Paaswake 2020

Paaswake 2020 Studentenkerk 

Een overweging die nooit werd gehouden omdat de kerk dicht was vanwege corona

motto: 

Meine Liebe floss in dein Martyrium

durchbrach den Tod

Wir leben in der Auferstehung

Mijn liefde vloeide in jouw martelaarschap

doorbrak de dood

Wij leven in de opstanding

Nelly Sachs

Drie lezingen zouden in deze nacht worden gelezen:

  1. Genesis 1,1-2,4 De schepping van hemel en aarde
  2. Exodus 12,1-28  Pesachfeest en uittocht uit Egypte
  3. Evangelie van Johannes 20,1-18 Opstandingsverhaal

De lezingen staan op het einde

Overweging

De drie verhalen die vannacht zijn gelezen zijn eigenlijk te mooi om waar te zijn. Als je met de bril kijkt van de journalist moet je constateren, dat kan nooit zo letterlijk zijn gebeurd. Maar wat is dat, werkelijkheid? Onze werkelijkheid? Zijn we wel in staat om die werkelijkheid die zich dagelijks afspeelt voor onze ogen en waar we deel van zijn in woorden en beelden te vangen? Bijvoorbeeld nu, zoals we op dit moment in gevaar verkeren door het corona-virus? De duizenden en duizenden doden die reeds zijn gevallen, het onmetelijke verdriet als je je realiseert wat dat moet betekenen voor de achterblijvers. De lege pleinen en straten die normalerwijze vol zijn met mensen.

Ook onze wetenschappelijke taal is daartoe niet in staat want met wiskundige formules en hypotheses zeg je nog niet zoveel over wat je meemaakt en wat je voelt en ziet. Taal schiet dus tekort, zou je kunnen denken. Of niet?

Misschien is taal wel bij uitstek de manier waarop wij de werkelijkheid tegemoet treden en betekenis verlenen. 

Als we kijken naar de wonderbaarlijke gebeurtenissen die zich deze nacht afspelen: de schepping van onze kosmos, met alles erop en eraan in zeven dagen, de (bloedige) aanloop tot de bevrijding uit de slavernij van Egypte voor de Hebreeën onder leiding van Mozes en tenslotte de wonderlijke ontdekking van het lege graf en de ontmoeting van Maria uit Magdala met de opgestane Jezus, dat moet je wel gaan fronsen als je wilt weten of dit echt zo heeft plaatsgevonden en of de taal die hier wordt ingezet adequaat en waarheidsgetrouw deze werkelijkheid beschrijft. 

Die taal doet dat wel in mijn optiek, maar niet in de woorden van een ooggetuige die het letterlijk voor zijn of haar ogen heeft zien gebeuren. Het zijn verhalen, duidingen achteraf. In woorden gegoten zoals een gedicht in woorden kleur krijgt. Met performatieve kracht: door datgene wat wordt beschreven vindt het als het ware voor je ogen plaats, zoals iemand tegen je zegt dat hij of zij van je houdt en dan gebeurt er wat bij jou.

De taal van het gedicht is in mijn ogen adequater in het beschrijven van deze wonderbaarlijke gebeurtenissen dan de taal van de journalist. Deze laatste trouwens kan ook niet zonder duiding en zonder betekenis die hij zelf geeft aan wat hij ziet. En dan gaan we eigenlijk al de mist in als we vragen naar objectiviteit. Elke betekenis is in dit kader subjectief. De schrijver die het verhaal vertelt legt er iets van zijn persoon in en de lezer doet dat ook weer. Zo ontstaat een nieuwe speelveld, taalveld, zo je wilt.

Het model onder het scheppingsverhaal is of zijn mythes uit het oude Ugarit. Op kleitablettten is het een en ander gevonden en via moeizame constructies zijn er oude mythen aan het licht gekomen. In het boek Adam, Eva en de duivel. Kanaänitsiche mythen en de bijbel, wordt dit haarfijn uit de doeken gedaan. Dus zo uniek is ons bijbelverhaal niet. Maar de auteurs van toen hebben bekende verhalen gemodelleerd in een nieuw en eigen verhaal, met eigen accenten. De nadruk op de sabbat is er een van. Dat is op zichzelf al een klein meesterwerk geweest. Het feit dat wij nog steeds die verhalen lezen en dat er zoveel strijd om de waarheid en betekenis ervan is gevoerd, is daarvoor het grootste bewijs. Maar voor mij persoonlijk is dat nog niet eens doorslaggevend. Genesis een is in zijn zeggingskracht en wijze van uitdrukken één groot gedicht. Een prestatie van formaat van een dichter/auteur die zijn vak verstond. Die op deze wijze zoveel betekenis in zijn verhaal/gedicht kon leggen dat het ons nog steeds fascineert en bezig houdt. 

