denken van de Kabbalah geschreven die op dit moment alleen in het Frans te krijgen is: Ouaknin, M.A., Mystères de la kabbale, Paris 2002 (Editions Assouline). zie ook:

Ouaknin, M.A., Mystères des chiffres, Paris 2004, (Editions Assouline) 

Ouaknin, M.A., Mysteries of the Alphabet. The origins of writing, New York London Paris 1999 (Abbeville Press Publishers) 

Ouaknin, M.A.,Mystères des la Bible, Paris 2008 (Éditions du Seuil)

14 Benyoëts, Die Eselin, o.c. p. 68

15 Vgl. Il est Interdit d’être vieux, in: Ouaknin, Lire aux éclats, o.c., p. 279-281

16 “The system of interpretation – besides its necessity  for the phenomenon of understanding – is founded on the will to refuse idolatry. The Text, which is the primary relation to God, must not turn into an idol….The idol – in this case, the Text given up to the grasp of the hand, the manual – reassures; the idol brings things closer: What the idol tries to reduce is the gap and the withdrawal of the divine…” Ibid., p. 65 en

Hidush, innovation of meaning, always aims to be beyond the already-given meaning. We do not leave the usual to go back to the origin; the movement is not regressive. On the contrary, there is an imperious will to build meaning in order to construct the development of history. Reactivation awakens the creative force of interpretation. It is not the meaning that is reactivated but always the power of the word, of the event, or of the thing to signify ever again and beyond.” p. 91

17 Ibid. p. 63

18  “But the Text witdraws only if we let it; the interruption of the demonstration of transcendence, the movement necessary withdrawal depends, above all, on the interpreter, on his way of being as he reads the text, on his approach. We call this way of being the “caress”: the caress is a modality of the subject, where the subject in his relation with the Text goes beyond the relation, for “that which is caressed is nog actually touched”; “the caress is the non-coinciding proper to contact, a denuding never naked enough.”  Ibid., p. 63

19 Ouaknin, Lire aux éclats, o.c. p. I en The burnt book, o..c. p. IX

20 Benyoëts, Sandkronen, o.c. p. 105


Dank je wel voor je reactie - Thanks a lot for reacting