Nelly Sachs die in de vorige eeuw leefde en die veel gedichten over het lijden in en na de Tweede Wereldoorlog heeft geschreven is in mijn ogen ook een auteur die op gelijke hoogte staat met auteurs van boeken en passages in de bijbel. Haar gedichten hebben een dimensie die het alledaagse oppervlakkige voortkabbelen van de dingen ver overstijgt. Haar ervaringen hebben haar woorden gegeven die op een diepere wijze blijven doorwerken omdat de gedichten je niet loslaten. Daarbij is ze vertrouwd met bijbelse teksten en ervaringen uit die context klinken voortdurend mee. In feite actualiseert ze en geeft ze nieuwe betekenis aan oude verhalen. In het licht van het bevrijdingsverhaal van Exodus waar het volk een ritueel moet voltrekken om behoed te blijven voor de engel van de dood en in het aangezicht van de dood van zoveel Egyptische eerstgeborenen, maar ook in de context van de vele doden die nu vallen door corona is dit gedicht helemaal op zijn plaats: Koor van troosters:

Koor van troosters

TUINDERS ZIJN WE, zonder bloemen nu

Geen heelkruid laat zich planten

Van Gisteren naar Morgen.

De salie in de bakermat is uitgebloeid –

Rosemarijn heeft haar geur in het aanschijn

   van de nieuwe doden verloren –

Zelfs de alsem was alleen gisteren bitter

De bloemen van de troost zijn te kort

   ontsproten

Zijn ontoereikend voor de pijn van een

   kindertraan.

Nieuw zaad wordt misschien

In het hart van een nachtelijke

   zanger gekweekt.

Wie van ons mag troosten?

In de diepte van de holle weg

Tussen Gisteren en Morgen

Staat de cherub

Draait met zijn vleugels de schichten

   van rouw

Zijn handen echter houden de rotsen

   uiteen

Van Gisteren en Morgen

Zoals de randen van een wond

Die open blijven moet

Die nog niet helen mag.

Niet inslapen laten de schichten van rouw

Het veld van het vergeten.

Wie van ons mag troosten?

Tuinders zijn we, zonder bloemen nu

En staan op een ster, die straalt

En wenen.

Nelly Sachs

Aan dit gedicht is niets toe te voegen. Het drukt de rouw en het verdriet uit die heersen. Kon het virus maar zoals in ons verhaal in Exodus door een simpel gebaar, een voltrokken ritueel aan onze deuren voorbij gaan, zodat wij en allen die ons dierbaar zijn behouden bleven. Maar zo ligt  het nu niet. We moeten afstand houden. We moeten ons net als in het verhaal uit Exodus houden aan de voorschriften en ze letterlijk opvolgen. Het pesach verhaal is een verhaal dat inzet op herinnering en op steeds weer de actualiteit van bevrijding zichtbaar maakt. Als het kleinste kind vraagt naar de betekenis van de maaltijd op de sederavond wordt het hele verhaal in al zijn glorie opnieuw verteld. Zo worden duizende jaren overbrugd. Met het oog hierop heeft de redacteur/schrijver van deze tekst dit verhaal gecomponeerd. Pesach: overspringen, springen over de dreiging van het doodswater, de vrijheid tegemoet. Het is net als het evangelieverhaal een verhaal van donker naar licht maar ook een verhaal van door de dood heen naar een nieuwe toekomst. 

Als christenen geven wij dit pesachverhaal een eigen dimensie en een nieuwe dynamiek. In de persoon van Jezus van Nazareth, het levende Woord van God, vleesgeworden Woord van God, mogen wij iets proeven van de belofte dat de dood niet het laatste woord heeft over ons mensen. Ook dat is poëtische taal waarin dit wordt uitgedrukt. Ik ervaar het als een groot gedicht waarin het onmogelijke mogelijk kan worden. Maar voor het zover is moeten wij wachten, hopen, de moed erin houden dat deze opwekking uit de doden meer is dan een wonderbaarlijke gebeurtenis uit een lang verleden. Theologen hebben zich het hoofd erover gebroken. Ze zijn elkaar in de haren gevlogen om de betekenis en de waarheid van dit mooie verhaal. Maria uit Magdala mag als eerste en als vrouw (niet onbelangrijk in die context en in die tijd) getuige zijn van de opstanding. 

In bijna nuchtere bewoordingen doet de evangelist verslag van dit gebeuren. Wij, de lezers, leggen er onze betekenissen in. Noli me tangere, ‘houd me niet vast’ zegt Jezus. Maar dat is slechts een klein fragment in het verhaal. Op schilderijen zie je dit uitgebeeld: vaak een afwerend Jezus, die met zijn hand lijkt af te weren. Soms een smachtende Maria die lager staat of knielt voor Jezus. Jezus soms als tuinman met hoed, soms half naakt maar toch met hoed en staf. In een barok decor, of in een Italiaanse sfeer. Afhankelijk van de interpretatie van de kunstenaar. Aan deze afbeeldingen zie je pas goed hoe wij als lezers zelf betekenis geven aan dit verhaal. 

In het verhaal zelf treden twee leerlingen op: Simon Petrus en de andere leerling. De laatste gelooft (zoner te vragen) als hij de doeken ziet in het lege graf. Dan verdwijnen ze van het toneel. Twee engelen in het graf vragen de huilende Maria waarom ze huilt en dan verschijnt Jezus. De herkenning vindt niet plaats via het zien maar via het horen, via de naam die klinkt en via het antwoord ‘Rabboeni’. Daarmee is het verhaal getekend: de taal die klinkt in het spreken en horen, maakt het wonder zichtbaar. Hij is niet dood, hij leeft. Welliswaar niet op dezelfde wijze als daarvoor (houd me niet vast) maar hij laat zien dat het proces nog niet is afgesloten. Hij verkeert als het ware tussen dood en leven – leven dat normaler wijze door zou gaan (alsof er niets gebeurd is) – daarom duidt Jezus op zijn gang naar de Vader die ook onze Vader en onze God is. Jezus is nog niet thuisgekomen. Dat gaat nog gebeuren en dan komen we terecht in de situatie die ook nog onze tijd kenmerkt. Leven zonder de aanwezige Heer in concrete gestalte maar als levend Woord van God dat onder ons verkeert. 

Nelly Sachs drukt dat voor mijn gevoel weer prachtig uit: liefde is de kracht die sterk is als de dood en die blijft ook na de dood, na het martelaarschap. De dood van Jezus aan het kruis, het sterven als doodgemartelde heeft niet het laatste woord maar door de liefde van  God en/of mensen die van hem houden wordt de dood doorbroken. Het is ondoenlijk om deze poëtische zin om te zetten in taal die het gebeuren als werkelijkheid moet beschrijven. Dat lukt gewoon niet. Maar toch kan ik met Nelly Sachs volmondig zeggen: we leven in de opstanding, we zijn deel van de opstanding door de kracht van de liefde. In het gedicht staat dit zo krachtig uitgedrukt, geen woord te veel:

Meine Liebe floss in dein Martyrium

durchbrach den Tod

Wir leben in der Auferstehung

Nelly Sachs

Daarom hebben deze poëtische woorden voor mij persoonlijk evenveel zeggingskracht als het evangelie zelf. Daarom is taal geschenk van God aan de mensen (Rosenzweig) om het onmogelijke uit te drukken en zo ons hoop te verschaffen. Taal als de bodem onder ons bestaan en als basis onder ons vertrouwen. Ook in deze tijd van corona, waarin we elkaar meer dan ooit nodig hebben, maar dat wisten we natuurlijk al lang. Een zalig Pasen.

John Hacking

11 april 2002

bronnen: 

  • Nelly Sachs, Gedichte,  Zürich 1966, (Coron-Verlag) (p. 381)
  • Korpel, Marjo, de Moor, Johannes, Adam, Eva en de Duivel. Kanaänitische mythen en de bijbel, Vught 2016 (Skandalon)

Bijbelteksten:

1. Genesis 1,1-2,4 De schepping van hemel en aarde

1 In het begin schiep God de hemel en de aarde. 2 De aarde was nog woest en doods, en duisternis lag over de oervloed, maar Gods geest zweefde over het water.

3 God zei: ‘Er moet licht komen,’ en er was licht. 4 God zag dat het licht goed was, en hij scheidde het licht van de duisternis; 5 het licht noemde hij dag, de duisternis noemde hij nacht. Het werd avond en het werd morgen. De eerste dag.

6 God zei: ‘Er moet midden in het water een gewelf komen dat de watermassa’s van elkaar scheidt.’ 7 En zo gebeurde het. God maakte het gewelf en scheidde het water onder het gewelf van het water erboven. 8 Hij noemde het gewelf hemel. Het werd avond en het werd morgen. De tweede dag.

9 God zei: ‘Het water onder de hemel moet naar één plaats stromen, zodat er droog land verschijnt.’ En zo gebeurde het. 10 Het droge noemde hij aarde, het samengestroomde water noemde hij zee. En God zag dat het goed was.

11 God zei: ‘Overal op aarde moet jong groen ontkiemen: zaadvormende planten en allerlei bomen die vruchten dragen met zaad erin.’ En zo gebeurde het. 12 De aarde bracht jong groen voort: allerlei zaadvormende planten en allerlei bomen die vruchten droegen met zaad erin. En God zag dat het goed was. 13 Het werd avond en het werd morgen. De derde dag.

14 God zei: ‘Er moeten lichten aan het hemelgewelf komen om de dag te scheiden van de nacht. Ze moeten de seizoenen aangeven en de dagen en de jaren, 15 en ze moeten dienen als lampen aan het hemelgewelf, om licht te geven op de aarde.’ En zo gebeurde het. 16 God maakte de twee grote lichten, het grootste om over de dag te heersen, het kleinere om over de nacht te heersen, en ook de sterren. 17 Hij plaatste ze aan het hemelgewelf om licht te geven op de aarde, 18 om te heersen over de dag en de nacht en om het licht te scheiden van de duisternis. En God zag dat het goed was. 19Het werd avond en het werd morgen. De vierde dag.

20 God zei: ‘Het water moet wemelen van levende wezens, en boven de aarde, langs het hemelgewelf, moeten vogels vliegen.’ 21 En hij schiep de grote zeemonsters en alle soorten levende wezens waarvan het water wemelt en krioelt, en ook alles wat vleugels heeft. En God zag dat het goed was. 22 God zegende ze met de woorden: ‘Wees vruchtbaar en word talrijk en vul het water van de zee. En ook de vogels moeten talrijk worden, overal op aarde.’ 23 Het werd avond en het werd morgen. De vijfde dag.

24 God zei: ‘De aarde moet allerlei levende wezens voortbrengen: vee, kruipende dieren en wilde dieren.’ En zo gebeurde het. 25 God maakte alle soorten in het wild levende dieren, al het vee en alles wat op de aardbodem rondkruipt. En God zag dat het goed was.

26 God zei: ‘Laten wij mensen maken die ons evenbeeld zijn, die op ons lijken; zij moeten heerschappij voeren over de vissen van de zee en de vogels van de hemel, over het vee, over de hele aarde en over alles wat daarop rondkruipt.’ 27 God schiep de mens als zijn evenbeeld, als evenbeeld van God schiep hij hem, mannelijk en vrouwelijk schiep hij de mensen. 28 Hij zegende hen en zei tegen hen: ‘Wees vruchtbaar en word talrijk, bevolk de aarde en breng haar onder je gezag: heers over de vissen van de zee, over de vogels van de hemel en over alle dieren die op de aarde rondkruipen.’ 29 Ook zei God: ‘Hierbij geef ik jullie alle zaaddragende planten en alle vruchtbomen op de aarde; dat zal jullie voedsel zijn. 30 Aan de dieren die in het wild leven, aan de vogels van de hemel en aan de levende wezens die op de aarde rondkruipen, geef ik de groene planten tot voedsel.’ En zo gebeurde het. 31 God keek naar alles wat hij had gemaakt en zag dat het zeer goed was. Het werd avond en het werd morgen. De zesde dag.

2.1 Zo werden de hemel en de aarde in al hun rijkdom voltooid. 2 Op de zevende dag had God zijn werk voltooid, op die dag rustte hij van het werk dat hij gedaan had. 3 God zegende de zevende dag en verklaarde die heilig, want op die dag rustte hij van heel zijn scheppingswerk.

4 Dit is de geschiedenis van de hemel en de aarde. Zo ontstonden ze, zo werden ze geschapen.

2. Exodus 12,1-28  Pesachfeest en uittocht uit Egypte

1 De HEER zei tegen Mozes en Aäron, nog in Egypte: 2 ‘Voortaan moet deze maand bij jullie de eerste maand van het jaar zijn. 3 Zeg tegen de hele gemeenschap van Israël: “Op de tiende van deze maand moet elke familie een lam of een bokje uitkiezen, elk gezin één. 

4 Gezinnen die te klein zijn om een heel dier te eten, nemen er samen met hun naaste buren een, rekening houdend met het aantal personen en met wat ieder nodig heeft. 5 Het mag het jong van een schaap zijn of het jong van een geit, als het maar een mannelijk dier van één jaar oud is zonder enig gebrek. 

6 Houd dat apart tot de veertiende van deze maand; die dag moet de voltallige gemeenschap van Israël de dieren in de avondschemer slachten. 

7 Het bloed moeten jullie bij elk huis waarin een dier gegeten wordt, aan de beide deurposten en aan de bovendorpel strijken. 8 Rooster het vlees en eet het nog diezelfde nacht, met ongedesemd brood en bittere kruiden. 9 Het dier mag niet halfgaar of gekookt worden gegeten, maar uitsluitend geroosterd, en in zijn geheel: met kop, poten en ingewanden. 

10 Zorg dat er de volgende morgen niets meer van over is. Mocht er toch iets overblijven, dan moet je dat verbranden. 11 Zo moeten jullie het eten: met je gordel om, je sandalen aan en je staf in de hand, in grote haast. Dit is een maaltijd ter ere van de HEER, het pesachmaal. 

12 Ik zal die nacht rondgaan door Egypte, en ik zal daar alle eerstgeborenen doden, zowel van de mensen als van het vee, en ik zal alle Egyptische goden van hun voetstuk stoten, want ik ben de HEER. 

13 Maar jullie zal ik voorbijgaan: aan het bloed zal ik jullie huizen herkennen, en door dat merkteken zal de dodelijke plaag waarmee ik Egypte straf, jullie niet treffen.

14 Die dag moet voortaan een gedenkdag zijn, die je moet vieren als een feest ter ere van de HEER. Dit voorschrift blijft voor altijd van kracht, alle komende generaties moeten die dag vieren. 15 Eet dan zeven dagen lang ongedesemd brood, en verwijder meteen op de eerste dag alle zuurdesem uit jullie huizen; wie op een van die zeven dagen iets eet dat zuurdesem bevat, moet uit de gemeenschap van Israël gestoten worden. 

16 De eerste en zevende dag zijn heilige dagen die jullie samen moeten vieren. Die beide dagen mag er geen enkele bezigheid verricht worden, jullie mogen alleen het voedsel bereiden dat ieder nodig heeft. 

17 Dit voorschrift blijft voor altijd van kracht. Generatie na generatie moeten jullie het feest van het Ongedesemde brood vieren, omdat ik jullie die dag, in groepen geordend, uit Egypte heb geleid. 

18 Van de avond van de veertiende dag van de eerste maand tot de avond van de eenentwintigste dag van die maand moeten jullie ongedesemd brood eten. 19 Gedurende die zeven dagen mag er geen zuurdesem in jullie huizen te vinden zijn; iedereen die iets eet dat zuurdesem bevat, moet uit de gemeenschap van Israël gestoten worden, of het nu een vreemdeling is of een geboren Israëliet. 20 Eet niets dat met zuurdesem bereid is; eet uitsluitend ongedesemd brood, waar jullie ook wonen.”’

21 Toen riep Mozes de oudsten van Israël bij elkaar. ‘Elke familie moet een lam of een bokje kiezen,’ zei hij, ‘en dat moet worden geslacht als pesachoffer. 

22 Laat ieder daarna een bos majoraantakken nemen, die in de schaal met bloed dopen en het bloed aan de bovendorpel en aan de beide deurposten strijken. Ga dan tot de morgen de deur niet uit, 23 want de HEER zal door Egypte heen gaan om het te straffen. 

Maar ziet hij bij een deur bloed aan de bovendorpel en aan de posten, dan zal hij die deur voorbijgaan, hij zal de doodsengel geen toestemming geven om uw huizen binnen te gaan en u te treffen. 

24 Dit voorschrift blijft voor u en uw kinderen voor altijd van kracht. 25 Ook als u eenmaal in het land bent dat de HEER u zal geven, zoals hij heeft beloofd, moet u dit gebruik in ere houden. 

26 En als uw kinderen dan vragen: “Wat betekent dit gebruik?” 27 antwoord dan: “Wij brengen de HEER een pesachoffer omdat hij de huizen van de Israëlieten voorbij is gegaan toen hij de Egyptenaren strafte; ons heeft hij gespaard.”’ 

Toen knielden de Israëlieten en bogen ze zich diep neer, 28 en ze deden wat de HEER aan Mozes en Aäron had bevolen.

3. Evangelie van Johannes 20,1-18 Opstandingsverhaal

1 Vroeg op de eerste dag van de week, toen het nog donker was, kwam Maria uit Magdala bij het graf. Ze zag dat de steen van de opening van het graf was weggehaald. 2 Ze liep snel terug naar Simon Petrus en de andere leerling, van wie Jezus veel hield, en zei: ‘Ze hebben de Heer uit het graf weggehaald en we weten niet waar ze hem nu neergelegd hebben.’ 

3 Petrus en de andere leerling gingen op weg naar het graf. 4 Ze liepen beiden snel, maar de andere leerling rende vooruit, sneller dan Petrus, en kwam als eerste bij het graf. 5 Hij boog zich voorover en zag de linnen doeken liggen, maar hij ging niet naar binnen. 

6 Even later kwam Simon Petrus en hij ging het graf wel in. Ook hij zag de linnen doeken, 7 en hij zag dat de doek die Jezus’ gezicht bedekt had niet bij de andere doeken lag, maar apart opgerold op een andere plek. 

8 Toen ging ook de andere leerling, die het eerst bij het graf gekomen was, het graf in. Hij zag het en geloofde. 9 Want ze hadden uit de Schrift nog niet begrepen dat hij uit de dood moest opstaan. 10 De leerlingen gingen terug naar huis.

11 Maria stond nog bij het graf en huilde. Huilend boog ze zich naar het graf, 12 en daar zag ze twee engelen in witte kleren zitten, een bij het hoofdeind en een bij het voeteneind van de plek waar het lichaam van Jezus had gelegen. 

13 ‘Waarom huil je?’ vroegen ze haar. Ze zei: ‘Ze hebben mijn Heer weggehaald en ik weet niet waar ze hem hebben neergelegd.’ 

14 Na deze woorden keek ze om en zag ze Jezus staan, maar ze wist niet dat het Jezus was. 

15 ‘Waarom huil je?’ vroeg Jezus. ‘Wie zoek je?’ 

Maria dacht dat het de tuinman was en zei: ‘Als u hem hebt weggehaald, vertel me dan waar u hem hebt neergelegd, dan kan ik hem meenemen.’ 

16 Jezus zei tegen haar: ‘Maria!’ Ze draaide zich om en zei: ‘Rabboeni!’ (Dat betekent ‘meester’.) 

17 ‘Houd me niet vast,’ zei Jezus. ‘Ik ben nog niet opgestegen naar de Vader. Ga naar mijn broeders en zusters en zeg tegen hen dat ik opstijg naar mijn Vader, die ook jullie Vader is, naar mijn God, die ook jullie God is.’ 

18 Maria uit Magdala ging naar de leerlingen en zei tegen hen: ‘Ik heb de Heer gezien!’ En ze vertelde alles wat hij tegen haar gezegd had.